Witte Werf april 2000

AfdrukkenDemocratie en spiritualiteit: het ultieme mysterie schuilt in de ratio.
Verhofstadt en de paarse democratie
Documenten van de Verlichting (I): het plakkaat van Verlatinge.
Handtekeningactie voor nieuwe verkiezingen in Oostenrijk.
Het republikeins genootschap.
De referenda van 7 maart in Californiƫ
Bericht uit Minnesota.


HET ULTIEME MYSTERIE SCHUILT IN DE RATIO


Paarse tijden, bizarre tijden. Deze regering was een drager van hoop op authentieke vernieuwing. Maar tegelijk wordt zij bemand door zeer conservatieve politieke krachten, waarbij het zwaartepunt wellicht bij de Franstalige socialisten is te vinden. Wat wij momenteel beleven , is vanuit democratisch oogpunt tamelijk dramatisch. Enerzijds wordt de invoering van het referendum op burgerinitiatief op de lange baan geschoven. Anderzijds worden, verpakt als politieke vernieuwing, aan het hoogste tempo een serie hervormingen doorgevoerd, die onder het mom van progressiviteit de verworvenheden van de Verlichting afbreken.
 
De aanval op het vrije denken en het vrije woord lijkt nu wel definitief ingezet. Daarbij treedt, in vergelijking met twintig of dertig jaar geleden, een merkwaardige verschuiving op in de politieke fraseologie. In de jaren zestig leverde het communisme het geijkte vijandbeeld. Wie de heerschappij van het kapitaal en de opkomst van het globale kapitalisme aanvocht, was een communist en moest maatschappelijk worden uitgesloten. Bij uitbreiding werd eenieder die het systeem contesteerde gebombardeerd tot communist, of in het beste geval tot 'nuttige idioot' in dienst van het communisme. In Duitsland kwam er een verbod op verkiezingsdeelname voor de communistische partij en een dito Berufsverbot.
 
De pointe van het hele scenario is daarbij het gegeven, dat het communisme niet het échte alternatief of tegenbeeld vormt van het kapitalisme, maar een schertsalternatief. Het communisme is nooit een gevaarlijke uitdaging geweest voor het kapitalisme. In feite is het communisme een vorm van staatskapitalisme: de productiegoederen zijn niet langer het bezit van privé-kapitalisten, maar bezit van de staat, die op zijn beurt grondwettelijk onder de leiding staat van de communistische partij. Omdat die partij op zijn beurt volgens het leninistische principe van het 'democratisch centralisme' is ingericht, hebben de arbeiders en bedienden in een communistische economie eigenlijk niet langer een verzameling van aandeelhouders, maar een verzameling van hoge partijfunctionarissen als patroon. In die zin is het communisme eigenlijk alleen maar een aberrante en onefficiënte vorm van het kapitalisme.
 
Maar het communisme heeft doorheen de hele twintigste eeuw toch een belangrijke dienende rol vervuld voor het kapitalisme: door te poseren als het enige en ware alternatief voor het kapitalisme, vormde het door zijn feitelijke onaantrekkelijkheid (er zijn nooit grote vluchtelingenstromen van kapitalistische naar communistisch gebieden geweest, altijd was het andersom) en schreeuwende inefficiëntie eigenlijk een permanent argument voor het loutere behoud van het kapitalisme, en tegelijk functioneerde het als een soort muizenval annex sterfput voor allerlei mensen die vol engagement en goede wil wensten te ijveren voor een niet-kapitalistische en menswaardige economie.
 
Toen tien jaar geleden het communistisch stelsel als een vermolmde boom in elkaar zakte, ontstond voor het inmiddels geglobaliseerde kapitalisme de dringende nood aan een opvolger voor het communisme. Er diende een nieuw, en aan de nood der tijden aangepast vijandbeeld tot stand te komen, compleet met een aangepaste fraseologie. De alternatieve vijand werd het fascisme en het racisme, kortom uiterst rechts.
 
Uiterst rechts in Europa weegt intellectueel en politiek niet zwaar. Een figuur als Haider is eigenlijk vooral een soort handige paljas. Hij vormt in geen enkel opzicht een bedreiging voor het globale kapitalisme. Er is trouwens geen enkel fundamenteel verschil te bespeuren tussen het programma en het beleid van de huidige Belgische en Oostenrijkse regeringen. Die Oostenrijkse regering maakt zich niet schuldig aan de wandaden (folteringen, deportaties, bombardementen...) van regimes in landen als Iran, Rusland of Israël, allemaal staten waarmee onze regeringsleiders - met minister Louis Michel op kop - goede maatjes willen zijn. De hele boycot-actie tegen Oostenrijk heeft dan ook niet als bedoeling, om één of ander de kop opstekend fascisme de pas af te snijden. De bedoeling is, om via de fixatie op de stropop Haider preventief het ontstaan van een onafhankelijke en vrije Europees politieke cultuur en menswaardige economie onmogelijk te maken, net zoals vroeger de fixatie op de communistische stropop de ontwikkeling van daadwerkelijke anti-kapitalistische alternatieven onmogelijk maakte. Haider stelt het huidige systeem weliswaar niet consequent in vraag, maar hij past toch niet naadloos in de plannen van de Europese economische en politieke elite, bijvoorbeeld doordat hij luidop verwijst naar het soevereiniteitsverlies van zijn land binnen de Europese constructie. De actie tegen Haider moet aan iedereen duidelijk maken, dat politiek uit de pas lopen absoluut niet wordt geduld: iedereen moet naadloos de marsrichting volgen naar een ondemocratische Europese Superstaat. En tevens is het de bedoeling, om het ondemocratische Europese niveau als een soort morele waakhond en bewaker van maatschappelijke normen te doen aanvaarden.
 

De aanval tegen de burgerlijke vrijheden: berichten van het front

 
De dienaars van het globale kapitalisme streven in eerste instantie de installatie na van een opiniedictatuur. Daarbij geldt het principe, dat een dictatuur des te efficiënter werkt naarmate hij beter verdoken is. De opiniedictatuur bestaat uit twee luiken. Enerzijds is er een actieve campagne om bepaalde opvattingen kost wat kost bij het brede publiek ingang te doen vinden. Het gaat om de instandhouding van het ideologische rookgordijn. Eén voorbeeld is de bewering, dat wij in een 'democratie' leven. Alle politici hebben het voortdurend over 'onze democratie' en de traditionele partijen noemen zich in blok de 'democratische partijen'. De waarheid is dat wij niét leven in een democratie, maar in een particratie. Toch blijven vrijwel alle politici stereotiep spreken over 'onze democratie', en zij worden daarin natuurlijk gesteund door de weldenkende pers. Geen wonder: deze pers ontvangt grootschalige staatsubsidies en de journalisten leven in een soort symbiose met de politieke klasse. Regelmatig komen nieuwe ideologische concepten het jargon versterken. Zo moet de term 'actieve welvaartstaat' het feit verdoezelen, dat wij ondanks de stijgende productiviteit meer en langer moeten werken, om de stroom van rentes en dividenden naar kapitaalbezitters verder te laten aanwassen. Daarnaast bestaat er een actieve campagne om alle streven naar nationale soevereiniteit in Europa, en vooral in Duitsland, te demoniseren. Europa moet zich maar gedachtenloos in het door de USA gedomineerde globale kapitalisme inpassen. Tegelijk moet de bevolking voorbereid worden op de passieve acceptering van de vernietiging van wat nog rest aan Europese cultuur. De staatscontrole op het onderwijs, waarvan de inhoud voortdurend verder wordt getrivialiseerd, wordt voortdurend versterkt. Bijzondere aandacht gaat daarbij naar rassendiscriminatie en xenofobie. Waarom precies deze discriminaties? Waarom bijvoorbeeld niet de discriminatie van de mensen met lage inkomens als zodanig? Het antwoord is eenvoudig: de bekamping van de discriminatie van mensen met lage inkomens stelt het kapitalisme in vraag, terwijl de bekamping van 'racisme' en 'xenofobie' juist het kapitalisme dient, omdat het de lokale particulariteiten en autonomieën bestrijdt en de massale migratiestromen voorbereidt die het globale kapitalisme voor zijn handhaving nodig heeft.
 
De eigenlijke ideologische kern van de opiniedictatuur bestaat in de ontkenning van het individuele, met reden en geweten begiftigde menselijke 'ik'. Meer en meer worden wij, in naam van de politieke correctheid , de emancipatie en het zogenaamde anti-racisme, gereduceerd tot vertegenwoordigers van biologische categorieën. Een van de meest ontstellende maatregelen die nu in de pijplijn zitten, is de mogelijkheid om statistisch materiaal aan te voeren als bewijs voor discriminatie. Indien in uw stad vijftien procent allochtonen wonen, dan moet uw bedrijf ook zowat vijftien procent allochtone werknemers in dienst hebben, moet uw school ongeveer vijftien procent allochtone leraren en leerlingen tellen enz.; zoniet, rust de verdenking van racisme op uw instelling. Dit soort regels impliceert dat mensen moeten gecatalogeerd worden volgens ras of afkomst, en dat men bij het sluiten van bijvoorbeeld arbeids- of huurovereenkomsten met ras of afkomst rekening moet houden om de 'evenwichten' te respecteren. Met andere woorden: deze zogezegd anti-racistische wet verplicht de mensen om elkaar constant door een rassenbril te bekijken. Een belangrijke component van deze ideologische terreur is de permanente en onterechte culpabilisering. Indien men bijvoorbeeld vaststelt dat verhoudingsgewijs veel allochtone leerlingen in het beroepsonderwijs terechtkomen, dan wordt dit automatisch toegeschreven aan een gebrek aan 'kansen' en aan discriminatie. De zeer plausibele mogelijkheid dat deze groep gemiddeld minder genetisch bepaalde intellectuele begaafdheid bezit, wordt nooit onderzocht.
 
Een andere vorm van biologisme die steeds meer de kop opsteekt is de invoering van geslachtelijke quota. De parlementaire werkgroep voor politieke vernieuwing schijnt maar weinig ijver aan de dag te leggen voor de invoering van het referendum. Maar de invoering van het zogenaamde ritsprincipe op de lijsten lijkt een hoge prioriteit te zijn. Ook hier geldt, dat een biologisch kenmerk gebruikt wordt om groepsevenwichten te creëren waaraan de individuen ondergeschikt worden gemaakt. Door de invoering van zo'n biologistische quorums wordt de kans op verkiezing expliciet afhankelijk gemaakt van het geslacht van het individu. De eigenlijke individualiteit, de innerlijke eigenschappen die de basis vormen voor het vertrouwen, worden ondergeschikt gemaakt aan de biologische kenmerken. De geest van deze maatregelen is volkomen retrograad, en werpt ons terug in de diepe Middeleeuwen. Het meest absurde is, dat de voorstanders van zulke maatregelen zich als 'progressief' beschouwen. Om het achterlijk karakter van het biologisme te maskeren wordt het nieuwspraak-vocabularium uitgebreid met een reeks nieuwe termen. Zo spreekt men in verband met de geslachtelijke quorums over 'paritaire democratie'. Beide delen van deze uitdrukking zijn op zich een leugen. Vooreerst bedoelen diegenen die deze term invoeren met 'democratie' eigenlijk 'particratie'. Ook de term 'paritair' is in alle opzichten willekeurig. Ten eerste maakt het feit, dat er evenveel vrouwen als mannen in het parlement zitten, helemaal geen eind aan de gigantische impariteit die bestaat tussen de paar honderd parlementairen, die het monopolie op het wetgevend werk behouden, en de miljoenen burgers - mannen en vrouwen - die de activiteit van die parlementairen machteloos moeten ondergaan. Ten tweede is de geslachtelijke scheidingslijn op zich willekeurig gekozen. Het verschil tussen mensen met een laag inkomen en mensen met een hoog inkomen is eindeloos veel groter dan het verschil tussen mannen met een hoog inkomen en vrouwen met een hoog inkomen. Maar natuurlijk wordt niet naar een inkomenspariteit in het parlement gestreefd. Het idee! De politieke prioriteit van de kamercommissie voor politieke vernieuwing lijkt vooralsnog de installatie van het biologisme te zijn, terwijl echte burgerdemocratie met directe volksoevereiniteit op de lange baan wordt geschoven.
 

De bedreiging van het recht op vrije vereniging

 
Verenigingen die niet de gewenste ideeën of opvattingen koesteren, of die oncontroleerbaar gedachtengoed dreigen te ontwikkelen, worden gediaboliseerd en de vervolging ervan wordt in de steigers gezet. Momenteel richt de aanval zich vooral op extreem-rechtse partijen en op de zogenaamde sektes. Men dient zich geen illusies te maken: het verbod op het Vlaams Blok wordt wel degelijk voorbereid. Door toenemende verscherping van de beperking op de vrije meningsuiting zal het Blok vroeg of laat niet meer aan een veroordeling kunnen ontsnappen, waarna de partijfinanciering zal worden drooggelegd. Dit scenario wordt met grote ijver en verbetenheid voorbereid. Het verbod op het Vlaams Blok zal dienen als precedent voor het verbod op alle mogelijke andere politiek niet-correcte formaties. In Ecolo zijn reeds stemmen opgegaan om de communistische PvdA te verbieden. Maar ook niet-politieke verenigingen komen steeds meer onder vuur te liggen. De sektenvervolging rukt verder op. In Frankrijk heeft deze tendens reeds virulente vormen aangenomen. In Frankrijk is de voorzitter van de Franse sektencommissie, Jacques Guyard, op 21 maart weliswaar veroordeeld omdat hij de antroposofische vereniging zonder enig bewijs als een sektarische organisatie had bestempeld. Het meest typerend is misschien, dat Guyard zich voor zijn uitlating beriep op het 'geheim' karakter van de werking der parlementaire sektecommissie. Het vervolgingsbeleid gaat echter gewoon verder. In Frankrijk werd bijvoorbeeld in december een massale controle-actie, eigenlijk een regelrechte razzia, tegen de 17 aldaar gevestigde Steinerscholen doorgevoerd. Blijkbaar was deze actie bedoeld, om vooralsnog bewijzen te verzamelen voor de beschuldiging die door Guyard was geformuleerd (de aanval die de politieke klasse momenteel richt tegen het vrije denken, het recht op vrije vereniging en het vrije woord , moet over het algemeen in nauwe samenhang worden gezien met de aftakeling van de vrijheid van onderwijs en de academische vrijheid; het middelbaar onderwijs wordt steeds openlijker onderworpen aan de eisen van het bedrijfsleven, en de universiteiten en de academische vrijheid worden in steeds verdergaande mate uitverkocht - zie het interessante artikel van Luc Huyse in De Morgen - 25 maart 2000, p.31). De razzia leverde totaal niets op, maar illustreert ondertussen wel hoe diep de verstrengeling van wetgevende en uitvoerende macht in Frankrijk gaat, en hoe ver de invloed reikt van de in het verborgene opererende verenigingen die ongetwijfeld de inspiratiebron zijn achter het huidige offensief tegen de burgerlijke vrijheden.
 

Een onthullend arrest

 
In België heeft het Arbitragehof op 21 maart de klacht van de Antroposofische Vereniging tegen de oprichting van een 'Informatie- en Adviescentrum inzake schadelijke sektarische organisaties' verworpen en daarbij een arrest geproduceerd, dat tamelijk nauwkeurig de nieuw opkomende vrijheidsbeperkende ideologie weergeeft. Het arrest is in twee fundamentele opzichten onthullend.
 
Vooreerst bevestigt het arrest in wezen de visie van de regering, dat een organisatie officieel 'schadelijk' kan zijn zonder de wet te overtreden. De regering stelde in haar verdediging: "Het komt het Centrum niet toe lijsten of andere systematische overzichten van schadelijke organisaties publiek te maken. Dit belet evenwel niet dat het Centrum op vraag van het publiek informatie verschaft over de, naar haar kennis, schadelijke aspecten van de levensbeschouwelijke of religieuze organisaties die het als schadelijk beschouwt. Het begrip 'schadelijk' verwijst naar de definitie bepaald in artikel 2 van het amendement. Het Centrum zal eveneens voor het publiek het aanspreekpunt vormen. De burger die informatie wenst over de schadelijke sektarische organisaties of het slachtoffer van de praktijken van dergelijke organisaties is moet met zijn vragen bij een centraal punt terecht kunnen". Met andere woorden: het 'Informatie- en adviescentrum zal ten overstaan van informerende personen wel degelijk laten weten welke organisaties het als schadelijk beschouwt en waarom. Het deelt dus officiële 'labels' uit, zonder dat hiertegen enige vorm van beroep mogelijk is. Van staatswege wordt dus een limbo ingesteld van activiteiten en organistievormen, die weliswaar niet onwettig doch wel 'gevaarlijk' zijn.
 
Ten tweede: het Arbitragehof gaat zelfs nog een stap verder door het officiële begrip 'gevaarlijke opinie' in te voeren. In het arrest luidt het: "Het Centrum kan enkel het publiek op preventieve wijze informeren over de activiteiten van een vereniging, zodat het met kennis van zaken de opinies die gevaarlijk kunnen zijn, maar die vrij geuit worden door een dergelijke vereniging, kan beoordelen".
 
Kunnen opinies gevaarlijk zijn? Het antwoord kan om principiëel logische redenen alleen maar negatief zijn. Het denkbeeld dat opinies gevaarlijk kunnen zijn impliceert het voorhanden zijn van een soort hogere opinie of meta-opinie, van waaruit men dan de 'gewone' opinies in gevaarlijke en ongevaarlijke kan onderscheiden. Natuurlijk bestaat zo'n niveau van meta-opinies niet: het vrije denken is voor zichzelf de enige en niet verder herleidbare toetssteen. Het vrije denken van de mensen produceert voortdurend opvattingen, opinies en ideeën, die met elkaar in de clinch gaan; en uit deze vrije, chaotische strijd ontstaan weer nieuwe opvattingen, meer en meer met waarheid aangereikt naarmate de strijd heviger en vrijer is. Aan dit proces is niets gevaarlijks; het is integendeel de onderdrukking ervan die gevaren oplevert (en tevens de menselijke waardigheid aantast).
 
Het is, om een realistisch voorbeeld te nemen, helemaal niet gevaarlijk om te beweren, dat AIDS geen virale aandoening is. Wat wel gevaarlijk kan zijn, is de onwettige uitoefening van de geneeskunde op basis van deze overtuiging. Dan gaat het niet meer om opinies, maar om medische handelingen. Een democratische samenleving kan perfect opleggen, dat voor bepaalde handelingen een bepaalde bevoegdheid moet bewezen worden. Het zijn dan echter de handelingen, en niet de opinies, die gevaarlijk kunnen zijn en geregeld moeten worden. Iemand die zich als arts voordoet en op basis van de vermelde opinie iemand een AIDS-besmetting bezorgt, kan heel goed vervolgd worden, maar niet om zijn opinie als zodanig, doch wel omdat hij onwettig de geneeskunde beoefent. En een erkend arts die hetzelfde doet, kan voor een beroepsfout vervolgd worden. De opinie als dusdanig, geventileerd in bijvoorbeeld een wetenschappelijk tijdschrift, is niet gevaarlijk. De betrokken onderzoeker zal het wellicht moeilijk hebben om zijn opinie in het vrije debat te laten standhouden, maar dat is juist de kracht van het Vrije Woord: dat het verkeerde of foute opinies op termijn uitwiedt. Problematisch en gevaarlijk kan het pas worden, wanneer men met de opinies bepaalde handelingen gaat verbinden. Handelingen kunnen gevaarlijk zijn, opinies als zodanig nooit. En wetten kunnen handelingen verbieden, maar geen opinies. Sektes kunnen, evengoed als andere organisaties, overgaan tot onwettige handelingen zoals vrijheidsberoving, onwettige uitoefening van de geneeskunde, diefstal of fiscale fraude. En sektes die zich aan zo'n onwettige praktijken overgeven kunnen eventueel als 'gevaarlijk' worden beschouwd, net als supportersclubs , commerciële bedrijven of politieke partijen die hetzelfde doen. De term 'gevaarlijk' drukt dan uit, dat de organisatie en haar leden zich voortdurend aan wetsovertredingen schuldig maken. Maar de 'opinies' of doctrines van de sekte als zodanig, los van enige daad, kunnen niet vanuit enig objectief hoger standpunt het label 'gevaarlijk' toegediend krijgen. Dit blijkt ondermeer uit het feit dat bijna alle belangrijke opvattingen die we nu als vanzelfsprekend beschouwen (heliocentrisme;de noodzaak van vrij wetenschappelijk onderzoek; vrije meningsuiting...) ooit als 'gevaarlijk' werden betiteld (Galileï, Vesalius, Voltaire...). Natuurlijk zijn ook vele als gevaarlijk beschouwde opinies nu verdwenen. Maar ze verdwenen omdat ze in de strijd tussen de ideeën als verkeerd werden ontmaskerd.
 
Het Arbitragehof is blijkbaar een andere mening toegedaan. Het meent dat een staatsinstelling op één of andere miraculeuze wijze wel degelijk toegang heeft tot een hoger waarheidsniveau, dat toelaat om de onder de burgers circulerende opinies 'objectief' te verdelen in gevaarlijk of ongevaarlijk, schadelijk of onschadelijk. Hierdoor heeft het Arbitragehof principieel de idealen van de Verlichting verlaten en voor de autoritaire staat en de gedachtenpolitie geopteerd. Hoe irreëel het standpunt van het Arbitragehof is, blijkt reeds uit de bemanning van het Centrum, dat volgestouwd wordt met leden van katholieke, vrijzinnige en skeptische organisaties, die nu met de wet en de subsidiegelden in de hand hun ideologische concurrenten kunnen bestoken. Vermits het Centrum in wezen bevolkt wordt door mensen uit de Kerk en uit de loges, waarbij voor de rest natuurlijk zorgvuldig is rekening gehouden met de 'politieke evenwichten', kan men gemakkelijk raden welke opinies 'gevaarlijk' zullen geacht worden.
 
In werkelijkheid gaat het bij de sektenbestrijding niet om de bescherming van de burgers, maar wel om de installatie van gedachtencontrole. De Antroposofische Vereniging beriep zich bij haar verzet tegen de wet op het gelijkheidsbeginsel, in de zin dat enkel levensbeschouwelijke verenigingen met een preventief agerend centrum worden bedacht, terwijl andere organisaties niet op dezelfde wijze worden behandeld, terwijl nergens is aangetoond, dat het levensbeschouwelijk element als zodanig bijdraagt aan de vermeende gevaarlijkheid der sekten. Het Arbitragehof heeft ervoor gekozen, om dit bezwaar eenvoudig naast zich neer te leggen, zonder verantwoording. In het Arrest heet het: "Het kenmerkende van schadelijke sektarische organisaties is dat zij (...) een levensbeschouwelijk of godsdienstig doel hebben of minstens pretenderen een zodanig doel te hebben en zich in hun organisatie of in hun praktijken overgeven aan de vermelde schadelijke onwettige activiteiten. Precies het echt of vermeend levensbeschouwelijk of religieus karakter van die organisaties lijkt hen aantrekkelijk te maken voor een deel van de bevolking en verklaart dan ook de bijzondere bezorgdheid waarop de bestreden wet beoogt te antwoorden. Het onderscheid tussen de schadelijke sektarische organisaties en andere schadelijke organisaties berust aldus op een objectief criterium en kan in redelijkheid niet voor onverantwoord worden gehouden". Maar het aangevoerde middel had helemaal geen betrekking op het feit dat het onderscheid tussen sektarische organisaties en andere organisaties niet objectief kon worden vastgesteld. Evenmin werd beweerd, dat het levensbeschouwelijke of religieuze aspect voor een deel van de bevolking geen aantrekkelijk element kan zijn. Het aangevoerde middel betoogde, dat bijkomende schadelijkheid door het levensbeschouwelijk of religieus karakter van een vereniging nergens werd aangetoond. Er zijn bijvoorbeeld organisaties die door hun sportief, politiek of paramilitair karakter extra aantrekkelijk zijn voor een deel van de bevolking. Men zou bijvoorbeeld kunnen stellen, geheel in de logica van de regering en het Arbitragehof, dat het sportief karakter van supportersverenigingen hen aantrekkelijk maakt voor een deel van de bevolking, en dat dit sportief karakter bovendien een objectief criterium vormt dat hen onderscheidt van andere verenigingen. Vermits bepaalde sportverenigingen schadelijk kunnen zijn zou , indien het gelijkheidsbeginsel ernstig wordt genomen, ook voor hen een Informatie- en Adviescentrum moeten worden opgericht. Indien voor supportersclubs en hooliganbendes niet zo'n Centrum wordt opgericht, en tegelijk niet wordt aangetoond waarom nu precies een levensbeschouwelijke (in tegenstelling tot bv. een sportieve) dimensie meer gevaar produceert, dan moet worden besloten dat wel degelijk het levensbeschouwelijke als zodanig geviseerd wordt. Nergens werd een studie gemaakt, waaruit bijvoorbeeld blijkt dat sekten meer doden , zieken, drankmisbruik enz. teweegbrengen dan sportverenigingen (of wat voor andere verenigingen dan ook).
 
Gedachtencontrole dus. Het vonnis van het Arbitragehof roept bijgevolg dringend de vraag op die gesteld werd in L'Express' (27 januari 2000, p.86): "Déjà, sous la pression des affaires, en Italie et en Grande-Bretagne, magistrats et policiers doivent déclarer leur appartenance à une loge. Une perspective inacceptable pour les 110.000 maçons français, viscéralement attachés à la culture du secret" ('Onder druk van de schandalen moeten in Italië en Groot-Brittannië de magistraten en politieambtenaren reeds hun lidmaatschap van een loge bekendmaken. Een perspectief dat onaanvaardbaar is voor de 110.000 Franse loge-leden, die krampachtig vasthouden aan hun cultuur van geheimhouding'). Zeker, het behoort tot de kern van een rechtsstaat dat er vertrouwen is in het gerecht. Maar hoe kan er vertrouwen zijn, wanneer men weet dat het parlementslid en de rechter wellicht behoren tot hetzelfde geheim genootschap waarmee de klager in de clinch gaat? De bekendmaking van de ideologische lidmaatschappen van parlementsleden en rechters zou een essentieel onderdeel moeten vormen van de openbaarheid van bestuur.
 

Het wonder van de Verlichting

 
De repressieve kramp die momenteel doorheen onze samenleving trekt is gericht tegen de verworvenheden van de Verlichting. Het is daarom nodig, om de kern van deze verworvenheden in alle klaarheid te herkennen. Deze kern is ten gronde spiritueel. Wat in de Verlichting aan de oppervlakte doorbrak, en zich doorheen alle mogelijke revoluties en menselijk lijden een weg naar het bewustzijn baande, is de kiem van een spiritueel mensbeeld. Het gelijkheidsbeginsel, waarop de verwerping van de absolute monarchie en de onderschrijving van het democratisch ideaal stoelt, kan immers nooit gegrond zijn op een materialistische mensvisie. In lichamelijk opzicht zijn mensen verschillend. Sommigen beweren dat deze verschillen 'klein' en daarom in juridisch opzicht verwaarloosbaar zijn, maar deze bewering is gratuit, omdat er geen onafhankelijke maatstaf bestaat om binnen het fysieke werkelijkheisdomein een verschil als 'objectief groot' of 'objectief klein' te bestempelen. Mensen vertonen wel degelijk verschillen inzake vermogens en bekwaamheden, die maatschappelijk zeer relevant kunnen zijn.
 
Het Verlichtingsideaal gaat er echter van uit, dat deze verschillen niet het eigenlijke menszijn raken. Met andere woorden: mensen hebben verschillen, maar mensen zijn gelijk. En de vraag naar wat in de mens precies gelijk is, leidt tot het spirituele. Het is voor het onbevooroordeelde menselijke denken onmiddellijk duidelijk dat de werkelijkheid niet herleidbaar is tot het materiële aspect ervan , zoals dat wordt beschreven door de natuurwetenschappen. We hebben namelijk onmiddellijk kennis van een aspect van de werkelijkheid dat door geen enkele natuurkundige of scheikundige wet wordt voorspeld, te weten het bewustzijn als zodanig. Het bewustzijn is ons onmiddellijk gegeven, en komt vòòr alle kennis omtrent de stof, want het bewustzijn is juist een bestaansvoorwaarde voor iedere kennis. Wanneer we dit bewustzijn onder de lens van ons denken leggen, ontdekken we dat onthechte aandacht de verschijningsvorm is van het bewustzijn die vereist wordt voor de verwerving van alle mogelijke vormen van kennis en inzicht. Wil de aandacht inderdaad op de verwerving van waarheid zijn gericht, dan dient hij onthecht te zijn van begeerte en uit te gaan van een morele optie, namelijk de optie voor de waarheid. Goethe heeft dit punt zeer scherp gezien: "In der Naturforschung bedarf es eines kategorischen Imperatives so gut als im sittlichen; nur bedenke man, daß man dadurch nicht am Ende, sondern erst am Anfang ist" ('In het natuurkundig onderzoek heeft men ook en categorische imperatief nodig, evengoed als op zedelijk domein. Men bedenke evenwel, dat men dan aan het begin en niet aan het einde van de wetenschappelijke activiteit staat'- Maximen und Reflexionen 574). Wanneer we de onthechte aandacht op de andere mens richten, neemt deze de bijzondere vorm aan van nog ongedifferentieerde betrokkenheid. De aandacht kan niet anders dan zich metamorfoseren in betrokkenheid, wanneer zij op de andere mens is gericht en het eigenlijk menselijke in die andere mens daadwerkelijkheid in het visier krijgt. Dat is een feit dat wij, met ons denken als waarnemingsorgaan op het verschijnsel aandacht gericht, objectief kunnen vaststellen. Het is deze ongedifferentieerde betrokkenheid, die enerzijds de kern van het menszijn en van de menselijke moraliteit uitmaakt en anderzijds de objectieve grondslag vormt voor het gelijkheidsideaal. Betrokkenheid is de eigenlijke substantie waaruit een samenleving bestaat: betrokkenheid is sociaal kapitaal. Betrokkenheid als zodanig bestaat slechts onder één vorm, net zoals er slechts één soort wit is (daarom bestaat er - zoals Wittgenstein opmerkte - geen doorschijnend wit glas op dezelfde wijze, als er bv. doorschijnend rood of groen glas bestaat; wit als zodanig laat geen nuances toe). De mens heeft een lichaam, gewoontes, een karakter... maar hij is betrokkenheid. De kern van ons wezen is onze allerindividueelste betrokkenheid op de ander.
 
Het niveau waarop mensen gelijk zijn - het niveau van de betrokkenheid - is enerzijds onstoffelijk, maar anderzijds mits enige inspanning toch voor de rede en voor het denken volkomen transparant. We kunnen al denkend tot dit niveau doordringen met behoud van een moderne, objectiverende en wetenschappelijke geestesgesteldheid. Dat is het uitgangspunt voor een rationele en sociale spiritualiteit: het mysterie dat wij met de ratio de grondslag voor de menselijke gelijkheid in het visier kunnen krijgen. Het is precies omwille van het feit, dat de meeste mensen hiertoe reeds spontaan en louter intuïtief tot op zekere hoogte in staat zijn, dat het concept van de met rede en geweten begiftigde mens zich heeft kunnen vestigen. In het recht maken we een onderscheid tussen 'schuldig' en 'niet schuldig', en we houden rekening met elementen als 'niet toerekeningsvatbaar' of 'verminderd toerekeningsvatbaar'. We gaan er dus van uit dat de mondige mens normaliter toegang heeft tot een gemeenschappelijk niet-stoffelijk domein, namelijk de met gedachten doorweven betrokkenheid. Zonder deze premisse zijn objeciviteit, recht en democratie eigenlijk ondenkbaar.
 
De aanval die zich momenteel ontplooit tegenover de waarden van de Verlichting, heeft als bijzonder kenmerk dat hij alleen maar kan afgeslagen worden door zich uitdrukkelijk op het bovengaande te steunen en het rationeel inzicht in de eigenlijke wezenskern van de mens consequent te cultiveren. Daarin verschilt de huidige aanval op de vrije samenleving tamelijk fundamenteel van het vorige offensief tegen de Verlichting, dat met het nazisme zijn hoogtepunt bereikte. Het nazisme was gebaseerd op een volle erkenning van de fysieke verschillen die mensen onderling vertonen, gecombineerd met een ontkenning van de niet-materiële of spirituele zijde van de mens. De individuele mens werd dus gereduceerd tot het exemplaar van een ras. Het huidige biologisme is gebaseerd op een gedeeltelijke ontkenning van de fysieke verschillen tussen de mensen, om op basis hiervan een soort pseudo-spirituele mensvisie door te voeren: er wordt gestreefd naar gelijkheid - en gelijkheid is zoals we zagen op zich een spiritueel begrip -, maar deze gelijkheid wordt niet op spirituele grondslag gevestigd maar op basis van een valse fysieke gelijkheid. Tegenover het nazisme volstond het om in algemeen-menselijke zin beroep te doen op het spirituele karakter van de mens, op zijn intrinsieke waardigheid die iedere fysieke dimensie oversteeg en als zodanig niet verder moest gespecifieerd of gediversifieerd worden. Tegenover het biologisme, dat daadwerkelijk als de hogere , schijnbaar meer beschaafde maar ten gronde veel gevaarlijker opvolger van het nazisme moet beschouwd worden, kan slechts weerstand geboden worden indien men wel binnen het spirituele domein langs puur rationele en objectief-denkende weg vermag te diversifiëren. We kunnen nu niet meer volstaan met een spontane intuïtieve aanraking van het begrip 'menselijke gelijkheid', doch we moeten bewust de natuur van de grondslag voor de menselijke gelijkheid in het oog vatten, om het authentieke gelijkheidsbegrip van valse opvattingen omtrent gelijkheid te kunnen onderscheiden. Dit betekent dat de politicus van de 21ste eeuw een aanzienlijke meditatief-denkende inspanning moet leveren, om voor zijn geestesoog nauwkeurige beelden te vormen over wat nu eigenlijk menselijk zelfbewustzijn, menselijk denken en menselijke aandacht en betrokkenheid zijn, en hoe deze werkelijkheden relateren tot rechtscreatie en democratie. Tegelijk moeten we de ongelijkheden die op fysiek vlak tussen mensen bestaan frontaal leren kennen en erkennen, niet om er rechtsverschillen op te grondvesten, maar precies om de biologistische rechtsverschillen die nu worden ingevoerd te kunnen bekampen.
 

Aan de verre horizont: de daadwerkelijke democratie

 
Wat is democratie? Een democratie komt tot stand, wanneer het volk daadwerkelijk soeverein is, en daadwerkelijk bij alle belangrijke aangelegenheden het laatste woord heeft. We moeten niet geloven, dat met de invoering van het beslissend referendum op burgerinitiatief effectief een levend democratisch regime is ingesteld. Door de invoering van het bindend referendum op volksinitiatief wordt de democratie formeel ingevoerd. Niet meer of niet minder. De invoering van het beslissend referendum op burgerinitiatief is , logisch en feitelijk gezien, de onvermijdelijke tussenstap om tot levende democratie te komen. Met de invoering van het referendumrecht wordt het principe van de volksoevereiniteit ingesteld. Slechts wanneer de burgers bij het wetgevend werk structureel het laatste woord hebben, kan van democratie sprake zijn. Zolang dit punt niet is gerealiseerd, leven wij niet in een democratie doch in een particratie.
 
Een levende democratie ontstaat pas, wanneer de (nog in te voeren) formele democratie wordt gebruikt om te komen tot een situatie van feitelijke soeveiniteit. Het volk zal, na de invoering van een formele directe democratie, langs de ontstane democratische weg nog de wetten moeten maken die gaandeweg tot steeds diepere levende democratie leiden. Zo moet bijvoorbeeld een weg gevonden worden naar volledige vrije meningsuiting en volledige vrijheid van vereniging.
 
De bekroning van die ontwikkeling zal echter pas worden bereikt, wanneer de monetaire kreditering zal gedemocratiseerd worden. Het belangrijkste type van besluitvorming, namelijk de beslissingen over wie krediet krijgt om welke ondernemingen (in de algemeenste zin) op touw te zetten, ligt momenteel volledig buiten het bereik van de bevolking. Het zijn bankiers en andere financiers die eigenlijk bepalen, hoe onze samenleving, onze landschappen, en onze productenkorven aan goederen en diensten eruit zien. Het bolwerk van de anti-democratie situeert zich in het financiële domein. Het zijn de bankbesturen en grootgeldbezitters, die via de verlening van krediet bepalen welke nieuwe economische en maatschappelijke activiteiten en doelstellingen een kans krijgen. Dat moet veranderen. Sommige banken, zoals de Triodosbank, doen reeds enige oefeningen in die richting, maar we moeten beseffen dat het hier pas om de allereerste schemering gaat die een nog verre dageraad aankondigt. De directe democratie waarvoor wij nu ijveren is slechts de onontwijkbare toegangspoort tot een nog radicale vorm van democratie die in de toekomst verscholen ligt, als het zaad in een nog onrijpe vrucht.




VERHOFSTADT EN DE PAARSE DEMOCRATIE

 
In het februari-nummer van 'Liberaal Reveil' (blad van de nederlandse VVD) verscheen onder de titel 'De toekomst van de Vrijheid' een opmerkelijk artikel van premier Verhofstadt. Hierin spreekt de Eerste Minister zich opnieuw uit voor de invoering van het referendum op volksinitiatief:
 
"Me dunkt dat er vooral op het politieke vlak nog een hele weg valt af te leggen. Aan zichzelf overgelaten is de vrije markt alleen een karikatuur van het liberalisme. En er enkel op basis van de vrije markt van uitgaan dat we in een liberale wereld leven, is een fata morgana. Ook het politieke werk moet worden voortgezet. Onze visie op de staat, de overheid, de democratie is in deze tijd, op de rand van twee eeuwen dringend aan bijstelling en uitvoering toe. Want op dat vlak staan we nauwelijks verder dan twee-, driehonderd jaar geleden, ten tijde van Montesquieu.
 
Het is op dit punt dat de liberale partijen thans het verschil kunnen maken. Het komt erop aan nieuwe wegen in te slaan en naast het economische liberalisme ook een vernieuwd politiek liberalisme uit te tekenen. Een politiek liberalisme dat naar mijn inzichten de democratie moet omvormen tot een evenwichtig, uitgebalanceerd geheel van democratische instrumenten die elkaar aanvullen en die zowel aan het volk als aan de burgers, zowel aan de meerderheid als aan het individu de mogelijkheid verschaffen daadwerkelijk te participeren aan het maatschappelijk leven en het politiek besluitvormingsproces. Deze nieuwe democratie zal én een parlementaire èn een referendumdemocratie zijn. Een democratie ook die bij meerderheid beslist en een democratie die aan elke burger het recht geeft een meerderheidsbeslissing gerechtelijk aan te vechten (Constitutioneel Hof)".
 
Uit hetzelfde artikel blijkt ook dat onze premier compleet blind lijkt te zijn (of voorwendt te zijn) voor de massieve aanval, die momenteel tegen de klassieke burgerlijke vrijheden wordt opgezet. Hij schrijft namelijk, terwijl onder zijn ogen de vrijheid van spreken, van vereniging en van onderwijs aan hoog tempo worden uitgehold: "Aan de fundamenten van de vrije markt, de vrije onderneming en de politieke rechten en vrijheden wordt door niemand meer getornd". Toch ziet Verhofstadt het globale kapitalisme wel aan het werk: "Er is de stille, maar ingrijpende verschuiving van de oude staatsmacht naar internationale en supranationale instellingen" en: "De 'Weltmarkt' is er al. De 'Weltgeist' moet nog komen. De kloof tussen de economische en de politieke wereldorde moet worden overbrugd. Als we die kloof niet vanuit het primaat van de politiek overbruggen, zullen andere krachten dat in onze plaats doen. Het zal dus van ons afhangen, of het een liberale 'Weltgeist' is die onze toekomst gaat bepalen".
 
De analyse van Verhofstadt is te vaag, al is zijn grondinspiratie interessant. Verhofstadt voelt aan dat de 'Weltmarkt' buiten zijn oevers is getreden; zij tast de soevereiniteit van de nationale staten en de integriteit en de waardigheid van de individuele mensen aan. Maar anderzijds is de 'Weltmarkt' natuurlijk onontbeerlijk. Het komt erop aan om precies aan te duiden wààr de grensoverschrijding gebeurt. Dat punt is vrij duidelijk aan te geven: op de markt moeten zich goederen en diensten bevinden, maar geen rechten. Rechten moeten door de 'Weltgeist', dat wil zeggen door het samengebrachte vernuft van de burgers in iedere soevereine rechtsstaat, langs democratische weg geschapen worden. Het huidige probleem is dat de 'Weltmarkt', het economische levensdomein dat door zijn aard zelf wereldomspannend en internationaal functioneert, de politiek - of beter gezegd het democratische domein - aan zich onderwerpt en tevens het domein van de vrije geest, van de 'Weltgeist' binnendringt.



DOCUMENTEN VAN DE VERLICHTING (I): HET PLAKKAAT VAN VERLATINGE

 
De Middeleeuwers gingen uit van het idee van de goddelijke soevereiniteit. God is de hoogste autoriteit, en via de paus en door de paus gekroonde koningen en keizers oefent hij zijn gezag over het volk uit. Bij de absolute vorsten vervaagt het godsbeeld, maar de soeveiniteit berust nog altijd ondubbelzinnig bij de de monarch. Het volk is met andere woorden niet soeverein, het verkeert in een toestand van onderworpenheid aan de vorst. Wanneer men speurt naar de herkomst van het idee van volksoevereiniteit kan men de omgekeerde weg bewandelen. Men kan vertrekken van het prototype van een soevereiniteitsverklaring, en dan de weg terugvolgen. Vanzelfsprekend kan men zo'n spoor in het verleden niet ondubbelzinnig vervolgen. Wij zullen hier twee zo'n stappen zetten: van de Amerikaanse 'Declaration of Independence'(1776) naar het 'Plakkaat van Verlatinge' (1581), en van dit laatste dan naar de 'Blijde Inkomste' (1356). Drie documenten, gescheiden door telkens ongeveer 200 jaar.
 

De bronnen van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring

 
De aanhef van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring luidt:
"We beschouwen de volgende waarheden als vanzelfsprekend: dat alle mensen gelijk geschapen zijn, dat ze door de Schepper werden bekleed met bepaalde onvervreemdbare rechten, waaronder het Recht op Leven, op Vrijheid en op het Streven naar Geluk; dat ter verzekering van deze rechten, regeringen door de mensen worden ingesteld die hun macht ontlenen aan de goedkeuring door de geregeerden; en dat wanneer een vorm van regering de voormelde doelstellingen ondermijnt, het volk het volste recht heeft om die regering te wijzigen of terzijde te schuiven en een nieuwe regering in te stellen"("We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable Rights, that among these are Life, Liberty, and the pursuit of Happiness. That to secure these rights, Governments are instituted among Men, deriving their just powers from the consent from the governed. That whenever any Form of Government becomes destructive to these ends, it is the Right of the People to alter or to abolish it, and to institute new Government").
 
Het geheel van de Onafhankelijkheidsverklaring heeft de vorm van syllogisme dat als volgt kan worden samengevat: het volk heeft het recht om een bestuur, dat de onvervreembare rechten van de mensen schendt, af te zetten. Welnu, de Engelse kroon schendt de onvervreemdbare rechten van de Amerikaanse burgers. Bijgevolg zijn deze laatsten gerechtigd om de Engelse kroon af te wijzen. Het citaat hierboven is eigenlijk de premisse van dit syllogisme.
De premisse heeft op haar beurt een duidelijke spirituele dimensie. Oppervlakkig beschouwd komt dit tot uitdrukking in de verwijzing naar de Schepper. Maar het eigenlijk mysterie zit in de allereerste woorden: 'we hold these truths to be self-evident..'. Hier wordt eigenlijk bevestigd dat de mens met het denken toegang heeft tot de evidente waarheid, dat mensen gelijk geschapen zijn en over bepaalde grondrechten beschikken, die maar kunnen gerespecteerd worden indien die mensen soeverein zijn. Met andere woorden: de verlichte geesten die in de achttiende eeuw dit document neerschrijven, beroepen zich niet op één of andere openbaring om tot de gelijkheid en de soevereiniteit van de burgers te besluiten. Nee, zij beroepen zich op de rede, die deze gelijkheid en soevereiniteit als 'vanzlfsprekend' laat zien. Dit is een verregaande stelling, omdat de gelijkheid tussen de mensen niet kan gegrondvest worden op materiële factoren of overwegingen. Men kan in de stoffelijke dimensie van de mens nergens die gelijkheid grondvesten; gelijkheid in rechte valt gewoon niet uit de wetten van natuurkunde of scheikunde af te leiden, evenmin als we de kleur van een voorwerp kunnen afleiden uit zijn gewicht.
 
Natuurlijk is deze rationeel-spirituele visie van de Verlichting niet plots ontstaan. Men kan zich met recht en rede afvragen, waar de auteurs van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring hun mosterd haalden. En precies op dit punt heeft Stephen Lucas (1994) gewezen op het belang van het 'Plakkaat van Verlatinge': "Zowel in vorm als qua inhoud levert het 'Plakkat van Verlatinge' een treffend model voor de Onafhankelijkheidsverklaring - zo treffend in feite, dat we ons kunnen afvragen of de overeenkomsten tussen de twee documenten op toeval berust, in de hand gewerkt door de vergelijkbare politieke situatie en behoeften tot argumentatie, of dat misschien Thomas Jefferson en het Continentaal Congres het plakkaat gebruikten als model voor hun verklaring op 4 juli 1776".('In form as well as content, the Plakkaat furnishes a striking archetype for the Declaration of Independence - so striking , in fact, that the question naturally arises as to whether the parallels between the two documents are merely accidental, arising from analogous political situations and rethorical needs, or whether Thomas Jefferson and the Continental Congress used the Plakkaat as a model for their declaration of July 4, 1776'). Lucas biedt heel wat argumenten aan ten voordele van een link tussen de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring en het Plakkaat, waarop we hier niet ingaan.
 
Het Plakkaat werd gegeven in 's Gravenhage op 26 juli 1581 door de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden, die met dit document de koning van Spanje vervallen verklaren van de soevereiniteit en heerschappij over de zeventien provinciën. De aanhef van deze verklaring luidt:
 
"De Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden groeten allen die dit zullen zien of horen lezen. Het is algemeen bekend dat een vorst van een land door God tot hoofd van zijn onderdanen is aangesteld om dezen te beschermen en te bewaren voor alle onrechtvaardigheid, schade en geweld, zoals een herder zijn schapen moet beschermen, en dat de onderdanen niet door God geschapen zijn ten behoeve van de vorst, om hem in alles wat hij beveelt - of dat nu godvruchtig is of niet godvruchtig, rechtvaardig of niet rechtvaardig is - onderdanig te zijn om hem als slaven te dienen. Integendeel, de vorst is er ter wille van de onderdanen, zonder welke hij geen vorst is, om hen rechtvaardig en verstandig te regeren en te verdedigen, en hen lief te hebben zoals een vader zijn kinderen en een herder zijn schapen; hij zet zijn lichaam en leven op het spel om hen te beschermen. Wanneer hij dit niet doet, maar in plaats van zijn onderdanen te beschermen probeert hen te onderdrukken, overmatig te belasten, te beroven van hun oude vrijheid, privileges en oude gewoonterechten, en hen als slaven te bevelen en te gebruiken, moet hij dus niet als een vorst, maar als een tiran worden beschouwd. Dan staat het zeker zijn onderdanen vrij hem niet meer als vorst te erkennen - vooral nadat er in de Staten van het land overlegd is - , maar hem te verlaten en in zijn plaats een ander tot soeverein te kiezen om hen te beschermen, zonder dat dit verkeerd is" (Mout 1979).
 
Uit deze aanhef spreekt dezelfde soevereine geest die ook terug te vinden is in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring. In het Plakkaat wordt nog, in aansluiting met de Middeleeuwse opvatting, naar de vorst verwezen als naar een door God aangestelde macht. Dit element ontbreekt in de Amerikaanse Verklaring. Ook de gelijkheidsgedachte is in de aanhef van het Plakkaat niet zo uitdrukkelijk uitgesproken; in de plaats wordt verwezen naar 'oude vrijheid, privileges en oude gewoonterechten'. Maar de ultieme soevereiniteit ligt volgens het plakkaat ondubbelzinnig bij het volk, waarvan de vorst uiteindelijk een (door God aangewezen) dienaar is. En als bron voor deze stelling wordt alweer naar het algemeen menselijk inzicht verweren en niet naar één of andere openbaring ('het is algemeen bekend..'). Overigens heeft het Plakkaat dezelfde syllogistische opbouw als de Onafhankelijkheidsverklaring. Het pakkende besluit van het Plakkaat, na uitvoerige opsomming van alle wandaden die onder Philips II in de Nederlanden door de Spaanse bezetters werden aangericht, klinkt als volgt:
 
"Daarom maken wij bekend dat wij, door de uiterste nood gedwongen, na onderling overleg en met algemene stemmen de koning van Spanje hebben verklaard en verklaren bij dezen ipso iure vervallen te zijn van zijn heerschappij, jurisdictie en erfelijke aanspraken op deze landen. Wij zijn niet van zins hem voortaan in enige zaken met betrekking tot zijn soevereiniteit, jurisdictie en domeinen in deze landen als vorst te erkennen, noch zijn naam als soeverein te gebruiken of toe te staan dat deze door iemand wordt gebruikt". Kortom , een 24- karaatse, zelfbewuste soevereiniteitsverklaring door de burgers van de Nederlanden. Deze Nieuwe Geest kwam dan in de tachtigjarige oorlog in frontale botsing met de oude, op hiërarchie, zogezegde openbaring en redeloze onderwerping gebaseerde oude orde.
 

De bronnen van het Plakkaat van Verlatinge

 
Het Plakkaat van Verlatinge werd op zijn beurt geïnspireerd door heel wat bronnen, zoals bijvoorbeeld de geschriften van Erasmus van Rotterdam. Maar wanneer we in het Plakkaat een verwijzing vinden naar de 'oude privileges', dan speelt daarbij in eerste instantie de 'Blijde Inkomste van Brabant' een rol. Met een 'blijde inkomst' wordt oorspronkelijk de ceremonie ter inhuldiging van een vorst aangeduid; maar het is de gebruikelijke benaming geworden van de voorrechtsbrief, die de Brabantse hertogin Joanna en haar echtgenoot Wenceslas van Luxemburg bezworen op 3 januari 1356. De belangrijkste regel in deze oorkonde luidt, dat het volk recht van verzet heeft in geval de hertog zijn verplichtingen schond. Dit principe, dat eigenlijk alleen voor het Hertogdom Brabant gold, werkte inspirerend voor de andere gewesten: "In de XVIe eeuw werd zowel onder invloed der verregaande centralisatie als door de lessen van humanisme en natuurrecht, die gelijkheid op grond van gelijke omstandigheden predikten, de roep steeds sterker, dat de Blijde Inkomste de grondwet zou mogen worden van alle Nederlanders" (de la Fontaine Verwey 1975). Philips II had in 1549, bij zijn inhuldiging in 1549, de Blijde Inkomste bezworen, hoewel zijn vader, Karel V, eerst bezwaar had gemaakt omdat het recht op verzet dat in dit document stond vermeld, gemakkelijk tot opstand zou kunnen leiden. De bezwaren van keizer Karel werden echter door de Staten van Brabant weggewuifd met de mededeling, dat het hier in Middeleeuwse zin slechts om een recht op passieve ongehoorzaamheid zou gaan. Maar vanaf 1564 zullen diverse herdrukken van de Blijde Inkomste worden verspreid, voorzien van commentaren die bevestigen dat de Blijde inkomste ook actieve verwerping van de ongeschikte vorst toestaat, en dit op basis van een natuurrechtelijke interpretatie van het contract tussen volk en vorst, zoals voorgesteld door Erasmus. Bovendien ging men ook betogen dat de Blijde Inkomste voor de volledige Nederlanden geldt. Men riep vergezochte constructies in om te betogen dat , vermits de leider der Nederlanden, de prins van Oranje, in Brabant was geboren, het in de Blijde Inkomste verzekerde recht op verzet ook gold voor bijvoorbeeld Holland en Zeeland. In allerlei geuzenliedjes werd dit idee verspreid:
 
Den Coninck is u schuldich
Na sijnen eedt, 't is claer,
T's lants vrijheyt menichvuldich,
Te beschermen eenpaer.
So hij dat niet wil houwen,
Maar ghebruyckt cracht en ghewelt,
Van uwen eedt vol trouwen,
Heeft hij u vrij ghestelt.
 
Doorheen de Blijde Inkomste, het Plakkaat van Verlatinge en de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring zien we steeds duidelijker een nieuwe geest zich aandienen, die over heel de wereld beschouwd heel duidelijk in de Nederlanden, en wellicht in Brabant zijn eerste punt van werking ontvouwde: de geest die liet inzien dat de mens zijn eigen meester is en op voet van gelijkheid met diegenen, waarmee hij een rechtsgemeenschap vormt, soeverein wetten maakt en regelt wat moet geregeld worden. Deze geest heeft als bijzonder kenmerk, dat hij zich beroept op een objectief natuurrecht waarvoor de evidente grond door alle mensen zelfstandig kan worden ingezien. Het is deze geest die wij onze eigen moeten maken, en zorgvuldig uitdiepen, indien wij in Europa ooit tot een echte democratie, tot authentieke volksoevereiniteit willen komen.
 
referenties:
- H.de la Fontaine Verwey (1975) 'Uit de wereld van het boek' (dl.1) Amsterdam: Nico Israël (zie p.113-132: 'De Blijde Inkomste en de opstand tegen Philips II')
- Stephen E.Lucas (1994) 'The Plakkaat van Verlatinge: a neglected model for the American declaration of independence' p.187-207 in: R.Hofte & H.Kardux (eds.) 'Connecting Cultures. The Netherlands in five centuries of transatlantic exchange' Amsterdam: VUB Press
- M.E.H.N.Mout (1979) 'Plakkaat van Verlatinge 1581. Inleiding, transcriptie en vertaling in heendaags Nederlands' Den Haag: Staatsuitgeverij.

J.Verhulst
(met dank voor Arjen Nijeboer, voor de bezorging van de geciteerde documenten).



HANDTEKENINGACTIE VOOR NIEUWE VERKIEZINGEN IN OOSTENRIJK

 
Het programma van de nieuwe Oostenrijkse regering voorziet de invoering van referendum op burgerinitiatief. Het gaat om een zeer burgeronvriendelijk voorstel, met een handtekeningdrempel van 15%. Niettemin wil de groep 'Demokratische Offensive - Überparteiliche Bewegung für Neuwahlen' die drempel nu halen om via een referendum nieuwe verkiezingen af te dwingen (http://www.sos-mitmensch.at).



REPUBLIKEINS GENOOTSCHAP

 
Op 15 maart kwamen een vijftigtal mensen bijeen ter stichting van een 'Vooruitstrevend Republikeins Genootschap'. In het goedgekeurde stichtingsmanifest wordt gesteld : "Wij, vooruitstrevende republikeinen, zijn in de eerste plaats democraten en als democraten wijzen wij de monarchie volledig af".
 
De anti-democratische aap kwam evenwel uit de mouw wanneer één der aanwezigen voorstelde, om de invoering van het bindend referendum op volksinitiatief in de basisverklaring op te nemen. Bijna alle 'vooruitstrevende republikeinen' verzetten zich tegen dit idee. Zij zweren bij het zuiver representatief systeem. Het volk mag van deze 'vooruitstrevenden' niet het laatste woord krijgen; hoogstens mogen de burgers via verkiezingen enige invloed uitoefenen op de samenstelling van de wetgevende vergaderingen.
 
In feite zijn deze zogenaamde 'republikeinen' verdoken monarchisten. Zij zien over het hoofd, dat ons huidig zuiver parlementair systeem een essentieel onderdeel is van de moderne monarchie. In de loop van de geschiedenis heeft de absolute monarchie zich omgevormd tot constitutionele monarchie, waarbij middeleeuwse instellingen als de Staten-Generaal geleidelijk - soms ook bruusk - werden gemetamorfoseerd tot de huidige parlementen. In België werden de erfelijke monarchie en de representatieve democratie in 1830 ingevoerd als één geheel, als één systeem om in gewijzigde omstandigheden van de 19de eeuw de controle van de bezittende klasse over de samenleving voort te zetten. Het erfelijk koningschap is als zodanig in een constitutionele monarchie niet essentieel en kan, indien de omstandigheden dit vereisen, heel voordelig door een verkozen vorst, ook wel 'president' genoemd, vervangen worden. De essentie van de constitutionele monarchie is, dat het volk principieel uitgesloten blijft van de eigenlijke besluitvorming maar via verkiezingen enige cosmetische invloed krijgt op de keuze van het personeel der wetgevende macht. Die wetgevende macht blijft evenwel intiem verweven met de economische elite, en deelt ten gronde de waarden en belangen van die laatste. Het is zeker overdreven om te beweren dat het politiek bestel in een constitionele monarchie of dito republiek volkomen onderworpen is aan de economische macht. Maar wat de uiteindelijke krijtlijnen betreft, bepaalt de economische elite alles en het politiek bestel niets. In Europa is er maar één land, dat in de loop van de 19de eeuw is ontsnapt aan de reactionaire revoluties, en dat is Zwitserland. In dit land heeft de evolutie naar de formele volkssoevereiniteit zich op een natuurlijke wijze kunnen voltrekken. Overal elders werd, via het behoud van het zuiver representatieve stelsel, de doorbraak van de formele volksoevereiniteit geblokkeerd.
 
Het is dus volkomen absurd om enerzijds de monarchie als ondemocratisch af te doen, en anderzijds de gedwongen soevereiniteitsafstand aan een parlement als democratisch te betitelen. Hier is hoe Chomsky de kern van de zaak beschrijft (in een interview in The Sun, november 1997) met betrekking tot het ontstaan van het Amerikaanse parlementaire 'republikeinse' systeem - in de moderne geschiedenis het eerste van zijn soort. Chomski schetst zijn studie-ervaringen:
 
"Ik begon met de eerste tekst, die de grondslag vormt voor het grootste deel van de latere politieke theorieën: de 'Politica' van Aristoteles. Aristoteles vond het vanzelfsprekend dat de democratie volledig participatief zou zijn - met de grote uitzondering van vrouwen en slaven - en dat zij zou streven naar de bevordering van het algemeen welzijn. Maar hij beweerde nog iets anders. Om haar doel te bereiken, diende de democratie 'blijvend welzijn voor de armen' te verzekeren en 'redelijke en voldoende eigendom' voor iedereen. Indien extreme verschillen tussen arm en rijk zouden bestaan, of indien er geen stabiele welvaart zou zijn voor iedereen, kan men volgens Aristoteles geen democratie hebben. Aristoteles stelde verder dat , indien onder een democratie grote verschillen in rijkdom zouden bestaan, de armen de democratie zouden gebruiken om de rijkdom van de rijken af te nemen. Dit vond Aristoteles niet correct en hij zag twee oplossingen: de armoede verminderen, of de democratie verminderen. Enige duizenden jaren later zagen de grondleggers van de Amerikaanse constitutie, waaronder Madison, hetzelfde probleem. Maar terwijl Aristoteles verkoos om de armoede te verminderen, verkoos Madison om de democratie te kortwieken. Hij verklaarde op de Grondwetgevende vergadering tamelijk openlijk dat onder een echte democratie de arme meerderheid haar macht zou gebruiken om een landhervorming door te voeren, en dat zoiets onaanvaardbaar was. Het hoofddoel van de regering moest volgens Madison zijn, om '..de rijke minderheid te beschermen tegen de meerderheid'. Hij wees er ook op dat mettertijd het probleem zou verscherpen en een groeiend deel van de bevolking zou lijden onder de ongelijkheid en stiekem zou verlangen naar een meer gelijke verdeling van 's levens lusten. Daarom ontwierp hij een systeem dat zou verzekeren dat de democratie niet zou kunnen werken. De macht zou, in zijn woorden, terechtkomen bij de 'meer bekwame mannen', namelijk diegenen die ook 'de rijkdom der natie' bezaten, en de rest zou op verschillende manieren versplinterd en gemarginaliseerd worden".
 
("I started from the beginning, with Aristotle's 'Politics', which is the foundation for most subsequent political theory. Aristotle took it for granted that a democracy would be fully participatory - with the notable exception of women and slaves - and would aim to promote the common good. But he argued that, in order to achieve its goal, the democracy would have to endure 'lasting prosperity to the poor' and 'moderate and sufficient property' for everyone. If there were extremes of poor and rich, or if you didn't have lasting prosperity for everyone, Aristotle thought, then you couldn't talk seriously about having democracy.
Another point Aristotle made was that if you have a perfect democracy, yet have big differences of wealth - a small number of very rich people and a large number of very poor - then the poor will use their democratic muscle to take away the property of the rich. He regarded this as unjust and offered two possible solutions. One was to reduce poverty. The other was to reduce democracy.
A couple of thousand years later, when our Founding Fathrs were writing the Constitution, James Madison noticed the same problem, but whereas Aristotle's preferred solution has been to reduce poverty, Madison's was to reduce democracy. He said quite explicitly in the Constitutional Convention that, if we had true democracy, then the poor majority wold use its power to demand what nowadays we would call agrarian reform, and that couldn't be tolerated. The primary goal of government, in Madison's words, is 'to protect the minority of the opulent against the majority'. He also pointed out that, as time went on, this problem was going to get worse, because a growing part of the population would suffer serious inequities and 'secretly sigh for a more equal distribution of (life's) blessings'. He therefore designed a system that would ensure democracy didn't function. As he put it, power would be in the hands of the 'more capable of men', those who held 'the wealth of the nation', and the rest would be factionalized and marginalize in various ways...").
 
Met andere woorden: het systeem van zuiver representatieve democratie, zoals Madison dat ontwierp en verdedigde, en zoals het ook werd doorgevoerd en vanuit Amerika dan Europa inspireerde, had vanaf het begin de expliciete bedoeling om de macht uit de handen van het volk te houden en om de machts- en uitbuitingsstructuren van de absolute monarchie te behouden. De Amerikanen verwierpen de macht van de Engelse koning en vervingen deze laatste door een verkozen koning, maar ze namen in wezen het Engelse representatieve systeem over en garandeerden zo welbewust de blijvende overheersing door de economische elite. Of het erfelijk koningsschap behouden blijft of wordt vervangen door een soort verkozen koning is op zich volstrekt onbelangrijk. Belangrijk is, wie soeverein is: het volk of de politieke en economische elite. De afschaffing van anti-democratische feodale instituties omvat oneindig veel meer dan alleen maar de afschaffing van de constitutionele monarchie in de enge zin. Consequente republikeinen zouden alle instituten moeten bekampen die met de monarchie samenhangen. Daartoe behoort ook het zuiver vertegenwoordigend parlementair systeem. In de 19de eeuw was het monarchistisch-elitair karakter van de parlementen nog open en bloot te zien: parlementaire zitjes waren voorbehouden aan de rijken en edelen. Gaandeweg zijn deze parlementen qua samenstelling maar niet qua werkingsprincipe 'gedemocratiseerd' - ze hebben nooit hun bevoogdend karakter verloren. Onze parlementen zijn altijd instellingen gebleven die wetten kunnen maken tegen de volkswil in, en ze zijn altijd het kanaal gebleven langswaar economische drukkingsgroepen, loges enz. hun agenda kunnen doordrukken. Een zuiver vertegenwoordigend 'republikeins' systeem is eigenlijk niets meer dan een adellijk machtsysteem zonder formele koning. Wie alleen tegen de erfelijke monarchie ageert, maar tegelijk het zuiver representatief systeem als 'democratisch' blijft verdedigen, is een verdoken monarchist en een reactionair. De enige echte republiek is direct-democratisch.



DE REFERENDA IN CALIFORNIE , 7 MAART 2000

 
Op 7 Maart brachten de Californische kiezers op deelstaatniveau een stem uit over twintig voorstellen, waaronder zeven referendums op volksinitiatief, drie correctieve referenda en tien bindende volksraadplegingen op parlementair initiatief. Drie voorstellen (twee van het parlement en een volksvoorstel) die zwaardere straffen invoeren voor bepaalde zware misdrijven, werden goedgekeurd. Ook goedgekeurd werd een volksinitiatief dat enkel erkende huwelijken tussen personen van verschillend geslacht toestaat (61% pro, 39% contra). Een door de tabaksindustrie gepromoot voorstel om de belasting op sigaretten te verlagen en verdere belastingen op tabak te onttrekken aan de rechtstreekse besluitvorming, werd met grote meerderheid afgewezen (71% contra, 29% pro).




DE MOEIZAME WEG NAAR DE INVOERING VAN HET VOLKSINIATIEF IN MINNESOTA

 
De 'kamer van volksvertegenwoordigers' van Minnesota heeft een wetsvoorstel goedgekeurd dat de invoering voorziet van het referendum op volksinitiatief in Minnesota. Het wetsvoorstel diende echter nog te worden goedgekeurd door de senaat van deze deelstaat. De senaat had hoorzittingen georganiseerd waarop ondermeer Dane Waters van het IRI-instituut had getuigd. Afgevaardigden van de 'Chamber of Commerce' (Kamer van Koophandel) en van de vakbond AFL-CIO hadden zich op deze hoorzittingen evenwel tegen de invoering van het referendum uitgesproken. Uiteindelijk heeft het senaatscomité zich tegen de invoering van de directe democratie in Minnesota uitgesproken.