Witte Werf maart 1999

AfdrukkenAutopsie van een volksinitiatief in Gent.
Het paternalisme van de Gentse politieke klasse.
Boekbesprekingen
Het Nederlandse Bijlmerschandaal
Van Peel spreekt

AUTOPSIE VAN EEN VOLKSINITIATIEF IN GENT


(een opiniestuk van Joeri Puissant, woordvoerder Initiatiefgroep gratis openbaar vervoer in Gent)

Vanuit de bevolking kan men een gemeentelijke volksraadpleging aanvragen. Om de ingediende referendumvragen op hun draagvlak te testen, is wettelijk een steekproef voorzien. 10% van de kiezers in de gemeente moeten namelijk de aanvraag tekenen. Vorig jaar vroeg zo'n representatief staal van 17.000 Gentse kiezers om een volksraadpleging over gratis en beter openbaar vervoer zoals in Hasselt. Het Hasselts voorbeeld spreekt immers tot de verbeelding. De Hasselaars kregen in juli 1997 niet alleen een nieuw stadsnet maar ook vrije toegang op dat net. Dit werd mogelijk gemaakt door de geplande 3de ring rond de stad niet te bouwen en het plaatselijk vervoer voorrang te geven in het stedelijk beleid.

5 maanden later stemden de Gentenaars tegen het graven van de Belfortparking in de Gentse Kuip. Het Samenwerkingsverband tegen die elitaire parking hield het na die fantastische overwinning tòch voor bekeken. Ook al ging het stadsbestuur niet in op haar vraag om eerder te investeren in openbaar vervoer, zoals in Hasselt was gebeurd. Dat dit lang niet verworven was, zou opnieuw blijken in juni. Toen besloot de gemeenteraad om het Mobiliteitsplan-binnenstad bij te sturen in het voordeel van de auto. De tijd was rijp voor een nieuw volksinitiatief: de Initiatiefgroep gratis openbaar vervoer was geboren.

Ons initiatief kende, ondanks de tegenstand, een enorme dynamiek in de zomermaanden. Want tegenstand was er: minister van Binnenlandse Aangelegenheden Leo Peeters deed iedereen geloven dat Gent te weinig autonomie had om op de aanvraag in te gaan. Gentse partijen vonden het moment slecht gekozen en pleitten voor uitstel tot na de gemeenteraadsverkiezingen. Milieuverenigingen wilden geen nieuwe plaatselijke mobiliteit creëren voor wie vandaag geen vervoer kan betalen.

Toch stonden de partijen in september onder grote druk. Iedereen pleitte opeens voor belangrijke investeringen in beter openbaar vervoer. De partijen deden bovendien allerlei nieuwe tariefvoorstellen: daluren, nachtbussen en weekends gratis. Gratis vervoer voor kinderen, jongeren, bestaansminimum-trekkers en senioren, doorgeefabonnementen, halvering van de prijzen, ...

De schrik om bij de volgende coalitievorming uit de boot te vallen, was echter groter. Alle partijen werden het er snel over eens: de Gentenaars mogen zich in een volksraadpleging niet voor of tegen gratis openbaar vervoer uitspreken. Waarom? Omdat zij gratis openbaar vervoer zelf geen duurzame oplossing vinden, zo verklaarden ze. Blijkbaar is een volksraadpleging op volksinitiatief enkel toegelaten indien ook politieke partijen achter het initiatief staan. Het is dus niet die aanvulling op de vertegenwoordigende democratie die ons beloofd werd.

Maar fundamenteler nog: gratis plaatselijk vervoer is natuurlijk wél een duurzame oplossing. Onder meer Brussels onderzoek wijst dat uit. In 2010 zal elke reiziger die in de spits een kilometer doet met de auto, voor onze samenleving zo maar even 8 (acht!) keer duurder uitvallen dan diezelfde reizigerkilometer met het openbaar vervoer. VLD, SP, CVP, Agalev en VU startten in januari geheime onderhandelingen over een nieuw openbaarvervoersplan. Het resultaat is niet niks: tot 2010 verbinden zij er zich toe het openbaar vervoer blijvende aandacht te geven. In de begroting wil men het openbaar vervoer echter nog steeds geen voorrang geven op de auto. Over gedurfde prijsverlagingen, die de stad zélf moet betalen, kwamen de partijen immers niet tot een akkoord. Van bovenstaande voorstellen belandde enkel het gratis vervoer voor kinderen en het doorgeefabonnement niet in de onderste lade. Het stadsbestuur blijft dan ook nog honderden miljoenen pompen in centrumparkings, parkings dus die verkeer aanzuigen naar de binnenstad.

Over dat afgedwongen plan, 'Horizon 2010', organiseert de gemeenteraad op 25 april een plebisciet. Zij gingen niet in op ons voorstel om zowel de vraag van het volksinitiatief als dat van de gemeenteraad aan de Gentenaars voor te leggen. Zoals ze ook ons voorstel om niet-Belgen te laten stemmen gewoon van tafel veegden. Naar eigen zeggen, vragen de partijen de Gentse kiezers om hen te verplichten hun eigen plan nu ook uit te voeren. Origineel. Nee, in feite is het omgekeerd. Het zijn de partijen die de Gentenaars willen verplichten om hen een pluim te geven. Dat hebben ze immers hard nodig, na het opzij schuiven van een volksinitiatief.

Geen nee-stem tegen het openbaar vervoer! Geen onkritische en nutteloze ja-stem! Als initiatiefnemers hebben we gezocht naar een derde weg. We willen het plebisciet enteren met stemmen die méér willen: de ongeldige of blanco stemmen. Op 25 april zullen enkel de geldige stemmen afgewogen worden om het plan goed te keuren. Daarnaast zullen de ongeldige en blanco stemmen geteld worden als stemmen voor gratis én beter openbaar vervoer!

Zolang men miljarden investeert voor de auto, zal de idee van gratis en beter vervoer in de steden niet dood te krijgen zijn. Als een feniks zal het steeds opnieuw herrijzen.


HET PATERNALISME VAN DE GENTSE POLITIEKE KLASSE

(onderstaand opiniestuk werd gezonden naar de redactie van De Morgen, als reactie op het opiniestuk van Dirk Holemans dat eveneens in deze Witte Werf is opgenomen)


Op zondag 25 april vindt in Gent een soort plebisciet plaats over een plan omtrent het openbaar vervoer. Agalev-gemeenteraadslid Dirk Holemans (De Morgen 25/3/99) doet daar nogal euforisch over. Hij heeft het over 'een nieuw referendummodel voor Vlaanderen' en doet alsof de 'democratische partijen' in Gent het warm water hebben uitgevonden inzake burgerdemocratie. In werkelijkheid is de hele heisa rond dit plebisciet een mistgordijn, dat door de politieke klasse wordt opgetrokken om hun fundamenteel gebrek aan democratische gezindheid te verbergen.

 

De bittere werkelijkheid is, dat 10% van de Gentse kiesgerechtigden getekend heeft voor een referendum over de invoering van gratis openbaar vervoer in Gent naar Hasselts model, en dat deze aanvraag door de 'democratische' partijen (met inbegrip van Agalev) eensgezind in de vuilnisbak werd gekieperd. Deze 'democraten' schrapten dus de door het volk gestelde vraag, drongen in plaats daarvan een totaal andere vraagstelling op, en prijzen dit manoeuver nu aan als het 'nieuwe referendummodel voor Vlaanderen'. Het met de partijen verbonden 'middenveld' wordt dan gemobiliseerd om het plebisciet tot een 'succes' te maken. In tegenstelling tot wat Holemans zegt is deze plebiscitaire praktijk zo oud als de straat. In Gent gebeurde het volgende: het referendum op volksinitiatief (waarbij de burgers de vraagstelling bepalen) wordt verboden, en in de plaats wordt een plebisciet ingevoerd (waarbij de vraagstelling door de politieke macht wordt opgelegd). Machthebbers houden niet van het referendum op volksinitiatief, maar ze zijn dikwijls wel verlekkerd op plebiscieten. Hitler moest bijvoorbeeld niets weten van het (weliswaar gebrekkig geregelde) referendum op volksinitiatief dat tijdens de Weimarrepubliek bestond; maar hij maakte herhaaldelijk gebruik van plebiscieten. Het plebisciet is schijndemocratie bij uitstek. Enerzijds mag het volk zich uitspreken, wat democratisch oogt en de machthebbers democratische schijnlegitimiteit kan opleveren, maar anderzijds bepaalt de macht toch waarover de burgers zich wel of niet kunnen uitspreken, zodat ongewenste vragen en stemuitslagen kunnen vermeden worden.

 

Holemans beschrijft het Gentse plebisciet als "...een democratische innovatie die de burgers geen inspraak maar beslissingsrecht toekent". Dat is pure newspeak. Beslissingsrecht heeft alleen maar betekenis, indien je als burger eerst en vooral kan meebepalen waarover je beslissingsrecht krijgt. Wie als vegetariër 'mag' kiezen tussen lever en niertjes, heeft geen beslissingsrecht. Zogenaamde keuzes die burgers alleen maar binnen door de machthebbers vastgelegde grenzen mogen maken, doen volledig afbreuk aan de soevereiniteit van de kiezers. Het is alleen maar het recht om eens te mogen mummelen doorheen de muilband die je door de politieke klasse kreeg opgezet. Holemans schrijft euforisch: "Nu krijgen de Gentenaars de kans om inzake openbaar vervoer zelf een keuze te maken". Dat is niet waar. Vrije keuze is er pas, indien je ook zelf de alternatieven kan selecteren waartussen je kan kiezen. Het alternatief van het gratis openbaar vervoer, voorgedragen door 17.000 Gentse kiesgerechtigden, werd door de 'elite' echter al bij voorbaat geschrapt. Daarmee is meteen ook de mogelijkheid tot keuze geschrapt, en al de rest is larie.

 

Holemans haalt twee argumenten aan om het manoeuver van de Gentse politieke klasse te rechtvaardigen.

 

Ten eerste verschuilt hij zich achter de wet op het referendum van 10 april 1995, en achter het negatief advies dat de commissie van minister Peters binnen het kader van deze wet over de referendumvraag uitbracht. Iedereen weet ondertussen echter, dat deze absurde wet slechts een facultatief karakter heeft. Gemeenten hebben perfect het recht om referendums te laten verlopen volgens andere modaliteiten dan diegene voorzien in de wet van 10 april 1995. Meer zelfs: de meeste referendums die in België na die tijd hebben plaatsgevonden (vooral in Wallonië) verliepen daadwerkelijk niet volgens de in deze wet voorziene modaliteiten. In Wallonië hadden bepaalde steden, zoals Luik, trouwens reeds voor 1995 eigen reglementen inzake volksraadplegingen. De 'initiatiefgroep gratis openbaar vervoer' heeft alle gemeenteraadsleden nog eens uitdrukkelijk gewezen op het facultatief karakter van de wet van 10 april 1995, en op de mogelijkheid om volgens eigen modaliteiten een referendum in te richten. De Gentse politici kunnen dus geen onwetendheid voorwenden. Zij blijven bewust en eensgezind het facultatief karakter van de wet van 10 april 1995 negeren, om verder het (niet bindende) advies van de adviescommissie als schaamlap te kunnen gebruiken.

 

Ten tweede zegt Holemans, dat het 'model Hasselt' niet toepasbaar is in Gent, wegens te duur. Maar hoe kan hij dit beweren? Zijn het niet de belastingbetalers zelf die moeten uitmaken wat te duur is en wat niet? De Gentenaar moet natuurlijk het kostenplaatje van gratis openbaar vervoer vernemen. Op plaatsen waar het referendum is ingeburgerd gebeurt doorgaans het volgende: een onafhankelijke openbare dienst onderzoekt de budgetaire implicaties van het voorstel, en deelt in beknopte en duidelijke taal zijn bevindingen mee in de officiële kiesbrochure die de kiezers bezorgd krijgen enkele weken voor het kiesgebeuren. Hoe dit in de praktijk verloopt kan iedereen gemakkelijk nagaan op het internet (bekijk bijvoorbeeld de Californische kiesbrochures op http://Primary98.ss.ca.gov/Returns/prop/). Die budgetaire implicaties spelen ook altijd een grote rol in het openbaar debat dat aan de stemming vooraf gaat. In een echte democratie zou de Gentse kiezer goed moeten voorgelicht zijn omtrent de argumenten pro en contra gratis openbaar vervoer, met inbegrip van een betrouwbare kostenanalyse. Indien gratis openbaar vervoer bijvoorbeeld belastingverhoging zou betekenen, dan moet de Gentenaar dit ook vernemen. Maar de keuze voor of tegen openbaar vervoer is uiteindelijk, zoals alle politieke beslissingen, een keuze voor of tegen bepaalde waarden. Niemand kan a priori beweren dat gratis openbaar vervoer in Gent 'objectief' te duur is. Indien de Gentse kiezers bereid zijn om hiervoor meer belasting te betalen, of op andere diensten in te leveren, dan is het gratis openbaar vervoer niet te duur. De vraag of het gratis openbaar vervoer te duur is, heeft zoals alle politieke vragen uiteindelijk een moreel karakter. Het paternalisme van de Gentse politieke klasse, met inbegrip van Agalev, bestaat ten gronde hierin dat zij de Gentse kiezer niet in staat achten om zo'n morele afweging te maken. In artikel 1 van de universele verklaring van de rechten van de Mens staat nochtans: "Alle mensen (...) zijn begiftigd met verstand en geweten". De Gentse politici denken daar blijkbaar anders over.


BOEKBESPREKINGEN

 

Daniel A.Smith "Tax Crusaders and the Politics of Direct Democracy" New York: Routledge (1998)

Peter Schrag "Paradise Lost. California's experience, America's future" New York: The New Press (1998)

 

Naarmate de direct-democratische besluitvorming bij de Amerikaanse burgers aan populariteit wint, neemt ook de weerstand tegen het volksinitiatief toe (zie ook de vorige Witte Werf). Niet alleen proberen politici de mogelijkheden van het referendum terug te schroeven, er verschijnen ook boeken die de burgerdemocratie in een kwalijk daglicht pogen te stellen. Hieronder leveren we enige commentaar bij de boeken van Smith en Schrag, die nogal wat weerklank hebben gevonden. Smith bespreekt de ervaringen met anti-belastingreferenda, terwijl Schrag focust op de evolutie in Californië, de Amerikaanse deelstaat die inzake directe democratie een pioniersrol vervult.

 

Smith bespreekt in zijn boek drie succesvolle anti-belastingsinitiatieven:

- propositie 13 (Californië 1978)

- voorstel 2,5 (Massachusetts 1980)

- amendement 1 (Colorado 1992)

Smith verdedigt in wezen de stelling, dat deze anti-belastingsinitiatieven helemaal niet, zoals vaak wordt voorgesteld, het werk zijn van authentieke populistische bewegingen, maar dat ze het werk zijn van een klein aantal 'tax crusaders' gesteund door belangengroepen. We gaan hier eerst even in op de drie voorbeelden.

 

Voorstel 13 (Californië 1978)

Voorstel 13 speelt in de geschiedenis van de directe democratie in de USA een grote rol, omdat het de heropleving inluidde van het referendum op volksinitiatief in Amerika. Voorstel 13 beoogde de stopzetting van razendsnelle verhoging van de huizenbelasting die in Californië optrad in de jaren '70. In 1978 waren niet alleen de globale belastingen in Californië hoger dan in de USA in het algemeen; de belasting op het bezit van een eigen huis steeg, door een combinatie van inflatie, niet-geïndexeerde belastingstarieven en snel stijgende prijzen van onroerend goed, razendsnel.

 

Al even opvallend was dat de deelstaatregering en de wetgevende vergadering niet in staat bleken om aan deze toestand iets te veranderen. Gedurende 1976 en 1977 stond de kwestie weliswaar hoog op de politieke agenda, maar er kwam geen oplossing uit de bus. Er ontstond dan ook bij de bevolking een sterke steun voor voorstel 13. De initiatiefnemers konden in december 1977 niet minder dan 1.263.698 handtekeningen indienen onder de referendumaanvraag, een ongeëvenaard record.

 

Initiatief 13 kon niet op de steun rekenen van het establishment. De politieke klasse en de economische wereld verzetten zich tegen het initiatief, maar huizeneigenaars steunden de zaak massaal. De middelen ingezet tijdens de campagne waren dan ook ongeveer in evenwicht: de voorstanders van voorstel 13 besteedden 2.279.567$ aan hun campagne, de tegenstrevers 2.120.931$. Het referendum bleek een succes: twee derden van de kiezers steunden het voorstel.

 

Men kan zeker niet zeggen dat via voorstel 13 het economisch establishment zijn slag heeft thuisgehaald, of dat de goedgekeurde maatregel sociaal onaanvaardbaar is. Evenmin kan men beweren dat het gebruik van de direct-democratische procedure het gezag van de representatieve politieke heeft ondermijnd; het initiatief kwam er precies omdat de volksvertegenwoordiging faalde bij het uitwerken van een oplossing. Men kan ook onmogelijk beweren dat de burgers sowieso belastingsverlagingen goedkeuren: drie jaar na de goedkeuring van voorstel 13 wezen de Californiërs bijvoorbeeld massaal een voorstel af dat een algemene verlaging van de inkomstenbelasting beoogde. Toch formuleert Smith ernstige bezwaren: "Met uitzondering van de inspanningen door enkele kleine en los opererende verenigingen van huiseigenaars en belastingbetalers, werd de campagne voor voorstel 13 niet actief gedragen door de massa. Het was belastingkruisvaarder Howard Jarvis, die optrad als een populistische ondernemer, die met succes de amorfe ontevredenheid kon kanaliseren over de stijgende belasting op onroerende eigendom en de gebrekkige beleidsreactie hierop" (p.83).

 

Voorstel 2,5 (Massachusetts 1980)

Massachusetts kende tot 1980 buitengewoon hoge huizentaksen, die de deelstaat ook wel de naam 'Taxachusetts' bezorgd hadden (p.96). Smith betwist helemaal niet dat de fiscale situatie in Massachusetts volledig was scheefgegroeid: "Voorstel 2,2 bleek een krachtig geneesmiddel dat een duidelijk probleem in de onevenwichtige belastingsstructuur van de staat oploste. De eigendomsbelastingen waren op vele plaatsen buitensporig hoog" (p.94). De kern van het volksvoorstel dat op 4 november 1980 werd goedgekeurd, betrof inderdaad de terugdringing van de jaarlijkse eigendomstaks tot een niveau van 2,5% van de verkoopswaarde van het goed in het voorafgaande jaar (1979).

 

De campagne werd gevoerd door de CLT (Citizens for Limited Taxation), een kleine burgerorganisatie onder leiding van Barbara Anderson, een zweminstructrice zonder enige politieke ervaring, die evenwel benadrukte dat het initiatief verder reikte dan alleen maar de belastingskwestie: "Our fight is not mainly about money. It's about control. They have to learn once and for all that it's our government" (p.90).

 

De CLT verzamelde voor haar campagne een totaalbedrag van 152.936$, waarvan 54% afkomstig van particulieren. Daarnaast kreeg de campagne ook paralelle steun van de 'Massachusetts High Tech Council', die 86 bedrijven uit de computersector verenigde. Deze bedrijven hadden inderdaad last om medewerkers naar Massachusetts te lokken, precies omwille van de hoge belasting op huisbezit. De parallelle campagne van deze bedrijven kostte nogmaals 269.085$. De tegenstanders van de maatregel besteedden een budget van 535.779$, wat dus meer was dan de uitgaven van de voorstanders. Toch keurden 59% van de kiezers voorstel 2,5 goed.

 

Wat is nu eigenlijk het bezwaar van Smith tegen deze gang van zaken? Volgens hem "...was de 'belastingsrevolte' in Massachusetts geen populistische beweging in de gewone zin. Tijdens de campagne waren er geen spontane massademonstraties ter ondersteuning van de maatregel (...) CLT had meer slagkracht dan de media beweerden".

 

Het is moeilijk om de relevantie van dit soort opmerking te vatten. Maatregel 2,5 elimineerde volgens Smith zelf een duidelijke mistoestand, en slaagde erin om een sterke meerderheid voor de aangeboden oplossing te krijgen, ondanks het feit dat de tegenstanders van het voorstel meer geld in de strijd wierpen dan de voorstanders. Maar omdat er bv. geen massademonstraties waren, hangt er volgens Smith toch een reukje aan de zaak. In een goed functionerende democratie zijn het niet massademonstraties, doch enkel de kwaliteit van de beeldvorming en de uitgebrachte stemmen die tellen. Smith's benadering doet me denken aan de opmerking die ik te horen kreeg van een oud-voorzitter van de Jong-Socialisten, die het referendum afwees met het argument: "Als de mensen niet akkoord zijn, kunnen ze toch gaan betogen".

 

Amendement 1 (Colorado 1992)

 

Op 3 november 1992 keurden de kiezers in Colorado met een meerderheid van 54% amandement 1 goed, een burgerinitiatief dat niet, zoals voorstel 13 in Californië of voorstel 2,5 in Massachusetts, op huisbelasting was gericht, maar meer algemeen de invoering van nieuwe belastingen op de opbouw van staatsschulden aan directe goedkeuring door het volk onderwerpt. De staat Colorado mag dus geen deficit in de openbare financiën opbouwen, of nieuwe belastingen invoeren, zonder directe goedkeuring door de kiezers. De regering mag haar uitgaven zonder directe volksgoedkeuring enkel laten toenemen in evenredigheid met de bevolkingsaanwas en de inflatie.

 

Dit volksinitiatief kwam er grotendeels door het werk van één man, namelijk Doug Bruce. Bruce is een jurist, die met geen enkele drukkingsgroep is verbonden. Voor de goedkeuring van amendement 1 had hij al twee eerdere pogingen ondernomen om via een volksinitiatief tot een belastingshervorming te komen.

 

Bruce ontmoette bij zijn pogingen de grootste weerstand van het establishment. Zo probeerde de staatssecretaris Meyer aanvankelijk het referendum te blokkeren door een zeer groot aantal handtekeningen ongeldig te laten verklaren. Volgens de staatssecretaris had Bruce uiteindelijk 2.224 handtekeningen te weinig. Bruce had wettelijk twee weken de tijd om de 'ontbrekende' handtekeningen in te zamelen, zeker geen onoverkomelijke opgave. Maar hij weigerde, en daagde 'Meyer the Liar' uit tot een openbare hearing omtrent de afgekeurde handtekeningen. Enkele dagen voor deze hearing krabbelde Meyer terug. Meyer werd ook geconfronteerd met een front van tegenstanders uit de economische en politieke wereld, die ongeveer 2,5 keer zoveel geld aan de anti-campagne konden besteden als Meyer's organisatie zelf kon verzamelen.

 

Op het eerste zicht lijkt er dus niets mis te zijn met Bruce's initiatief. Maar ook hier heeft Smith bezwaren, want het gaat volgens hem -alweer - over een 'vals' soort volksbeweging. Tussen 1988 en 1992 waren er bijvoorbeeld geen massademonstraties tegen de fiscale politiek van de regering van Colorado (p.155). "Bruce vermeed massamobilisatie als een methode om zijn boodschap naar het publiek te brengen. Hij verkoos om zijn boodschap van boven naar beneden te verspreiden" (p.156).

 

Smith schijnt blijkbaar te menen, dat volksinitiatieven met letterlijke massamobilisatie moeten gepaard gaan. Anders zijn ze voorbeelden van 'vals populisme', dat 'van boven naar beneden' wordt georganiseerd. Hij schuift dus een welbepaald beeld naar voor van wat volgens hem een volksreferendum moet zijn, stelt vast dat de werkelijkheid niet aan dit beeld beantwoordt, en wijst daarom de werkelijkheid af. Die werkelijkheid (die Smith helemaal niet tegenspreekt) omvat in de drie door hem besproken gevallen nochtans telkens de volgende elementen:

 

- er is een reële mistoestand die door de vertegenwoordigende politieke organen niet werd opgelost

- het volksinitiatief komt tot stand tegen de politieke en economische machten

- de meerderheid van de kiezers steunt bij de stemming het volksinitiatief

 

In feite is Smith's houding een mooi voorbeeld van een algemene vorm van bezwaar tegen het volksreferendum: het referendum wordt niet vergeleken met de werkelijkheid van de representatieve besluitvorming, doch met een niet-bestaande 'ideale' toestand, terwijl de maatstaven die worden gebruikt voor de beoordeling van het volksreferendum niet worden gebruikt voor de beoordeling van de representative besluitvorming. Smith klaagt bijvoorbeeld aan dat bij de drie genoemde initiatieven de bevolking nauwelijks actief betrokken was, maar hij vermeldt niet dat deze actieve betrokkenheid oneindig veel geringer is in het geval van representatieve besluitvorming.

 

Er is natuurlijk een reëel probleem van afnemende betrokkenheid van de burgers bij het maatschappelijk gebeuren in het algemeen. Bruce bijvoorbeeld, was zich van dit probleem scherp bewust. Hij schrijft het verlies aan betrokkenheid toe aan het openbaar onderwijs (dat in de USA inderdaad vaak van twijflachtige kwaliteit is) en aan het overdadig televisiekijken (Smith, p.165; televisiekijken werd ook door Putnam verdacht van vernietigend effect op sociaal kapitaal). Anderson, de activiste uit Massachusetts, formuleerde het aldus: "Jefferson legde er al de nadruk op, dat je een goed opgevoede bevolking nodig hebt voor een goede democratie, en op dit punt verliezen we snel terrein. Ik maak me grote zorgen over hoe ons onderwijssysteem de Amerikanen afstompt. Met afgestompte mensen, niet belezen en niet geïnformeerd, is democratie onmogelijk. Representatieve democratie wordt dan natuurlijk evengoed onmogelijk" (p.165). En precies deze laatste opmerking raakt de kern van de zaak. De afbraak van sociaal kapitaal die onze samenleving kenmerkt, tast alle vormen van democratie aan, de directe zowel als de representatieve. Het heeft geen zin om, zoals Smith doet, het gebrek aan betrokkenheid enkel in te roepen als argument tegen de directe democratie. Integendeel, alleen directe democratie zal in staat blijken om opnieuw sociaal kapitaal op te bouwen. Dit zal echter niet automatisch gebeuren, maar enkel indien goede voorstellen langs direct-democratische weg in het debat komen. Die goede voorstellen ontstaan niet vanzelf, maar zijn de vrucht van individuele denk- en wilsinspanningen.

 

*

 

Californië heeft in de USA vaak een soort pioniersrol gespeeld. Tendenzen die in Californië opduiken, plegen zich nadien te verspreiden over de USA. Volgens Peter Schrag gaat het niet al te best met Californië, en dat voorspelt niets goeds voor de Verenigde Staten. En de directe democratie in de grootste US-deelstaat zit voor Schrag in de beklaagdenbank.

 

Wat loopt er mis in Californië? De publieke uitrusting loopt achter. Het wegennet vervalt, de scholen hebben te weinig geld, openbare bibliotheken zijn steeds minder uren open, voor meer en meer museums moet inkomgeld betaald worden.

 

Er is een sterke demografische explosie. In 1963 bedroeg de bevolking 17,5 miljoen, en daarmee was Californië reeds de meest volkrijke staat van de USA. Toch is de bevolking sindsdien verdubbeld, en het aandeel van de blanke middenklasse neemt snel af in verhouding met de inwijkelingen uit het Zuiden: in 1970 was 78% van de bevolking blank, in 1996 nog 52%, terwijl het 'hispanische' aandeel toenam van 12% tot 30%. Zwarten en hispano's gaan echter veel minder stemmen dan blanken.

 

Schrag heeft twee bezwaren tegen de directe democratie.

 

Vooreerst is er volgens Schrag (p.10) in Californië sprake van een 'permanente revolte tegen representatief bestuur'. Het beginpunt ligt in 1978, toen 'propositie 13' met een overweldigende meerderheid werd goedgekeurd. Dit voorstel riep zoals geschetst een halt toe aan de uit de pan rijzende belastingen op huisbezit.

 

Ten tweede wordt de directe democratie volgens Schrag door de krimpende blanke meerderheid gebruikt om de minderheden in de tocht te zetten. De overwegend blanke kiezers zijn steeds minder geneigd om belastingsgeld te spenderen aan openbare diensten waarvan vooral andere groepen gebruik maken.

 

Men hoort dit soort bezwaren tegen directe democratie wel meer. Maar meestal worden in de analyse twee ernstige fouten gemaakt.

 

Ten eerste gaat men de resultaten van het direct-democratisch besluitvormingsproces niet vergelijken met wat uit de bus zou zijn gekomen, indien de besluitvorming langs representatieve weg zou tot stand gekomen zijn. Men maakt de vergelijking met een ideaal alternatief. De reeds vermelde geschiedenis van voorstel 13 is daarvan een mooie illustratie. Waar ging het om? In de jaren '70 gallopeert de inflatie, belastingsschalen zijn niet geïndexeerd, huizenprijzen gaan omhoog en de belasting op huizenbezit stijgt onevenredig. De modale Californische burger zag zich van jaar tot jaar geconfronteerd met een belastingsstijging die in geen enkele verhouding stond tot de reële verandering van zijn koopkracht of bezit. De wetgevende kamer van Californië blijkt niet in staat om hieraan iets te doen: republikeinen en democraten schieten elkaars voorstellen af. Uiteindelijk komt er in 1978 een referendum op volksinitiatief dat de belastingstarieven terugschroeft tot op het niveau van 1975. Aansluitend op deze gebeurtenis, waarbij de bevolking van Californië enerzijds de onmacht of onwil van de politieke klasse heeft ervaren, en tegelijk de mogelijkheid heeft ondervonden om hier zelf iets aan te doen, wordt dan in het begin van de jaren tachtig het deelstaatparlement geteisterd door een serie schandalen, waarbij een reeks verkozenen wegens corruptie in de cel belandden. Hierdoor ebt het vertrouwen in de politieke klasse verder weg; het hek is van de dam, en het referendum op volksinitiatief neemt een hoge vlucht.

 

Ten tweede stelt men het meestal voor, alsof de 'conservatieve' en 'xenofobe' of racistische bevolking mooie en progressieve maatregelen van de politici via het referendum weer afschiet. In werkelijkheid zijn deze 'progressieve' maatregelen echter van twijfelachtig allooi. We illustreren dit punt met twee voorbeelden. In 1994 keurden de kiezers een wetsvoorstel goed, dat ondermeer kinderen van illegale immigranten uitsloot uit publieke scholen (voorstel 187). In 1996 stemden de kiezers dan weer in met de afschaffing van de 'positieve discriminatie' op basis van geslacht en ras in openbare diensten en het onderwijs (voorstel 209). Deze voorstellen zijn niet willekeurig gekozen; ze zijn de hoofdvoorbeelden die Schrag zelf in zijn boek bespreekt.

 

Voorstel 187

 

Californië heeft af te rekenen met een sterke illegale immigratie, vooral vanuit het aangrenzende Mexico.

 

In verband met illegale immigratie wordt ter linkerzijde nogal gemakkelijk smalend gesproken over het rechtssysteem. Wie illegaal binnenkomt, moet maar meteen papieren krijgen en geregulariseerd worden. Zo verklaarde PvdA-er Horrie in De Standaard (21/3/99): "We moeten realistisch zijn, zegt men. Ze kunnen niet allemaal blijven. Het is nochtans de crisis die mensen tot vluchten dwingt. Het is het Westen zelf dat door zijn optreden de ellende veroorzaakt die het aan zijn grenzen tegenhoudt. Wapens verkopen aan Sierra Leone, maar dan vluchtelingen van daar het land uitzetten. Dat is de realiteit. Wij zijn realistisch". Het is curieus dat extreem links, anders altijd paraat om in termen van klassen en klassenstrijd te denken, dit plots niet meer doet wanneer het over migratie en vluchtelingen gaat. Het is niet waar dat 'het Westen' wapens heeft verkocht aan 'Sierra Leone'. De waarheid is, dat bepaalde wapenfabrikanten met politieke dekking wapens verkopen aan bepaalde paramilitaire en militaire groepen in Sierra Leone. De meeste inwoners van 'het Westen' hebben geen wapens verkocht, en de meeste bewoners van Sierra Leone hebben er geen gekocht. Indien je de zaak echt realistisch bekijkt, en niet met abstracties als 'het Westen' en 'Sierra Leone' werkt, dan zie je dat het probleem er een is van gebrek aan democratie. De bevolking van 'het Westen' noch van 'Sierra Leone' hebben een greep op de wapenhandel; zij zitten zelf in de greep van de economische machten en van een politieke elite, die niet met de bevolking maar wel met de economische macht ideologisch is vergroeid. Groepen als de PvdA lanceren dan de stelling: "tegenover het vrij verkeer van kapitaal moet het vrij verkeer van mensen staan" (heb ik letterlijk van Kris Merckx gehoord). Maar vrij verkeer van kapitaal is, alhoewel een feit, allerminst wenselijk. Waarom zouden bijvoorbeeld speculatieve geldstromen of wapentrafiek vrij moeten zijn? En vluchtelingen of illegale immigranten zijn helemaal geen voorbeelden van vrij personenverkeer, maar van gedwongen personenverkeer. Het juiste antwoord moet dan ook zijn: "het vrij verkeer van kapitaal en de migratiestromen moeten beiden onder democratische controle komen, en die controle zal maar reëel kunnen zijn in de mate dat er sprake is van een daadwerkelijke directe democratie". Het vrije kapitaal wil zelf niets liever dan vrije en massale migratiestromen, want daardoor kan het loonverlagend effect door concurrentie op de 'arbeidsmarkt' tussen werkenden en het werklozenleger volop spelen, terwijl tegelijk de nationale staten - vooralsnog de enige structuren waarbinnen reële democratie denkbaar is - gedesintegreerd worden.

 

 

'Regularisatie' is in principe onverenigbaar met een rechtsstaat. Dat geldt voor een illegaal opgetrokken villa evengoed als voor een illegale immigrant. Wetten verliezen hun betekenis naarmate meer overtreders op 'regularisatie' kunnen beroep doen. Dit besef leeft bij de bevolking heel diep. Deze gehechtheid aan de wet en aan de rechtsstaat is niet conservatief. Integendeel, historisch gezien is deze eerbied voor het recht een nieuw gegeven. Het is niet de bevolking die conservatief is door hieraan vast te houden; het is de politieke klasse, die conservatief is door dit principe los te laten. Want 'regularisatie' impliceert onvermijdelijk, dat er een instantie is die boven de wet staat en bepaalt in welke gevallen de wet al dan niet moet worden toegepast. Schrag noteert zelf, dat blijkens opiniepeilingen de Californische kiezer een zeer scherp onderscheid maakt tussen legale en illegale immigratie.

 

Ten tijde van de goedkeuring van voorstel 187 kwamen per jaar ongeveer 400.000 illegale migranten de deelstaat binnen. Het spreekt vanzelf dat er een onmogelijke situatie ontstaat wanneer je deze mensen enerzijds identificeert als illegalen, maar ze anderzijds toch integreert in het onderwijs- en gezondheidssysteem. Er zijn binnen het kader van een rechtsstaat twee logische oplossingen: ofwel verander je de wet , stel je de grenzen bv. open voor economische vluchtelingen en legaliseer je alle immigranten. Ofwel stuur je de als illegaal geïdentificeerde immigranten direct terug. Deelname aan het onderwijs bijvoorbeeld, heeft maar zin indien de gezinnen van de betrokkenen kinderen lange tijd in het land verblijven. Maar dit lang verblijf is juist onverenigbaar met het illegaal karakter van hun verblijf. Het laten aanrotten van illegale situaties werkt altijd vernietigend op de rechtsstaat. De bouwovertredingen in ons land zijn daarvan een goed voorbeeld. Men heeft tienduizenden overtredingen met passieve of actieve medewerking van staat en gemeente laten begaan, zodat pogingen om nu dan toch in bepaalde gevallen de wet toe te passen, op willekeur gaan lijken. Hetzelfde krijg je bij illegale immigratie: ofwel pas je de wet voor iedereen toe, ofwel verander je (op democratische wijze) de wet. Tertium non datur.

 

Een merkwaardig aspect van de campagne rond voorstel 187 was overigens de verstrengeling ervan met de goeverneursverkiezingen. De republikein Wilson won deze verkiezingen, ondermeer door op de electorale kar van voorstel 187 te springen. Op de verkiezingsspotjes van Wilson waren schaduwachtige figuren te zien, die over de straat renden, terwijl een stem neuzelde: 'they keep coming'. Toch was Wilson vroeger een bepleiter van lakse immigratiewetten en lakse immigratiecontrole. Daarbij had hij vooral oog voor de belangen van de eigenaars van grote landbouwbedrijven in het Zuiden van de deelstaat, die grotendeels werkten met ultragoedkope en illegale immigranten en dus voorstanders waren van ongecontroleerde immigratie.

 

Een vergelijkbare analyse kan gemaakt worden over het wegstemmen van 'positieve discriminatie' door de Californische kiezer in november 1996, via de goedkeuring van het voorstel van het California Civil Rights Initiative in 1996 (voorstel 209).

 

De hatelijkste effecten van de 'positieve discriminatie' waren wellicht te zien op de campus van de universiteit van Californië. Zwarten en Hispano's (de 'URM'-minderheden: underrepresented minorities) moesten bij het toelatingsexamen 200 tot 250 punten minder halen dan blanken of Aziaten. De bedoeling van deze maatregel was, om op de campus dezelfde procentuele 'ethnische samenstelling' (in feite gaat het over rassensamenstelling) te creëren als in de globale Californische maatschappij. Deze 'progressieve' regeling is in feite oerconservatief, want zij verlaat een van de fundamentele principes van de Verlichting, namelijk dat individuen als individu en niet als lid van een biologische (of andere) groep moeten beoordeeld worden, en dat biologische criteria als ras of geslacht in de rechtsbehandeling geen rol mogen spelen. 'Positieve discriminatie' is een eufemisme: de 'positieve' discriminatie van de ene is altijd de negatieve discriminatie van de andere. Wie mensen gaat klasseren volgens ras, ter doorvoering van wat voor soort discriminatie of quotum dan ook, schendt niet alleen de individuele waardigheid van de mensen, maar lokt ook direct absurde aberraties uit. Zo bleek dat heel wat welgestelde URM-individuen - vaak niet eens uit Californië afkomstig - tot de universiteit werden toegelaten, hoewel ze een minder goed examen aflegden dan niet-URM-individuen uit de minder begoede klassen.Schrag wijst zelf op de absurde en mensonwaardige gevolgen van positieve discriminatie, die dwingt om de mensen te klasseren volgens raskenmerken: "Hoe moet je de kinderen gaan klasseren uit het toenemend aantal gemengde huwelijken: latino's en aziaten, blank en zwart, Filippino's en bewoners van Oceanië? Welk vakje moeten die mensen aankruisen op hun inschrijvingsformulieren? Zolang de regeling van kracht was telden de universiteit van Californië oostelijke Indianen als blanken, terwijl iedereen met een Spaansklinkende familienaam als URM-er werd beschouwd, ook als het ging om een compleet blank kind (..) Filipino's werden als een apart etnische categorie beschouwd maar kregen wel geen voorkeursregeling. En waarom zou je een kind van Japanse of Chinese ouders negatief discrimeren, terwijl hun ouders in Californië brutale vormen van discriminatie hebben meegemaakt? Waarom moet een recente immigrant uit Mexico positief gediscrimineerd worden ten opzichte van in de USA geboren Aziaten?"

 

Toch bleven de 'progressieven' hun racistische regelgeving tot op het laatst met hand en tand verdedigen. De voorzitter van de UC, Jack Peltason, waarschuwde bv. dat de inschrijvingen van de zwarten met 50%, en van de hispano's met 25% zouden teruglopen indien deze regeling werd afgeschaft. In de laatste weken van de kiesstrijd rond voorstel 209 gingen de voorstanders van 'positieve discriminatie' zelfs zo ver, dat ze in televisiespotjes de tegenstanders van discriminatie met de Ku Klux clan associëerden.

 

Opvallend was ook hier de dubbelzinnigheid van vooraanstaande politici in het hele debat. Het CCRI-initiatief kreeg bijvoorbeeld actieve steun van de republikeinse goeverneur Wilson, hoewel hij vroeger in zijn loopbaan het principe van de 'affirmative action' met vuur had verdedigd. Blijkbaar ervaren burgers sterker dan de gemiddelde politicus dat blindheid van het recht voor geslacht en ras een van de grote verworvenheden is van de Verlichting en de aansluitende politieke evolutie in de 19de en 20ste eeuw. Gaandeweg heeft in onze eeuw het idee postgevat dat alle burgers individueel gelijk moeten zijn voor de wet, zonder dat afkomst of biologische kenmerken een rol spelen. Het progressieve in deze evolutie schuilt in de erkenning van de mens als individu. Alle wettelijke discriminaties op basis van herkomst, geslacht, of rijkdom, werden gaandeweg geëlimineerd. Positieve discriminatie betekent in dit opzicht een regressie: je wordt alweer beoordeeld op basis van je biologische kenmerken, en je wordt opnieuw niet als individu, doch als lid van een biologische groep gezien. Het publiek is voor deze waarden van de Verlichting veel gevoeliger dan de politieke klasse, die onder een progressieve rethoriek eigenlijk het biologisme weer wil invoeren.

 

Betekent dit alles nu dat er geen vuiltje aan de lucht is in Californië? Natuurlijk niet. Maar het probleem ligt niet in het instrument van de directe democratie als zodanig, maar wel in het gebrek aan bruikbare ideeën die we absoluut nodig hebben om de aberraties van het kapitalistisch productiesysteem op te vangen. Het migratieprobleem ontstaat door economische ongelijkheid en is alleen maar een nevensymptoom van een dieperliggend economisch vraagstuk.

 

Directe democratie zou toelaten om de bevolking direct te betrekken bij omvorming van de wereldeconomie. Maar directe democratie biedt slechts de mogelijkheid; de goede ideeën en de daadkracht moeten door de burgers zelf ontwikkeld worden. Omdat er slechts één land ter wereld is, namelijk Zwitserland, waar de burgers soeverein kunnen ingrijpen op dit niveau, hebben we weinig ervaring. In Zwitserland is er bijvoorbeeld niet lang geleden een referendum geweest om alle wapenexport te verbieden. Het betrof echter geen degelijk volksvoorstel, omdat het de export wou verbieden van alle producten die ook voor militaire aanwending kunnen gebruikt worden. Dit extreme voorstel werd dus door 70% van de Zwitzerse kiezers afgewezen, terwijl een beperkt voorstel dat enkel op zuiver militaire productie zou focussen blijkens de opiniepeilingen grote kans op slagen zou hebben. Deze ervaring toont aan dat het van groot belang is om goede en nauwkeurige ideeën voor te stellen. In ons land zouden, in een eerste stap, volksvoorstellen over 'fair trade' of verbod op wapenexport zeker een goede kans op slagen hebben.

 

Ik denk dat een gezond wereldbewustzijn op economisch domein slechts kan ontwikkeld worden in de mate dat de mensen zelf langs democratische weg de wereldproblematiek kunnen aanpakken. Een goed idee zouden bijvoorbeeld verbroederingsprojecten op gemeentelijk niveau kunnen zijn, tussen Europese en Afrikaanse gemeenten. Indien de burgers van een welbepaalde gemeente zelf vrijwillig kunnen besluiten om een verbroederingsproject met een gemeente in de derde wereld op touw te zetten, en daar ook direct-democratisch besliste opcentiemen in te investeren, zou een totaal ander klimaat kunnen ontstaan. Mensen gedragen zich immers moreel, indien van hen structureel verwacht wordt dat ze moreel handelen; maar ze verzetten zich tegen pseudo-morele 'solidariteit', die door machthebbers van bovenaf wordt opgelegd.

 


HET NEDERLANDSE BIJLMERSCHANDAAL: DOOR RECENTE WET GAAT BELGIE DE ZELFDE RICHTING UIT!

 

(uittreksel uit een tekst die werd vrijgegeven door Agalev-senator Boutmans op 6 februari 1999)

 

"Nederland staat op stelten omdat gebleken is dat bij de vliegtuigramp in de Bijlmermeerwijk giftige stoffen zijn vrijgekomen, waarvan het bestaan geheim is gehouden. Die giftige chemicaliën waren eigenlijk stoffen om chemische wapens te maken. Topgeheim dus, en over El Al bestond een - al of niet door de regering vastgelegde - zwijgplicht. Israël is immers een geliefd doelwit voor terroristen (en een zéér bevriende mogendheid).

 

Maar hoe zit dat in ons land? Met Israël en El Al ligt het uiteraard niet anders dan in Nederland.

Kort geleden is een wet aangenomen "betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen". Daardoor krijgt de regering een enorme bevoegdheid om informatie of documenten geheim te verklaren als het staatsbelang dat vereist, onder meer vanwege de "internationale betrekkingen van België", "het wetenschappelijk en economisch potentieel van het land" of - naast een reeks andere redenen - "elk ander fundamenteel belang van de staat".

 

Stel nu, dat "een" overheid beslist dat alles wat wapen in- en uitvoer aangaat geheim moet blijven, of alles wat gevaarlijke stoffen betreft aan boord van El Al vliegtuigen (zo duidelijk zal het wel niet op papier gesteld worden, maar dat maakt het alleen maar erger).

 

De consequentie is dan: al wie onthult wat geheim is verklaard, al wie dat aangeeft, zelfs aan de normaal bevoegde overheid, zelfs aan het gerecht, is strafbaar. De wet zegt immers: "Niemand heeft toegang tot geclassificeerde informatie, documenten of gegevens, materieel ,materialen of stoffen, tenzij hij houder is van een overeenstemmende veiligheidsmachtiging en voor zover de kennisname en de toegang noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn functie of zijn opdracht, onverminderd de eigen bevoegdheden van de gerechtelijke overheden" (maar de wet omschrijft de eigen bevoegdheid niet, en de plicht tot aangifte is geen gerechtelijke bevoegdheid).

 

Enige controle is wettelijk niet ingebouwd. Ook het parlement heeft geen toegang tot geclassificeerde informatie, zonder toestemming van de overheid die ze geheim verklaard heeft. Journalisten al helemaal niet.

 

Ik heb kort na de aannemening van die wet gezegd: een dergelijke doofpotwet heeft in België nog nooit bestaan. Er was weinig interesse voor.

 

Ik hoop dat het Bijlmerschandaal een goede gelegenheid wordt om de mogelijke consequenties van zo'n doofpotwet duidelijk te stellen en om meer garanties te vragen met betrekking tot 'classificatie' van informatie: de huidige wet zal vroeg of laat een groot schandaal verwekken... als het ooit uitkomt (...)"


VAN PEEL SPREEKT

 

In De Standaard van 26 maart werd verslag gebracht van een debat tussen de partijvoorzitters aan de Leuvense universiteit. CVP-voorzitter Van Peel deelde daar mee, dat naar zijn inzicht alle veranderingen aan de procedures van de democratie irrelevant zijn. Het bindend referendum, de rechtstreekse verkiezing van burgemeesters enz. hebben volgens Van Peel dus geen democratische betekenis. Volgens Van Peel is de mening en de stem van de burger in een democratie blijkbaar niet zo relevant. Er bestaat natuurlijk al langer een vermoeden dat dit het eigenlijke CVP-standpunt is, maar het voelt toch klam aan wanneer je dit nog eens uitdrukkelijk door een partijvoorzitter hoort bevestigen.

 

Onthutsend was ook Van Peel's mededeling dat hij niet meer bereid was ".. omwille van de political correctness, te verzwijgen dat 60 tot 70 procent van de straatcriminaliteit in Antwerpen het werk is van jonge Marokkanen". Deze mededeling impliceert immers dat Van Peel tot voor kort wél de politiek correcte verzwijging beoefende. De CVP-voorzitter is dus eigenlijk naar eigen zeggen een recent bekeerde volksverlakker.

 

'Van Peel, wat hebt gij vanavond!?', riep Guy Verhofstadt aan het eind van het debat. De zaal applaudiseerde. De reporter van De Standaard laat de mogelijkheid open dat Van Peel 'lichtjes aangeschoten' was.