Witte Werf mei 1999

AfdrukkenMéér democratie! Meer vrijheid van spreken!
Nieuw referendum in Gent?
Referendumnieuw uit Nederland (initiatieven in Amsterdam & St. Annaparochie)
Democratie & economie
Vlaams Blok en gratis openbaar vervoer te Gent
Beieren: zware tegenslagen voor de directe democratie
Nieuws uit de USA: Utah, Californië, Arizona...
Britse eurosceptici steunen geestesgenoten in Denemarken.
Duitse spelling.
Nadert de invoering van het referendum in Duitsland?
'Referendums' in Frankrijk en Oostenrijk.
Citaat (J.S.Mill over vrije menignsuiting)
CORRECTIEF REFERENDUM IN NEDERLAND GEBLOKKEERD

 

In Nederland vond op 18 mei de definitieve stemming in de senaat (de Eerste Kamer) plaats over de invoering van het correctief referendum, waaraan de regering sinds 1994 gewerkt had. Het voorstel werd op het nippertje verworpen. Een kabinetscrisis is het gevolg. Wat het referendum betreft, is Nederland vooralsnog terug bij af.

 

De Nederlandse politieke klasse heeft in vergelijking tot andere landen een bovengemiddeld grote weerstand tegen directe politieke invloed van de burgers. In tegenstelling tot de meeste andere Europese landen kent het geen enkele echte vorm van directe democratie. De enige volksraadplegingen die zijn gehouden (vooral sinds 1992), waren op het gemeentelijke vlak en bovendien 'consultatief' (niet bindend), zodat eigenlijk van enquêtes moet worden gesproken. De enige uitzonderingen hierop vormden enkele gemeentelijke referenda die de laatste jaren als experiment werden gehouden in het kader van de voorgestelde grondwetswijziging. Hierbij verplichtten de gemeentes zich om een al genomen besluit terug te draaien indien een ingewikkeld deelnamequorum gehaald werd.

 

Door eindeloos gekibbel over vraagstellingen, quorums en politiek gemarchandeer met de uitslag, was de animo van burgers niet groot. Op het provinciale of nationale niveau is nog nooit een referendum gehouden. Toch wordt invoering van het referendum gewenst door een constante meerderheid van de Nederlanders, dat in de peilingen schommelt tussen de 60 en 70 procent. Ook een meerderheid van de achterban van sommige tegen het referendum gekante partijen wenst het referendum, zoals 55 procent van de VVD-achterban.

 

Het Nederlandse debat omtrent de invoering van het referendum duurt al ruim honderd jaar. Aan het einde van de vorige eeuw pleitte de socialistische SDAP voor invoering van het referendum en het volksinitiatief. In 1903 kwam het voor het eerst tot een parlementair debat onder leiding van SDAP-voorman Troelstra. In totaal discussieerde de Tweede Kamer deze eeuw zeven keer over invoering van het referendum. Vijf staatscommissies werden ingesteld om invoering van deze of gene vorm van referendum te onderzoeken. Het meest omvattende onderzoek werd gedaan door de vierde, de gerespecteerde commissie-Biesheuvel. Deze adviseerde in 1985 het bindend referendum met een drempel van 300.000 handtekeningen en het volksinitatief. Al deze initiatieven, doorgaans ontstaan als reactie op socialeonrust, werden telkens geblokkeerd door de christen-democraten in wisselende coalitie met liberalen of socialisten. De christen-democraten zijn altijd tegen elke vorm van referendum geweest, de socialisten en liberalen veranderden deze eeuw enkele keren van mening. In 1966 werd in D66 een partij opgericht die een (enigszins) meer directe democratie als hoofdthema had. De enkele keren dat zij aan de regeringscoalitie kon deelnemen, liet ze dit echter gelijk vallen.

 

De laatste decennia vallen de standpunten omtrent het referendum samen met het links-rechts-spectrum: VVD (liberalen), CDA (christendemocraten) en 'klein rechts' zijn tegen alle referenda; PvdA (sociaal-democraten), D66 (links-liberalen), GroenLinks en de SP (radicaal links) zijn voor zowel het referendum als het volksinitiatief. Maar ook de direct-democratische gezindheid van de linkse partijen blijft beperkt. In de praktijk spant alleen D66 zich enigszins voor het correctieve referendum in, schuiven alle partijen het volksinitatief op de lange baan en zijn allen geneigd tot het uitsluiten van onderwerpen en het invoeren van hoge handtekeningendrempels en ondoorzichtige quorums.

 

Het CDA c.q. zijn voorgangers waren door hun constante coalitiedeelname altijd in staat ieder direct-democratisch initiatief te smoren. Toen het CDA bij de verkiezingen van 1994 grote klappen opliep, kon voor het eerst een 'paarse' coalitie zonder het CDA worden gevormd. Omdat PvdA en VVD hiervoor niet buiten D66 konden, kon deze de opname eisen van het correctief referendum in het regeerakkoord (een soort contract tussen regeringspartijen over wat in de regeerperiode in ieder geval geregeld moet worden). Hierbij zouden burgers op het gemeentelijk, provinciaal en landelijk niveau een eenmaal aangenomen besluit mogen tegenhouden; het volksinitatief was voor de VVD überhaupt niet aan de orde. De VVD-top bleef tegen iedere vorm van referendum, maar beschouwde het als een "prijs voor Paars".

 

Hierop begon vooral van VVD-zijde de langzame uitkleding van het correctief referendum. Al in het regeerakkoord was vastgelegd om het referendum in de grondwet op te nemen, hoewel de noodzaak hiervoor betwist werd. Hierdoor was een tweederde in plaats van gewone parlementaire meerderheid benodigd. Het referendumvoorstel dat de regering in juni 1995 presenteerde, liet alleen wetten in aanmerking komen voor een referendum, zodat bijvoorbeeld grote planologische beslissingen als de uitbreiding van vliegveld Schiphol uitgesloten waren. Ook werden wetten omtrent het koningshuis, de begroting en internationale verdragen uitgesloten van referenda. Voor het houden van een landelijk referendum waren 300.000 handtekeningen nodig binnen een termijn van zes weken. De VVD wist dit - na een aanvankelijke eis van 1,2 miljoen! - te verhogen naar 600.000 handtekeningen plus opname hiervan in de grondwet, zodat het later niet gemakkelijk zou kunnen worden verlaagd. Het regeringsvoorstel dat de opkomst minimaal 30 procent van de kiesgerechtigden moest bedragen, wilden de Kamerfracties van PvdA en D66 verhogen naar maar liefst 50 procent. Hierop werd als compromis vastgesteld dat de meerderheid van tegenstemmers minimaal 30 procent (3,7 miljoen) van de kiesgerechtigden moest bedragen. Ofwel, wanneer 4 miljoen mensen komen stemmen en 90 procent daarvan de wet afkeurt, zou hij toch doorgaan. Overige voorwaarden zouden later bij gewone wet geregeld worden. Voor de correctieve provinciale en gemeentelijke referenda gold hetzelfde quorum evenals de beperking tot "algemeen verbindende voorschriften"; het aantal handtekeningen en de overige voorwaarden zouden bij gewone wet worden vastgesteld. "Het correctief referendum (...) heeft vooral symboolwaarde. De drempels om tot een daadwerkelijke meningspeiling [sic] onder het volk te komen liggen zo hoog, dat er in de praktijk nauwelijks gebruik van zal worden gemaakt", stelde NRC Handelsblad terecht.

 

Omdat het een grondwetswijziging betrof, moest na de verkiezingen van 1998 een nieuwe Tweede Kamer, evenals de Eerste Kamer, het voorstel beide met tweederde meerderheid goedkeuren, zonder het nog te kunnen wijzigen. Intussen had de VVD, die opnieuw een paarse coalitie wenste, het correctief referendum in het verkiezingsprogramma voor 1998 opgenomen. Na deze verkiezingen werd de paarse coalitie gecontinueerd en de voorbereidingen rond de grondwetswijziging voortgezet.

 

In de direct gekozen Tweede Kamer werd het voorstel aangenomen, maar in de aanloop naar de stemming in de getrapt(nl. door de provinciale volksvertegenwoordiging) gekozen Eerste Kamer bleken problemen. De voorstanders (de regeringspartijen plus SP en GroenLinks) hadden precies een tweederde meerderheid, en nu dreigden enkele VVD-senatoren tegen te stemmen. Het regeerakkoord was slechts indirect op de Eerste-Kamerfractie van de VVD van toepassing, maar geen VVD'er had een voorbehoud gemaakt tegen de wijziging van het VVD-partijprogramma. D66 dreigde daarom uit de coalitie te stappen wanneer ook maar een VVD'er tegen het referendum zou stemmen. Dit zou het einde van de regering betekenen. De spanning werd opgevoerd doordat de VVD'ers tot op het laatste moment weigerden te zeggen wat zij zouden stemmen, hoewel niemand geloofde dat zij een regeringscrisis aandurfden. Op 18 mei bleek echter dat VVD-senator Wiegel zijn bezwaren handhaafde. Het referendum werd op een stem afgewezen en D66 blies het kabinet op. Op het moment van schrijven poogt men de coalitie te lijmen door D66 de invoering van het consultatief referendum (ofwel de enquete) voor te houden; anders komen er nieuwe verkiezingen.

 

De situatie is des te dramatischer omdat wordt aangenomen dat Wiegel bijbedoelingen had. Hij had de spanning maximaal opgevoerd door vantevoren niet te willen zeggen wat hij zou stemmen, terwijl hij van te voren stelde dat het niet uit zou maken wat men stemde omdat met dit voorstel toch nooit een referendum gehouden kon worden. Achteraf stelde hij plotseling een principieel tegenstander van het referendum te zijn. "Senator Wiegel, zo kan de conclusie slechts luiden, vond het moment kennelijk rijp om de coalitie waarvan hij altijd al een verklaard tegenstander was, om zeep te helpen en zijn principiële overtuiging kwam hem daarbij goed van pas", aldus het commentaar van de Volkskrant.

 

De publieke opinie heeft voor het merendeel kwaad gereageerd op het mislukken van het referendum. Een briefschijver in de Volkskrant vatte het zo samen: "De Nacht van Wiegel: nu weten we waarom een referendum nodig is!" Hiermee slaat hij de spijker op

z'n kop. Want zowel de meerderheid van de Nederlanders als de VVD-achterban wil het referendum. De VVD laat zich verkiezen met de invoering van het referendum als belofte. Niemand maakt voorbehoud. En dan is er opeens een VVD-parlementarier die dit aan zijn laars lapt en zijn stem door andere zaken laat beïnvloeden. Deze zaken zijn precies argumenten tegen het zuiver representatieve stelsel, waarin volksvertegenwoordigers met hun gestolen mandaat kunnen doen wat zij willen en waarin regelmatig machtspolitieke overwegingen in het stemgedrag meespelen.

 

Ondanks dat een referendumregeling vooralsnog van de baan lijkt, zijn er lichtpuntjes. Het weggestemde referendumvoorstel deugde toch niet, er is nog nooit zoveel aandacht geweest voor het referendum en uit ingezonden brieven lijkt op te maken dat een deel van de Nederlanders beseft dat de zittende partijen nooit uit zichzelf een deugdelijk referendum zullen introduceren.

 

Hiermee is gelijk het eerste belangrijke manco aangegeven. Het referendum zal voor een groot deel 'van onderop' geeist moeten worden. Er bestaat in Nederland echter geen burgergroep voor directe democratie, alleen ad-hoc groepjes rond afzonderlijke referenda die meestal belanghebbenden bij het betreffende onderwerp zijn. Zij zijn niet zozeer gehecht aan het referendum als zodanig.

 

Ten tweede verloopt het publieke debat ongeïnformeerd en onhelder. Men is zich vrijwel niet bewust dat in omringende landen al lang allerlei vormen van directe democratie bestaan. Ook de verschillende referendumvormen zijn nauwelijks bekend, zodat burgers zich met een kluitje in het riet laten sturen. De weggestemde grondwetswijziging werd bijvoorbeeld een 'volksinitiatief' genoemd, omdat burgers het houden ervan zelf moeten aanvragen. Een werkelijk volksinitiatief houdt echter in dat burgers ook de

inhoud van het ter stemming gebrachte voorstel bepalen. Ook werd her en der gesuggereerd dat de grondwetswijziging de aanbevelingen van de gerespecteerde commissie-Biesheuvel volgde, wat gejokt was.

 

Het is dus te hopen dat er een kerngroep rond directe democratie ontstaat die heldere ideeën en begrippen in het debat kan inbrengen en burgers kan organiseren en ondersteunen in hun wens voor het referendum. Wie ervoor voelt om hier op enige wijze aan mee te werken, neme contact op met ondergetekende.

 

Arjen Nijeboer

Kormelinkweg 118

1104 NT Amsterdam

Nederland

 

overzichten omtrent het referendum in Nederland zijn te vinden op het Internet:

www.dds.nl/referendum/referendum/nederland.html

www.nrc.nl (dossier)


NEDERLAND EN BERLIJN: DE POLITIEKE KLASSE TEGEN HET REFERENDUM

 

Na Beieren, Hamburg en Bremen, heeft de Duitse aktiegroep 'Mehr Demokratie' nu ook in Berlijn de nodige handtekeningen verzameld voor een referendum, dat de reeds bestaande referendumwetgeving wil verbeteren. De situatie in Berlijn is evenwel gecompliceerd. De grondwet voorziet, dat geen referendums over grondwetwijzigingen mogelijk zijn; de burgers mogen alleen gewone wetten goedkeuren. Daarom had Mehr Demokratie een burgervoorstel ingediend, dat een voorstel tot grondwetswijziging jaarlijks in de vijf belangrijkste Berlijnse kranten wou laten publiceren, zodat de openbare discussie over de grondwetswijziging zou kunnen beginnen.

 

Het te publiceren voorstel zou ondermeer referendums op districtsniveau ('Bezirke') omvatten. De bestaande regeling wordt in het voorstel aanzienlijk versoepeld:

- om tot een referendum te komen in Berlijn zouden niet meer de huidige 250.000, maar nog slechts 100.000 handtekeningen nodig zijn

- deze handtekeningen kunnen vrij worden ingezameld (nu moeten de burgers gaan tekenen op het stadhuis of districtshuis).

- de inzameltermijn wordt van 2 op 4 maanden gebracht

- ook referendums over de grondwet zijn toegelaten

 

De Berlijnse senaat weigerde echter om het referendum over dit voorstel te laten doorgaan: zelfs de loutere publicatie van een voorstel tot wetswijziging, bedoeld om het publieke debat over dit onderwerp te voeren, is in de ogen van de Berlijnse politieke klasse reeds ongrondwettelijk. Mehr Demokratie heeft klacht ingediend bij het gerecht tegen deze weigering van de senaat.

 

Momenteel lopen in Duitsland een hele reeks processen over volksinitiatieven, waarvoor de nodige handtekeningen werden verzameld maar die toch om allerhande redenen door de politici worden verboden. Zo is in Bremen een proces lopende over een verbod op een referendum ter verbetering van de referendumwetgeving en in Slechwig-Holstein procedeert men over een referendum aangaande onderwijsvrijheid.

 

In Nederland viel het paarse kabinet over de invoering van het correctief referendum op landsniveau (zie het artikel van Arjen Nijeboer in dit nummer). Dit correctief referendum was een strijdpunt van D66, en was ook in het regeerakkoord opgenomen. Maar de rechts-liberaal Hans Wiegel stemde, hoewel lid van een regeerpartij zijnde, in de Eerste Kamer tegen. Omdat hierdoor de tweederde meerderheid niet werd bereikt, kwam het correctief referendum er niet en stapte D66 uit de regering.

 

De invoering van het krachteloze correctief referendum , zoals voorzien in het regeerakkoord, zou echter voor de Nederlandse burgers nauwelijks van betekenis zijn geweest. Het Nederlandse correctief referendum was een schoolvoorbeeld van wat politici van directe democratie plegen te maken: een uitgehold en onwerkbaar instrument dat alleen maar ontmoedigt, en niet ontvoogt. D66 vocht voor een pluim op de eigen hoed, niet voor de invoering van enige reële democratie.

 

Waarom was Hans Wiegel dan eigenlijk tegen? Ik denk dat, los van alle andere overwegingen (zoals bv. het feit, dat Wiegel geldt als een verbeten tegenstander van paars), het ideologische element niet mag onderschat worden. En Wiegel is wel degelijk een ideoloog, die vindt dat zelfs de invoering van een onwerkbaar referendum reeds een ontoelaatbare inhoudelijke toegeving inhoudt. Het Westerse politieke systeem is gebaseerd op de gelijkstelling van 'representatieve democratie' met 'democratie' tout court. Deze gelijkstelling is filosofisch onverdedigbaar, en kan alleen maar in stand worden gehouden door eromheen een muur van stilte op te trekken. Wiegel was tegen het correctief referendum omdat de invoering ervan genoemde gelijkstelling inhoudelijk ondergraaft. Zelfs wie een onwerkbaar correctief referendum goedkeurt, geeft principieel toe dat de 'representatieve democratie' minstens onvolledig is, lokt daardoor misschien discussies uit over de vraag, wat 'democratie' nu eigenlijk is, en dat wilde Wiegel niet. Hij wil geen principiële discussies. De term 'democratie' betekent voor politici als Wiegel dan ook helemaal niet zoiets als 'volksheerschappij'. Democratie betekent voor dit type politicus alleen maar, dat het volk om de vier of zes jaar zijn cipiers verkiest, en verder zijn mond houdt.


 

BELGIE: HOE DE POLITIEKE KLASSE DE DIRECTE DEMOCRATIE AFBLOKT

 

De vraag naar de invoering van het bindend referendum wordt scherper gesteld. Bij de laatste voorstelling van de partijprogramma's van VU-ID21 en Agalev nam het bindend referendum een prominente plaats in. De VLD wil in zijn kiescampagne het referendum tot een hoofdtema maken. De SP nam op het laatste congres een standpunt in voor de invoering van het bindend referendum op Vlaams niveau, en heeft een voorstel tot decreet in de lade liggen. Ook het Vlaams Blok is het idee genegen. Nieuwe partijen zoals Vivant of de PNP zien de invoering van het bindend referendum als een vanzelfsprekend objectief. Eigenlijk zijn enkel de CVP en de maoïstische PvdA principieel tegen een volwaardige burgerdemocratie gekant.

 

De geschiedenis van de directe democratie leert , dat de tegenstanders van het bindend referendum eerst proberen om de mogelijkheid van directe besluitvorming buiten het bewustzijn van de bevolking te houden. In Vlaanderen is het grotendeels de verdienste van VLD-voorzitter Verhofstadt geweest om dit ideologisch cordon te doorbreken. Dit is des te merkwaardiger daar de liberale zusterpartijen van de VLD in Nederland of Duitsland geen voorstanders zijn van directe democratie.

 

In een tweede fase pogen tegenstanders van het burgerreferendum om het burgerreferendum te denatureren. In plaats van het authentieke beslissend referendum op volksinitiatief, wordt een krachteloos en onaantrekkelijk pseudo-initiatief ingevoerd en als een grote vooruitgang voorgesteld. Dit proces is nu volop aan de gang, zowel op nationaal als op lokaal niveau.

 

Op federaal niveau hebben de meerderheidspartijen, samen met de PRL-FDF, vanuit het Langendries-overleg een nieuwe regeling voor het gemeentelijk referendum doorgevoerd (momenteel nog niet in voege) die duidelijk beoogt om het ontluikend ideaal van de burgerdemocratie op een dood spoor te zetten. De Langendries- wet voorziet de invoering van een niet-bindend referendum over sommige onderwerpen. Het meest opvallend in deze wet zijn de ongelooflijk hoge handtekeningdrempels. In kleine gemeenten moet 20% van de inwoners (dat is zeker 25% van het aantal kiesgerechtigden) de referendumaanvraag ondertekenen. Dit is een wereldrecord, ingevoerd met als enige bedoeling het volksreferendum onbruikbaar te maken. Het Langendriesakkoord bevestigt ook de huidige regeling waarbij de stemmen niet worden geteld indien een bepaalde deelnamedrempel niet wordt gehaald. Nergens buiten België worden verkiezingen ingericht zonder daaropvolgende stemmingtelling. Nergens worden kiezers zo vernederd. En deze toestand wordt bevroren, want de grondwetsartikelen die moeten gewijzigd worden om een echt en bindend burgerreferendum in te voeren, zullen tijdens de volgende legislatuur niet herzienbaar zijn.

 

Ook op lokaal vlak beleven we een offensief tegen het burgerreferendum. Daarbij springt vooral het Gentse plebisciet omtrent het openbaar vervoer in het oog. In werkelijkheid werd in Gent een brutaal staaltje van politieke bevoogding afgeleverd. De vraag van de bevolking (ondertekend door 10% der Gentse kiesgerechtigden) wordt door de verenigde politieke klasse (de zogenaamde 'democratische' partijen) in de vuilbak gekieperd, en in de plaats wordt een voorgekauwde vraagstelling aangeboden over een plan waarrond al een partijpolitiek akkoord bestaat. Geen wonder dat de bevolking deze vernedering niet slikt en thuisblijft. Daarna kan diezelfde politieke klasse dan gaan verklaren dat de bevolking 'apatisch' is en geen belangstelling heeft voor directe besluitvorming.

 

Bij de Gentse politici was de nieuwspraak niet van de lucht. Lokaal Agalev-boegbeeld Dirk Holemans had het in De Morgen (25 maart 99) zelfs over een 'totaal nieuw referendummodel' dat de burgers 'geen inspraak maar beslissingsrecht' toekent , terwijl het in feite een plebisciet betreft omtrent een opgedrongen vraag. De 'democratische' politieke partijen in Gent verantwoorden hun manoeuver met de bewering, dat gratis openbaar vervoer niet mogelijk is zonder blijvende verhoging van de gemeentebelasting. Zij geloven niet dat daar een maatschappelijk draagvlak voor bestaat. Voor deze partijen betekent gratis openbaar vervoer niet noodzakelijk beter vervoer, en ook de sociale voordelen worden betwijfeld. Maar indien hun argumenten zo deugdelijk zijn, waarom treden ze dan niet met open vizier in het strijdperk tegen het voorstel van de actiegroep voor gratis openbaar vervoer? Waarom verdedigen ze dan hun argumenten niet in een open confrontatie voor de bevolking? Dat zo'n werkwijze heel goed mogelijk is, wordt elk jaar opnieuw in Zwitserland bewezen. Indien de Gentse politieke partijen het democratisch proces hadden aangedurfd, en de discussie over de burgervraag wilden aangaan, dan had je een echt politiek debat gekregen, met een authentieke inzet, en ongetwijfeld ook een veel grotere opkomst van kiezers. Dan zou de bevolking zich echt betrokken en au sérieux genomen voelen, en dat zou een belangrijke maatschappelijke winstpost hebben betekend.

 

Onze politici schijnen nog altijd niet te beseffen, dat een echte democratie op volkssoevereiniteit berust. En een soeverein volk bepaalt ook zelf, hòe de besluitvorming tot stand komt: via de verkozenen of per referendum. Indien het volk over een bepaalde vraag direct (per referendum) wil beslissen, dan kan in een echte democratie niemand dit tegenhouden. In onze Belgische particratie kan dit echter maar al te goed, zoals het Gentse voorbeeld leert. Onze politieke klasse houdt nog altijd vast aan het principe van het gedwongen mandaat: de burgers moèten hun besluitvormingsrecht afstaan aan een politieke elite, en ze krijgen verbod om direct te beslissen (tenzij aan de leiband, zoals in Gent). Deze gedwongen mandatering wordt dan achteraf voorgesteld als een authentieke vrije mandatering, waarop de politieke machthebbers zich beroepen om referenda te verbieden en alle macht in eigen handen te houden.

 

De Gentse politici denken misschien dat de balans van hun manoeuver toch nog positief uitvalt, omdat naar hun oordeel tenminste een overbelasting van de Gentse stadskas werd voorkomen. Maar er bestaat een kapitaal, die in elke gemeenschap veel belangrijker is dan het geld. Dat is het sociaal kapitaal, het kapitaal aan vertrouwen dat mensen tegenover elkaar en tegenover hun instellingen aan de dag leggen. In ons land wordt al jarenlang een uitzonderlijk zware roofbouw gepleegd op dit sociaal kapitaal. De Belgen scoren bijzonder laag voor vertrouwen in politieke partijen of instellingen. En van het weinige maatschappelijk vertrouwen dat nog overblijft, hebben de Gentse politici door hun paternalistisch gedrag alweer een kostbaar deel verkwanseld.


DE NIEUWE WET OP DE VOLKSRAADPLEGINGEN

 

Senator Anciaux zond ons kopie van de verslagen van de Senaatsbesprekingen betreffende de volksraadpleging. In de begeleidende brief (gedateerd 10 mei 99) schrijft hij:

 

"De uiteindelijk goedgekeurde teksten bevatten enkele positieve wijzigingen maar in zijn geheel betekenen ze een forse stap achteruit. Het is een gemiste kans. In de Senaatscommissie heb ik talloze amendementen ingediend en verdedigd. Maar ook hier ontbrak de durf om fundamenteel iets veranderen. Het referendum is een uitdaging voor de toekomst. Maar de burgers krijgen niet eens de kans om hun stem te laten horen. Daarom ben ik zeer ontgoocheld over het resultaat zoals het in Kamer en Senaat bereikt werd. Maar ikzelf en mijn partijgenoten zullen blijven ijveren voor meer directe democratie. Het thema is een van onze speerpunten tijdens de op gang gefloten verkiezingscampagne. Omdat we het aan de bevolking verplicht zijn".

 

De Langendries-wetten werden afgekeurd door de VU, Agalev en het Vlaams Blok, telkens met als argument dat de huidige voorstellen totaal onvoldoende en met name niet-bindend zijn. Verrassend genoeg onthield de VLD zich bij stemming, omdat de voorstellen volgens senator Vergote "..in de goede richting gaan". Bij de Franstaligen stemde enkel Ecolo tegen.

 

De evocatie van de wet door de senaat heeft slechts één wijziging opgeleverd: de absurde teldrempelregeling, waarbij in een gemeente met 23.000 inwoners meer handtekeningen moeten verzameld worden dan in een gemeente met 27.000 inwoners, wordt weggewerkt. De nieuwe drempels werden als volgt vastgelegd: voor gemeenten met minder dan 15.000 inwoners ligt de drempel zoals voorheen op 20% van het aantal inwoners; voor gemeenten van 15.000 tot 29.999 inwoners moeten 3.000 handtekeningen worden verzameld, en voor gemeenten van meer dan 30.000 inwoners moet ten minste 10% van de inwoners voor het referendum tekenen. Deze regeling is nauwelijks minder absurd dan de vorige: waarom moeten in een gemeente met 29.999 inwoners verhoudingsgewijs maar half zo veel burgers tekenen als in een gemeente met 15.000 inwoners? Volgens rapporteur Caluwé (CVP) wordt de regeling gerechtvaardigd door de overweging dat "...het houden van een referendum in kleinere gemeenten minder verantwoord is, aangezien de gemeenteraad daar dichter bij de bevolking staat" (Parlementaire Handelingen Senaat, 11 maart 1999, p.7309). Caluwé schijnt dus over een soort meetstok te beschikken om bedoelde afstand tussen bevolking en gemeenteraad te meten. In werkelijkheid is er maar één zo'n maatstok, en dat is de wil zelf van de bevolking om tot een referendum te komen. Lagere handtekeningdrempels voor grotere entiteiten zijn verantwoord, niet omdat de afstand tussen burger en bestuur varieert, maar omdat het ophalen van grotere aantallen handtekeningen in grotere entiteiten moeilijker is. Het vlakke palier voor gemeenten tussen 15.000 en 29.999 inwoners is irrationeel en moet alweer als een typisch Belgische absurditeit worden beschouwd. De 20%-drempel (inwoners, niet kiesgerechtigden!) voor kleinere gemeenten is een wereldrecord.

 

Hier volgt nog een uittreksel van de interventie van senator Anciaux:

 

"Het ergste is dat de bevolking niet ernstig wordt genomen en daardoor haar geloof in de politiek verliest. Ze krijgt het gevoel niet mee te tellen. Al dertig jaar wordt getracht langs het onderwijs de burger politiek bewust te maken. Dat is een verdienste van de generatie van 1968. Op een moment dat de burger kritscher is dan ooit, treedt de overheid het meest betuttelend op. De mening van de bevolking wordt niet gevraagd. Het is niet verwonderlijk dat ze 'foert' zegt tegen de politiek.

 

Als een advies of een mening wordt gevraagd, moeten die ook ernstig worden genomen. Een gemeente- of provincieraad mogen niet de mogelijkheid hebben dit advies of die mening te negeren. Zo kan nooit verantwoordleijkheidszin worden aangekweekt. Integendeel, zo worden conflicten gestimuleerd. Het is een slechte zaak geen rekening te houden met degenen die in iets geloven, die ervoor de boer op gaan en het debat voeren.

 

Een aanvraagdrempel van 10% van de kiesgerechtigden, of van 5% als de volksraadpleging de provincies overstijgt, lijkt mij gewenst. Het initiatief moet worden overgelaten aan de bevolking. Het moet minder een aangelegenheid worden van een gemeente- of provincieraad. Wanneer het opgelegde aanvraagpercentage wordt gehaald, mag een volksraadpleging niet worden geweigerd.

 

Er moet ook rekening worden gehouden met het resultaat. Ook hier kan eventueel een drempel worden ingevoerd en bijvoorbeeld worden opgelegd dat 20% van de deelnemers zich in één of andere richting moet hebben uitgesproken.

 

Guy Verhofstadt heeft enkele jaren geleden het referendum 'heruitgevonden'. Ik stond er toen zeer sceptisch tegenover. Zijn definitie luidde: 'Een referendum is de meest individuele uiting van de meest individuele overtuiging'. Ik ben absoluut geen liberaal. Ik krijg koude rillingen van deze uitspraak. Een samenleving is er niet mee gebaat dat ieder individu een eigen wereldje opbouwt zonder verantwoordelijkheid op te nemen voor de samenleving.

 

Volgens mij moet een referendum als volgt worden omschreven: 'Het tot stand brengen van een maatschappelijk debat, het samen oordelen, na een minimale periode van drie maanden, waarin men goed geïnformeerd wordt over het voor en tegen". Zo een maatschappelijk debat is een schitterende manier om de directe democratie tot stand te brengen naast de vertegenwoordigingsdemocratie. Zo kan de hele bevolking worden betrokken bij de opbouw van de samenleving. In die zin kan een referendum worden beschouwd als een uitdaging voor de toekomst.

 

Indien de politieke wereld er niet in slaagt respect op te brengen voor de bevolking, dan is het niet meer dan normaal dat de bevolking geen respect meer heeft voor de politiek. Ik ondervind dagelijks dat de liefde van twee kanten moet komen, anders kwijnt ze weg. De liefde van de bevolking voor de politiek is verdwenen omdat de politiek geen blijkt geeft van liefde voor de bevolking. We moeten trachten deze toestand opnieuw recht te trekken. Dit is echter onmogelijk op basis van de voorstellen van de werkgroep-Langendries. Ze getuigen van een mentaliteit van 'we willen wel, maar kunnen niet' ".

 

Het bovenstaande suggereert dat Bert Anciaux nog steeds vasthoudt aan het concept van deelnamequorums (20% van de kiesgerechtigden, in de tekst nogal ongelukkig 'deelnemers genoemd, moet zich in één of andere richting uitgesproken hebben). Dit lijkt ook het standpunt van VU-ID21 te zijn. Deze deelnamedrempels impliceren nog steeds een principiële superioriteit van de verkozen politicus boven de burger. De enige consequente houding is, om zoals in Zwitserland en Californië, dit soort drempels totaal te weren. In het geval van een referendum beslist niet het parlement, maar de verzameling van de opgekomen kiezers, die sowieso altijd veel talrijker is dan de verzameling van parlementairen. Zolang deze principiële gelijkwaardigheid tussen parlement en verzameling van kiezers niet wordt aanvaard, blijft men steken in problematische en halfslachtige referendum-formules.

 

Ondertussen is het standpunt van Anciaux een verademing ten opzichte van het CVP-standpunt, dat door Caluwé tijdens de debatten als volgt werd verwoord:

"Een volksraadpleging mag geen bindend karakter hebben. De uiteindelijke verantwoordelijkheid blijft bij de verkozenen. Zij moeten voor de beslissingen verantwoording afleggen en bij een eventuele vergissing of bij onvoldoende verantwoording kunnen ze om de zes jaar worden weggestuurd". Caluwé vergeet te vermelden dat het niet de politici , maar wel de burgers zijn die voor de 'vergissingen' moeten betalen. Of wordt onze staatsschuld van 1 miljoen per Belg soms door de politici terugbetaald? Bovendien schijnt de CVP de niet-herverkiezing van een politicus automatisch op te vatten als een sanctie, die de burger geeft aan een falende mandataris. Dit is principieel fout. Een niet-herverkiezing zou alleen maar als sanctie kunnen opgevat worden, indien permanente herverkiezing de normale toestand zou zijn. Burgers kunnen echter vele redenen hebben om een mandaat niet te verlengen. Er zijn bijvoorbeeld goede argumenten om te geloven, dat een te lange bekleding van een bestuursmandaat door dezelfde persoon als zodanig negatief werkt. Dat is bijvoorbeeld de reden waarom de president in de USA slechts éénmaal kan verkozen worden, en in vele Amerikaanse deelstaatparlementen zogenaamde 'term limits' van kracht zijn. Indien de CVP werkelijk meent dat verkozenen verantwoording aan de kiezer moeten afleggen, dan zou deze partij het afzettingsrecht (het zogenaamde 'recall'-recht) moeten verdedigen, waarbij burgers gelijk wanneer per direct-democratische stemming het mandaat van een verkozene kunnen schrappen. Dit systeem bestaat in verscheidene Amerikaanse deelstaten, maar wordt niet aangetroffen in het verkiezingsprogramma van onze christen-democraten.


VOLKSRAADPLEGINGEN IN VLAANDEREN : DE STAND

 

Welke ervaring is er tot nu toe met volksraadplegingen in Vlaanderen? Op provinciaal niveau: geen enkel. Voor wat de gemeentes betreft, volgt hier een overzicht, grotendeels ontleend aan 'De Gemeente', 1999-4p.29-31. We vermelden alleen de gevallen waarbij minstens 10% van de kiezers getekend hadden voor een referendum.

 

1. Volksraadplegingen met telling der stemmen.

 

Gent (14 december 1997).

Op 14 december 1997 vond op burgerinitiatief een volksraadpleging plaats over de door het stadsbestuur geplande bouw van de zogenaamde Belfortparking in het centrum. 41,12% van de kiesgerechtigden daagde op en daarvan stemde 95% tegen de parking. De gemeenteraad had van tevoren besloten de uitslag als bindend te zullen beschouwen.

 

Sint-Niklaas (28 juni 1998).

Voor de volksraadpleging over de bouw van een ondergrondse parking kwam 40,28% van de kiesgerechtigden opdagen. Hiervan stemde 92% tegen de parking.

 

Boechout (28 juni 1998).

Voor de volksraadpleging over de bouw van een gemeentelijke bibliotheek kwam 49,54 procent van de kiesgrechtigden opdagen, en daarvan stemde 72,75% tegen de bouw van de bibliotheek. Het gemeentebestuur zal de bibliotheek echter toch bouwen.

 

2.Volksraadplegingen zonder telling der stemmen.

 

Genk (13 oktober 1996).

De eerste volksraadpleging, over de inplanting van het Fenix-project op de voormalige mijnterreinen van Waterschei, eindigde met een sisser. De opkomst bedroeg 37,47% en de stemmen werden niet geteld.

Er was tegelijk ook een initiatief om over hetzelfde onderwerp een volksraadpleging te organiseren in As (het Fenix-project situeerde zich ten dele op het grondgebied van deze gemeente), maar de gemeenteraad verwierp het verzoek van de burgers.

 

Begijnendijk (29 juni 1997).

Hier hadden de kiezers een referendum aangevraagd over de afbraak van een oud gemeentehuis, het behoud van het gemeentelijk zwembad en de bouw van een cultureel centrum. De opkomst bedroeg 33% en de stemmen werden niet geteld.

 

Zulte (28 maart 1999).

De VLD-oppositie lanceerde een volksinitiatief over de inplanting van een bedrijventerrein bij de woonkern Olsen. 23% van de kiesgerechtigden nam deel aan de stemming en er werd niet geteld.

 

Gent (25 april 1999).

Het eerste burgerinitiatief waarbij geen politieke partijen als initiatiefnemer betrokken waren had de eis tot gratis openbaar vervoer 'naar het voorbeeld van Hasselt' als voorwerp. De handtekeningen werden verzameld doch de verenigde politieke klasse weigerde de gestelde vraag en organiseerde in plaats daarvan een volksraadpleging over een andere vraag. Hiervoor kwam slechts 22% van de Gentse kiesgerechtigden opdagen en de stemmen werden niet geteld.

 

3. Door de gemeenteraad geweigerde volksraadplegingen.

 

Temse

De SP-oppositie verzamelde de nodige handtekeningen voor een volksraadpleging over de overname van het OCMW-ziekenhuis door een privé-ziekenhuis. Op 21 juni 1998 weigerde de gemeenteraad de volksraadpleging.

 

Poperingen

Op 28 januari 1999 weigerde de gemeenteraad de organisatie van een volksraadpleging over de inrichting van een 'volwaardig speelbos'. Het initiatief voor de volksraadpleging ging uit van de SP.

 

4. Diversen.

- Het Vlaams Blok verzamelde in Kapellen handtekeningen voor een petitie tegen een opvangcentrum voor asielzoekers. De gemeenteraad wou daarop een volksraadpleging over de kwestie inrichten, maar dit werd door de goeverneur verhinderd. In Antwerpen werden handtekeningen verzameld voor een volksraadpleging over migrantenstemrecht bij de directe verkiezing der districtsraden. Minister Peeters wees zo'n volksraadpleging af. In beide gevallen werd door hogere instanties de volksraadpleging verhinderd omdat het hier geen gemeentelijke materie zou betreffen.

- In Olen besloot de gemeenteraad, op vraag van meer dan 10% der kiesgerechtigden, in juli 1997 tot de inrichting van een volksraadpleging over de inplanting van een verbrandingsoven. Op 13 augustus vernietigde minister Peeters echter het gemeenteraadsbesluit omdat het geen gemeentelijk belang zou betreffen.


DIRECTE DEMOCRATIE: HOEVEEL MOET DAT KOSTEN?

 

Het Gentse Belfortreferendum kostte ongeveer 20.000.000 frank, voor 168.000 gemeenteraadkiezers (119 frank per kiezer).

Het referendum te Boechout kostte 600.000 frank, voor 8.892 stemgerechtigden (67,5 frank per kiezer).

Het referendum in Sint-Niklaas kostte 2.500.000 frank, voor 51.858 kiesgerechtigden ( 48 frank per kiezer).

Te Zulte werd 500.000 frank uitgegeven, voor 11.002 kiesgerechtigden (45 frank per kiezer).

(gegevens uit 'De Gemeente' 1999-4).

Op basis van deze cijfers kan men schatten dat een drietal stembusgangen per jaar, met gemiddeld drie referendums per stembusgang, ongeveer 200 tot 300 frank per kiesgerechtigde en per jaar zou kosten.


HET JAARVERSLAG VAN DE VLAAMSE ADVIESCOMMISSIE VOOR VOLKSRAADPLEGINGEN

(Vlaamse adviescommissie voor volksraadplegingen, Markiesstraat 1, 1000 Brussel)

 

De adviescommissie voor volksraadplegingen heeft in verscheidene gemeentelijke volksraadplegingen nogal serieus ingegrepen. In theorie zijn haar adviesen niet bindend, maar in de praktijk verwijzen politici, zeker als hun dit goed uitkomt, maar al te graag naar de adviescommissie om hun eigen voorkeur door verwijzing naar een zogenaamd objectieve instantie door te drukken.

 

Dat de commissie helemaal niet neutraal opereert blijkt zelfs uit haar taalgebruik. Zo neemt zij in haar verslag de politiek geladen term 'democratische partijen' over, om alle in het Vlaams parlement zetelende partijen met uitzondering van het Vlaams Blok aan te duiden. Nu kan men het de bedoelde 'democratische partijen' (CVP, SP, VLD, VU, Agalev) natuurlijk niet euvel duiden dat zij zo'n terminologie hanteren. Maar het wordt bedenkelijk wanneer een objectieve en zogenaamd neutrale instantie dit woordgebruik overneemt, en daarmee van officiële zijde een welbepaalde partij als niet-democratisch brandmerkt, zonder dat terzake ooit een juridische uitspraak heeft plaatsgevonden. Hiermee wordt niet beweerd dat het Vlaams Blok al dan niet een 'democratische partij' zou zijn; wel dat organen van de uitvoerende macht zich over zo'n vraag noch expliciet noch impliciet hebben uit te laten.

 

Vooral de 'dienst' die de commissie heeft bewezen aan de 'democratische partijen' te Gent, door de vraagstelling omtrent gratis openbaar vervoer af te wijzen, steekt de ogen uit. Het jaarverslag is interessant omdat het als bijlage de volledige correspondentie en de adviezen van de commissie omvat. De commissie wees de oorspronkelijke vraagstelling af waarvoor 10% van de Gentse bevolking tekende ("Dient het gemeentebestuur er voor te zorgen dat er in Gent gratis openbaar vervoer komt zoals in Hasselt? ja of Neen?") met de volgende argumentatie:

 

"Ervan uitgaand dat het openbaar vervoer in de stad Gent niet door de stad zelf maar door de Vlaamse vervoermaatschappij de LIJN wordt georganiseerd, stelt de Commissie vast dat, zoals de vraag wordt geformuleerd, zij enkel betrekking kan hebben op het financiële aspect van de problematiek, met name of de stad GENT er dient voor te zorgen dat de kosten van het openbaar vervoer binnen de stad door haar zullen gedragen worden.

 

Een eventuele beslissing omtrent de vraag kan dan ook enkel betekenen dat de stad GENT in haar begroting een bedrag zal moeten inschrijven om de kosten van het openbaar vervoer aan de Lijn te betalen (in de plaats van de gebruiker van het openbaar vervoer).

 

Deze vraag heeft dan ook louter betrekking op de begroting. In dit verband verwijst de Commissie naar de bepalingen van artikel 323 van de nieuwe gemeentewet waarbij ondermeer aangelegenheden betreffende rekeningen en begroting van de gemeentelijke volksraadplegingen worden uitgesloten.

De Commissie wil hiermee niet zeggen dat artikel 323 van de nieuwe gemeentewet per definitie zou betekenen dat elk onderwerp met fianciële repercussies van een raadpleging zou zijn uitgesloten. Alleen blijkt uit de gegevens van de zaak dat in casu de gemeenteraad van Gent enkel een begrotingswijziging zou dienen aan te nemen".

 

Vooreerst is de argumentatie feitelijk onjuist: invoering van gratis openbaar vervoer zoals in Hasselt zou niet alleen een begrotingsbeslissing impliceren, maar ook bv. een overleg met de LIJN om de buslijnen aan te passen in functie van de verwachte verandering inzake busgebruik enz. Dit gebeurde ook in Hasselt. In feite komt de vraag erop neer, dat een nieuwe herziening van het openbaar vervoer moet gebeuren (via een mobiliteitsconvenant), met als bijzonder kenmerk, dat het herziene openbaar vervoer kosteloos is voor de individuele gebruiker. Ook nadat de initiatiefgroep hierop wees, hield de commissie het been stijf, en dat was precies wat de politieke partijen in Gent nodig hadden om zich de vraag waarvoor de burgers tekenden van het lijf te houden.

 

Maar verder moet een dringend vraagteken worden geplaatst achter de aanwezigheid van academische onderzoekers (vooral van de VUB) in deze commissie. Omdat de commissie blijkbaar bedoeld is om de 'democratische partijen' terwille te zijn, en omdat de door deze 'democratische' partijen ingevoerde wetgeving duidelijk beoogt om de burgers blijvend te bevoogden, horen academici in zo'n commissie niet thuis. Het is in feite een schande dat de wet aan burgers verbiedt om te besluiten waaraan hun belastingsgeld moet worden besteed, en academici horen niet - door hun aanwezigheid in een instelling die de toepassing van zo'n wet controleert - dit soort bevoogdende wetten een aureool van respectabiliteit mee te geven. Hoe kunnen zij nog objectief het functioneren van onze instellingen bestuderen, indien zij zich zelf op zo'n controversiële wijze laten betrekken bij de werking ervan? Kris Deschouwer, Kaat Leus en Jo Buelens kunnen maar best zo snel mogelijk uit de commissie stappen, en tenminste een neutrale houding innemen in het spanningsveld tussen burger en partijpolitiek.


DEMOCRATIE EN ECONOMIE

 

Op de conferentie van het NRI (6-8 mei 1999; meer hierover in een volgende Witte Werf) in Washington was ondermeer de 'Coalition for Initiative Rights' (CIR) uit Oregon vertegenwoordigd. Deze vereniging verdedigt als principe de voorrang van het rechtsgebied op het economische gebied.

 

Concreet wil de CIR in een eerste stap een verbod doorvoeren voor instanties die op het economische domein actief zijn (bedrijven, maar ook vakbonden) financieel tussenbeide te komen bij referendums op burgerinitiatief. Enkel natuurlijke personen (tot 1000 $ per jaar) en geregistreerde politieke comités en nonprofit organisaties zouden initiatieven mogen financieren. De bedoeling is om de impact van economische actoren op het direct-democratisch proces terug te dringen. Enkel individuele burgers, of organisaties van burgers rond ideeën, zouden aan het democratische proces mogen deelnemen.

 

De CIR steunt zich op het idee, dat de volksoevereiniteit volledig moet zijn wat ook inhoudt dat de soevereiniteit van het volk moet verdedigbaar zijn tegen de economische machten. Deze laatsten komen tussen in de politieke besluitvorming en hebben mettertijd heel wat rechten verworven, die eigenlijk alleen aan natuurlijke personen zouden moeten toekomen. Dit inzicht werd ontwikkeld door Richard L. Grossman, waarvan een artikel ('Reclaiming our Sovereignity. Reestablishing control over the corporation') actief door de CIR wordt verspreid.

 

Volgens de CIR heerste in de 19de eeuw in de USA nog een sterk besef dat de bedrijven ondergeschikt dienden te zijn aan de belangen van de natuurlijke personen. Zo werd in de grondwet van Californië in 1879 een bepaling opgenomen, die deze ondergeschiktheid van het economisch domein ten opzichte van het rechtsdomein uitdrukte. Met deze ondergeschiktheid werd niet bedoeld, dat het rechtsdomein het economisch domein diende te besturen, maar wel, dat vanuit het rechtsdomein iedere gewenste maatregel moest kunnen genomen worden om de rechten van de individuen te vrijwaren tegenover de economische macht. Er zijn uit de 19de eeuw heel wat gerechtelijke uitspraken bekend die dit principe uitdrukken.

 

Uitgangspunt was het besef, dat economische macht wel degelijk de tendens vertoont om buiten zijn oevers te treden. In een ander vonnis uit 1889 sprak het Hooggerechtshof van Georgia zich bv. als volgt uit (tegen een spoorwegmaatschappij):

"Alle ervaring wijst uit dat grote concentratie van rijkdom in handen die zo'n rijkdom gedurende lange tijd intact kunnen houden, bedreigend is voor het publieke welzijn.Omdat ze eeuwigdurende opvolging kennen, hebben alle soorten bedrijven bijkomende mogelijkheden voor zo'n accumulatie (...) . Zij zijn immers niet onderworpen aan de dood, die het bestaan van individuen beperkt, en ze kunnen steeds meer grond, steeds meer macht ophopen, tot ze te sterk worden voor de samenleving die bestaat uit mensen waarvan de plannen tot één enkele leven beperkt zijn" (geciteerd in Grossman).

 

In een vonnis van de Illinois Supreme Court in 1889 luidt het:

"Wanneer een onderneming wordt opgericht volgens de wet op de ondernemingen, met de bedoeling om op een wettelijke wijze zaken te doen, dan moet de wet (...) bepalen welke activiteiten in het kader van die bedrijvigheid mogen ontplooid worden (...) Een bedrijf oprichten met als oogmerk de vernietiging van de kracht van alle andere bedrijven in een gegeven sector, en het bloed weg te zuigen uit die andere bedrijven, is geen 'wettige doelstelling'." (geciteerd in Grossman).

 

In het vonnis uit Illinois werd de opvatting uitgesproken dat concurrentie gericht op vernietiging van andere bedrijven geen legitiem bedrijfsdoel kan zijn, ongetwijfeld omdat dit leed teweeg brengt bij individuele personen (die daardoor hun werk verliezen). Onderliggend was de overtuiging aanwezig dat het soevereine volk in zo'n geval inderdaad kan ingrijpen. Hiervoor werd in de 19e eeuw volgens Grossman vooral de procedure 'Quo warranto' ('vanui welke autoriteit') aangewend. Dit is een zeer oude procedure, die bijvoorbeeld door soevereine monarchen werd aangewend om ondergeschikte entiteiten, die hun boekje te buiten gingen en de soevereiniteit van de monarch in het gedrang brachten, tot de orde te roepen via een rechtstreeks beroep op die soevereiniteit. Het principe blijft bestaan wanneer de soevereiniteit op het volk overgaat.

 

Volgens Grosmann heeft op het einde van de 19de eeuw een nu vergeten 'contra-revolutie' plaatsgevonden, waarbij de doctrine van de soevereiniteit van het volk over het economische domein werd verlaten. Vanuit de arbeiders en boeren was hiertegen veel verzet, doch dit kon niet optornen tegen de financiële macht van de bedrijven: "Gaandeweg konden de bedrijven voor zichzelf rechten en privileges opeisen die werden afgenomen van het soevereine volk, via geweld en met steun van bedrijfsgunstige beslissingen vanwege federale rechters. De bedrijven kregen rechtspersoonlijkheid, en een lange lijst van burgerlijke en politieke rechten, zoals het recht op vrije meningsuiting, en eigendomsrechten, zoals (...) het recht om arbeid te organiseren" (R.L.Grossman: 'reclaiming our sovereignity').

 

Het is met name het recht op vrije meningsuiting, dat momenteel door federale rechters aan bedrijven wordt toegestaan op dezelfde wijze als aan natuurlijke personen, dat voor een dreigende corrumpering zorgt van de directe democratie. Natuurlijk hebben bedrijven als rechtspersoon geen mening op dezelfde wijze, als een natuurlijke persoon een mening heeft. Het heeft dus geen zin, om van vrije meningsuiting voor bedrijven te spreken. Bedrijven hebben echter wel belangen. Het is dit inzicht, dat de CIR wil doorvoeren via het verbod aan economische actoren om in het democratisch proces in te grijpen.

 

Volgens Grossman had deze machtsovername zich in de USA voltrokken rond de eeuwwisseling: "rond de eeuwwisseling waren de bedrijven soeverein geworden, en ze hadden de mensen herleid tot consumenten, of werkkrachten, of wat dan ook dat de mens vanuit bedrijfsstandpunt zou moeten zijn".

 

De strijd tegen het overwicht van de economische macht op de individuele mensen is in de twintigste eeuw eigenlijk vooral tegen de symptomen gericht. We kunnen niet meer, zoals in de 19de eeuw in de USA nog het geval was, vragen met welk recht de bedrijven de soevereiniteit van de bevolking ondergraven. De natuurlijke personen staan nu als een soort rechtsgelijke tegenover de rechtspersonen uit het bedrijfsleven, die geen echte personen zijn die meningen kunnen ontwikkelen, of kunnen deelhebben aan lief en leed, die ook niet kunnen sterven, maar die wel enorm veel rijkdom en macht kunnen opstapelen. Volgens Grossman hebben we hier te maken met een soort robotten : "Het is eigenlijk een oud verhaal: mensen scheppen een vernuftige machine, een robot, namelijk het bedrijf als rechtspersoon ('corporation'). Na een tijd verbinden de robots zich met elkaar en overweldigen zij de mensen. Zij veranderen hun eigen ontwerp en wijzigen de wet en de cultuur, zodat de mensen vergeten dat zij het waren die deze robotten schiepen en dat die robotten levenloze machines zijn. Al een eeuw lang voeren die robotten propaganda, en indoctrineren zij iedere nieuwe generatie van mensen met het denkbeeld, dat de robotten ook een soort personen zijn, gaven van God en moeder Natuur, en dat ze onvermijdelijk zijn en de bron van alles wat goed is. Is het niet vreemd hoe lichtgelovig, hoe volgzaam, hoe onderworpen we zijn geweest? Is het niet vreemd dat we zijn vergeten wie Wij, het Volk zijn; dat we vergaten hoe een soeverein volk zichzelf hoort te zien, en hoe het soevereine volk normaliter handelt? We moeten ons realiseren welke autoriteit we bezitten, en hoe we die autoriteit kunnen benutten om de natuur van de bedrijven vast te leggen, zodat we niet voortdurend moeten mobiliseren en actie voeren rond ieder afzonderlijk bedrijfsbesluit dat onze gemeenschap, onze levens of onze planeet bedreigt".

 

Een kernbegrip bij Richard Grossman is, dat alleen mensen verantwoordelijk kunnen zijn. Bedrijven kennen als zodanig geen verantwoordelijkheid; in feite zijn het vaak grotendeels constructies die hun eigenaars, managers en directeurs afschermen van verantwoordelijkheid. Omdat enkel individuele menselijke personen verantwoordelijk kunnen zijn, dienen enkel mensen soeverein te zijn, en zij dienen te bepalen welke vorm alle mogelijke organisaties, met inbegrip van bedrijven, dienen aan te nemen:

 

"Soevereine mensen bedelen niet bij de ondergeschikte, door hen gecreëerde entiteiten. Ze onderhandelen niet met zo'n entiteiten. Soevereine mensen bevelen en bepalen ondergeschikte entiteiten. En wanneer een ondergeschikte entiteit zijn scheppingsvoorwaarden overtreedt, en ons vermogen tot zelfbestuur schendt, dan moeten we snel en bekwaam die kanker uit het maatschappelijk lichaam verwijderen".

 

De stap naar werkgelegenheid en recht op arbeid

 

Onderliggend in het betoog van Grossman is het inzicht, dat bedrijven altijd de medeschepping zijn van de rechtsgemeenschap. Indien die gemeenschap geen rechtskader schept, waarbinnen dit bedrijf kan ontstaan, dan kan het bedrijf nooit functioneren. Het bedrijf kan bijvoorbeeld maar aanspraak maken op het gebruik van zijn productiemiddelen, doordat er een wetgeving terzake bestaat, die door de gemeenschap als legitiem wordt erkend en die het afnemen of vernietigen van de productiemiddelen van het bedrijf verbiedt. En het bedrijf kan maar financiële transacties uitvoeren, omdat de rechtsgemeenschap een welbepaald wettig betaalmiddel heeft ingevoerd en in stand houdt. Binnen dit kader kunnen dan bepaalde natuurlijke personen zich verenigen om een concreet bedrijf op te richten. Het bedrijf is echter als zodanig een ondergeschikte structuur, die geen persoon met geweten en verantwoordelijkheidszin is en dus het vermogen mist om mee soeverein aan rechtschepping te doen en die de volksoevereiniteit ook niet mag aantasten.

 

Grossman geeft een voorbeeld van het soevereiniteitsverlies dat de burgers leden ten opzichte van de economische wereld. Toen Chrysler in de stad Toledo (Ohio) een automontagebedrijf sloot, schreef de burgemeester een brief naar president Clinton, met de vraag om steun voor de inplanting van een nieuw bedrijf van Chrysler in de stad. De president antwoordde in een brief van 10 januari 1997:

 

"Zoals U zeker weet, kan mijn administratie geen mogelijke locatie voor de nieuwe productie-eenheid aanbevelen. Mijn staf zal gaarne met U meewerken nadat het bestuur van Chrysler zijn besluit heeft genomen..."

 

Chrysler treedt dus als een soevereine macht op, die geen rekening heeft te houden met het belang van de natuurlijke personen. Hoewel Chrysler een schepping is van alle burgers, stelt het zich boven de burgers. Met name dient het bedrijf geen rekening te houden met het recht op arbeid, bijvoorbeeld van de inwoners van Toledo, Ohio.

 

Vivant heeft vlak voor het laatste feest van de arbeid een weinig opgemerkte persconferentie gegeven, waarin het precies over dit recht op arbeid ging. Dit recht op arbeid staat immers in onze grondwet ingeschreven (in artikel 23), maar wat betekent het eigenlijk? Voor prof.em. Jan Gijsels, die over dit onderwerp een artikel pleegde in Vlaams Jurist Vandaag ( p.2-3, nov.1994) , is het antwoord duidelijk: niets. Het grondwettelijk gewaarborgd recht op arbeid is een lege doos: het verplicht de wetgever tot niets en biedt aan het individu geen enkele mogelijkheid om het recht op arbeid af te dwingen. De indieners van het nieuwe grondwetsartikel stelden zelf : 'Het voorstel houdt geen onmiddellijk engagement in voor de overheid'. Volgens prof. Gijsels gunt artikel 23 '..de Belgen géén rechten, maar slechts woorden'.

 

Professor Vilrockx (VUB), eveneens op genoemde persconferentie aanwezig, voegde hier nog een merkwaardig en onthullend element aan toe: bij stakingen is er wel degelijk een afdwingbaar recht op arbeid, namelijk van de werkwilligen versus de stakers. Dit is blijkbaar een belangrijke uitzondering op het algemeen principe, dat recht op arbeid niet afdwingbaar is.

 

Wanneer je al deze elementen samen neemt kom je weer uit bij het inzicht van Grossman: de economische macht heeft de soevereiniteit van de burgers geüsurpeerd. Het recht op arbeid is hiervan het belangrijkste slachtoffer: het wordt niet erkend uit hoofde van de burgers (hoewel het om ideologische motieven bij wijze van lege doos in de Grondwet staat) maar is wel afdwingbaar uit hoofde van bedrijfsbelangen, bij een arbeidsconflict.

 

Om de hele problematiek op te lossen is het eerst en vooral nodig dat wij ons losmaken uit de ideologische omknelling van het huidige systeem. En de eerste stap daarbij is onvermijdleijk, dat het idee van de volksoevereiniteit moet ingevoerd of hersteld worden. De economische wereld heeft weliswaar een eigen dynamiek, en kan in concreto niet vanuit de rechtsstaat bestuurd worden. Maar het economisch leven mag het democratisch leven en de rechten van individuen niet schenden, en de individuen moeten de grenzen kunnen vastleggen waarbinnen het economisch leven moet opereren, zonder dat het economisch leven bij het vastleggen van die grenzen tussenkomt (het reële recht van arbeid voor ieder individu is daarbij een van de belangrijkste beperkingen waarbinnen het economisch leven moet opereren). Daarom lijkt het initiatief van de CIR uit Oregon, om economische actoren uit het direct-democratisch proces te bannen, verantwoord. Voor de representatieve besluitvorming is het natuurlijk veel moeilijker om zo'n invloed uit te sluiten, maar ondermeer daarom is het broodnodig dat een volwaardig directe democratie tot stand komt.

 

Politici en 'wetenschappers' die zich verzetten tegen de invoering van directe democratie, houden een conceptuele sluier in stand rond het begrip 'soevereiniteit', die helpt verbergen dat momenteel niet de mensen, doch wel de economische macht soeverein is. Waarachtige soevereiniteit voor het volk is er maar, indien Wij het Volk over alles autonoom kunnen beslissen, met inbegrip van de vraag hoe het besluit over gelijk welke kwestie tot stand moet komen (via representatieve weg of direct-democratisch). Zolang de bevolking dit soevereiniteitsidee niet ten volle heeft kunnen pakken, is het ideologisch ontwapend tegen de overheersing vanuit de economische wereld.

 


UPDATE : DE HUIDIGE PARTIJSTANDPUNTEN

 

(Uit 'De Gemeente' 1999-4)

CVP

  <>"De CVP is geen voorstander van het invoeren van een bindend referendum. Voor de CVP is onze democratie gebouwd op het principe van de vertegenwoordigende democratie. Beslissingen die bepalend zijn voor onze samenleving kunnen in principe alleen worden genomen door diegenen die voor hun handelingen verantwoording moeten afleggen in verkiezingen. Het bindend referendum ontneemt aan de verkozenen de verplichting om de verantwoordelijkheid te nemen voor het beleid dat zij willen nemen. De CVP ziet wel een versteviging van de vertegenwoordigende democratie via correcte bevragingen van de mensen voor beslissingen genomen worden".

 

Opmerking:

De CVP komt steeds weer met dit 'verantwoordelijkheidsargument' op de proppen. De gedachtengang lijkt te zijn dat de verkozen politicus bij de volgende verkiezing rekenschap moet afleggen voor het beleid tegenover de kiezer. Daarom moet de verkozene, en niet de kiezer beslissen. In werkelijkheid moeten de negatieve gevolgen van een slecht beleid niet door de politicus maar wel door de burgers gedragen worden: zij zijn het die de overheidsschuld moeten terugbetalen of in files moeten staan.

Verder moet ook steeds opnieuw herhaald worden dat de formulering 'vertegenwoordigende democratie' een contradictie inhoudt die aan de CVP lijkt te ontgaan. 'Democratie' impliceert volksoevereiniteit. Die volksoevereiniteit houdt ook in, dat het volk vrij de modaliteiten kiest om die soevereiniteit uit te oefenen. Wanneer je aan het begrip 'democratie' dus een beperking verbindt (bv. 'vertegenwoordigende democratie') dan vernietigt het eerste deel van de term het tweede, want 'democratie' verdraagt per definitie geen aan het volk opgelegde beperkingen (dat is juist de kern van het begrip soevereiniteit).

 

SP

"Voor de SP blijven de verkiezingen de belangrijkste momenten. Tussen twee verkiezingen in moet het echter mogelijk worden om de bevolking te laten deelnemen aan het beleid en ze in een aantal concrete dossiers te laten beslissen. De SP pleit dan ook voor de invoering van het bindend referendum. Het resultaat moet bindend zijn ; anders kan er van een daadwerkelijke inspraak geen sprake zijn. Aan de invoering van het bindend referendum koppelt de SP evenwel de opkomstplicht. Hiermee wil de partij vermijden dat de sociaal zwakkeren zouden afhaken. Het referendum moet mogelijk worden op Vlaams, provinciaal en gemeentelijk niveau. Op federaal niveau blijft het referendum voor de SP uitgesloten omdat onvoldoende rekening kan gehouden worden met de noodzakelijke evenwichten tussen de verschillende gewesten en gemeenschappen. Een Hoge Raad voor het Referendum moet alles in goede banen leiden en onwettelijke of discirminerende vragen kunnen weren".

 

Opmerkingen:

Hoewel de SP tijdens de laatste jaren is opgeschoven naar een meer pro-referendumstandpunt, blijven de beperkingen toch zeer groot. De uitsluiting van het referendum op federaal niveau betekent eigenlijk, dat België voor de SP alleen als niet-democratische entiteit bestaanbaar is. En wat betekent een 'Hoge Raad' die 'onwettelijke of discriminerende vragen' moet weren? Zo'n raad heeft alleen zin in het kader van een referendum-wetgeving die alweer allerhande uitzonderingsclausules voorziet. Het referendum met opkomstplicht bestaat nergens, is zeer waarschijnlijk onwerkbaar en filosofisch meer dan dubieus.

 

VLD

"De VLD wil dat de burgers een beslissend referendum kunnen organiseren en dit op alle bestuursniveaus: het district, de gemeente, de provincie, de deelstaat en de federatie. Een referendum wordt ingericht op vraag van ten minste 10 procent van de burgers die in het bevolkingsregister zijn ingeschreven en de leeftijd van 16 jaar bereikt hebben. De VLD wil de deelname aan het referendum beperken tot de onderdanen van de Europese Unie. De uitslag van het referendum is bindend indien ten minste 25 procent van de kiesgerechtigden eraan deelneemt. Wanneer het referendum betrekking heeft op in de grondwet gewaarborgde rechten en plichten moet ten minste de helft van de kiesgerechtigden deelnemen. Inzake verzoek en telling maakt de VLD dus geen onderscheid tussen grote en kleine gemeenten".

 

Opmerkingen:

Het belangrijkste probleem met het VLD-standpunt zijn de opkomstdrempels. Zeker de 50% drempel voor grondwettelijke referendums leidt gegarandeert tot boycot door tegenstanders van het referendum. Merkwaaridg is de VLD geen voorstander van deelnamedrempels voor parlementsverkiezingen. Indien 10% van de burgers een parlement kiest, en dat parlement wijzigt dan de grondwet, dan is er volgens de VLD geen vuiltje aan de lucht. Maar indien 45% van de burgers via een referendum rechtstreeks een grondwetswijziging goedkeurt, dan wil de VLD de uitslag ongeldig verklaren.

 

Agalev

"Voor Agalev spelen de gemeenteraden een essentiële rol in de democratische vernieuwing, maar tegelijk vormen ze een veel te smalle invulling van de democratie. Daarom is uitbreiding van de representatieve democratie voor Agalev een prioritair vernieuwingsspoor. Agalev wil een wettelijke regeling die op alle politieke niveaus - ook deelgemeentelijk - bindende referenda en volksinitiatieven mogelijk maakt en dit volgens uniforme regels. Het vereiste percentage aan handtekeningen bedraagt voor kleinere gemeenten 10 procent en daalt naargelang de grootte van de gemeente stijgt. Verdere verfijningen zijn nodig: een voorstel tot correctief referendum indienen kan enkel binnen een redelijke tijdslimiet; procedures zijn nodig om de beoordeling over het al of niet wettelijk zijn van de vraagstelling in een vroeg stadium te beslechten (vooraleer de handtekeningen worden ingezameld); geen beperking of quorum t.a.v. de opkomst; kiesgerechtigd is men vanaf 16 jaar".

 

Opmerking:

Agalev is de enige in het parlement vertegenwoordigde partij met een duidelijk pro-democratisch standpunt inzake referendums. Wel is er met deze partij een serieus probleem inzake het gedrag van lokale mandatarissen, maar dat geldt ook voor de andere partijen.

 

VU

"De VU is een uitgesproken pleitbezorger van de invoering van een bindend referendum en dit op alle bestuursniveaus, van gemeentelijk tot federaal. Een adviserend referendum kan voor de VU enkel tot verwarring leiden. Als men de mening van de bevolking vraagt, moet men ook met hun standpunt rekening houden. Ook voor de politici is deze situatie duidelijker en rechtlijniger. Momenteel beslist het bestuur of ze al dan niet rekening houdt met de uitslag van de stemming. Voor de VU kunnen universele waarden niet ter discussie worden gesteld, dus ook niet in een referendum. Een bevoegde commissie moet in het leven worden geroepen om een deontologische controle uit te voeren op de vraagstelling, zodat die uiteindelijk heel helder is en niet leidt tot verwarring en onduidelijkheid. Deelnemen aan het referendum moet mogelijk zijn vanaf 15 of 16 jaar".

 

Opmerking:

De VU spreekt zich in dit standpunt niet uit over deelnamequorums, maar in de VU&ID21 coalitie werd naar verluidt een afspraak gemaakt ivm een 25%-drempel. De VU verwerpt de volkssoevereiniteit inzake 'universele waarden'. Deze universele waarden moeten dus volgens het officiële standpunt van deze partij buiten het democratische circuit, door een of andere niet nader genoemde elite, worden omschreven en dan aan het volk opgelegd. De Volksunie heeft inzake directe democratie de laatste jaren een serieuse weg afgelegd, maar de koudwatervrees en het wantrouwen tegenover de bevolking blijft in deze partij toch wel erg groot.

 

Het partijstandpunt van het Vlaams Blok werd in bedoeld nummer van 'De Gemeente' niet weergegeven.