Aantal Hits : 3898  |
Tags : guryanangristteachertesting, ontwikkelingsmogelijkheden, mensenrechtenverklaringen, ontwikkelingsmogelijkheid, onderwijsaangelegenheden, christopherushomeschool, menschheitsentwickelung, mensenrechtenverklaring, volksvertegenwoordiging, arbeiterbildungsschule, ontwikkelingsbehoeften, beslissingsmachinerie, besluitvormingsproces, durcheinandergeschwei, onderwijsinitiatieven, onderwijsinstellingen, reaffectatiecommissie, schijndemocratisering, steinerkleuterklassen, beleidsondersteunend, bovenconstitutionele, concurrentievoordeel, hollandnatlteachcert, levensomstandigheden, onderwijsopvattingen, |
3898 hits In welke mate dient de staat zich te bemoeien met onderwijs en
opvoeding? Deze vraag heeft de geesten beziggehouden, zeker vanaf de
tijd dat de staat het onderwijs ging overnemen van de kerk.
Frankrijk
is ongetwijfeld het land waar deze vraag het scherpst werd gesteld. En
geen enkele Verlichtingsfilosoof heeft die vraag diepgaander behandeld
dan Marie-Jean-Antoine-Nicolas de Caritat, Markies de Condorcet (17 09
1743 - 29 03 1794).
Deze Condorcet is geen onbekende. Naar hem zijn in Frankrijk talloze
scholen, pleinen en straten genoemd. Een opvallende maankrater draagt
zijn naam. Aan zijn geestelijke nalatenschap werd veel lippendienst
bewezen, maar eigenlijk werden zijn ideeën weinig bestudeerd. En
zeker is de huidige Franse republiek veel minder democratisch dan
Condorcet had verhoopt, en bleef het Franse onderwijs veel minder vrij.
crater_condorcet_01.jpg ">http://www.strosurf.com/cidadao/
crater_condorcet_01.jpg
Condorcet over Democratie
Condorcet was een begaafde wiskundige, die zich tijdens
zijn latere
levensjaren ontpopte als de filosoof die poogde om de ideeën van
de Verlichting ingang te doen vinden in de Franse Republiek. Condorcet
werd in 1777 secretaris van de ‘Académie des Sciences’. Voor de
Franse revolutie was hij, naast zijn wiskundig werk, ondermeer gekend
omwille van zijn pleidooien voor de afschaffing van de slavernij en de
gelijkberechtiging van man en vrouw. Toen de Franse revolutie uitbrak
werd hij gekozen als Parijs afgevaardigde in de Assemblée,
waarvan hij secretaris werd. Hij verzette zich krachtig maar zonder
succes tegen de terdoodbrenging van de koning. Condorcet speelde een
centrale rol in de opstelling van de zogenaamde ‘Girondijnse grondwet’
en de bijbehorende mensenrechtenverklaring. Toen de Jacobijnen onder
leiding van Robespierre het overwicht veroverden werd zijn
grondwetsontwerp, waarover rijp was beraadslaagd, vervangen door een
haastig geschreven alternatief ontwerp waartegen hij zich in scherpe
bewoordingen verzette. Er werd een aanhoudingsbevel tegen hem
uitgevaardigd en Condorcet dook onder. Als voortvluchtige schreef hij
zijn laatste groot werk: de ‘Esquisse d'un tableau historique des
progrès de l'esprit humain’. Op 27 maart 1794 wordt hij
aangehouden. Twee dagen later vond hij in zijn cel de dood, onder
omstandigheden die nooit werden opgehelderd.

Standbeeld van Condorcet
in zijn geboorteplaats Ribemont
Het grondwetsontwerp van Condorcet is voor democraten van groot belang.
Condorcet voorzag een representatief systeem, dat echter gebaseerd was
op het principe van de volkssoevereiniteit. In die zin verschilt het
concept van Condorcet grondig van de valse ‘nationale soevereiniteit’
waarop het Belgisch bestel is gegrondvest. Voor Condorcet is het
essentieel dat het volk de invoering kan beletten van wetten die tegen
de volkswil ingaan. In zijn inleiding op het grondwetsontwerp stelt
Condorcet: “...faut-il que pour toutes les lois il soit ouvert au
peuple un moyen légal de réclamation, qui
nécessite un nouvel examen de la loi? Faut-il que le peuple ait
un moyen légal et toujours ouvert de parvenir à la
réforme d’une constitution qui lui paraîtrait avoir
violé ses droits? Faut-il, enfin, qu’une constitution soit
présentée à l’acceptation immédiate du
peuple? (...) nous avons pensé qu’une réponse
affirmative à ces (...) questions était la seule
qui convînt au peuple français, la seule qu’il pût
vouloir entendre...” ( ‘...moet het volk van iedere wet de
herziening kunnen afdwingen? Moet het volk de wettelijke mogelijkheid
hebben om de grondwet te herzien, wanneer het voelt, dat die grondwet
zijn rechten schendt? Moet het volk direct over de grondwet kunnen
oordelen? We hebben geoordeeld dat enkel een bevestigend antwoord op
deze vragen de goedkeuring van het Franse volk kan wegdragen, en dat
het volk niets anders wil horen’ - ref.1, p.341).
Het grondwetsontwerp van Condorcet voorzag dat de
burgers hun
soevereine macht zouden uitoefenen via primaire volksvergaderingen
(‘assemblées primaires) van 450 tot 900 personen (Titre III,
section I, article premier).
Logisch aansluitend hierop voorzag Condorcet dat de grondwet enkel
langs direct-democratische weg, dus via stemmingen in de
‘assemblées primaires’, kon gewijzigd worden: “C’est afin que
le peuple (...) conserve sa souveraineté tout
entière; c’est afin qu’aucun pouvoir contraire à ses
droits ne puisse être établi, même
momentanément; c’est afin que ce consentement donne à ces
lois l’autorité du voeu exprès de la majorité”
(‘Opdat het volk zijn soevereiniteit volledig zou behouden; opdat geen
tegen zijn rechten gekeerde macht zou kunnen ingesteld worden; opdat
een goedkeuring aan deze wetten de autoriteit zou verlenen van een
expliciet uitgesproken meerderheidswens’; ref.1, p.345).

Condorcet
Hoewel Condorcet de productie van gewone wetten en decreten wou
toevertrouwen aan de volksvertegenwoordiging, had hij in zijn
grondwetsontwerp een machtig mechanisme ingebouwd om te voorkomen, dat
wetten tegen de volkswil in tot stand konden komen: de volkscensuur.
Iedere burger kon in zijn ‘Assemblée primaire’ een voorstel
indienen, om een bestaande wet te hervormen of een nieuwe wet in te
voeren (Ttire VIII, article premier). Dit voorstel diende door minstens
50 medeburgers in het Assemblée ondertekend te zijn. Keurde het
Assemblée het voorstel goed, dan werd het ook voorgelegd aan de
andere primaire vergaderingen van het departement. Bleek ook op
departementeel niveau een meerderheid voor de herziening, dan trad een
mechanisme in werking dat de volksvertegenwoordiging verplichtte om het
voorstel in overweging te nemen. Tot op dit punt verschilt het systeem
niet echt van een petitierecht, wat ook in België bestaat en
altijd op een lege doos neerkomt (want de ‘volksvertegenwoordiging’ kan
altijd de petitie naast zich neer leggen). Titel VIII, artikel XXII van
Condorcets ontwerp bepaalt echter: “S’il est décidé
à la majorité des voix dans les assemblées
primaires, qu’il y a lieu à délibérer sur la
révocation du décret, le corps législatif sera
renouvelé, et les membres qui auront voté pour le
décret ne pourront être réélus...”
(‘Indien de meerderheid in de primaire volksvergaderingen beslist dat
de wet moet worden herzien, dan wordt de volksvertegenwoordiging
opnieuw samengesteld, waarbij de leden die voor het aangevochten
decreet hebben gestemd, niet voor herverkiezing in aanmerking komen’).
Met andere woorden: over de herziening van het aangevochten besluit
wordt beslist door een opnieuw samengesteld parlement, waaruit de
voorstanders van het aangevochten besluit zijn verwijderd.
Condorcet voorzag ook de directe verkiezing van de uitvoerende macht
(Section II, article I: “L’élection des membres du conseil
exécutif sera faite immédiatement par les citoyens de la
République dans leurs assemblées primaires” (‘De
leden van de uitvoerende raad worden door de burgers in de primaire
volksvergaderingen rechtstreeks gekozen’ - ref.1; p. 452).
Het grondwetsontwerp van Condorcet is duidelijk democratisch
geïnspireerd. De bepalingen zijn erop gericht om te beletten, dat
tegen de volkswil in wetten en decreten kunnen worden doorgedrukt of
geblokkeerd. De door Condorcet voorgestelde mechanismen zijn te complex
en te weinig direct. Bovendien onderkent hij het belang van de geheime
stemming niet. Maar zijn ontwerp verschilt qua inspiratie fundamenteel
van de elitaire constituties in België en zijn buurlanden, die er
allemaal op gericht zijn om wetten en besluiten te kunnen voortbrengen
die tegen de meerderheidswil van de burgers ingaan.
Alles vatbaar voor herziening
Te noteren valt dat Condorcet zich absoluut verzet tegen de
‘bevriezing’ van de grondrechten. Hij staat wel een verklaring van de
individuele rechten en vrijheden voor, die een ‘puissant bouclier’
(ref.1, p.354) moet vormen tegen alle usurpatiepogingen door
machthebbers. En wanneer we zijn ‘Projet de déclaration des
droits naturels, civils et politiques des hommes’ lezen, dan zien we
hoe relevant deze mensenrechtenverklaring uit 1793 ook nu, 210 jaar
later, nog steeds is. Want artikel IV (“Tout homme est libre de
manifester sa pensée et ses opinions” ‘Iedere mens is vrij
om zijn gedachten en opinies uit te drukken’) zou een schild hebben
gevormd tegen de holocaustcensuurwet; artikel IX (“Tous les citoyens
sont admissibles à toutes les places, emplois et fonctions
publiques. Les peuples libres ne connaissent d’autres motifs de
préférence dans leurs choix, que les talents et les vertus”
- ‘Alle burgers kunnen tot iedere post, functie of openbaar ambt
toegelaten worden. Het vrije volk laat zich bij zijn keuze enkel leiden
door talent en bekwaamheid’) zou alle ‘positieve discriminatie’ op
grond van etniciteit of ras hebben uitgesloten; en artikel XXVI-XXVII (“La
souveraineté est une, indivisible, imprescriptible et
inaliénable. Elle réside essentiellement dans le peuple
entier, et chaque citoyen a un droit égal de concourir à
son exercice” -’De soevereiniteit is één, ondeelbaar,
onvervalbaar en onvervreemdbaar. Ze berust in wezen bij het gehele
volk, en iedere burger heeft een gelijk recht om ze uit te oefenen’)
zou het verbod op directe besluitvorming door het volk onmogelijk
hebben gemaakt. Welnu, het laatste - maar niet het onbelangrijkste -
artikel van deze mensenrechtenlijst luidt als volgt: “Un peuple a
toujours le droit de revoir, de réformer et de changer sa
constitution. Une génération n’a pas le droit
d’assujettir à ses lois les générations futures;
et toute hérédité dans les fonctions est absurde
et tyrannique” - ‘Het volk heeft altijd de mogelijkheid om zijn
grondwet te herzien, te hervormen en te veranderen. Een generatie heeft
niet het recht om de daaropvolgende generaties aan haar wetten te
onderwerpen; en iedere vorm van erfelijkheid inzake functies is absurd
en tiranniek’- Art. XXXIII, ref.1, p.422).
De soevereiniteit van de generaties is een essentieel element van het
democratisch ideaal. Het concept van ‘Natie’, waarop ons Belgisch
systeem berust, omvat in theorie immers ook de voorbije en nog te komen
generaties. Daarmee biedt dit nepconcept een schijngrondslag voor de
stelling, dat iedere welbepaalde generatie toch moet onderworpen worden
aan bepaalde (zogezegd universeel menselijke) beperkingen. Natuurlijk
kunnen de voorbije en te komen generaties geen wetgevende invloed
uitoefenen. Zij worden slechts opgevoerd als dekmantel, om de
bevoogdende rol en de belangen van de elite te maskeren. Wie accepteert
dat er een soort absolute juridische codex moet komen, waaraan ook de
grondwetgever zich moet onderwerpen, neemt impliciet aan dat er een
soevereine elite bestaat die gemachtigd is om zo’n bovendemocratische
codex op te stellen. Zo’n ‘humanitaire’ codex zal in werkelijkheid
altijd de tirannie dienen, hoe humaan, menselijk en antifascistisch de
bewoordingen ook mogen klinken waarin hij is verpakt. Wanneer zulke
zich op absolute moraliteit beroepende ‘mensenrechten’ in
onveranderbare en bovenconstitutionele wetten worden gegoten, zullen ze
altijd de sokkel vormen voor een tiranniek regime. Moraliteit als
zodanig moet niet, en kan niet door de wet worden opgelegd. Ieder
menselijk individu is zelf in zijn diepste aanleg een verschijningsvorm
van het morele, en die diepste aanleg wordt miskend, wanneer men aan de
individuen van buitenaf moraliteit wil opleggen. Die van buitenaf
opgelegde moraliteit is altijd vals, omdat moraliteit per definitie
individueel scheppend menszijn is. Weldoordachte
mensenrechtenverklaringen kunnen als vrije inspiratiebron hun betekenis
hebben. Maar hun autoriteit dient van geestelijke aard te zijn, en mag
geen expliciet juridisch karakter krijgen.
Condorcet over het onderwijs
Condorcet is ook de auteur van de ‘Cinq mémoires sur
l’instruction publique’, dat luidens Coutel en Kintzler (ref.2, p.8)
zeer lang een soort hagiografische behandeling kreeg. Deze teksten van
Condorcet werden bewierookt als dé grondleggende tekst voor het
Franse openbaar onderwijsnet; maar tegelijk werden ze nauwelijks
gelezen. Toch is met name het eerste van deze Mémoires zonder
meer politieke wereldliteratuur. Daarmee bedoel ik niet dat alle
specifieke stellingen in dit geschrift de tand des tijds weerstaan. Dat
is niet het geval. De kracht en de waarde van Condorcets teksten vloeit
voort uit de radicale vrijheidsliefde, mensheidsliefde en
waarheidsliefde waardoor hij werd gedreven.
Condorcet had zelf geen onderwijservaring. Het soort scholen dat hem
min of meer voor ogen stond - met honderd tot tweehonderd scholieren
per onderwijzer - verschilt grondig van wat wij heden ten dage als
aanvaardbaar beschouwen. De tekst van Condorcet is vooral belangrijk
omwille van de principiële gedachtengang die de auteur ontwikkelt
betreffende de verhouding tussen rechtsstaat en onderwijs. En hieruit
blijkt duidelijk, dat Condorcet het onderwijs niet opvat als een
instrument in handen van de staat. Integendeel, Condorcet beschouwde de
menselijke geest als een autonoom opererende macht, die tegenover de
staatsmacht staat, en niet door de staat moet worden opgevoed, maar
integendeel zelf de staat moest inrichten en vorm geven. Het onderwijs
diende ten dienste te staan van het menselijk individu : “Le but de
l’instruction n’est pas de faire admirer aux hommes une
législation toute faite mais de les rendre capables de
l’apprécier et de la corriger” (‘Het doel van het onderwijs
is niet, om de mensen bewondering bij te brengen voor de bestaande
wetgeving. Het doel is, om de mensen toe te laten de wet te beoordelen
en te verbeteren’; ref.2, p.93). Het uitgangspunt moet zijn: een
fundamenteel wantrouwen tegenover iedere vorm van macht. Condorcet
schrijft bijvoorbeeld in het vijfde Mémoire: “En
général, tout pouvoir, de quelque nature qu’il soit, en
quelques mains qu’il ait été remis, de quelque
manière qu’il ait été conféré, est
toujours ennemi des lumières” (‘Over het algemeen is iedere
machtsconcentratie, in wiens handen ook, en los van de manier waarop
die macht werd verworven, altijd en overal een vijand van de waarheid’;
ref.2 p.261). Duidelijke taal, die impliceert dat het onderwijs zich in
wezen buiten de greep van de democratische besluitvorming moet
situeren. Want indien de wetten democratisch tot stand komen, en de
burger geroepen is tot een kritische houding jegens die wetten, dan
moet de burger ook toegang hebben tot een domein dat zich aan
wettelijke regeling onttrekt. De wetten kunnen niet hun eigen bron en
inspiratie gaan regelen, net zoals baron von Munchausen zich niet aan
zijn eigen haar kan omhoogtrekken. Het rechtswezen dient af te wachten
wat de burgers, vanuit hun soeverein ontwikkelde morele inzichten
binnendragen in het democratisch besluitvormingsproces.
Twee fundamentele stellingen van Condorcet dienen in dit verband te
worden genoemd.
Enerzijds dienen de burgers beschermd te worden tegen de
macht die
uitgaat van een monopolie voor het staatsonderwijs. Zo’n monopolie
wordt daarom door Condorcet afgewezen. Integendeel, iedere burger moet
onderwijsinitiatief kunnen nemen en de openbare school concurrentie
kunnen aandoen. In zijn ‘rapport sur l’instruction publique’ schrijft
Condorcet: “Tout citoyen pouvant former librement des
établissements d’instruction, il en résulte pour les
écoles nationales l’invincible nécessité de se
tenir au moins au niveau de ces institutions privées”
(‘Vermits iedere burger vrijelijk eigen onderwijsinstellingen kan
inrichten, zullen de nationale scholen absoluut verplicht zijn om
minstens het niveau van die private instellingen te halen’ ref.2,
p.31). Hoewel Condorcet hierop niet expliciet ingaat, spreekt het
vanzelf dat zo’n concurrentie eerlijk moet zijn, wat impliceert dat
voor gelijke kinderen gelijke geldmiddelen voorhanden moeten zijn. Deze
doelstelling wordt wellicht op de eenvoudigste manier bereikt door de
invoering van een leerbon voor ieder leerplichtig kind, waarmee het
gezin dan het onderwijsinitiatief naar keuze kan helpen financieren.
Anderzijds wijst Condorcet radicaal iedere vorm van
staatsopvoeding
af; de staat moet zich enkel om de civiele opleiding bekommeren.
Condorcet (ref.2, p.82) maakt een treffend onderscheid tussen
‘éducation’ en ‘instruction’, wanneer hij stelt: “L’éducation
publique doit se borner à l’instruction” (‘opvoeding van
rechtswege moet beperkt zijn tot civiele opleiding’). Wat hij met
‘civiele opleiding’ (mijn ad hoc vertaling voor zijn term
‘instruction’) bedoelt maakt Condorcet duidelijk in een ander
geschrift: “...ce qui est nécessaire à chaque individu
pour se conduire luimême et jouir de la plénitude de ses
droits” (‘...wat ieder individu nodig heeft om zijn lot in handen
te kunnen nemen en ten volle van zijn rechten te kunnen genieten’ -
ref.2, p.284). Condorcet levert in zijn eerste Mémoire de
conceptuele basis voor dit merkwaardig onderscheid tussen opvoeding en
‘civiele opleiding’. Hier volgen enkele van zijn argumenten:
* “parce que la différence nécessaire des travaux et
des fortunes empêche de lui donner plus d’étendue”
(‘omdat het verschil in opgenomen taken en lotsbestemming geen verdere
uitbreiding toelaat’ ref.2, p.82). Kort gezegd: individuen verschillen,
en buiten het algemeenmenselijke van de ‘civiele opleiding’ vallen geen
inhouden of onderwerpen meer aan te duiden die redelijkerwijs door
iedereen zouden moeten geleerd worden. Alleen met datgene wat de mens
zou moeten kennen, louter op basis van zijn algemeen burgerschap en los
van zijn particulariteiten, kan de staat zich überhaupt bemoeien.
* “parce qu’alors elle porterait atteinte aux droits des parents”
(‘omdat het onderwijs anders de rechten van de ouders zou schenden’
ref.2, p.84). Condorcet ziet zeer precies, dat de eigenlijke opvoeding
van de kinderen toekomt aan de ouders. De ouders hebben de plicht om
toe te zien, dat hun kind in ieder geval de nodige ‘civiele opleiding’
krijgt. “On commettrait (...) une véritable injustice
en donnant à la majorité réelle des chefs de
famille, et plus encore en confiant à celle de leurs
représentants le pouvoir d’obliger les pères à
renoncer au droit d’élever euxmêmes leurs familles. Par
une telle institution qui, brisant les liens de la nature,
détruirait le bonheur domestique, affaiblirait ou même
anéantirait ces sentiments de reconnaissance filiale, premier
germe de toutes les vertus, on condamnerait la société
qui l’aurait adoptée à n’avoir qu’un bonheur de
convention et des vertus factices. Ce moyen peut former, sans doute, un
ordre de guerriers ou une société de tyrans; mais il ne
fera jamais une nation d’hommes, un peuple de frères” (‘Het
zou een grove onrechtvaardigheid zijn indien men aan de effectieve
meerderheid van de gezinshoofden, of erger nog aan de politieke
vertegenwoordigers van die meerderheid, de macht zou toevertrouwen om
de individuele gezinshoofden van hun opvoedingsrecht te beroven. Men
zou de natuurlijke banden verwoesten, het huiselijk geluk afbreken, en
de gevoelens verzwakken of vernietigen van kinderlijke erkentelijkheid
die de eerste kiem vormt van alle andere deugden. De samenleving zou
veroordeeld worden tot alleen maar conventioneel geluk en
geprefabriceerde deugd. Een maatschappelijke orde van oorlogvoerders of
een maatschappij van tirannen kan men zeker op zulke grondslag
vestigen; maar niet een natie van mensen, niet een volk dat
broederlijkheid kent’ ref.2, p.84-85).
* “parce qu’une éducation publique deviendrait
contraire
à l’indépendance des opinions” (‘omdat
staatsopvoeding onverenigbaar is met de onafhankelijke meningsvorming’
p.85).
* Condorcet voert nog een ander belangrijk argument aan ten gunste van
de onderwijsautonomie. “Les dépositaires de la puissance
publique resteront toujours à une distance plus ou moins grande
du point ou sont parvenus les esprits destinés à
augmenter la masse des lumières (...) l’objet de
l’instruction n’est pas de perpétuer les connaissances devenues
générales dans une nation, mais de les perfectionner et
de les étendre (...) Que deviendrait l’instruction chez
un peuple où il faudrait que le droit public, que
l’économie politique changeassent avec les opinions des
législateurs; où l’on ne permettrait pas d’établir
les vérités qui condamneraient leur conduite; où,
non contents de tromper ou d’opprimer leurs contemporains, ils
étendraient leurs fers sur les générations
suivantes, et les dévoueraient à la honte
éternelle de partager ou leur corrumption, ou leurs
préjugés?” (‘De houders van de openbare macht lopen
altijd min of meer achter... Opleiding moet niet zonder meer
reproduceren wat algemeen gekend is, maar kennis verbeteren en
uitbreiden... Staatsopvoeding wordt een ramp voor het volk, indien het
recht en de politieke economie de opinie van de wetgevers zouden moeten
volgen, indien waarheden die de wetgevers tegen de haren strijken niet
mogen bovengespit worden, indien die laatsten niet enkel hun
tijdgenoten, maar zelfs de toekomende generaties aan hun misleiding en
onderdrukking, aan hun corruptie en hun vooroordelen gaan onderwerpen’
ref.2, p.91-92). In Vlaanderen werden wij door de politieke klasse
opgescheept met onderwijseindtermen die stellen dat wij in een
‘democratie’ leven, wat een flagrante leugen is: wij leven niet enkel
feitelijk, maar ook formeel in een elitocratie. De eindtermen gaan nog
verder; ze eisen ook dat de school morele toewijding aankweekt voor die
zogezegde ‘democratie’. Zo lezen we in de vakoverschrijdende eindtermen
‘opvoeden tot burgerzin’, onder de hoofding “1. Democratische raden
en parlementen” als eindterm 7: “De leerlingen aanvaarden
beslissingen die volgens parlementaire procedures zijn genomen” en
als eindterm 8: “De leerlingen brengen waardering op voor de functie
en de taken van leden van raden (zoals gemeente- en provincieraden) en
parlementen”. Deze eindtermen werden door het Vlaams parlement zelf
goedgekeurd. Dit Vlaams parlement legt dus wettelijk op, dat niet enkel
de aanvaarding van haar beslissingen moet worden aangekweekt, maar ook
nog eens, dat de hele beslissingsmachinerie moet worden ‘gewaardeerd’.
Dat is regelrechte indoctrinatie: een particratisch machtsapparaat
decreteert niet enkel de mentale onderwerping (‘de leerlingen
aanvaarden...’), maar zelfs de positieve ‘waardering’ voor de eigen
machtsuitoefening. Onderwijs dat dit soort leugachtigheden moet
verspreiden, fungeert niet langer als een instrument van emancipatie,
maar als een instrument van misleiding en onderdrukking ten voordele
van de heersende kaste. Dat geldt niet alleen voor het secundair
onderwijs, maar ook voor het wetenschappelijk onderzoek, dat de elite
voor eigen ideologische doeleinden onder een steeds stringentere
controle plaatst: “In België kan een academisch onderzoeker
alleen nog voldoende middelen verwerven als hij resultaatgericht werkt.
In de menswetenschappen, bijvoorbeeld, kom je alleen nog aan de bak als
je zogenaamd beleidsondersteunend werkt. Je telt hoeveel armen er zijn
of hoeveel mensen een internetaansluiting hebben dat soort dingen. Maar
zo dans je natuurlijk naar de pijpen van de politiek en verhoog je je
kennis niet. Op lange termijn is deze evolutie naar directe
toepasbaarheid nefast. Goede ideeën ontstaan namelijk niet op
bestelling. Om een Frans wetenschapsminister te citeren: elektriciteit
is niet ontdekt door het verbeteren van de kaars” (prof. Dirk Van
Dyck, Knack 17 12 03, p.39).
Condorcet heeft ruim twee eeuwen geleden al deze gevaren reeds scherp
onderkend. Zijn waarschuwingen zijn actueel.
Geen schoolplicht
Condorcet vond absoluut niet dat de burgers verplicht moeten worden om
naar school te gaan. De wet dient enkel te garanderen dat iedereen
beschikt over de mogelijkheid tot scholing. Coutel en Kintzler vatten
zijn opvattingen aldus samen: “Condorcet ne conclut nullement
à l’obligation scolaire: il lui suffit que personne ne puisse se
plaindre d’avoir été négligé du fait de la
puissance publique” (‘Condorcet is geen voorstander van
schoolplicht. Voor hem volstaat het dat niemand rechtmatig kan klagen
over verwaarlozing door de openbare macht’ - ref.1, p.27). “Condorcet
ne pense pas à l’obligation scolaire. Il raisonne de
façon juridique et par la négative: il faut et il suffit
qu’aucun citoyen ne puisse se plaindre d’avoir été exclu
de l’instruction” (‘Condorcet denkt niet aan schoolplicht. Hij
redeneert juridisch en in negatieve zin: het is nodig en voldoende dat
geen enkele burger inzake opleiding kan klagen over uitsluiting’ ref.1,
p.314). Zoals in vele andere landen evolueerde ook in Frankrijk het
onderwijs naar de schoolplicht in de tweede helft van de 19de eeuw. In
Frankrijk speelde Jean Macé en zijn in 1866 opgerichte ‘Ligue de
l’Enseignement’ in dit opzicht een grote rol.
Onderwijs en gelijkheid
Volgens Condorcet staat het onderwijs niet in dienst van
één of ander vals gelijkheidsideaal. Het onderwijs dient
niet om te nivelleren. Integendeel: hoe meer onderwijs, hoe meer
uitgesproken de ongelijkheid tussen de individuen zal zijn. Een
individu dat met veel aanleg ter wereld komt, zal zich niet
onderscheiden van een weinig begaafd individu, indien geen van beiden
enige ontwikkelingsmogelijkheid krijgt. Maar indien beiden identieke
uitgebreide ontwikkelingsmogelijkheden krijgen, zal er een groot
verschil ontstaan tussen de hoogbegaafde en de minderbegaafde.
Condorcet denkt nochtans dat het onderwijs een zekere rol te spelen
heeft inzake ongelijkheid. Op de eerste bladzijde van het eerste
Mémoire lezen we: “Il est impossible qu’une instruction
même égale n’augmente pas la superiorité de ceux
que la nature a favorisés d’une organisation plus heureuse. Mais
il suffit au maintien de l’égalité des droits que cette
superiorité n’entraîne pas de dépendance
réelle, et que chacun soit assez instruit pour exercer par
luimême, et sans se soumettre aveuglément à la
raison d’autrui, ceux dont la loi lui a garanti la jouissance”
(‘Zelfs een gelijke civiele opleiding zal het verschil doen toenemen
tussen meer- en minder begaafden. Om gelijkberechtiging te garanderen
volstaat het evenwel dat de feitelijke superioriteit van de ene ten
opzichte van de andere geen feitelijke afhankelijkheid meebrengt, en
dat iedereen voldoende bekwaam is om de eigen rechten uit te oefenen,
zonder zich te moeten onderwerpen aan het oordeel van anderen’ ref.2 -
p.61-62). De civiele opleiding heeft dus als functie om bij de
individuen alle obstakels weg te nemen die hen zouden kunnen hinderen,
om op gelijke wijze van de burgerrechten te kunnen genieten. Niet de
ongelijkheid inzake talenten en bekwaamheden, maar de ongelijkheid in
rechte moet worden bekampt. “Le devoir de la société,
relativement à l’obligation d’étendre dans le fait,
autant qu’il est possible, l’égalité des droits, consiste
donc à procurer à chaque homme l’instruction
nécessaire pour exercer les fonctions communes d’homme, de
père de famille et de citoyen, pour en connaître tous les
devoirs” (‘De samenleving dient, wat het streven naar
gelijkberechtiging betreft, iedereen toegang te geven tot de nodige
opleiding die het mogelijk maakt om in algemene zin als mens, als
gezinshoofd en als burger te functioneren, en de plichten terzake te
kennen’ ref.2 - p.64).
We vinden bij Condorcet dus een opvatting die lijnrecht ingaat tegen de
totalitaire onderwijsopvattingen die anno 2003 in Vlaanderen
overheersen. Geen vals ‘gelijke kansen’-onderwijs, waarbij reële
verschillen inzake talent en bekwaamheid worden ontkend, maar een
onderwijs dat voor eenieder - meer of minder begaafd - naar individuele
autonomie streeft. Geen onderwijs dat de burgers aanpast aan de staat
en aan de overheid, maar een onderwijs dat de individuele
onafhankelijkheid dient. Geen staatsmonopolie, geen schoolplicht, geen
staatscontrole op wie mag lesgeven en wie niet.

Condorcet (1743-1794)
Kort gezegd: Condorcet is een bepleiter van een zelfstandig
geestesleven. Dit wil zeggen dat de staat het geestesleven niet aan
zich mag onderwerpen. Integendeel, het geestesleven stelt zich autonoom
op ten opzichte van de staat en bekritiseert en hervormt voortdurend de
staat. Het geestesleven dient zodanig ingericht te worden dat de
burgers maximaal de mogelijkheid krijgen om zich een zelfstandig
oordeel te vormen over de staat. De autonomie van het geestesleven
dient beschermd te worden tegen de staat.
Democratie volgens Steiner
Rudolf Steiner was in talloze opzichten het tegenbeeld van Condorcet.
Condorcet was van adellijke afkomst, Steiner groeide op in een armoedig
gezin. Steiner bepleitte echter, net als Condorcet, een soort ‘sociale
aritmetica’. Dat betekent dat men in verband met sociale vraagstukken,
fundamentele antwoorden kan bekomen door radicaal conceptueel door te
denken. Condorcet en Steiner waren allebei voorvechters van de
individuele vrijheid.
Over de wenselijkheid van de democratie sprak Steiner zich als volgt
uit:“..herrschen muß in der Zukunft nicht eine Regierung,
sondern die ganze breite Masse des Volkes. Die Regierung muß
regieren und lernen, wie man regiert, wenn tatsächlich die ganze
breite Masse des Volkes herrscht. Die Leute haben sich noch nicht
abgewöhnt, mit dem Ausdruck Herrscher eine einzelne
Persönlichkeit oder Körperschaft zu verbinden. Das ist etwas,
was gründlich aus den Denkgewohnheiten der Leute heraus muß”
(‘...in de toekomst moet niet een regering de heerschappij uitoefenen;
de brede massa van het volk moet heersen. De regering moet regeren en
dat regeren kan ze maar leren wanneer effectief de brede massa van het
volk heerst. De mensen hebben nog altijd de neiging om met het concept
‘heerser’ een individu of een organisatie te associëren. Die
denktrant moet ten gronde veranderen’; GA 331, p.37). “Herrschen
muß heute das Volk, eine Regierung darf nur regieren. Das ist es,
worauf es ankommt. Und damit ist auch gegeben, daß in einem
gesunden Sinne heute die Demokratie notwendig ist. Deshalb habe ich
auch keine Hoffnung, daß man mit den schönsten Ideen etwas
erreichen kann, wenn man sie durch kleine Gruppen verwirklichen will
und wenn man nicht getragen wird von der Erkenntnis und Einsicht der
wirklichen Majorität der Bevölkerung” (‘Vandaag moet het
volk heersen, een regering moet alleen maar regeren. Daar komt het
thans op aan, daarom is in gezonde zin democratie broodnodig. Ik heb
ook geen hoop dat een kleine groep, zelfs met de fraaiste ideeën,
iets kan bereiken indien steun, gestoeld op kennis en inzicht, bij de
echte meerderheid van de bevolking ontbreekt’ GA 331, p.69).

Rudolf Steiner 1861-1925
Steiner heeft zich nog veel duidelijker en systematischer dan Condorcet
uitgesproken over de grenzen, die de democratie aan zichzelf hoort op
te leggen. Steiner omschreef domeinen, waarop de democratie niets te
zoeken heeft: enerzijds het geestesleven, met het onderwijs, en
anderzijds het economische leven. “Wer wirklich Demokratie will, der
kann an deren wahre Begründung nicht anders denken, als daß
er der Selbstverwaltung zuteilt, was diese Begründung durch
Verschmelzung mit dem Rechtsstaat unmöglich macht: das
Geistesleben und den Wirtschaftskreislauf” (‘Wie echt democratie
wil, kan niet anders dan autonomie toekennen aan de levensdomeinen die,
zolang ze met de rechtsstaat versmolten blijven, democratie onmogelijk
maken: het geestesleven en de economische kringloop’ - GA 24, p.219).
Steiner verdedigt een driegeleding van de samenleving. De
rechtsstaat kan maar echt democratisch functioneren, indien die staat
enerzijds het geestesleven vrijlaat en anderzijds ook het eigenlijke
economische leven ongemoeid laat. De ratio achter dit streven is de
eenvoud zelve. Democratie is enkel aangewezen voor die aangelegenheden,
waarvoor de mensen ook realiter als gelijken kunnen handelen. Voor het
geestesleven is dit niet het geval: denken en oordelen zijn per
definitie individueel. Wat het individu denkt en verkiest kan of mag
dus niet van staatswege worden bepaald. Integendeel, een democratie kan
maar zinvol functioneren indien vanuit de autonome bron die het
geestesleven vormt, voortdurend nieuwe ideeën en oplossingen
worden aangeboden. Democratie verwerkt ideeën die van buiten de
democratie worden aangevoerd. Een democratie die poogt om haar eigen
inspiratiebron te regelen, legt zichzelf droog. Anderzijds draait het
economisch leven op zaakgebonden kennis en vrij aangegane
overeenkomsten tussen ondernemers. De bekwaamheid en de ondernemerswil
zijn eveneens persoonsgebonden; ook dit levensdomein kan de staat dus
niet regelen. “Weil die Demokratie kommen muß, wie können
wir sie praktisch verwirklichen? - Die Antwort muß lauten: Nur
dadurch, daß wir sie auf ihren eigenen Boden stellen, und was
nicht demokratisch verwaltet werden kann, was nicht alle Menschen
beurteilen können, das wird nach links und rechts sachlich
abgesondert” (‘Hoe kunnen wij die broodnodige democratie concreet
invoeren? Het antwoord luidt: door ze terug te trekken op haar eigen
domein, en door alles wat niet democratisch kan beheerd worden omdat
niet iedereen het kan beoordelen, naar links en rechts zakelijk af te
snoeren’ - GA 331, p.70).
Democratie diende bij Steiner dus zeker niet het hele maatschappelijke
leven te beheersen. Dat was ook zijn bezwaar tegen de Zwitserse
praktijk op demokratisch vlak: “Durch die Verhältnisse der
neueren Menschheitsentwickelung ist das eigentliche Staatsleben als
solches, das sich eigentlich im Rechtsstaat ausleben sollte, im
wesentlichen verschwunden, und was sich im Staate auslebt, ist
eigentlich ein chaotisches Zusammensein der geistigen Elemente des
menschlichen Daseins und der wirtschaftlichen Elemente. Man könnte
sagen: In den modernen Staaten haben sich allmählich die geistigen
Elemente und die wirtschaftlichen Elemente
durcheinandergeschweißt, und das eigentliche Staatsleben ist
zwischendurch eben heruntergefallen, eigentlich verschwunden. Dies ist
besonders innerhalb der schweizerischen Verhältnisse bemerkbar.
Da haben wir es überall zu tun mit einer in ihren
eigentlichen
Ausgestaltungen unmöglichen, scheinbaren Demokratisierung des
geistigen Lebens und mit einer Demokratisierung des Wirtschaftslebens,
und damit, daß die Leute glauben, dieses scheinbar
demokratisierte Gemisch von Geistesleben und Wirtschaftsleben, das
wäre eine Demokratie.” (‘De mensheid is geëvolueerd naar
verhoudingen zonder echt staatsleven. In de huidige staat treft men een
chaotisch mengsel aan van geestelijke en economische elementen, maar
geen daadwerkelijk staatsleven zoals dat in een rechtsstaat eigenlijk
hoort. Geestelijke en economische elementen zijn in de moderne staat
door elkaar gevloeid, en het eigenlijke staatsleven ertussen is
verzwonden. Dat merk je erg duidelijk in Zwitserland. Daar treft men
overal pogingen aan om schijnbaar het geestesleven en het economisch
leven zogenaamd te democratiseren, en die schijndemocratisering van dit
mengsel van geestesleven en economisch leven houdt men dan voor
democratie’ - GA 339, p.63-64).
Het is bij dit alles van het allergrootste belang om te beseffen, dat
de beperking van de democratie niet anders dan een zelfbeperking
kan zijn: “Die Demokratie muß sich für unfähig
(...) erklären, gerade dann, wenn sie wahre Demokratie sein will”
(‘De democratie moet zichzelf voor onbevoegd verklaren (...) als ze
écht democratie wil zijn’; GA 24, p.206). Er kan geen autoriteit
boven het volk bestaan, die los van de volkswil beperkingen kan
opleggen aan de democratie. Indien zo’n autoriteit voorhanden is,
heerst het volk niet en is van democratie geen sprake. Democratie is
slechts mogelijk indien de burgers het inzicht hebben, dat zij niet op
alle levensdomeinen democratisch moeten ingrijpen. Deze zelfbeperking
is slechts mogelijk indien in het geestesleven of in de cultuur van het
volk deze overtuiging wortel heeft geschoten. Hier ontmoeten we ook de
fundamentele reden, waarom een ‘multiculturele samenleving’ volstrekt
onverenigbaar is met democratie. Slechts een verlichte cultuur kan
samengaan met democratie. In een samenleving waarin door de meesten
autoritaire denkbeelden worden gehuldigd, waarin de meesten
bijvoorbeeld geloven dat de staat welbepaalde religieuze denkbeelden
moet opleggen of bevorderen, kan democratie niet functioneren en zal ze
snel ontaarden. Democratie kan niet formeel, doch slechts geestelijk
gegarandeerd worden.
Het onderwijs, in de breedste zin, behoort volgens Steiner voluit tot
het geestesleven. Dit klinkt in het huidige tijdsgewricht niet
vanzelfsprekend, omdat wij zo gewend zijn aan een door de staat
gekoloniseerd en onderworpen opvoedingssysteem. Maar Steiner stelt
terecht dat échte opvoeding altijd individuele opvoeding is;
opvoeding grijpt plaats wanneer een individuele opvoeder in vrijheid
ingaat op de individuele ontwikkelingsbehoeften van de opgroeiende
mens. Juist door dit individuele karakter van de opvoeding wordt de
inhoudelijke ‘democratische’ regeling contraproductief. In Steiners
woorden: “Was gelehrt und erzogen werden soll, das soll nur aus der
Erkenntnis des werdenden Menschen und seiner individuellen Anlagen
entnommen sein. (...) Nicht gefragt soll werden: Was braucht der Mensch
zu wissen und zu können für die soziale Ordnung, die besteht;
sondern: Was ist im Menschen veranlagt und was kann in ihm entwickelt
werden?” (‘Wat wordt geleerd en hoe wordt opgevoed, moet altijd
afgeleid worden uit de vertrouwdheid met de opgroeiende mens en zijn
individuele aanleg (...) Men moet zich niet afvragen: ‘wat moet een
mens weten en kunnen om in de samenleving te kunnen meedraaien?’. De
juiste vraag luidt: ‘Welke aanleg sluimert in dit individu en hoe komt
die aanleg tot ontwikkeling?’ - GA 24, p.37). “Man
kommt als Erzieher, als Unterrichtender nur zurecht, wenn man in einer
freien, individuellen Weise dem zu Erziehenden, zu Unterrichtenden
gegenübersteht. Man muß sich für die Richtlinien des
Wirkens nur abhängig wissen von Erkenntnissen über
die Menschennatur, über das Wesen der sozialen Ordnung und
ähnliches, nicht aber von Vorschriften oder Gesetzen,
die von außen gegeben werden (...) Der werdende Mensch
soll erwachsen durch die Kraft des von Staat und Wirtschaft
unabhängigen Erziehers und Lehrers, der die individuellen
Fähigkeiten frei entwicklen kann, weil die seinigen in Freiheit
walten dürfen” (‘Als opvoeder en leraar komt men enkel tot
resultaten indien men als vrij individu tegenover het op te voeden en
te onderrichten kind kan staan. Men moet wel rekening houden met
antropologische en maatschappelijke en andere werkelijkheden. Maar men
mag niet gebonden zijn door externe wetten en voorschriften (...) De
opgroeiende mens moet zich kunnen ontwikkelen met de hulp van opvoeders
en leraars die onafhankelijk zijn van de staat en van de economie; de
individuele begaafdheden van het kind kunnen zich enkel vrij
ontwikkelen indien de leraren zelf hun begaafdheden vrij kunnen
inzetten’ GA 24, p.39)
Aspecten
van onderwijsvrijheid
Steiner was net als Condorcet geen traditionele schoolleraar. Hij had
wel ervaring opgedaan als thuisleraar, en als leraar aan een
socialistische Berlijnse avondschool voor arbeiders. Tijdens de laatste
jaren van zijn leven, van 1919 tot 1924, heeft hij de Waldorfschool in
Stuttgart gelanceerd en begeleid. Dat heeft ons enige tientallen
voordrachten op pedagogisch en maatschappelijk vlak opgeleverd, waaruit
we zijn opvattingen over onderwijsvrijheid duidelijk leren kennen.
Opvallend is, dat deze opvattingen nogal eens afwijken van de
ideeën die in reëel bestaande Steinerscholen wordt
aangehangen. Wat verstond Steiner eigenlijk onder onderwijsvrijheid? We
overlopen enige elementen.
a. Vrije schoolkeuze
Steiner verdedigde de opvatting dat het geestesleven volledig los
diende te staan van de staat. De staat dient op het domein van het
geestesleven inhoudelijk niets te regelen en niets op te dringen. De
individuele mens dient enkel van rechtswege over een zekere hoeveelheid
vrije tijd te beschikken om deel te nemen aan het geestesleven (wat
volgens mij het best wordt gerealiseerd door de invoering van een
individueel en onvoorwaardelijk basisinkomen), terwijl de manier waarop
deze tijd wordt gebruikt moet worden vrijgelaten. In dit verband verzet
Steiner zich, net als Condorcet, ook tegen schoolplicht:
“Nicht nur die Hervorbringung, sondern auch die Aufnahme dieses
Geisteslebens durch die Menschheit muß auf dem freien
Seelenbedürfnis beruhen.(...) Den Menschen, die sich
“Lebenspraktiker” dünken, mag bei solchen Gedanken der Glaube
aufsteigen: Die Menschen werden ihre Mußezeit vertrinken, und man
werde in den Analphabetismus zurückfallen, wenn der Staat für
solche Muße sorgt, und wenn der Besuch der Schule in das freie
Verständnis der Menschen gestellt ist. Möchten solche
“Pessimisten” doch abwarten, was wird, wenn die Welt nicht mehr unter
ihrem Einfluß steht. Dieser ist nur allzu oft von einem gewissen
Gefühle bestimmt, das ihnen leise zuflüstert, wie sie ihre
Muße verwenden, und was sie nötig hatten, um sich ein wenig
“Bildung” anzueignen. Mit der zündenden Kraft, die ein wirklich
auf sich selbst gestelltes Geistesleben im sozialen Organismus hat,
können sie ja nicht rechnen, denn das gefesselte, das sie kennen,
hat auf sie nie eine solch zündende Kraft ausüben können”.
(‘Niet enkel de productie, maar ook de opname wat door het geestesleven
wordt voortgebracht, moet in vrijheid kunnen gebeuren (...) Zichzelf
‘realistisch’ noemende mensen zullen algauw gaan denken: mensen zullen
hun vrije tijd aan drank verspillen, en tot analfabetisme vervallen,
wanneer de staat ervoor zorgt dat ze over vrije tijd beschikken, of
wanneer de schoolplicht wordt afgeschaft. Laat die pessimisten eerst
maar eens afwachten wat uit de bus komt wanneer zij niet langer het
heft in handen hebben. Hun opvattingen worden in stilte bepaald door de
manier, waarop zijzelf hun vrije tijd doorbrengen, en door de
aansporing die zijzelf nodig hebben om zichzelf wat ‘ontwikkeling’ te
verschaffen. Van de kracht, die een authentiek vrij geestesleven in het
sociale organisme kan doen ontvlammen, hebben zij geen idee, want
zijzelf kennen enkel de onvrijheid, die niet bezielen kan’ - GA 23,
p.84).
http://www.anthroposophy.com/Steinerwerke/
Steiner-GA23-06.html

Steiner in 1901, als leraar aan de
Berlijnse ‘Arbeiterbildungsschule’
b. Vrij personeelsbeleid voor
scholen
Een van de twijfelachtigste fenomenen in het
onderwijs zijn de
didactische ‘lerarenopleidingen’, die leiden tot het verwerven van
officiële ‘pedagogische bevoegdheid’. Er bestaat heel wat
onderzoek betreffende de effectiviteit van deze opleidingen, en de
globale conclusie lijkt te zijn dat ze niet leiden tot een zichtbare
verbetering van de leerprestaties, eerder integendeel.
http://www.educationnext.org/unabridged/
20021/walsh.pdf
http://www.lexingtoninstitute.org/education/pdf/HollandNatlTeachCert.pdf
http://gsbwww.uchicago.edu/fac/jonathan.guryan/research/GuryanAngristTeacherTesting.pdf
http://www.econ.worldbank.org/files/29919_wps3140.pdf
http://www.russellsage.org/programs/proj_reviews/si/revphillipschin.pdf
Hoewel Steiner zelf een doktoraat bezat, liep hij niet
al te hoog op
met de waarde van diploma’s, en zeker niet met pedagogische
getuigschriften. In een voordrachtenreeks die hij enkele maanden voor
zijn dood hield in Nederland (Arnhem) zei hij in dat verband:“Es hat
immer etwas Bedenkliches, wenn man Examina abgelegt hat; man kann zwar
auch da noch ein leidlich gescheiter Mensch sein, aber man muss es eben
sein, trotzdem man Examina abgelegt hat” (‘Examens afgelegd hebben
heeft altijd een bedenkelijke kant. Men kan dan natuurlijk nog altijd
een behoorlijk snuggere mens zijn, maar dat is dan ondanks het
feit dat men examens heeft afgelegd’). Aansluitend betoogde Steiner,
dat enkel in BadenWürttemberg een Waldorfschool kon opgericht
worden, omdat men enkel in deze Duitse deelstaat nog een wet had, die
geen diplomavereisten voor de leraren oplegde: “..die Waldorfschule,
so wie sie als ein bestimmtes Beispiel für diese besondere, auf
Menschenerkenntnis begründete Pädagogik dastehen soll, war
eigentlich nur in Württemberg möglich, nirgens sonst, weil
dort in dem Augenblick, wo wir die Waldorfschule eingerichtet haben,
noch ein uraltes Schulgesetz herrschte” (de Waldorfschool, als
specifiek voorbeeld van deze bijzondere, op mensenkennis gebaseerde
pedagogie, was eigenlijk enkel in Württemberg mogelijk, en nergens
anders. Want daar had je nog die oeroude schoolwetgeving op het
ogenblik, dat wij de school begonnen’). De huidige ‘Steinerscholen’
zouden, gezien de impact van de diplomacriteria, in de ogen van Steiner
dus zeker niet als ‘Waldorfscholen’ worden beschouwd. Steiner achtte de
stichting van Waldorfscholen dan ook enkel zinvol, indien deze scholen
ingebed waren in een beweging die voortdurend en krachtig streefde naar
een scheiding tussen staat en onderwijs: “Wenn Sie nicht den Mut
dazu bekommen, die Loslösung der Schule vom Staat zu erstreben,
dann ist die ganze WaldorfschulBewegung für die Katz. Denn sie hat
nur einen Sinn, wenn sie hineinwächst in ein freies Geistesleben”
(‘Indien u niet de moed hebt om te ijveren voor de scheiding tussen
school en staat, dan is de hele Waldorfbeweging ten dode opgeschreven.
Want zij heeft slechts zin wanneer zij zich in een vrij geestesleven
kan ontplooien’ - GA 337b, p.117). Duidelijk uitgesproken stellingen,
die echter ontbreken in vele boekjes over Steinerpedagogie.
De lerarenopleidingen en dito diploma’s zijn het belangrijkste wapen
dat de staat gebruikt om het personeelsbeleid binnen de scholen te
controleren. Die controle is in Vlaanderen tijdens de laatste twintig
jaar veel stringenter geworden, in de mate dat je tegenwoordig
nauwelijks nog aan de slag kunt in het onderwijs zonder pedagogisch
diploma. Bovendien hanteert de Vlaamse heersende kaste een volkomen
dolgedraaid onderscheid tussen ‘vastbenoemde’ en ‘tijdelijke’
leerkrachten. De laatsten kunnen door een zogenaamde
reaffectatiecommissie uit een school gegooid worden, om plaats te maken
voor ‘overtallige’ vastbenoemde leraren uit een andere school (recent
werden een aantal leraren uit een joodse school ‘toegewezen’ aan een
Steinerschool). Leraren worden in dit systeem beschouwd als een soort
onderling inwisselbare dummies, puppets on a string die naar
believen door de machthebbers kunnen worden ingezet en verplaatst. Dat
staat natuurlijk volkomen haaks op het hyperindividueel karakter dat
volgens Steiner altijd de waarachtige opvoeding kenmerkt.
c. Geen programma of leerplan
Steiner verzette zich ook tegen de aanwezigheid van een dwingend
leerplan op school. Op Steinerscholen heb ik meermaals de loftrompet
horen steken over de wonderen van ‘hét leerplan’, dat de
objectieve weerspiegeling zou zijn van de leerbehoeften van de mens in
de diverse levensfasen. Dit was niet de mening van Steiner zelf, die er
in sommige opzichten nogal radicale opvattingen op nahield. Zo vond hij
dat kinderen eigenlijk maar rond hun twaalfde levensjaar zouden moeten
leren lezen en schrijven. “Lesen und schreiben, so wie wir es heute
haben, ist eigentlich erst etwas für den Menschen im späteren
Lebensjahre, so im 11., 12. Lebensjahre. Und je mehr man damit
begnadigt ist, kein Lesen und Schreiben vorher fertig zu können,
desto besser ist es für die späteren Lebensjahre “(‘Lezen
en schrijven in zijn huidige vorm is eigenlijk maar geschikt voor
oudere kinderen, van zo’n 11 à 12 jaar. Het is voor iemands
latere leven een zegen, wanneer men niet heeft leren lezen en schrijven
voor die leeftijd’ - GA 31, p.34) Betreffende het onderbrengen van
kinderen in kleuterklassen zei hij, dat men dat “.. eigentlich
nicht tun sollte” (‘..eigenlijk niet hoort te doen’; GA 331,
p.144). Dat men kinderen niettemin ook op Steinerscholen rond het zesde
of zevende levensjaar leert lezen en schrijven, en dat er ook
Steinerkleuterklassen (en tegenwoordig zelfs peuterklassen) bestaan,
heeft praktische, geen menskundige gronden. Over het algemeen schreef
Steiner: “So wie sie vorläufig gedacht ist, wird die
Waldorfschule eine Volksschule sein, die ihre Zöglinge so erzieht
und unterrichtet, daß Lehrziele und Lehrplan aufgebaut sind auf
die in jedem Lehrer lebendige Einsicht in das Wesen des ganzen
Menschen, soweit dies unter den gegenwärtigen
Verhältnissen schon möglich ist” (‘Voorlopig is de
Waldorfschool als een ‘volksschule’ opgevat, waarin de kinderen worden
opgevoed volgens leerdoelen en leerplannen die, in zoverre dat de
huidige omstandigheden dat toelaten, uitgaan van het in elke leraar
levende menskundig inzicht’ - mijn benadrukking; ref.4, p.85). Dat de
Waldorfpedagogie de gedaante aannam van een Duitse Volksschule is dus
eerder een historische toevalligheid. Toch heb ik vaak toevallige
aspecten van die Volksschule (zoals bv. het zaterdagonderwijs, dat
samenhing met de zesdaagse werkweek die in 1919 in Duitsland gold)
horen verdedigen als golden het essentiële elementen van dé
‘Steinerpedagogie’. In wezen had Steiner lak aan leerprogramma’s,
leerplannen en andere generaliserende schema’s; vrijheid is volgens hem
de enige substantie waaruit échte opvoeding bestaat: “Denn
nicht darauf kann es ankommen, innerhalb des gegenwärtigen Systems
Schulen zu gründen, in denen man Surrogate des Unterrichts
schafft, indem man einfach glaubt, den Kurs befolgen zu können,
den ich gegeben habe, sondern darauf kommt es an, daß man das
Prinzip verfolgt auf diesem Gebiet: Freiheit im Geistesleben. Dann ist
mit einer solchen Schule ein Anfang der Dreigliederung gemacht. Rufen
Sie daher in den Leuten nicht falsche Vorstellungen hervor, indem Sie
ihnen den Glauben beibringen, man könne brav in den alten
Verhältnissen bleiben und trotzdem Waldorfschulen gründen,
sondern rufen Sie die Vorstellung hervor, daß in der Schule in
Stuttgart wirklich freies Geistesleben ist. Denn da gibt es kein
Programm und keinen Lehrplan, sondern da gibt es den Lehrer mit
seinem realen Können, nicht mit der Verordnung, wieviel er
können soll” ( ‘Het kan immers niet de bedoeling zijn om
binnen het bestaande systeem scholen op te richten, waarin men
surrogaatonderricht verstrekt in de zin dat men pretendeert gewoon de
door mij gegeven cursus te volgen. Het komt er daarentegen op aan, op
dit domein van het geestesleven het beginsel van de vrijheid te
huldigen. Dan zet men met zo’n school een stapje richting driegeleding.
Maak de mensen niet wijs dat men braafjes binnen de bestaande
verhoudingen Waldorfscholen kan oprichten. Maak daarentegen bekend dat
in de school in Stuttgart vrij geestesleven voorhanden is. Want daar is
geen programma of geen leerplan van kracht; daar heeft men te doen met
leraren die handelen niet vanuit hun officiële, maar vanuit hun
reële bekwaamheden’ - GA 338, p.126; mijn benadrukking). In de
laatste reeks pedagogische voordrachten die Steiner nog gaf, voordat
hij door ziekte werd geveld (gehouden in het Nederlandse Arnhem, in
Juli 1924; GA 310) vindt men nog eens een radicaal pleidooi pro
onderwijsvrijheid: “...was erreicht werden soll, muss auf die
verschiedenste Weise erreicht werden, es handelt sich nie darum,
etwas in äusserlicher Weise vorzuschreiben” (‘..doelen
moeten langs de meest uiteenlopende wegen nagestreefd worden, en nooit
kan het de bedoeling zijn van buitenaf iets op te leggen’ - 5de
voordracht); “...Prinzipien zu geben, man sollte etwas so oder so
machen, das ist immer zu nichts nütze; weil man immer, was man auf
eine Art machen kann, im komplizierten Leben, wenn die Bedingungen dazu
andere sind, auch auf eine andere Weise machen kann. (...)
Pädagogische Anweisungen sollten lediglich darin bestehen, dass
man den Lehrer einführt in die individuelle Entwicklung von diesem
oder jenem konkreten Menschen, ihn also an den anschaulichsten
Beispielen in die Menschenerkenntnis hereinführt”
(‘Voorschriften uitvaardigen is nutteloos. Wat je op de ene manier kunt
realiseren, kan onder andere omstandigheden weer op een andere wijze
bewerkstelligd worden. Het leven is nu eenmaal complex (...)
Pedagogische aanwijzingen kunnen enkel bestaan uit aanschouwelijke
voorbeelden van mensenkennis, waarbij men de leraar inleidt in de
individuele ontwikkeling van deze of gene concrete mens’ - 8ste
voordracht).
Algemeen besluit
Net als Condorcet pleit Steiner voor vrije concurrentie
in het
geestesleven, dus ook in het onderwijs: “...alles, was zum
Unterhalte der geistigen Organisation nötig ist, wird dieser
zufließen durch die aus freiem Verständnis für sie
erfolgende Vergütung von seiten der Einzelpersonen, die am
sozialen Organismus beteiligt sind. Diese geistige Organisation wird
ihre gesunde Grundlage durch die in freier Konkurrenz sich geltend
machende individuelle Initiative der zur geistigen Arbeit fähigen
Einzelpersonen haben” ( ‘...het geestesleven zal de nodige middelen
krijgen van de individuele leden van de gemeenschap, die vanuit inzicht
de nodige vergoedingen zullen bezorgen aan de geestelijke producenten.
Het gezonde fundament voor het geestesleven zijn de individuele
initiatieven, genomen door de individuele mensen die daartoe bekwaam
blijken, en die elkaar vrij beconcurreren’ GA 23, p.127). Steiner gaat,
geheel terecht, uit van het feit dat geestelijke prestaties individueel
geleverd en individueel geapprecieerd worden, dat noch prestatie noch
appreciatie collectief kunnen worden ingericht of opgelegd, en dat
daarom ook de betalingen van individu tot individu dienen te
geschieden.
Om deze gezonde doelstelling te realiseren moet de momenteel bestaande
schoolpiramide volledig worden omgekeerd. Van een structuur, waarbij
bovenaan de minister staat, gevolgd door een laag van inspecteurs,
directeurs en onderwijskundigen, met helemaal onderaan de leraar als
uitvoerder van andermans wil, dient men over te gaan naar een structuur
waarin de school wordt opgevat als een vrije associatie van leraren.
Leerlingen zouden zich per vak bij individuele leraren kunnen
inschrijven.
Bovendien moet iedereen, in vrije concurrentie en onder dezelfde
financiële voorwaarden, een onderwijsaanbod kunnen realiseren. Dat
geldt in eerste instantie voor de gezinnen. Het bestaande
schoolsysteem, dat zich momenteel kan handhaven doordat het een enorm
subsidievoordeel geniet in vergelijking met de gezinnen, moet bewijzen
dat het zich zonder kunstmatig opgelegd concurrentievoordeel kan
handhaven naast individueel onderrichtende gezinnen en naast leraren
die op zelfstandige basis, individueel of in los samenwerkingsverband,
nieuwe onderwijsinitiatieven op poten zetten.
Alle vooroordelen betreffende de effectiviteit van de diverse leer- of
onderwijsmethodes moeten maar eens opzij worden gezet. Het leven is
complex, kinderen verschillen onderling enorm, en de
levensomstandigheden eveneens. Nog eens: “...was erreicht werden
soll, muss auf die verschiedenste Weise erreicht werden” Er bestaat
wellicht één optimale weg om met de wagen van Brussel
naar Antwerpen te reizen. Maar wanneer je de trein of de bus neemt,
zijn weer andere trajecten optimaal. En wanneer je vertrekpunt niet
Brussel is maar wel Gent of Lier, dien je weer andere paden in te
slaan. Cruciaal is niet de weg, maar het streven naar een optimale weg
in een gegeven situatie. Cruciaal is niet het programma of het leerplan
of de richtlijn, maar wel de geest die erin bestaat, om voor ieder
individueel kind de beste weg te zoeken. Er is geen enkele reden om te
geloven dat de staatsschool of de Volksschule het enig mogelijke of
zelfs maar het meest aangewezen kader bieden om onderwijs te
organiseren voor de meeste kinderen. Het is bijvoorbeeld perfect
mogelijk dat een gezin streeft naar een Waldorfgeïnspireerd
thuisonderwijs. Daar zijn ook heel wat concrete voorbeelden van. Het is
perfect mogelijk dat een gezin streeft naar hetzij christelijk, hetzij
islamitisch, hetzij joods Waldorfgeïnspireerd thuisonderwijs. Daar
bestaan ook voorbeelden van; en al die vrije initiatieven zullen
evengoed, en waarschijnlijk een pak beter werken dan enige
staatsgecontroleerde school. Want juist vrijheid, en afwezigheid van
extern opgelegde normen en richtlijnen, vormt de kernvoorwaarde voor
een vruchtbare opvoeding en voor echt efficiënt onderwijs.
http://www.christopherushomeschool.org/
http://www.wehomeschool.org/
http://www.waldorfhomeschoolers.com/
http://www.live-education.com/
http://www.waldorfwithoutwalls.com/
http://groups.yahoo.com/group/WE_HS/
http://groups.yahoo.com/group/CM-Waldorf/
Omdat de vergoedingen op vrije individuele basis naar de individuele
leraren moeten toevloeien, dient het betrokken geld niet vanuit de
politiek verticaal neerwaarts richting scholen en leraren te druppelen.
Het recht op onderwijs voor ieder individueel kind dient integendeel
uitgedrukt te worden in een leerbon die rechtstreeks naar het
gezin van het kind gaat. Het kind dient dus, naast een basisinkomen of
kindergeld voor zijn algemeen levensonderhoud, ook een leerbon te
krijgen, waarmee het gezin volkomen vrij het onderwijs van het kind op
individuele basis kan financieren.
De rol van de rechtsstaat dient zich te beperken tot het scheppen van
een algemeen rechtskader waarbinnen het onderwijs vrij kan
functioneren, zonder inhoudelijke bemoeienis. De regeling van het
basisinkomen- en leerbonsysteem is zo’n opdracht voor de rechtsstaat.
De rechtsstaat kan ook examens inrichten die diploma’s afleveren (want
diploma’s zijn rechtsdocumenten). Welke diploma’s zinnig zijn, in welke
mate en op welke domeinen examens moeten ingericht worden, dient
daarbij te worden bepaald door diegenen die in het onderwijs werkzaam
zijn. Volledig zelfbestuur dient in het onderwijs de norm te zijn. Of
een bepaald diploma moet ingevoerd worden, en wat daarvoor moet gekend
of gekund zijn, moet worden uitgemaakt door diegenen die actief in het
onderwijs werkzaam zijn. Steiner pleitte zeer sterk voor zo’n
doorgedreven afsnoering en verzelfstandiging: “Das Erziehungs- und
Unterrichtswesen, aus dem ja doch alles geistige Leben
herauswächst, muß in die Verwaltung derer gestellt werden,
die erziehen und unterrichten. In diese Verwaltung soll nichts
hineinreden oder hineinregieren, was im Staate oder in der Wirtschaft
tätig ist. Jeder Unterrichtende hat für das Unterrichten nur
so viel Zeit aufzuwenden, daß er auch noch ein Verwaltender auf
seinem Gebiete sein kann. Er wird dadurch die Verwaltung so besorgen,
wie er die Erziehung und den Unterricht selbst besorgt. Niemand gibt
Vorschriften, der nicht gleichzeitig selbst im lebendigen Unterrichten
und Erziehen drinnen steht. Kein Parlament, keine Persönlichkeit,
die vielleicht einmal unterrichtet hat, aber dies nicht mehr selbst
tut, sprechen mit” (‘Opvoeding en onderwijs, waaruit tenslotte al
het geestesleven ontspruit, moet bestuurd worden door wie opvoedt en
onderwijst. Inspraak vanuit de economie, of mederegering vanuit de
staat zijn op dit domein verwerpelijk. Iedereen die onderwijst moet
over de tijd beschikken om het domein van onderwijs en opvoeding mee te
beheren. Op die manier zal dat beheer in overeenstemming zijn met de
reële opvoedingspraktijk. Niemand die niet zelf opvoedt of
onderricht verstrekt moet hier voorschriften uitvaardigen. Geen
parlement, of niemand die wel vroeger maar niet nu in het onderwijs
actief was, moet hier meespreken’ - GA 23, p.10-11). “Erziehende,
die sich nicht bis ins Kleinste hinein und bis zum Größsten
hinauf die Richtlinien selber geben können, [werden] erst dadurch
lebensfremd und unpraktisch (...) Und es ist antisozial, wenn
man die Jugend von Menschen erziehen und unterrichten läßt,
die man dadurch lebensfremd werden läßt, daß man ihnen
von außen her Richtung und Inhalt ihres Tuns vorschreibt”
(‘Opvoeders die zich niet op elk niveau zelf kunnen besturen, worden
juist daardoor levensvreemd en onpraktisch (...) En het werkt
antisociaal wanneer men de opvoeding en opleiding van de jongeren
toevertrouwt aan mensen die levensvreemd worden gemaakt, doordat ze
naar vorm en inhoud van buitenaf geleid worden’ - GA 23, p.12-13).
Toch is het duidelijk, dat zo’n systeem van verzelfstandigd onderwijs
niet permanent kan verordend worden. In een democratische rechtsstaat
moet het soevereine volk over alle aangelegenheden kunnen beslissen.
Onderwijsaangelegenheden zijn geen uitzondering. Dit betekent dat het
zelfstandig functionerende geestesleven, en meer bepaald het
zelfstandig functionerende onderwijs, over het nodige maatschappelijk
krediet en over de nodige morele autoriteit moet beschikken, opdat de
soevereine burgers vrijwillig de voorstellen aanvaarden die vanuit het
geestesleven of de onderwijswereld worden geformuleerd. Anders gezegd:
een zelfstandige onderwijswereld is maar mogelijk indien daarvoor een
stabiele meerderheid bestaat. We kunnen die situatie vergelijken met
andere domeinen waar, als resultaat van de Verlichting, momenteel reeds
de autonomie van het geestesleven wordt geaccepteerd. Voor de meeste
burgers is het heden ten dage vanzelfsprekend, dat de staat geen
godsdienstige overtuiging mag opleggen aan de individuen, of dat de
staat niet de samenstelling moet regelen van de maaltijden die de
gezinnen gebruiken. Aanvaarding van de religieuze of culinaire
autonomie van de individuen, gezinnen en verenigingen is een onderdeel
geworden van onze Westerse cultuur (hoewel men steeds moet bedenken,
dat geen enkele vrijheid ooit als definitief verworven kan worden
beschouwd). In een samenleving waarin op dezelfde wijze daadwerkelijke
vrijheid van onderwijs heerst, zal op dezelfde manier ook deze vrijheid
vanzelfsprekend worden gevonden.
De stabiele overtuiging, volgens dewelke de staat niet onze religieuze
of culinaire voorkeur moet regelen, is een cultureel gegeven.
Cultuur is het geheel van algemeen aanvaarde grondregels die het
samenleven van de mensen regelen. Iedere cultuur wordt ook gekenmerkt
door zelfbestendigende mechanismen. Nietver-lichte culturen, die de
individuen bijvoorbeeld geen individuele vrijheid toestaan op religieus
of culinair gebied, beschikken over allerlei mechanismen van sociale
druk en sociale controle, via dewelke ze zichzelf in stand houden. De
cultuur van de Verlichting is uitzonderlijk, doordat hij zijn eigen
stabiliteit bewerkstelligt, niet door dwang en controle, maar door zijn
superieure menswaardigheid en productiviteit. Niet dwang en controle,
maar de voorkeur die bij de individuen opgeroepen wordt door de
aangeboden vrijheid en ontketende productiviteit, maken de cultuur van
de Verlichting aantrekkelijker dan de retrograde culturen. Daarom is
deze uit het Christendom ontstane, en zich nog steeds moeizaam verder
naar de oppervlakte werkende cultuur van de Verlichting de enig
menswaardige. De cultuur van de Verlichting, belichaamd in individuen
als Condorcet of Steiner, is de enige die een uitgangspunt biedt om
effectief tot een grootschalige emancipatie van het geestesleven te
komen. Zo’n algehele geestelijke emancipatie zou voor de mensheid een
enorme stap voorwaarts betekenen.
Helaas is het ook een stap, die op enorm veel weerstand botst. Want het
is duidelijk, dat de krachten die momenteel het politiek leven
beheersen juist in de omgekeerde richting werken: zij streven ernaar om
de stukjes geestelijke autonomie, die zich reeds naar de oppervlakte
hebben gewerkt, zo snel en zo grondig mogelijk weer te elimineren.
Vrijheid van denken en spreken, vrijheid van vereniging en van pers
staan onder de allerzwaarste druk. Maar dit alles hoeft ons niet af te
schrikken. Zeker, de tegenstanders van de vrijheid hebben de macht van
de staat in handen, zij hanteren de fiscale geldkraan en de megafoon
van de pers.
Maar zij kennen niet de kracht die vrijkomt wanneer de vrijheidswil,
die in de mens sluimert, door inzicht wordt aangeraakt.
Referenties
1. Condorcet “Oeuvres, Tome XII. Nouvelle impression en
facsimilé de l’édition Paris 1847-1849”, Stuttgart:
Friedrich Frommann Verlag 1968
2. Condorcet “Cinq mémoires sur l’instruction publique”
uitgegeven door Charles Coutel en Catherine Kintzler GF-Flam-marion
(1994)
3. Charles Coutel (éd.) (1996) “Politique de Condorcet”
Parijs: Editions Payot & Rivages
De werken van Steiner zijn volgens het nummer van de zogenaamde
Gesamtausgabe (GA) aangegeven. Bv.: GA 23 = ‘Die Kernpunkte der
sozialen Frage’; GA 24 = “Über die Dreigliederung des
sozialen Organismus”; GA 331 = ‘Betriebsräte und
Sozialisierung’ enz.
http://www.rudolf-steiner.de/ga.htm
Proclamation for
the separation of school and state
http://www.sepschool.org/Proclamation/
Declaration of Educational Independence
http://www.homestead.com/wahomeednet/dobson.html
School & State Should Be Separated
www.americasfuture.net/1996/sept96/96-0908a.html
Boeken
http://www.libertybookshop.us/mall/Schooling.htm
|