Witte Werf augustus 1999

AfdrukkenEen historische kans
* Het congres van het IRI: enkele berichten.
- 1. ENKELE HISTORISCHE GEGEVENS IN VERBAND MET DE DIRECTE DEMOCRATIE IN ZWITSERLAND
- 2. DIRECTE DEMOCRATIE EN HET ZWITSERS ISOLATIONISME
- 3. GELD EN VOLKSINITIATIEF
- 4. BEPERKTE HERVERKIESBAARHEID
* Berlijn: een zwarte dag voor de directe democratie (+ andere berichten uit Duitsland)
* Mississippi: poging van parlement om volksinitiatief te kelderen mislukt.
* Oregon: offensief van parlement tegen het referendum op volksinitiatief.
* Naar een referendum op federaal niveau in Duitsland.
* Directe democratie en belastingsfraude.
* Belangrijke studie over naïef cynisme.
* Het nieuwste argument tegen directe democratie.
* referendum te Ittre.
Een historische kans

* Het congres van het IRI: enkele berichten.

- 1. ENKELE HISTORISCHE GEGEVENS IN VERBAND MET DE DIRECTE DEMOCRATIE IN ZWITSERLAND

- 2. DIRECTE DEMOCRATIE EN HET ZWITSERS ISOLATIONISME

- 3. GELD EN VOLKSINITIATIEF

- 4. BEPERKTE HERVERKIESBAARHEID

* Berlijn: een zwarte dag voor de directe democratie (+ andere berichten uit Duitsland)

* Mississippi: poging van parlement om volksinitiatief te kelderen mislukt.

* Oregon: offensief van parlement tegen het referendum op volksinitiatief.

* Naar een referendum op federaal niveau in Duitsland.

* Directe democratie en belastingsfraude.

* Belangrijke studie over naïef cynisme.

* Het nieuwste argument tegen directe democratie.

* referendum te Ittre.


EEN HISTORISCHE KANS !

 

"In afwachting van de invoering van het bindend referendum en het volksdecreet wordt het consultatief referendum ingevoerd om de burgers nauwer bij het beleid te kunnen betrekken. De Vlaamse regering verbindt er zich alvast toe de uitslag van deze referenda te respecteren".

 

(Vlaams regeerakkoord "Een nieuw project voor Vlaanderen" hoofdstuk 1, §8)

 

*

 

"De burgers willen meer inspraak in het beleid. Zij wensen ook aan de belangrijke maatschappelijke en politieke debatten deel te kunnen nemen. Om aan deze verzuchtingen tegemoet te komen, dient de rechtstreekse democratie te worden versterkt.

De artikels m.b.t. het referendum werden niet voor herziening vatbaar verklaard. Evenwel zal de Regering de mogelijkheden om volksraadplegingen te houden of in te voeren gevoelig uitbreiden en dit op verschillende niveaus. De meerderheidspartijen verbinden er zich toe om rekening te houden met de uitslag van deze volksraadplegingen.

 

In deze context en binnen bepaalde perken zal de Regering eveneens werk maken van de opwaardering en modernisering van het petitierecht tot een volksinitiatief".

 

(Federaal regeerakkoord "De brug naar de eenentwintigste eeuw" §2)

 

*

 

Onmiddellijk na het bekendmaken van de verkiezingsuitslagen op 13 juni bleek, dat in ons land een constellatie met nieuwe mogelijkheden was ontstaan. De liberale familie werd de grootste van het land. WIT heeft onmiddellijk een voorstel gezonden naar de vier politieke partijen, die mogelijkerwijs op Vlaams niveau een paarsgroene coalitie konden vormen, om het consultatief referendum op volksinitiatief in te voeren, gecombineerd met een verbintenis van de meerderheidspartijen om de uitslag van zo'n referenda te respecteren. Op deze wijze zou de weg kunnen geëffend worden voor de invoering van het bindend referendum op volksinitiatief tijdens de volgende legislatuur. Zoals bekend is een grondwetsherziening ter invoering van het bindend referendum momenteel onmogelijk, doordat tijdens de vorige legislatuur de betrokken grondwetsartikelen niet voor herziening werden vatbaar verklaard. WIT heeft ook voorgesteld om het ontwerp van decreet van de SP-ers Deridder, Sleeckx en Stevens als uitgangspunt te nemen voor de invoering van het volksdecreet. Dit ontwerp, dat voorziet in een handtekeningdrempel van 3% en geen bevoegdheden van direct-democratische besluitvorming uitsluit, biedt het juiste kader om op Vlaams niveau de directe democratie in te voeren.

 

De huidige regeringen hebben een unieke kans om het land uit het morele slop te halen. De naam van België heeft in het buitenland, via de affaire Dutroux, het Agusta-dossier (met ondermeer het ontslag van navo-secretaris Willy Claes) en de dioxinecrisis zware deuken gekregen. Ook het vertrouwen van de bevolking in de instellingen is totaal uitgeput. De ploeg die nu aantreedt is de enige, die eventueel in staat is om het tij te doen keren.

 

Het initiatief ligt natuurlijkerwijs bij de Vlaamse coalitie. Al de partijen in deze coalitie hebben zich in hun programma uitgesproken voor de invoering van het bindend referendum op volksinitiatief. De meeste ministers uit de Vlaamse regering hebben de petitie voor de invoering van het bindend referendum ondertekend.

 

De nieuwe Vlaamse coalitie kan twee wegen inslaan. Natuurlijk moet zij een hele reeks concrete dossiers aanpakken. De gevolgen van de dioxinecrisis moeten opgevangen worden. Maar indien de coalitie enkel deze weg van pragmatisch bestuur inslaat, zal niet alleen haar krediet bij de bevolking snel afkalven, maar ook haar interne samenhang zal vlug verdwijnen. Indien de Vlaamse regering daarentegen de verdieping van de democratie krachtig aanpakt, dan zal zij drie vliegen slaan in één klap:

 

- Zij zal krediet bij de bevolking opbouwen. Democratie invoeren betekent: vertrouwen stellen in de bevolking. Dit is moeilijk voor iedere politieke partij, want iedere partij heeft wel streefdoelen waarvoor bij de bevolking geen meerderheid is te vinden. De bekoring is altijd aanwezig, om via machtsuitoefening zo'n streefdoelen tegen de meerderheidswil in toch te realiseren. Hiervan afzien, en de bevolking de mogelijkheid geven om zelf fundamentele keuzes te maken, betekent een radicale breuk met de kultuur van bevoogding die het bestuur in ons land steeds heeft gekenmerkt. Vertrouwen wekt vertrouwen op: wie het wantrouwen van de bevolking ten overstaan van de politiek wil wegnemen, moet eerst en vooral zelf vertrouwen schenken aan de bevolking.

 

- Zij zal de eenheid van het bestuur bevorderen. De streefdoelen en accenten van de diverse coalitiepartners lopen nogal uiteen. Maar juist op het punt van de democratische verdieping kunnen de vier partijen elkaar vinden. Gaandeweg zou er een kultuur moeten ontstaan, waarbij de bevolking over fundamentele politieke en maatschappelijke vraagstukken rechtstreeks beslist. Zoals elders in deze Witte Werf nog eens wordt uiteengezet, is daarbij de kwaliteit van het maatschappelijk debat essentieel.

 

- Het imago van ons land zal serieus worden opgekrikt. Hoewel de invoering van de directe democratie in bepaalde Europese landen, zoals Duitsland en Nederland, op de politieke agenda is verschenen, werd tot nu toe nergens een serieuze doorbraak bewerkstelligd. België en Vlaanderen kunnen hier , op de drempel van de 21ste eeuw, een pioniersrol spelen. Door de stap naar de directe democratie radicaal te zetten, zou ons land eens op een andere en meer positieve manier voor het internationale voetlicht komen.

 

Bij de invoering van het referendum mogen een aantal struikelblokken niet uit het oog worden verloren. We noemen de voornaamste.

 

* Een groot knelpunt blijft de kwestie van de opkomstplicht. De SP is voorstander van het behoud der opkomstplicht, terwijl de andere coalitiepartners hiertegen in meer of mindere mate gekant zijn. Het regeerakkoord voorziet geen wijziging op dit punt. In feite gaat het hier over een ethisch vraagstuk, dat nauw samenhangt met het mensbeeld dat men huldigt. De fundamentele vraag is, of men een mens al dan niet door externe druk tot oordeelsvorming kan of mag verplichten. Daarom is deze problematiek bij uitstek geschikt om niet door de politieke partijen, maar door de bevolking zelf beslecht te worden. WIT heeft voorgesteld om een volksinitiatief op dit vlak te lanceren, met stemming gekoppeld aan de gemeenteraadsverkiezingen. Omdat voor de gemeenteraadsverkiezingen effectief de opkomstplicht geldt, kan men een volksstemming houden zonder van tevoren de kwestie te moeten oplossen, of voor deze volksstemming zelf de opkomstplicht moet gelden.

 

* Binnen de coalitiepartijen zelf bestaat, ondanks de officiële eensgezindheid, toch ook heel wat oppositie tegen directe democratie. Dit kwam ondermeer tot uiting in de gemeentelijke referendums die in Boechout en Gent plaatsvonden. Ook de partijstandpunten zijn niet altijd even gunstig. Zo voorzien de partijprogramma's van de VLD en de VU in de installatie van deelnamequorums: beneden een zekere participatiedrempel wordt het referendum ongeldig verklaard en worden de stemmen niet geteld. Zowel de eerste binnenlandse ervaringen als de overvloedige ervaring in het buitenland hebben uitvoerig de nefaste werking van deze quorums aangetoond. De quorums plaatsen ook de directe besluitvorming op een lagere trap dan de representatieve besluitvorming, want voor de verkiezing van een volksvertegenwoordiging worden nergens ter wereld deelnamequorums gebruikt. Indien men bijvoorbeeld het quorum van 40%, dat werd ingeroepen om de gemeentelijke referenda in Genk of Begijnendijk ongeldig te verklaren, ook op de recente Europese verkiezingen had toegepast, dan zouden heel wat Europese landen zonder vertegenwoordiging in het Europarlement zijn gebleven. De coalitiepartijen moeten zich het inzicht eigen maken, dat een stembusgang in een democratie per definitie door een telling der uitgebrachte stemmen moet worden gevolgd.

De coalitie moet er naar streven om een referendum op volksinitiatief met maximale werkbaarheid in te voeren. Dit betekent dat geen deelnamequorums mogen worden ingebouwd, en ook geen onderwerpen mogen uitgesloten worden die tot de bevoegdheid van het federale respectievelijk het Vlaamse parlement behoren.

 

* Het proces van de beeldvorming moet grote aandacht krijgen, en hier kunnen de openbare televisie en radio een grote rol spelen. De wetgeving op de invoering van het referendum moet meteen voorzien, dat via deze media voldoende en evenwichtige ruimte ontstaat voor debat.

 

De invoering van een werkbaar referendum op volksinitiatief zal overtuigend illustreren, dat in dit land iets fundamenteels wordt veranderd. En niets zal zo snel bewerken, dat ons land opnieuw een positieve uitstraling kan krijgen. Alleen: er zal veel goede wil en veel moed en daadkracht nodig zijn om het zover te laten komen. Er zal een echte breuk met de traditie van maatschappelijke bevoogding nodig zijn. Men moet niet betwijfelen dat in de huidige Vlaamse regering het nodige menselijke kapitaal aanwezig is om deze stap te zetten. De vraag is alleen, of dit kapitaal nu ook vrucht zal dragen.

 

Het gemeentelijk referendum

Er dient ook dringend een fatsoenlijke wet op het gemeentelijk referendum te komen. We moeten een gemeentelijk referendum krijgen zoals dat functioneert in Zwitserland of Beieren:

 

- de extreem hoge handtekeningdrempels (20% van het aantal inwoners in kleinere gemeenten; de hoogste drempel ter wereld) moeten worden vervangen door redelijke drempels (5 à 10 % voor kleinere gemeenten, 3% voor grote steden)

- alle aangelegenheden die onder de gemeentelijke bevoegdheid vallen, moeten het voorwerp kunnen uitmaken van een referendum op volksinitiatief

- de sperperiodes rond de verkiezing van representatieve organen moeten afgeschaft worden

- de deelnamequorums moeten afgeschaft worden.

 

Het gemeentelijk referendum kan niet bindend gemaakt worden omdat de betrokken grondwetsartikels door de vorige regering niet voor herziening vatbaar werden verklaard. Maar de coalitiepartijen (aangevuld met de oppositiepartijen die hiertoe bereid zijn) kunnen in elk geval reeds publiek verklaren om ook op lokaal niveau de uitslag van de referenda te zullen respecteren.


 

HET CONGRES VAN HET IRI : ENKELE VERSLAGEN

 

Hieronder volgen een viertal verslagen of besprekingen van voordrachten of documentatie, die op het congres ter beschikking werden gesteld - jv

 

1. ENKELE HISTORISCHE GEGEVENS IN VERBAND MET DE DIRECTE DEMOCRATIE IN ZWITSERLAND

 

De Zwitserse hoogleraar Andreas Auer hield een uiteenzetting over de totstandkoming van de directe democratie in zijn land en in de USA. Kern van zijn betoog was, dat de jonge USA een sterke invloed had op de totstandkoming van de directe democratie in Zwitserland, en dat een eeuw later de beïnvloeding in de andere richting al even groot was.

 

Het is in de Amerikaanse staten Massachusetts (1777 en 1778) en New Hampshire (1779 en 1780) dat voor de eerste maal de direct-democratische goedkeuring van een grondwet door de kiezers plaatsvond. Het betrof hier de grondwet van de betrokken deelstaten. Merkwaardigerwijs werd de grondwet van de federale USA nooit aan een referendum onderworpen, tenzij in Rhode Island (waar het grondwetsvoorstel trouwens met een grote meerderheid werd verworpen). Dat er in het grondwetsontwerp van de USA geen directe democratie voorzien was (een toestand die tot op heden voortduurt) vloeit voort uit het diepe wantrouwen dat vele 'founding fathers' (de zogenaamde 'Framers') hadden tegenover de direct uitgesproken volkswil.

 

Niettemin hadden de Amerikaanse voorbeelden een inspirerende werking op de Franse revolutie, die enkel jaren later uitbrak. Het concept van volksdeelname in de totstandkoming van wetten werd opgenomen in de 'Déclaration des droits de l'homme et du citoyen' (1789). En inderdaad kwam in Frankrijk in 1793 een referendum tot stand over de grondwet. Belangrijk voor de verdere ontwikkeling van het referendum-concept was de bezetting van Zwitserland door Napoleon. Deze probeerde de losse Zwitserse confederatie om te zetten in een eenheidsstaat, en over dit voorstel werd dan een referendum ingericht in 1802. De meerderheid van de Zwitserse kiesgerechtigden verwierp het voorstel, maar dit werd toch als aanvaard beschouwd, omdat de niet-stemmers bij de voorstanders van de eenheidsstaat werden opgeteld. Ondanks deze procedurele wantoestand en ondanks het feit dat het referendum door een buitenlandse bezetter was ingericht, bleef het referendum-idee na het vertrek van de Fransen uit hun land toch bij de Zwitsers hangen. In enkele kantons werden vormen van directe democratie ingevoerd en in 1848 volgde dan een eerste, bescheiden stap op federaal niveau. Eigenlijk komt het idee van directe democratie dus uit de USA, en bereikte het via het revolutionaire Frankrijk dan Zwitserland, waar het wortel schoot. Het cruciale verschil tussen Zwitserland en de andere Europese landen is, dat in de Alpenstaat de burgerlijke revolutie die in 1848 door ons continent waarde, niet werd teruggeslagen doch gedeeltelijk kon doorbreken. In de jaren 1860-1870 voerde de zogenaamde 'democratische beweging' in diverse kantons tot meer en meer directe democratie. Volgens professor Auer was het motief hier minder, zoals in de Franse revolutie, het behoud van de individuele vrijheid; meer en meer werd democratie als een waarde op zich gezien. In 1874 werd het referendum op volksinitiatief ingevoerd, eerst alleen over gewone wetten, vanaf 1891 ook over de grondwet. Op al deze punten werd eerst op kantonnaal niveau ervaring opgedaan, waarna het federale niveau volgde. Dit is een algemene trend. Ook in de USA pleegt het referendum op volksinitiatief eerst op lokaal niveau te worden ingevoerd. Meestal bestonden daar op lokaal niveau reeds ervaringen vooraleer het referendum dan op staatsniveau werd ingevoerd (in Californië bestond het referendum op volksinitiatief bv. reeds in de stad Los Angeles vooraleer het systeem op staatsniveau werd geïntroduceerd).

 

Van Zwitserland terug naar de USA

Merkwaardig genoeg heeft de direct-democratische impuls dan rond de eeuwwisseling een tweede maal de Atlantische Oceaan overgestoken, maar nu in omgekeerde richting. Rond de eeuwwisseling werden in heel wat westelijke staten van de USA het referendum en het volksinitiatief ingevoerd. Dit gebeurde vooral onder aanvoering van de populistische partij, die in die tijd vrij sterk stond in deze gebieden. Zwitserse kolonisten speelden daarbij in diverse deelstaten , zoals Oregon, een grote rol; en het Zwitserse voorbeeld gold overal als inspiratiebron. William Rappard (in: 'The initiative, referendum and recall in Switserland' Annals of the American Academy of Political and Social Science 43, p.110-115, 1912) telde in die tijd meer dan honderd Amerikaanse boeken en artikels die het Zwitserse direct-democratische systeem behandelden.

 

Merkwaardig genoeg liep de impuls dood tijdens de aanloop naar de eerste wereldoorlog. Op het federale niveau werd in de USA nooit enige vorm van directe democratie doorgevoerd, en in de oostelijke staten kwam van directe democratie ook niet veel in huis. Wat Europa betreft, voerde na de oorlog enkel de Weimarrepubliek in Duitsland een totaal onwerkbare vorm van volksinitiatief in. Het is niet verboden om te vermoeden dat, zonder de cesuur van de eerste wereldoorlog, de invoering van de directe democratie in de USA een heel eind verder had kunnen opschieten, en dat de Duitse sociaal-democraten hun direct-democratische doelstellingen naar Zwitsers voorbeeld wel hadden kunnen realiseren.

 

2. DIRECTE DEMOCRATIE EN HET ZWITSERS ISOLATIONISME

 

Kobach hield ondermeer een uiteenzetting over de invloed van de directe democratie in Zwitserland op de internationale relaties van dat land (zie ook: Kris Kobach "Spurn thy neighbour: direct democracy and Swiss isolationism" West European Politics 20, 185-211, 1997).

 

De Zwitsers kregen een eerste gelegenheid om zich per referendum uit te spreken op 16 mei 1920, toen lidmaatschap van de volkerenbond de inzet was. Er bestond een algemene vrees dat dit lidmaatschap de Zwitserse neutraliteit in het gedrang zou brengen. De Zwitserse neutraliteit werd reeds erkend in het verdrag van Westfalen, en werd door de Europese machten opnieuw gegarandeerd op het congres van Wenen. De meeste Zwitsers zijn sterk gehecht aan deze neutraliteit, die volgens hen heeft meegebracht dat Zwitserland niet werd meegesleept in talloze Europese conflicten (waaronder de twee wereldoorlogen).

 

De Raad van de Volkerenbond had uitdrukkelijk verklaard dat de Zwitserse neutraliteit niet onverenigbaar was met het lidmaatschap, dat Zwitserland het recht behield om doortocht van vreemde troepen door zijn grondgebied te weigeren en dat het land niet moest deelnemen aan eventuele militaire interventies uitgaande van de Volkerenbond. De Zwitsers keurden het lidmaatschap goed met een meerderheid van 56,3%. De tweede meerderheid, die van de kantons, werd maar nipt gehaald: 11,5 tegen 10,5 kantons. Dit soort stemmingen, waarbij de nationale soevereiniteit op het spel staat, lokt over het algemeen veel kiezers naar de stembus; in 1920 bedroeg het opkomstpercentage 77,5%.

 

De ervaring van de Zwitsers met de volkerenbond was niet onverdeeld positief. In 1935 vaardigde de volkerenbond economische sancties uit tegen het fascistische Italië, nadat Mussolini Abessinië was binnengevallen. Zwitserland wou enkel een wapenembargo tegenover de strijdende partijen handhaven. Deze tussenpositie lokte van twee zijden heftige kritiek uit en de Federale Raad besloot dat Zwitserland zich in de toekomst weer strikt aan zijn neutraliteit moest houden.

 

In 1945 bleef Zwitserland buiten de UNO, nadat was gebleken dat lidmaatschap onverenigbaar was met de Zwitserse neutraliteit. Vanaf de jaren zestig gingen binnen de Zwitserse politieke klasse toch stemmen op voor lidmaatschap en in het begin van de jaren tachtig waren hiervoor op regeringsniveau en parlementair niveau grote meerderheden tot stand gekomen. Het referendum dat hierover in maart 1986 werd gehouden, leverde echter een meerderheid van 75,7% op tegen lidmaatschap (50,7% van de kiesgerechtigden nam aan het referendum deel). Er bleek een diepe kloof te bestaan tussen de beroepspolitici en de bevolking. Kobach schrijft hierover: "Indien men alleen maar had gekeken naar het onevenredig grote aantal organisaties die UNO-lidmaatschap voorstonden, dan had men de indruk gekregen dat het Zwitserse volk met een overweldigende meerderheid zo'n lidmaatschap voorstond. Doch de schijnbare eenheid tussen de top van de belangengroepen verborg een diepgaand meningsverschil langsheen de maatschappelijke ladder. De Gewerkschaftbund bijvoorbeeld sprak zich krachtig uit voor UNO-lidmaatschap; maar uit een na het referendum gehouden enquête bleek, dat 93% van de arbeiders tegen dit lidmaatschap was gekant".

 

Op 17 mei 1992 vond opnieuw een referendum plaats, ditmaal over het lidmaatschap van het IMF en de Wereldbank. De kiezers keurden het lidmaatschap van deze organisaties goed met een meerderheid van 55,8%.

 

Later in hetzelfde jaar diende een referendum te worden gehouden over de toetreding van Zwitserland tot de Europese Economische Ruimte. Het ging hier over een verdrag tussen de EU en de EFTA (waarvan op dat moment nog Oostenrijk, Zweden, Noorwegen, Finland, Zwitserland en Liechtenstein deel uitmaakten; het belangrijkste EFTA-lid Groot-Brittannië was reeds lid van de EU). Het verdrag voorzag in de creatie van een eenheidsmarkt tussen EU en EFTA voor alle goederen behalve landbouwproducten. De EFTA-landen zouden niet betrokken worden bij de politieke eenmaking van de EU-landen maar zouden wel gebonden zijn door de economische wetgeving van de EU. In feite beschouwde iedereen in Zwitserland de inzet van dit referendum als een eerste stap tot EU-lidmaatschap. Opnieuw was bij de politieke klasse een overweldigende meerderheid te vinden ten gunste van het lidmaatschap.

 

Tegenstanders van het referendum wezen echter op het feit, dat de Zwitserse burgers op democratisch vlak zwaar zouden moeten inleveren. Zwitserland zou gebonden zijn door de wetgeving van de EU, zonder dat enige direct-democratische toetsing zou mogelijk zijn. Lokale regels, die in Zwitserland vaak op kantonnaal of zelfs gemeentelijk niveau werden vastgelegd, zouden door internationale handelaars kunnen genegeerd worden.

 

Het lidmaatschap van de EER werd uiteindelijk verworpen, met een zeer nipte meerderheid van 50,3% tegenstanders. De tweede meerderheid zou evenwel nooit haalbaar zijn geweest: slechts 7 kantons haalden een meerderheid pro lidmaatschap. De opkomst bij dit referendum lag zeer hoog (78,7%, terwijl doorgaans zowat 40% van de kiesgerechtigden gaan stemmen).

 

Het belang van het referendum over de EER werd nog eens onderstreept in februari 1994, toen gestemd werd over een volksinitiatief met betrekking tot het buitenlands vrachtverkeer. Het kanton Uri, waarbinnen de Gotthardpas ligt, had sinds de opening van de tunnel het vrachtverkeer doorheen de Reussvallei zien stijgen van 80 tot 2500 vrachtwagens per dag. Dit levert een zware milieulast op en leidde tot een initiatief, dat tegen 2004 alle transitvrachtverkeer uit de vallei wil bannen; de vrachten moeten tegen dat jaar allemaal per spoor doorheen Zwitserland passeren. Het volksvoorstel werd met een meerderheid van 51,9% goedgekeurd. Momenteel is de constructie van de benodigde spoorverbindingen grotendeels voltooid. Een belangrijke overweging bij dit resultaat was, dat toetreding tot de EER het referendum van februari 1994 onmogelijk zou hebben gemaakt, omdat Zwitserland dan zijn soevereiniteit inzake de regeling van vrachtverkeer aan de EU zou hebben afgestaan.

 

Kobach stelt ook dat het democratisch vraagstuk een belangrijke rol speelt bij de weigerachtigheid van het publiek inzake internationale integratie. In zijn hierboven vermeld artikel uit 1997 noteert hij: "door te stemmen tegen lidmaatschap van internationale organisaties blijft een bredere ruimte over voor direct-democratisch beslissingsrecht. Lidmaatschap betekent, dat men het beslissingsrecht op bepaalde domeinen afstaat. Alhoewel de Zwitserse regering vaak bereid is om deze bevoegdheid af te staan, is de Zwitserse burger op dit punt zeer waakzaam. Wanneer lidmaatschap impliceert dat het volk niet meer het laatste woord krijgt bij belangrijke politieke aangelegenheden, zijn veel Zwitsers geneigd om 'neen' te stemmen. De voorzitter van de Federale Raad, Jean Pascal, had dit in een televisietoespraak in juli 1989 ook gesteld: "We kunnen niet met één voet binnen en met de andere voet buiten de EU blijven ... Indien we deelnemen aan een internationale organisatie, verliezen we een deel van onze nationale soevereiniteit. Dat zou betekenen dat veel van de referendums die de laatste twintig jaar plaatsvonden ongeldig zouden zijn geweest". Kobach citeert ook een onderzoek naar de motieven bij de kiezers na het referendum over de EER. Daaruit bleek dat het dreigende soevereiniteitsverlies bij de kiezers zwaarder doorwoog dan alle andere overwegingen.

 

3. GELD EN VOLKSINITIATIEF

 

Elisabeth Gerber (universiteit van Californië, San Diego) maakte een uitvoerige studie over de rol van het geld bij volksinitiatieven. Zij publiceerde haar bevindingen in het boek 'The populist paradox' (Princeton University Press 1999) dat we in een volgende Witte Werf uitvoeriger zullen bespreken. Haar belangrijkste vaststelling is, dat geld niet volstaat om een bepaalde maatregel via een referendum goedgekeurd te krijgen. Economische belangen, die proberen om via een volksinitiatief een bepaalde regeling door te drukken, komen doorgaans van een kale reis terug.

 

Niettemin is het met de inzet van voldoende financiële middelen wel mogelijk om de nodige handtekeningen voor een referendum te verzamelen. Wie over veel geld beschikt is dus doorgaans wel in staat, om een referendum af te dwingen. Gerber vond dat economische belangengroepen dit in 68% van de gevallen doen, niet om het eigen voorstel goedgekeurd te krijgen (want dat lukt in de meeste gevallen toch niet), maar wel om een authentiek volksinitiatief op hetzelfde domein te blokkeren. Indien bijvoorbeeld onder de bevolking een meerderheid bestaat van 60% voor een bepaald voorstel, dan kun je door het lanceren van een 'gematigder' voorstel de score van het oorspronkelijke voorstel doen afkalven tot 45%, terwijl je zelf maar 20% of 30% haalt. In dat geval zijn beide voorstellen afgekeurd, zodat alles bij het oude blijft, wat eigenlijk de bedoeling was van diegenen die het 'gematigder' voorstel lanceerden.

 

'Authentieke' volksinitiatieven, die dus niet gesteund worden door één of andere economische belangengroepen, hebben in slechts 26% van de gevallen blokkade van een ander voorstel tot doel.

 

De praktijk, om een initiatief via het lanceren van een parallel initiatief te blokkeren, is in Californië tamelijk gebruikelijk. In Zwitserland komt deze praktijk vrijwel nooit voor.

 

Zoals we reeds vroeger in de Witte Werf hebben bericht, zou het probleem van de door economische machten gelanceerde initiatieven vrij gemakkelijk kunnen worden opgelost, door het betaald inzamelen van handtekeningen te verbieden. Er zijn daartoe in diverse Amerikaanse deelstaten ook reeds heel wat pogingen geweest, maar het Amerikaanse gerecht vernietigt alle wettelijke regelingen in die zin.

 

4. BEPERKTE HERVERKIESBAARHEID

 

Boekbespreking:

Eric O'Keefe "Who rules America: the people vs. the political class" Spring Green (Wisconsin): Citizen Government Foundation (1999)

 

In de USA is de beweging voor directe democratie tamelijk nauw verweven met een andere beweging, die streeft naar de (her)invoering van de zogenaamde 'term limits'. Dit betekent dat verkozenen slechts een beperkt aantal keren voor herverkiezing in aanmerking kunnen komen. Op het IRI-congres zat het boekje van O'Keefe dan ook in het informatiepakket, dat iedere deelnemer werd bezorgd.

 

Beperkte herverkiesbaarheid is natuurlijk ook in ons land niet helemaal onbekend, omdat Agalev in zijn begintijd het principe ook erkende. De ervaringen die deze partij opdeed illustreren goed, waarom beperkte herverkiesbaarheid zo fundamenteel is. Agalev heeft namelijk het principe opgegeven onder druk van zijn verkozenen. Deze laatsten verwerven, precies doordat ze verkozen zijn en zich dus in tegenstelling tot niet-verkozen partijleden voltijds met politieke kunnen bezighouden, vrij snel een overwicht (meer bekendheid en spreekgelegenheid in de partij en in de media, meer dossierkennis enz.). Het argument tegen de beperkte herverkiesbaarheid luidt, dat de reeds verkozenen een kapitaal aan ervaring en bekendheid vertegenwoordigen dat je niet zomaar mag 'weggooien'. Agalev heeft trouwens bij de laatste verkiezingen resoluut haar schroom voor het electoraal uitspelen van mediabekende 'boegbeelden' overboord gegooid, met gunstig electoraal gevolg.

 

Maar dit betekent nog niet dat de argumenten voor beperkte herverkiesbaarheid niet deugen. Want de laag van permanente beroepspolitici, die nu ook binnen Agalev is ontstaan, is objectief een groep met een eigen belang, dat niet noodzakelijk samenvalt met het algemeen belang. De zogenaamde 'politieke klasse', die bij onbeperkte herverkiesbaarheid onvermijdelijk ontstaat, streeft eerst en vooral naar haar eigen behoud. Iemand die herverkozen kan en wil worden, zal onvermijdelijk bij zijn politieke beslissingen en stemgedrag ook denken aan zijn herverkiezing. Het duidelijkst komt dit tot uiting bij de partijdiscipline: partijen kunnen het stemgedrag van de verkozenen controleren, omdat ze bij 'wangedrag' de herverkiezing van het parlementslid kunnen hypothekeren. Iemand die zeker weet dat hij niet meer herverkozen kan worden, is niet meer vatbaar voor dit soort partijtucht. Leden van de politieke klasse ondergaan permanent waardenassimilatie vanuit het onrepresentatieve milieu waarin ze vertoeven, en waar naast leden van de eigen klasse vooral economische lobbying bepalend is (in Brussel bevinden zich ongeveer 10.000 officiële lobbyisten). Het is dus de moeite waard om deze problematiek eens door een andere, Amerikaanse bril te bekijken, en daarvoor is het boekje van O'Keefe zeer geschikt.

 

O'Keefe begint met een interessante historische vaststelling: het principe van beperkte herverkiesbaarheid was bij de grondleggers van de USA zo vanzelfsprekend, dat ze het niet eens in de grondwet opnamen. Ten onrechte, zoals later bleek. Zo had George Washington reeds het principe vooropgesteld, dat een Amerikaanse president slechts eenmaal herkozen zou mogen worden. Maar pas nadat Franklin Roosevelt gedurende vier presidentstermijnen op zijn zetel bleef zitten, heeft men de beperkte herverkiesbaarheid in de grondwet opgenomen (22ste amendement). Beperkte herverkiesbaarheid werd door John Adams nogal dichterlijk beschreven als volgt: "Representatives should be like bubbles on the sea of matter borne; they rise, they break, and to that sea return". In het eerste ontwerp van de Amerikaanse grondwet stond de beperkte herverkiesbaarheid ingeschreven, maar uiteindelijk werd het principe weggelaten, omdat het zo algemeen aanvaard werd dat expliciete formulering overbodig leek. Eén van diegenen die dit betreurden was Thomas Jefferson. Hij voorzag dat de mentaliteit op lange termijn wel eens zou kunnen veranderen.

 

Toch bleek Jefferson's bezorgdheid op korte termijn overbodig. Gedurende het grootste deel van de 19de eeuw kwam het maar zeer zelden voor, dat een lid van het Congres langer dan drie termijnen zetelde.

 

Bij de verkiezingen van 1876 bleven slechts 3 leden van het Huis zetelen, die minstens twaalf jaar dienst hadden. In 1976 was dit aantal echter opgelopen tot 146, en in 1990 tot 198. Voor de senaat gelden vergelijkbare cijfers. Met andere woorden: de Amerikaanse parlementen worden nu, in tegenstelling tot vroeger, bemand door beroepspolitici. In 1896 was de gemiddelde diensttijd van een Amerikaans parlementslid 30 maanden, in 1990 meer dan tien jaar. Invoering van beperkte herverkiesbaarheid (three term limit: een parlementslid mag hoogstens tweemaal worden herkozen) zou de rotatie in het Amerikaanse parlement doen verdubbelen, en doen terugkeren tot het gemiddeld niveau voor WO II.

 

Een democratische paradox

 

Terwijl in ons land de overgrote meerderheid van de burgers weinig of geen vertrouwen uitspreekt in de politici of de politieke instellingen of partijen, kiezen die burgers toch steeds opnieuw voor dezelfde volksvertegenwoordiging. Dit is een democratische paradox, die ook in de USA voorhanden is en waaraan O'Keefe heel wat aandacht besteedt. Uit een opiniepeiling, gehouden in 1996, bleek dat 55% van de ondervraagden liefst het hele Congres naar huis zou willen sturen en volledig vervangen door nieuwe vertegenwoordigers. Zeven weken later werd toch 95% van de Congresleden herkozen. Hoe kan dat?

 

Eigenlijk is het mechanisme vrij eenvoudig. Het berust op het principiële menskundige gegeven, dat je alleen vertrouwen kan geven aan een bekende. Zelfs al heb je relatief weinig vertrouwen in iemand, dan zul je die nog altijd verkiezen boven een totaal onbekende. Kiezers spelen immers altijd op veilig. Voor een verandering wordt pas geopteerd indien dit alternatief voldoende gekend is. Dit geldt zowel voor representatieve als voor directe besluitvorming. Indien machthebbers erin slagen om het veld van bekendheid te bezetten, dan kunnen zij daaruit nauwelijks verdreven worden, ook al genieten ze ten gronde weinig of geen vertrouwen.

 

In ons land wordt dit gekendheidsmonopolie door de politieke klasse dan ook zorgvuldig in stand gehouden. Een waaier van mechanismen staat hiervoor ter beschikking. Beroepspolitici hebben een quasi monopolie op de toegang tot de media. Er bestaat op dit terrein ook een symbiose tussen de politieke klasse en de media: ze hebben elkaar nodig en ze dienen elkaars belangen. Deze vergroeiing is zeer mooi te zien in de verkiezingstijd. Het monopolie van de gevestigde partijen in de openbare omroep is zelfs wettelijk geregeld. Maar ook in de geschreven pers is er geen doorkomen aan. Toen WIT in 1995 aan de verkiezingen deelnam, was iedere toegang tot de media potdicht afgesloten. Persconferenties bleven volledig onbezocht. Enkele dagen voor de verkiezingen besteedde de openbare radio dan een kort bericht aan de kleine partijen. Geen enkel journalist had WIT hiervoor gekontakteerd, en over de radio werd het absurde bericht omgeroepen dat WIT ernaar streefde om alle wetgevend werk via referenda te laten verlopen. Toen telefonisch met de nieuwsredactie contact werd opgenomen en een rechtzetting werd geëist, werd ons gniffelend meegedeeld dat zo'n rechtzetting 'moeilijk' zou zijn. Beroepspolitici vullen dit persmonopolie meestal aan met een systeem van individueel dienstbetoon, dat voor lokale bekendheid zorgt. In vele gevallen functioneren verkozenen ook als lobbyist voor een of andere 'middenveldorganisatie' (vakbond, boerenbond enz.) die in ruil tijdens de verkiezingstijd ook de campagne voor naambekendheid van de politicus ondersteunt.

 

In de USA is dit niet anders. Zetelende parlementsleden hebben een enorm bekendheidsvoordeel ten opzichte van nieuwkomers, en ze doen er meestal alles aan om dit voordeel te maximaliseren. Amerikaanse parlementsleden hebben het recht om per jaar ongeveer een miljoen brieven op overheidskosten te versturen. Van deze mogelijkheid wordt druk gebruik gemaakt, en met resultaat. In 1994 had 63% van de kiezers post gekregen van zetelende parlementsleden, terwijl slechts een kwart iets had ontvangen van kandidaat-nieuwkomers. Zetelende Amerikaanse parlementsleden hebben ook het recht om hun medewerkers op overheidskosten onbeperkt te laten telefoneren. Daardoor krijgen in de kiescampagnes ook driemaal meer kiezers een oproep van de zetelende kandidaten. De zetelende kandidaten hebben ook kosteloos toegang tot radio en televisie, zodat in 1994 33% van de kiezers de zetelende kandidaat hadden gehoord op de radio, terwijl slechts 18% de tegenkandidaten had gehoord. In 1996 bood Compuserve vrije websites aan aan alle zetelende volksvertegenwoordigers en aan alle tegenkandidaten. De 'Federal Election Commission' stak hier een stokje voor; de gratis websites zouden als niet-toegelaten giften in natura worden beschouwd. De tegenkandidaten konden dus niet kosteloos over een website beschikken, maar de zetelende kandidaten wel: die hebben van overheidswege zo'n website ter beschikking. Natuurlijk wordt de 'Federal Election Commission' die deze maatregel nam door zetelende parlementsleden gecontroleerd. Dit systeem loopt natuurlijk helemaal parallel met het Belgische stelsel, waar gevestigde partijen (en dus hun kandidaten) belastingsgeld voor hun propaganda kunnen gebruiken, terwijl tegenkandidaten over die mogelijkheid niet beschikken en tegelijk slechts in beperkte mate giften mogen ontvangen. Het dienstbetoon bij de Amerikaanse parlementsleden is eveneens zeer sterk ontwikkeld. De parlementsleden hebben op kosten van de belastingbetaler ongeveer 18.000 personeelsleden in dienst die zich in hoofdzaak met deze 'constituent service' bezighouden.

 

Een en ander wordt dan aangevuld met de praktijk van wat de Amerikanen 'pork' noemen: het bestrooien met overheidsmanna van het eigen kiesdistrict. Deze praktijk maakt dat gevestigde politici tot steeds meer uitgaven geneigd zijn. Parlementsleden in hun eerste termijn keuren gemiddeld 7 à 9% minder uitgaven goed dan de oudgedienden: hoe langer je in Washington zetelt, hoe meer belastingsgeld je spendeert. Een bijzonder brutaal voorbeeld hiervan was de 'midnight pay raise' in 1989, waarbij de leden van het Huis van Afgevaardigden - zich gezien het gevorderde uur onbespied wanend - aan zichzelf een forse loonsverhoging toekenden. De maatregel werd goedgekeurd met 252 tegen 174 stemmen. Bij diegenen die zes jaar of minder in het Huis zetelden, keurden 49 de maatregel goed, terwijl 72 tegenstemden.

 

 

Nog een democratische paradox

 

Het idee van beperkte herverkiesbaarheid geniet de steun van ongeveer 75% van de Amerikaanse kiezers (p.17). Hoe zit het met de verkozenen? Een recent onderzoek bij parlementsleden op deelstaatniveau wees uit dat de verhoudingen hier omgekeerd lagen: 76% waren tegenstanders, slechts 18% voorstanders van beperkte herverkiesbaarheid (p.68). Hoe is dit mogelijk, wanneer we aannemen dat de volksvertegenwoordigers de wil van het volk vertegenwoordigen? Paradox!

 

Misschien nog interessanter was de uitkomst van het onderzoek bij professionele lobbyisten: hier was slechts 9% te vinden voor het idee, terwijl niet minder dan 86% onbeperkte herverkiesbaarheid verkiest. Dat is niet verwonderlijk, want beperkte herverkiesbaarheid verwoest het 'old boys'-netwerk dat voor een goede lobbyist zo essentieel is. Eén lobbyist verklaarde zelfs nadrukkelijk: "Lobbyisten onderschrijven de bewering van de voorstanders van beperkte herverkiesbaarheid: deze maatregel zou de gevestigde banden doorbreken en het zakendoen door de belangengroepen bemoeilijken" (p.68) Maar tegelijk is deze vaststelling voor de modale kiezer misschien wel het sterkste argument om inderdaad te opteren voor een systeem van beperkte herverkiesbaarheid.

 

Ondertussen is beperkte herverkiesbaarheid ingevoerd in 18 Amerikaanse deelstaatparlementen. In 16 van deze staten gebeurde dit via een referendum op volksinitiatief. In de twee andere staten, namelijk Utah en Louisiana, besloot het parlement alleen maar tot de invoering van de maatregel nadat een volksinitiatief reeds was opgestart en volkomen duidelijk was geworden, dat de beperkte herverkiesbaarheid sowieso eraan kwam. In drie andere staten, namelijk Washington, Massachusetts en Nebraska, werden volksinitiatieven voor beperkte herverkiesbaarheid door de rechtbanken afgeschoten. Veel commentaar is bij deze stand van zaken niet nodig...


DUITSLAND : NAAR HET REFERENDUM OP VOLKSINITIATIEF OP FEDERAAL NIVEAU

 

Een opiniepeiling die in januari 1999 door het instituut Forsa in opdracht van het blad 'Die Woche' werd uitgevoerd, toonde dat 70% van de Duitse burgers gewonnen zijn voor de invoering van het referendum op volksinitiatief op federaal niveau in Duitsland, terwijl slechts 19% tegen zo'n maatregel gekant is. Dit resultaat bevestigt de uitkomst van eerdere opiniepeilingen, waarover in de Witte Werf reeds bericht werd.

 

Natuurlijk toont zo'n resultaat ook aan, dat de parlementaire meerderheid van de Duitse 'volksvertegenwoordiging' allerminst representatief was: de jarenlange christen-democratische - liberale meerderheid tegen het referendum vertegenwoordigde in feite maar één vijfde van de publieke opinie. Niettemin is ook bij de politieke klasse nu een zekere verschuiving bespeurbaar. De invoering van het referendum wordt officieel gesteund door de SPD, de Groenen en de PDS, terwijl FDP en CDU tegen zijn. En uit een recente bevraging blijkt, dat nu toch ook binnen deze laatste twee partijen een aantal volksvertegenwoordigers zich pro het referendum op volksinitiatief uitspreken. De CSU-fractie heeft zelfs haar officieel afwijzend standpunt ingetrokken, en zegt nu dat ze nog een besluit moet nemen.

 

Ondanks het tegenoffensief dat de politieke klasse voert in Beieren (poging van het Beierse parlement om het gemeentelijk referendum in te perken), Hamburg (verwerping van de referendumuitslag door de roodgroene coalitie), Bremen en Berlijn (ongeldigverklaring door de volksvertegenwoordiging van referendumaanvraag), komen in steeds nieuwe deelstaten referenduminitiatieven op gang ter verbetering van de bestaande, zeer restrictieve wetgevingen. In Baden-Württemberg en Nordrhein-Westfalen zijn de handtekeninginzameling lopende, en in Thüringen start ze in de herfst. Daarnaast zijn nu ook de voorbereidingen voor de invoering van het referendum op volksinitiatief op federaal niveau van start gegaan. Op 3 juli heeft Mehr Demokratie op een nationaal kongres gestemd over de details van het wetsvoorstel, waarrond in 2001 dan het initiatief zal starten. In de volgende Witte Werf zullen we nader ingaan op dit wetsvoorstel, dat ook voor ons land in vele opzichten bruikbaar lijkt.

 


BERLIJN : EEN ZWARTE DAG VOOR DE DIRECTE DEMOCRATIE

 

Op 2 juni heeft het grondwettelijk hof van de Berlijnse deelstaat het besluit bekrachtigd van de Berlijnse senaat, om het volksinitiatief van 'Mehr Demokratie' als ongrondwettelijk te verwerpen. Volgens de grondwet van Berlijn mogen de burgers niet rechtstreeks hun grondwet veranderen; alleen de verkozen politici mogen dat (Berlijn bekleedt in dit opzicht een uitzonderlijke positie in Duitsland). Daarom had 'Mehr Demokratie' in deze deelstaat een initiatief gelanceerd, dat beoogde om een openbare discussie over de onmachtige situatie van de burgers af te dwingen. Maar volgens het Hof is de vraag om zo'n discussie ook ongrondwettelijk.

 

BEIEREN: VOLDOENDE HANDTEKENINGEN

 

In Beieren heeft Mehr Demokratie de nodige handtekeningen ingediend voor twee 'Volksbegehren'. Zoals men weet verloopt de direct-democratische procedure in de meeste Duitse deelstaten in twee fasen. In de eerste fase moeten een kleiner aantal handtekeningen worden verzameld. Lukt dit, dan krijgen de burgers de kans om zich binnen een termijn van twee weken ten gemeentehuize te laten inschrijven als ondersteuners van het referendum. Om tot een referendum te komen, moeten zich in Beieren 900.000 burgers aandienen. Die eerste fase is dus nu doorlopen voor twee referenda op volksinitiatief.

 

Het eerste initiatief ('Faire Volksrechte im Land') heeft betrekking op het referendum op deelstaatniveau. Mehr Demokratie wil, nadat een eerste poging voor de Beierse grondwettelijke rechtbank in 1995 sneuvelde, volgend jaar opnieuw een gooi doen naar de realisatie van een burgervriendelijke regeling. Het tweede initiatief heeft betrekking op het gemeentelijk referendum. In 1995 werd per deelstaatreferendum een burgervriendelijk gemeentelijk referendum in Beieren ingevoerd. Het resultaat was dat honderden referenda hebben plaatsvonden, waarbij vaak besluiten van gemeentebesturen werden vernietigd. De christendemocratische parlementaire meerderheid heeft daarom in april jongstleden een wet goedgekeurd, die de door de burgers in 1995 rechtstreeks goedgekeurde wet weer in burgeronvriendelijke zin verandert. Het nieuwe volksinitiatief wil nu deze parlementaire wet weer vernietigen, en de burgerwet van 1995 volledig herstellen.

 

NORDRHEIN-WESTFALEN

 

Op 2 juli verwierp de minister van binnenlandse zaken van deze Duitse deelstaat de aanvraag voor de lancering over een referendum, dat bestaande referendumwetgeving meer burgervriendelijk wou maken. De roodgroene regering in deze deelstaat neemt immers het standpunt in, dat referenda over grondwetswijzigingen tegen de grondwet zijn.

 

Mehr Demokratie steunt echter op een uitvoerige studie van professor S.Muckel (Universiteit Keulen) om dit standpunt te bestrijden. In de grondwet van Nordrhein-Westfalen staat (in artikel 68) dat via referenda op volksinitiatief 'Gesetze' (wetten) kunnen gewijzigd worden. De roodgroene regering interpreteert de term 'Gesetz' restrictief, in de zin dat wetten die de grondwet wijzigen niet in de door de wetgever bedoelde zin 'Gesetze' zijn. Uit het onderzoek van prof. Muckel blijkt enerzijds, dat de grondwet alleen coherent kan verstaan worden indien de term 'Gesetze' in de ruime zin wordt opgevat. Dit wordt ook bevestigd door historisch onderzoek omtrent de ontstaansgeschiedenis van de grondwet van Nordrhein-Westfalen.

 

Na Hamburg is Nordrhein-Westfalen dus de tweede Duitse deelstaat, waar diegenen die ijveren voor een volwaardige democratie frontaal in botsing komen met een roodgroene coalitie. Hoewel zowel de socialistische partij als de groenen in Duitsland officieel een pro-referendum standpunt innemen, verzetten ze zich toch vaak tegen de invoering van werkbare vormen van directe democratie op plaatsen waar ze zelf de machtsposities bezetten. Deze ervaring heeft men in de loop van de twintigste eeuw in allerlei Europese landen opgedaan met alle mogelijke politieke stromingen; ook de schaarse ervaringen in ons land laten het verschijnsel zien. In de praktijk hangt het vaak van de grootheid en de zin voor authentieke maatschappelijke waarden van individuele politici af, of deze opportunistische tendens zich doorzet of niet.

 


MISSISSIPPI: POGING VAN PARLEMENT OM VOLKSINITIATIEF TE KELDEREN MISLUKT

 

In de staat Mississippi bestaat het volksinitiatief, al is de te volgen procedure zeer lastig. Niettemin is de 'term limits' actiegroep er reeds geruime tijd geleden in geslaagd om de nodige handtekeningen te verzamelen voor een wetsvoorstel, dat voor parlementsleden slechts een eenmalige herverkiezing zou toelaten. Het zou dus onmogelijk worden om, zoals nu het geval is, twintig of dertig jaar in het parlement te zetelen. Terwijl in België zo'n lange parlementaire carrière als zeer eervol wordt beschouwd, komt dit wortelschieten van beroepspolitici in vertegenwoordigende organen in de USA steeds meer onder vuur te liggen. Tenslotte hebben de USA reeds een belangrijke stap terzake gezet, door de duur van het presidentschap tot maximaal 8 jaar te beperken.

 

Vanzelfsprekend vonden de parlementsleden van de staat Mississippi dit initiatief niet leuk, en ze vonden er niets beters op dan een wet goed te keuren, die retroactief geldig zou zijn en het volksinitiatief vooralsnog onwettig zou maken. Ze deden dit door met terugwerkende kracht te bepalen, dat handtekeningen voor een referendum in de staat Mississippi enkel door bewoners van Mississippi zelf mogen verzameld worden. Omdat de 'term limits'-beweging in de USA nationaal georganiseerd is, en heel wat militanten uit andere staten naar Mississippi waren afgezakt om te helpen bij de handtekeningcampagne, kwam dit neer op een retroactief verbod van het volksinitiatief.

 

Een federale rechtbank heeft deze wet op 13 juli vernietigd, op basis van de overweging dat de wet overduidelijk bedoeld was om het 'term limits'- volksinitiatief retroactief te blokkeren en dus beoogde "... om discriminatie op basis van een politieke overtuiging door te voeren".

 

De rechtbank heeft de voorziene bepaling (dat handtekeningen voor een referendum enkel door bewoners van de staat Mississippi mogen verzameld worden) dus niet om inhoudelijke redenen vernietigd, maar wel omdat de wet die deze bepaling invoerde feitelijk bedoeld was om de belangen van de parlementsleden veilig te stellen. Het Initiative & Referendum Institute (IRI) gaat nu , samen met een aantal andere betrokkenen, een klacht indienen om dit soort bepalingen ook inhoudelijk te verbieden. Dane Waters, de voorzitter van IRI, verklaarde terzake: "Dit soort bepalingen beperkt het recht van iedere Amerikaanse burger om te ijveren voor verandering waar hij dat nodig acht. Zowel de beweging voor vrouwenstemrecht als de burgerrechtenbeweging hingen af van de belangeloze actie van burgers die in heel wat staten van de USA tegelijk actief waren. Zo'n activiteit zou nu worden ingeperkt, en wij hopen om dit te kunnen voorkomen".


OREGON : EEN OFFENSIEF VAN HET PARLEMENT TEGEN HET REFERENDUM OP BURGERINITIATIEF

 

Op 1 juli keurde de senaat van Oregon een wetsvoorstel goed dat de handtekeningdrempel voor een grondwetsherziening op volksinitiatief aanzienlijk wil verhogen (van 8% tot 12% van het aantal stemmen uitgebracht bij de laatste goeverneursverkiezingen). Het Huis van afgevaardigden zal zeer waarschijnlijk volgen. Het goedgekeurde wetsvoorstel kreeg de steun van een zeer vreemde coalitie, waarin de houtindustrie, de landbouworganisaties en vakbonden elkaar vonden.

 

De achtergrond van het nieuwe wetsvoorstel is de toenemende voorkeur van referendum-initiatiefnemers om te mikken op grondwetsherzieningen in plaats van op gewone wetswijzigingen. Deze laatste kunnen in Oregon namelijk achteraf weer ongedaan gemaakt worden door het parlement, en hoewel de parlementsleden terzake een zekere schroom aan de dag leggen, maken ze af en toe door het volk rechtstreeks goedgekeurde voorstellen toch weer ongedaan. Bij een grondwetsartikel ligt dit moeilijker (in Zwitserland leidt ieder federaal referendum op volksinitiatief per definitie tot een grondwetswijziging).

 

De burgers moeten echter zelf hun goedkeuring hechten aan deze drempelverhoging, waarover dus (indien het Huis van Afgevaardigden het voorstel goedkeurt) het volgend jaar een referendum zal plaatsvinden.


NOGMAALS : DIRECTE DEMOCRATIE EN BELASTINGFRAUDE

 

In het recente mei-nummer van het SP-tijdschrift 'Samenleving en Politiek' wordt weer heel wat aandacht besteed aan de problematiek van de belastingsfraude.

 

In een kort artikel presenteert Max Frank zijn ramingen van de fraude voor 1997 (na aanslagjaar 1975 worden van overheidswege geen ramingen van de fraude meer gemaakt). De belastingontduiking ligt volgens Frank tussen de 532 miljard en de 590 miljard, dus tussen de 5,1% en 6,8% van het BBP. Ongeveer 20% van de verschuldigde belasting wordt ontdoken.

 

De belastingontduiking is ongelijk gespreid over de diverse inkomens- en beroepscategorieën. Loontrekkenden en beambten geven gemiddeld een belastbaar inkomen aan van 625.000 frank; zelfstandigen, vrije beroepen en landbouwers geven een gemiddeld belastbaar inkomen aan van minder dan 250.000 frank.

 

In een ander artikel geeft Lucien Suykens (SP-volksvertegenwoordiger) nog andere cijfers. Zo blijkt dat slechts 0,5% van de belastingopbrengst voortkomt uit belasting op vermogen. De belastingdruk op winst daalde tussen 1980 en 1995 van 48,9% naar 26,2%, terwijl de belastingdruk op inkomens uit arbeid van 37% opklom tot 43,4%. Deze evolutie hangt samen met een toenemende kloof tussen arm en rijk: in 1984 beschikte het hoogste inkomensdeciel over 46,8% van het totale gezinsvermogen, in 1994 reeds over 49,6%.

 

Koen Dries, van de vormingsdienst van het ACV, geeft in een derde artikel dan weer cijfers waaruit blijkt dat die toenemende kloof tussen arm en rijk het resultaat is van welgemikte politieke beslissingen. Zo leverde de fiscale hervorming in 88-89 , waarbij de aanslagvoeten werden gewijzigd en uitgedund, hogere stijgingspercentages van de gemiddelde aanslagvoeten op voor de kleinere inkomens (tot een jaarinkomen van anderhalf miljoen) , terwijl de hoge inkomens die stijgingspercentages zagen verminderen. De progressiviteit van de belastingen werd verhoogd in het lagere inkomensdomein, en verlaagd in het hogere inkomensdomein.

 

Suykens en Dries steken hun terechte verontwaardiging over deze toestanden niet onder stoelen of banken en steunen de "oproep van de 600" ter invoering van een vermogenskadaster, en van een vermogensbelasting op vermogens boven de 20.000.000 frank.

 

De problematiek die door 'Samenleving en politiek' wordt aangekaart is natuurlijk reëel genoeg, maar hoe staat het met de piste, die ter oplossing wordt voorgesteld? Lucien Suykens citeert de opiniepeiling die Field Research in 1997 doorvoerde, en waaruit bleek dat 65% van de Vlamingen en Brusselaars en 54% van de Walen geen graten ziet in belastingontduiking en ruim 83% van de ondervraagden het moreel aanvaardbaar vindt om het spaargeld in Luxemburg te deponeren ter ontduiking van de Belgische roerende voorheffing. Fiscale ontduiking is in ons land duidelijk de sociale norm, en het is bijzonder merkwaardig dat de vakbonden of de 'groep van 600' zich zo weinig vragen stellen bij de oorzaak van dit verschijnsel. De voorgestelde scenario's gaan ervan uit dat de burgers sowieso belastingen ontduiken, en dat zij door beterwetende politici en technocraten - in naam van de sociale rechtvaardigheid - met drastische controle en inbreuken op hun privacy tot betaling moeten worden gedwongen.

 

Maar stelt zich hier geen democratisch vraagstuk? Indien bij het publiek geen moreel draagvlak te vinden is voor strengere en meer efficiënte fiscaliteit, heeft men dan wel het recht om zo'n fiscaliteit van boven af op te leggen? Of nog: zal de invoering van zo'n fiscaliteit wel haalbaar zijn? Moet men zich niet eerst afvragen waarom fiscale ontduiking tot sociale norm is geworden? Onafhankelijk van de strengheid der fiscale controle kan de fiscale moraal en de graad van de belastingontduiking immers drastisch verschillen van het ene land tot het andere (zie bijvoorbeeld: Henk Elffers : Income tax evasion: theory and measurement ; Kluwer 1991 ; Paul Webley, Henry Robben, Henk Elffers en Dick Hessing: Tax evasion: an experimental approach Cambridge UP 1991). In de USA en Zwitserland is de fiscale moraal vrij hoog en de ontduiking relatief gering, en dit ondanks het feit dat de belastingscontrole in deze landen relatief zwak is. Duitsland, Frankrijk en Italië (en België allicht nog meer) situeren zich aan de andere kant van het spectrum, met lage belastingmoraal en hoge ontduiking (zie bijvoorbeeld: Bruno Frey en Hannelore Weck-Hanneman: The hidden economy as an 'unobserved variable' European Economic Review 151 (June), 286-303, 1984).

 

Omtrent de oorzaken van deze verschillen is nogal wat onderzoek verricht. Men kan zeggen dat er twee impliciete opvattingen bestaan over de rechtvaardiging van belastingsheffing. De eerste opvatting, die blijkbaar door ACV , ABVV en door de 'groep van 600' als uitgangspunt wordt genomen, ziet belasting als een soort legale roof. In deze optiek heeft de burger geen rechtstreekse inspraak bij de bepaling van de hoogte of van de besteding der belastingen. Burgers kunnen alleen volksvertegenwoordigers kiezen, die dan bevoegd zijn om alle mogelijke fiscale maatregelen te treffen, zelfs indien die tegen de meerderheidswil van de bevolking ingaan. De staat mag de mensen dus tegen hun zin geld afnemen op basis van het mandaat waarover de volksvertegenwoordiging beschikt. Dat de burgers verplicht zijn om hun beslissingsrecht inzake fiscaliteit aan zo'n volksvertegenwoordiging af te staat, wordt blijkbaar als een vanzelfsprekendheid beschouwd. In de tweede optiek wordt belastingsgeld beschouwd als geld, dat de burgers vrij samenleggen om aan gemeenschappelijke behoeften tegemoet te komen. In deze tweede optiek is het vanzelfsprekend dat de burgers, voor zover zij dit wensen, ook rechtstreeks de omvang en de besteding van de belastingssom kunnen bepalen.

 

In ons land is geen sprake van enige directe zeggingschap van de burgers over de omvang en de besteding van het belastingsgeld. Indien dan ook nog het vertrouwen in de politieke vertegenwoordiging is verdampt, gaan belastingen effectief als legale roof beleefd worden en zal de belastingmoraal instorten. De enige manier om hier weer uit te raken is : de bevolking inderdaad het laatste woord geven inzake hoogte en besteding der belastingsgelden. Het is merkwaardig hoe het zogenaamde 'progressieve' kamp hier grotendeels de kant van het establishment kiest, door voor te wenden dat er bij de belastingsproblematiek geen probleem bestaat inzake democratisch deficit.

 

Op twee vlakken zijn de laatste jaren onderzoeksresultaten voortgebracht die het verband illustreren tussen belastingsfraude en democratisch deficit.

 

Vergelijkende studie tussen de Zwitserse kantons, die over een zeer grote fiscale autonomie beschikken en inzake burgerinspraak sterk verschillende stelsels kennen, heeft aangetoond dat meer burgerinspraak gepaard gaat met een aanzienlijke afname van de belastingsfraude. In kantons zonder directe volksinspraak inzake fiscaliteit wordt per jaar en per belastingbetaler ruim 3.000 Zwitserse frank meer ontdoken dan in kantons met directe democratie op fiscaal en budgettair domein (Bruno Frey : Not just for the money; Edward Elgar Publishing 1997). Dit verschil zou, naar Belgische normen omgerekend, toch al direct zo'n 100 miljard jaarlijkse meeropbrengst inzake belasting betekenen. Mocht die meeropbrengst er gedurende de laatste dertig jaar geweest zijn, dan zou ceteris paribus België nauwelijks enige overheidsschuld hebben opgebouwd. Daar komt nog bij dat de kantons met meer directe democratie op fiscaal vlak, ook beter boeren in economisch opzicht (L.P.Feld en M.R.Savioz 'Direct democracy matters for economic performance: an empirical investigation' Kyklos 50, 507-538, 1997). Een politiek systeem dat door de burgers als meer democratisch wordt ervaren, leidt naar een hogere fiscale moraal en een beter draaiende samenleving.

 

Deze onderzoeksresultaten werden reeds in de Witte Werf gerapporteerd. De Amerikaanse onderzoekers Alm, McClelland en Schulze publiceerden zeer onlangs nieuwe resultaten van een socio-psychologisch onderzoek, dat direct werd geïnspireerd door de hiervoor genoemd waarnemingen ('Changing the social norm of tax compliance by voting', Kyklos 52, p.141-171, 1999).

 

De experimentatoren werkten met groepen van elf personen. Iedere proefpersoon kreeg een per computer willekeurig gegenereerd 'inkomen'. Men kon dan een deel van dit inkomen fiscaal 'aangeven', wat leidde tot een belastingsaanslag van 20%. Er was een kans van 2% dat er een algemene belastingsinspectie kwam, en wie in dat geval 'betrapt' werd op fraude moest een vijfvoud van de ontbrekende belasting betalen.

 

Het belastingsgeld wordt in een groepsfonds verzameld, met twee vermenigvuldigd (om het maatschappelijk surplus te simuleren dat door de aanwending van het belastingsgeld wordt opgebouwd) , waarna iedereen een gelijk deel van de opbrengst krijgt. In andere uitvoeringen van het experiment werd het belastingsgeld niet verdubbeld, maar gehalveerd, om onefficiënt gebruik van het belastingsgeld te simuleren.

 

Na tien rondes volgens deze spelregels, waarbij het inkomen steeds geaccumuleerd wordt, volgt een aansluitende reeks van 10 rondes, maar nu met een betrappingskans van 10% in plaats van 2%.

 

In een derde, aansluitend deel van het experiment (eveneens met tien rondes) konden de deelnemers dan stemmen over de hoogte van de betrappingskans: 2% of 10%. Deze stemmingen waren geheim en werden bij een eerste reeks experimenten niet voorafgegaan door discussie tussen de deelnemers.

 

In andere experimentele reeksen werd in het tweede deel niet de betrappingskans gevarieerd, maar wel de hoogte van de aanslagvoet (20% of 50%) respectievelijk de hoogte van de boete voor ontduiking (x5 resp. x25). Tijdens de derde ronde konden de proefpersonen dan stemmen over de alternatieven, waarmee ze tijdens de twee eerste rondes ervaring konden opdoen.

 

Bovendien werd het experiment waarbij gestemd werd over de hoogte van de belastingsvoet nog eens herhaald, met of zonder mogelijkheid voor de deelnemers om voor de stemming een 'maatschappelijk debat' ('cheap talk') over de gewenste belastingsvoet te houden.

 

De belangrijkste resultaten kunnen als volgt worden samengevat:

 

a. De deelnemers kiezen voor hogere belastingen indien ze weten dat het belastingsgeld een maatschappelijk surplus oplevert en indien ze geloven dat minstens een aantal andere deelnemers niet zullen frauderen

b. In afwezigheid van maatschappelijk debat kiezen deelnemers nooit voor strengere controle (grotere betrappingskans), ook al zou dit in hun individueel voordeel zijn. Na de stemming blijkt de belastingsfraude dan te vergroten.

c. In aanwezigheid van maatschappelijk debat kiezen de deelnemers wel voor strengere controle, en verdwijnt de fiscale fraude grotendeels of geheel.

 

Volgens de onderzoekers kan het tweede luik van resultaat b. verklaard worden door het feit, dat de verwerping bij stemming van een strengere controle door de individuen geïnterpreteerd wordt als een signaal, dat fiscale fraude als sociale norm wordt aanvaard. Zij passen hun eigen gedrag dan aan die norm aan. Indien de stemming echter wordt vooraf gegaan door een 'maatschappelijk debat' (in het experiment: een vrije discussie tussen de 11 deelnemers), dan kunnen de individuen samen tot een maatschappelijk gunstigere sociale norm komen die dan ook door de individuen in zeer hoge mate wordt gerespecteerd. Het experiment illustreert, dat democratie niet enkel een kwestie is van stemmen, maar veel meer nog van maatschappelijke beeldvorming tussen de burgers.

 

Wanneer we de drie resultaten hierboven vergelijken met de Belgische realiteit, dan wordt al gauw duidelijk waarom de belastingsfraude hier zo hoog is.

 

Vooreerst kunnen de belastingbetalers zich ernstige vragen stellen over de aanwending van het belastingsgeld. Zolang ieder jaar pakweg 700 miljard wordt uitgegeven aan rente op overheidsschuld, zal de individuele belastingbetaler niet het gevoel krijgen dat hij waar krijgt voor zijn belastingsgeld, zeker niet indien hij een loontrekkende is die in het verleden weinig of niet heeft kunnen frauderen (de inkomenstekorten die leidden tot de staatschuld zijn, in tegenstelling tot wat doorgaans wordt beweerd, veroorzaakt door de belastingontduiking in het verleden) en geen overheidsobligaties bezit.

 

Maar bovenal hebben de Belgische belastingsbetalers geen enkele greep op de hoogte en op de aard van de belastingen, noch op de aard van de fiscale controle. De bevolking heeft niet de democratische mogelijkheden om een sociale norm op te bouwen die tot een meer efficiënte en eerlijke belastinginning kan leiden. Het is een absolute illusie om te denken dat zonder oplossing van dit democratisch deficit een oplossing van de huidige belastingsproblematiek kan gevonden worden. Strengere controlemechanismen zullen misschien het net kunnen toehalen rond de minder gehaaide en minder kapitaalkrachtige belastingbetalers, maar deze mechanismen zullen (in het weinig waarschijnlijke geval dat men het haalt) tegen de meerderheidswil van de bevolking worden ingevoerd en leiden tot een situatie waarbij de handigste jongens met de hoogste inkomens inzake ontsnappingskansen een nog grotere voorsprong krijgen op de rest. Een strengere controle heeft slechts zin indien ze gedragen wordt door de volkswil, en dat is enkel mogelijk met een drastische verdieping van de democratie. Curieus genoeg verzetten in ons land de leidingen van ACV en ABVV, die nochtans bepleiters heten te zijn van een rechtmatige fiscaliteit, zich tegen zo'n direct beslissingsrecht voor het volk.

 

Wie iets wil doen aan de onrechtmatigheden die door onze huidige fiscaliteit worden gegenereerd, moet het radicaal-democratische pad bewandelen, en het denkbeeld durven verlaten dat met het huidige zuiver representatieve systeem het eindstation in de democratische ontwikkeling is bereikt. Zolang we inzake democratie op het huidige stadium blijven steken, kan geen sprake zijn van een billijker belastingstelsel, omdat zo'n billijker systeem vereist dat eerst en vooral een nieuwe sociale norm inzake belastingbetalen ontstaat. En alles wijst erop, dat zo'n verbeterde sociale norm zonder directe volksinspraak niet kan ontwikkeld worden.

 

BELANGRIJKE STUDIE OVER 'NAIEF CYNISME'

 

Naïef cynisme is, in verband met directe democratie, een erg belangrijk begrip. De naïeve cynicus gelooft dat andere mensen pogen om zoveel mogelijk pluimen op de eigen hoed te steken, en de verantwoordelijkheid voor negatieve feiten zoveel mogelijk op anderen af te wentelen.

 

Onderzoek toont inderdaad aan, dat mensen geen erg nauwkeurige perceptie hebben van hun bijdrage bij de totstandkoming van positieve of negatieve prestaties. Klassiek is de studie van Ross en Sicoly ('Egocentric biases in availability and attribution' Journal of Personality and Social Psychology 37, p.322-336, 1979) over de toekenning van verantwoordelijkheid bij getrouwde stellen. Je kan aan beide partners bijvoorbeeld vragen welk hun aandeel is bij het uitlaten van de hond. De echtgenoot en de echtgenote kunnen dan bijvoorbeeld antwoorden: 70% respectievelijk 50%. Die antwoorden zijn niet compatibel, want de som van de reële percentages moet uiteraard 100% zijn. Bijna altijd is de som van de twee scores groter dan 100%.

 

Men zou kunnen denken dat dit komt omdat beide partners hun verdiensten willen uitvergroten, maar dit klopt niet. Ook voor negatieve daden blijkt de som der geschatte bijdragen doorgaans boven de 100% te liggen. Een meer waarschijnlijke verklaring is dat mensen zich hun eigen prestaties beter herinneren dan de prestaties van anderen. De eigen bijdrage - positief of negatief - lijkt daardoor groter in verhouding tot wat in totaal werd gepresteerd.

 

En andere vraag is nu, hoe de mensen dit fenomeen interpreteren. Hier ligt het gevaar op de loer, dat men de neiging van de andere om de eigen positieve bijdrage te overschatten, interpreteert als een neiging om onterechte pluimen op de eigen hoed te steken. Deze interpretatie wordt met de term 'naïef cynisme' aangeduid.

 

De studie van fenomenen als naïef cynisme is erg belangrijk voor de directe democratie, omdat tegenstanders van radicale democratie zich meestal beroepen op het vermeende egocentrisch gedrag van de meeste mensen om zelfbeschikkingsrecht te weigeren. Een reeks nieuwe studies (Justin Kruger & Thomas Gilovich "Naive cynicism in everyday theories of responsibility assessment: on biased assumptions of bias" Journal of Personality and Social Psychology 76, p.743-753, 1999) brengt dit fenomeen van het naïef cynisme nu nauwkeuriger in kaart.

 

In een eerste studie werd de toewijzing van positieve en negatieve activiteiten bij echtparen onderzocht. Men liet beide partners voor tien activiteiten (5 positieve en 5 negatieve) de eigen bijdrage en de bijdrage van de partner inschatten. Positieve activiteiten waren bv.: 'energie besparen in huis, bv. door overbodige verlichting uit te schakelen' of 'conflicten tussen u beiden oplossen' ; 'huisraad breken' of 'ruzie tussen u beiden veroorzaken' waren twee negatieve activiteiten.

 

Vervolgens liet men beide partners ook voorspellen, wat de andere partner als de eigen bijdrage zou opgeven. Het blijkt inderdaad, in overeenstemming met vroeger onderzoek, dat de eigen bijdragen systematisch worden overschat. Voor de positieve activiteiten bedraagt de overschatting gemiddeld 5,2%, en voor de negatieve activiteiten 3,8%.

 

Belangrijker echter is de wijze, waarop men de inschattingen van de ander voorspelt. De partners voorspellen van elkaar, dat ze de eigen positieve bijdrage zullen opblazen en de negatieve bijdrage zullen wegmoffelen. De inschatting door de ene partner wordt, voor wat de positieve bijdragen betreft, door de andere met 9,7% overschat, terwijl de inschatting inzake negatieve bijdragen door de andere partner met 16,1% wordt onderschat.

 

De mensen gedragen zich dus niet zelfzuchtig, maar ze hebben wel een ideologisch beeld over de andere als zelfzuchtig wezen (zie hierover ook: D.T.Miller en R.K.Ratner 'The disparity between the actual and assumed power of self-interest' Journal of Personality and Social Psychology 74, pp.53-62,1998). Interessant is in dit verband ook recent, door de auteurs geciteerd onderzoek , waaruit blijkt dat koppels, die meer tevreden zijn over hun relatie, ook minder zelfzucht bij hun partner aanwezig achten.

 

Kruger en Gilovich verrichtten dit onderzoek niet alleen bij koppels, maar ook in een reeks andere situaties. Het resultaat is telkens hetzelfde, maar er komt één belangrijke nieuwigheid aan het licht. In situaties waarbij mensen actief samenwerken aan eenzelfde doel, blijkt men niet alleen de eigen verdiensten niet te overschatten, maar ook geen overschatting door de ander te verwachten. In competitieve situaties treedt daarentegen een sterke vertekening op: de neiging om iemand, waarmee men in een competitieve verhouding staat, van zelfoverschatting te verdenken is zeer sterk. Beide situaties kunnen zich ook gecombineerd voordoen. Kruger en Gilovich bestudeerden bijvoorbeeld vogelpik-spelers, die in ploegen van twee tegen elkaar speelden. Het bleek dat de spelers die in dezelfde ploeg samenwerkten niet alleen geen tendens vertoonden om de eigen verdiensten en tekortkomingen te overschatten respectievelijk te onderschatten; ze voorspelden ook goed de inschattingen door de medespeler, die ze dus niet van egoïstische claims verdachtten. De spelers uit het tegenstrevende team daarentegen werden er van verdacht, de eigen verdiensten met gemiddeld 24,8% te overschatten.

 

Dit soort onderzoeksresultaten is voor de zaak van de directe democratie op twee wijzen van belang.

 

Ten eerste wordt nog eens geïllustreerd, dat de meeste mensen een neiging vertonen om aan de andere mens lagere morele normen toe te schrijven dan aan zichzelf. Er bestaat dus een onterecht wederzijds wantrouwen (waarop tegenstanders van directe democratie beroep doen om het huidige bevoogdende systeem te verdedigen).

 

Maar ten tweede laat dit onderzoek ook zien, dat het onderling wantrouwen door gezamelijke activiteit wordt overwonnen. Op dit punt verschijnt dan een logische brug tussen dit onderzoek van Kruger en Gilovich, en het elders in deze Witte Werf vermeld onderzoek over de impact van directe democratie op fiscale fraude. Actieve democratie komt neer op een gezamelijke activiteit van de burgers bij het vormgeven van de samenleving. Door deze activiteit kunnen burgers elkaar nauwkeuriger waarnemen en beter inschatten, en ebt het wederzijds wantrouwen weg. De weinig democratisch en op competitie gerichte samenleving die wij momenteel kennen, is daarentegen een voedingsbodem voor wederzijds wantrouwen.


HET NIEUWSTE ARGUMENT TEGEN DIRECTE DEMOCRATIE

 

Nog eens gehoord , uit de mond van VUB-prof D'Hooge op een debat tijdens de Gentse feesten: het laatste nieuwe argument tegen directe democratie. Het gaat eigenlijk niet om een écht argument, maar om een zogezegde 'vaststelling': directe democratie maakt helemaal geen verschil! Op plaatsen waar directe democratie functioneert, verloopt alles net als hier. Bijgevolg is al dat gepraat over het referendum een maat voor niets, en directe democratie is alleen maar een vals icoon van de 'Nieuwe Politieke Cultuur'. CVP-voorzitter Van Peel zegt dat ook: directe democratie is 'gebakken lucht'.

 

Enerzijds moet je die bewering zeker met een korrel zout nemen. De politieke klasse houdt globaal genomen niet van het referendum op volksinitiatief (zie bv. deze Witte Werf voor enige voorbeelden). Vaak bestaan er opvallende meningsverschillen tussen de politieke klasse en de bevolking in haar geheel. Wanneer bijvoorbeeld in Gent een referendum 'dreigt' over gratis openbaar vervoer, dan hoor je niemand zeggen dat het referendum niets fundamenteels kan veranderen. Integendeel: dan wordt het referendum door de solidaire politieke klasse zorgvuldig afgeblokt.

 

Maar anderzijds is het ook waar, dat de invoering van de directe democratie niet direct pleegt te leiden naar een totale omwenteling, en naar een of andere glorieuze revolutionaire dageraad. Integendeel, het referendum werkt op veel domeinen behoedend. Kiezers zijn voorzichtig; ze opteren slechts voor verandering na veel wikken en wegen. Politici zijn vaak veel minder omzichtig dan het kiespubliek. Dat is ook logisch, want als het fout gaat betalen niet de politici, maar wel de kiezers.

 

Uit deze omzichtigheid kan je echter niet afleiden dat de directe democratie irrelevant is. Wanneer een trein over een wissel rijdt, verandert er de eerste ogenblikken ook niet veel aan de rijrichting. Best mogelijk, dat beide sporen nog kilometerslang min of meer parallel lopen. Hieruit volgt niet dat de stand van de wissel geen belang had. Want op langere termijn zal de trein, al naar gelang van de stand van de wissel, toch op een totaal verschillend punt uitkomen. En bij de keuze tussen wel of geen directe democratie, gaat het wel degelijk om zo'n wissel: evolueren we naar een samenleving gebaseerd op daadwerkelijk tussenmenselijk vertrouwen, of gaan we (verder) naar een maatschappij gestoeld op de principes van concurrentie en wantrouwen.

 

Onder de laag van de 'structurele veranderingen' (wel of geen vermogensbelasting, wel of niet fiscale autonomie voor de gewesten,..) waarbinnen politici doorgaans denken, bevindt zich immers een diepere realiteitslaag, met op lange termijn veel meer maatschappelijke impact. Het is de realiteitslaag die bestaat uit de vaak impliciete opvattingen en gevoelens, die mensen ten overstaan van elkaar koesteren. Veel politici koesteren de illusie, dat ze het publiek kunnen opvoeden en dat van overheidswege op dit diepere niveau 'mentaliteitsveranderingen' kunnen bewerkstelligd worden. De waarheid is, dat op het niveau van het vrije denken en van de menselijke overtuigingen wel dingen onmogelijk kunnen gemaakt worden, maar dat er niet actief kan gestuurd worden. Je kan door pogingen om de maatschappelijke opvattingen te sturen wel het cynisme aanwakkeren en sociaal kapitaal verwoesten, maar je kan niets opbouwen. Het enige wat een verlicht en goedbedoelend politicus kan doen, is de voorwaarden creëren opdat verziekende ideeën die woekeren in deze fundamentele maatschappelijke laag, kunnen worden overwonnen. De belangrijke ziekte die je hier aantreft, is het wantrouwen van mensen, tegenover elkaar en tegenover hun instellingen. Dit wantrouwen kun je niet wegpraten, niet wegdecreteren. Maar je kan wel de voorwaarden scheppen, waaronder de mensen ervaringen kunnen opdoen die voor hen als vertrekpunt kunnen dienen om hun wantrouwen gaandeweg in vertrouwen om te zetten. En het scheppen van die voorwaarden komt neer op het invoeren van meer, van échte democratie. Enkel in het democratisch proces kunnen de mensen op alle niveau's elkaars echte intenties leren kennen en appreciëren.

 

Zeker: op korte termijn levert dit soort maatregelen weinig of geen spectakel op. En het vergt een portie bescheidenheid, die vele bewindvoerders en beroepspolitici niet kunnen opbrengen. Toch is meer democratie de enige weg naar een fundamentele maatschappelijke verbetering op lange termijn. Want dat is het paradoxale: om dingen ten gronde te veranderen, moet je geen macht veroveren en uitoefenen, maar macht durven opgeven.


REFERENDUM TE ITTRE

 

Op 25 april 1999 heeft in het Waals-Brabantse Ittre een consultatief referendum plaatsgevonden over de aanleg van een verbindingsweg van vier rijstroken tussen de A8 Halle-Doornik en de E19 Brussel-Bergen. Er kwamen 60% van de kiesgerechtigden voor dit referendum opdagen, en 78% daarvan stemden tegen de weg. Vermoedelijk zal het gemeentebestuur van Ittre zich nu verzetten tegen de plannen van het Waalse gewest (waartegen al verzet bestaat sinds 1972). We hopen in een volgende Witte Werf nader op deze volksraadpleging te kunnen ingaan.