Witte Werf november 1999

AfdrukkenPolitieke dictatuur in Schleswig-Holstein
Mark Eyskens over het referendum
Initiatief voor vrije schoolkeuze in Michigan.
De november-referenda in de USA.
Directe democratie in Venezuela?
Politieke dictatuur in Schleswig-Holstein

* Mark Eyskens over het referendum

* Initiatief voor vrije schoolkeuze in Michigan.

* De november-referenda in de USA.

* Directe democratie in Venezuela?


SCHLESWIG-HOLSTEIN: DE POLITIEKE DICTATUUR

 

In de meest noordelijke deelstaat Schleswig-Holstein bestaat het referendum op volksinitiatief, maar de wetgeving geeft het laatste woord toch altijd aan het deelstaatparlement (de in Kiel zetelende 'Landtag'). De ondeugdelijkheid van deze regeling werd de afgelopen maanden op twee fronten bewezen.

 

Vooreerst is er het referendum over de spellingshervorming ('Rechtschreibereform'). In Duitsland werd een spellingshervorming doorgevoerd, blijkens opiniepeilingen tegen de wil van de meeste burgers in. Enkel in Schleswig-Holstein kwam het ook tot een referendum op volksinitiatief over deze kwestie. Op 27 september 1998 keurde een meerderheid van burgers in Schleswig-Holstein de spellingshervorming af. Dit leidde tot de merkwaaridge situatie, dat er in de bondsrepubliek twee spellingen ontstonden: de oudere spelling, waarvan het behoud langs direct-democratische weg was goedgekeurd in Schleswig-Holstein, en de hervormde die in de rest van Duitsland langs parlementaire weg was goedgekeurd. Deze situatie kon natuurlijk niet met goed fatsoen blijven bestaan. Ze werd in het leven geroepen doordat in de meeste Duitse deelstaten het referendum slechts moeizaam tot stand kan komen. Indien op bondsniveau een referendum over de spellingshervorming had kunnen plaatsvinden, dan zou de hervorming bijna zeker afgewezen zijn. Nu werd de knoop op een andere manier doorgehakt: op 17 september vernietigde de Kielse Landtag doodleuk de uitslag van het referendum over de spellingshervorming. De hervormde spelling werd onmiddellijk, tegen de wil van de meeste burgers, opgedrongen aan de scholen in de recalcitrante deelstaat. Een slecht werkende directe democratie heeft blijkbaar toch één voordeel: ze onthult hoe de politieke klasse regeert, niet namens het volk, maar tegen het volk.

 

En dan is er de 'Aktion mündige Schule' : een burgerinitiatief, dat zich inzet voor meer zelfbestuur, diversificatie, innovatie en eerlijke competitie in het onderwijs. Met het volksvoorstel 'Schule in Freiheit' beoogt deze actiegroep een wijziging in de grondwet van de deelstaat Schleswig-Holstein. Het voorgestelde wetsontwerp voert zelfbestuur in voor de scholen, meewerking van schoolvertegenwoordigers bij het schooltoezicht, een gelijke schoolfinanciering voor alle soorten scholen en reële vrije schoolkeuze. De SPD en CDU keurden het voorstel af omdat het ongrondwettelijk zou zijn en een jaarlijkse meerkost van 50 miljoen mark zou veroorzaken. Het ontwerp van de actiegroep 'Aktion mündige Schule' werd wel goedgekeurd door Bündnis-Grünen, FDP en SSW. SPD en CDU vormden in deze kwestie een wisselmeerderheid, want Schleswig-Holstein wordt bestuurd door een roodgroene coalitie.

 

Het volksinitiatief 'Schule in Freiheit' was vrij populair en de kansen op goedkeuring via een volksstemming lagen erg goed. Sinds mei 1997 had het volksinitiatief 37.000 handtekeningen bijeengebracht, die op 4 mei 1998 aan de voorzitter van het deelstaatparlement werden overhandigd (de wet vereist slechts 20.000 handtekeningen). De wisselmeerderheid van SPD en CDU kwam dan ook algemeen over als een anti-democratische coup, gepleegd vanuit de kern van de politieke klasse.

 

De afwijzing van het referendum werd handig in elkaar gezet. Wettelijk volgt op de indiening van de handtekeningen een periode van 12 weken, waarin het parlement de toelaatbaarheid van het volksinitiatief moet onderzoeken. Die periode liep af op 4 september. Twee dagen voor het einde van de termijn werden de woordvoerders van het volksinitatief uitgenodigd op het deelstaatparlement, om stelling te nemen tegenover nieuwe bezwaren die blijkbaar in het geheim waren uitgebroed. Dat deze confrontatie helemaal op de valreep werd belegd, is des te merkwaardiger wanneer men weet dat het volksinitiatief reeds gedurende twee jaar constant met de gespecialiseerde parlementairen in contact had gestaan en alle vroegere aanmerkingen met succes had weten op te vangen. Het volksinitiatief had trouwens het voorstel in functie van die opmerkingen ook hier en daar aangepast. Nu had 'Aktion mündige Schule' nog anderhalve dag om te reageren op de nieuwe bezwaren. Na een sterk uitgebouwde mondelinge interventie van professor Jach uit Hamburg kwam de parlementaire commissie van het deelstaatparlement eenstemmig tot het besluit dat het initiatief kon toegelaten worden. Onmiddellijk daarop vormde zich echter in het parlement zelf een 'grote coalitie' tussen CDU en SPD die het voorstel afwees, gezien de meeruitgave die voort zou vloeien uit een goedkeuring van het volksvoorstel. Dit zou een ontoelaatbare inmenging betekenen in de 'Haushaltautonomie' van het parlement (dwz het monopolie dat het parlement voor zichzelf opeist inzake budgettaire aangelegenheden). Dat leden van beide partijen tevoren in de commissie dit bezwaar hadden verworpen, was plots niet meer van belang. De groene coalitiepartner kwam in de wind te staan door deze alternatieve meerderheid. In de media was er erg veel aandacht voor de kwestie. Over het algemeen werd de SPD geblameerd: het was duidelijk dat deze partij niet wenste dat private scholen op gelijke voet zouden kunnen concurreren met staatsscholen. Eén van de resultaten van de hele discussie is, dat nu tenminste voor Schleswig-Holstein min of meer duidelijk is geworden hoeveel de Duitse staatsscholen nu eigenlijk per kind kosten. In Duitsland wordt dit soort cijfers angstvallig verborgen gehouden, als ging het om een staatsgeheim. 'Aktion mündige Schule' spant nu een gerechtelijke procedure aan tegen het referendumverbod door het deelstaatparlement, en men verwacht dat tijdens het proces eindelijk ook duidelijkheid op bondsniveau zal komen omtrent de kosten die in de staatsscholen worden gemaakt per leerling en per jaar.

 

In elk geval toont de ervaring in Schleswig-Holstein aan dat het parlement geen vetorecht mag krijgen inzake referenda op volksinitiatief (een idee dat ondermeer door Mark Eyskens wordt verdedigd - zie elders in deze Witte Werf). Volksinitiatieven ontstaan immers in principe, omdat de vertegenwoordigende wetgevende macht in passieve of actieve zin de volkswil miskent. Het deelstaatparlement is dus betrokken partij, en kan daarom niet tegelijk rechter zijn. Bovendien is de opvatting dat een volksinitiatief door één of andere instantie moet toegelaten worden, in strijd met het concept zelf van volksoevereiniteit. Het volk zelf laat weten, via de bereidheid van de burgers om handtekeningen te leveren, of het referendum al dan niet is gewenst.


MARK EYSKENS OVER HET REFERENDUM

 

Naar aanleiding van het boek: Mark Eyskens "Democratie tussen spin en web. Democratisch samenleven in de kennis- en netwerkmaatschappij" Universitaire Pers Leuven 1999.

 

Mark Eyskens heeft een nieuw boek geschreven waarin hij zich betrekkelijk positief uitlaat over het referendum op volksinitiatief. Dat is merkwaardig, want de CVP is als partij nog steeds tegen directe democratie gekant. Eyskens neemt overigens ook afstand van de opkomstplicht die in België nog steeds bestaat.

 

Verdedigers van het puur representatieve systeem stellen, dat het kiesgedrag van burgers (individueel of in groep) bepaald wordt door eigenbelang. De politicus daarentegen behartigt het collectief belang. Daarom mag de burger niet doordringen tot de eigenlijke besluitvorming. De maatschappelijke keuzes worden in een representatief systeem gemaakt door een kleine elite, in de wandeling 'politieke klasse' genoemd. De burgers die niet tot deze 'klasse' behoren hebben geen middel om in een welbepaald besluitvormingsproces daadwerkelijk tussen te komen. Zij kunnen enkel vanaf de zijlijn toekijken of via een actiegroep of lobby druk uitoefenen. En om de vier jaar kunnen de burgers via verkiezingen de krachtsverhoudingen binnen de besluitvormende elite enigszins beïnvloeden.

 

Verdedigers van een integrale democratie stellen, dat naast het representatieve besluitvormingskanaal ook een direct besluitvormingskanaal (referendum op volksinitiatief) moet geïnstalleerd worden. Het volk is pas soeverein wanneer het ook vrij kan bepalen hoé voor ieder concreet onderwerp de besluitvorming plaatsvindt. Indien het volk over een onderwerp een referendum aanvraagt, gebeurt de besluitvorming langs directe weg; zoniet beslist de volksvertegenwoordiging.

 

Het merkwaardige is, dat Eyskens in zijn boek de eerstgenoemde visie onderschrijft (p.158-159) maar toch pleit voor het referendum. De oud-premier is enerzijds intelligent genoeg om te zien dat de invoering van directe democratie op termijn onvermijdelijk is: "een meerderheid verlangt naar referendaire democratie, zoals uit alle peilingen blijkt" (p.171). Maar anderzijds blijkt dat Eyskens een erg restrictieve en bevoogdende vorm van referendum voorstaat, waarbij de politieke klasse het laatste woord behoudt. Zo schrijft hij op p.206:

 

"Alvast is absoluut vereist dat een voldoend hoge drempel wordt ingebouwd, b.v. het inzamelen van een behoorlijk aantal honderdduizenden handtekeningen en dat het parlement in functie van vooraf bepaalde criteria zou oordelen over de ontvankelijkheid van het referenduminitiatief".

 

Het opleggen van onwerkbaar hoge handtekeningdrempels is inderdaad een klassieke techniek om het referendum formeel in te voeren, zonder het werkbaar te maken. De CVP was in het Langendries-overleg reeds een actieve bepleiter van excessief hoge drempels voor het gemeentelijk referendum (de huidige handtekeningdrempel van 20% van het aantal inwoners voor kleinere gemeenten is een wereldrecord). In Zwitserland , dat ongeveer evenveel inwoners telt als Vlaanderen, zijn 100.000 handtekeningen nodig voor een federaal referendum. Deze drempel werd door de Zwitserse kiezers zelf per referendum vastgelegd. Blijkbaar denkt Eyskens aan een drempel die vele malen hoger is.

 

Bovendien wil Eyskens het parlement een soort vetorecht geven inzake referenda. Dat is onredelijk. Indien het soevereine volk een referendum vraagt, dan betekent dit dat het kiest voor de directe besluitvorming. Geen enkele instantie, ook het parlement niet, kan dan het referendum tegenhouden zonder meteen de volkssoevereiniteit te krenken. In de praktijk komt een referendum op volksinitiatief bijna altijd tot stand omdat het parlement in de ogen van de bevolking te kort schiet, hetzij doordat de volksvertegenwoordigers een ongewenste wet goedkeurden, hetzij doordat ze nalaten om een dringend gewenste regeling te treffen. Het is absurd om uitgerekend deze falende volksvertegenwoordiging dan te laten beslissen of een bijsturing per referendum wel of niet mag plaatsvinden.

 

Het kernprobleem van de christen-democratie

 

In tegenstelling tot de liberale en de socialistische stroming grijpt de christen-democratie terug tot een antieke inspiratiebron: het christendom. Eyskens schrijft terecht: "In wezen is een christen-democratische partij geen echte centrumpartij, een concept dat tot een vernauwing van de politieke doelstelling leidt. Een christen-democratische partij is geen mengelmoes van een scheutje links socialisme en een vleugje rechts liberalisme". Het cruciale element dat volgens Eyskens de christen-democratie kenmerkt is de ethische dimensie: "Deze ethische dimensie is in de politiek fundamenteel en noodzakelijk, vandaag en morgen, nog meer dan gisteren. Zij heeft te maken met de talrijke uitdagingen van onze hedendaagse samenleving. De ethische inspiratie is, naar mijn gevoel, nog steeds optimaal aanwezig in de beginselen van het christendom. Een christen-democratische partij, die een volkspartij is, kan enkel een waardenpartij zijn, beter: een waardenbeweging zijn" (p.185-186).

 

Het cruciale punt is echter, dat waardebepaling enkel door individuen kan gebeuren. Alleen individuen hebben een geweten en een moreel oordeelsvermogen; partijen, organisaties en bewegingen als zodanig niet. Het originele van het christendom is juist de erkenning van dit fundamentele feit. In de evangelies lees je niets over de instelling van enige autoriteit of moreel gezag. Maar tegelijk is het duidelijk, dat deze bevrijdende impuls van het christendom gekaapt werd door de georganiseerde staatskerk die in de vierde en vijfde eeuw ontstond. Het frappantste voorbeeld van autoritaire institutionalisering is de zogenaamde instelling van het pausdom door Christus. Petrus is een beetje de Lambik van het evangelie: vol goede wil, maar kwetsbaar, zwak, onvolmaakt en vol zelfoverschatting. Petrus wil over het water lopen, maar zakt erdoor. Hij zweert Christus eeuwige trouw, maar verraadt hem driemaal voordat de haan kraait. Hij valt, op een zeer ongepast ogenblik, in de Hof van Olijven in slaap. Petrus heeft eigenlijk niets, behalve één element: hij is niet onverschillig, doch open en enthousiast. Hij is niet lauw. Hij heeft de bekwaamheid om een roeping te horen (iets wat erg mooi is weergegeven in de bekende preekstoel van de Sint-Andrieskerk in Antwerpen). Voor de rest is niets menselijks hem vreemd. In die zin is hij een zeer levensechte representant voor het beste wat wij als modale mensen in ons hebben. Wanneer Christus zegt: "Ik zeg U, gij zijt steenrots, en op deze steenrots zal ik mijn gemeenschap bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen" (Mattheus 16,18 - het Griekse 'ecclesia' betekent 'gemeenschap' en niet 'kerk' in de moderne, institutionele zin), dan is daarmee niet bedoeld dat het individu Petrus de eerste, opperste gezagdrager van een hiërarchisch instituut wordt. Bedoeld wordt dat de wezensaard van Petrus, de modale mens in zijn feilbaarheid en tekort, maar voorzien van goede wil en vermogen tot inzet en warmte, de vaste grondslag of 'steenrots' is waarop een menswaardige gemeenschap kan worden gevestigd. Met andere woorden: hier wordt een principe van diep vertrouwen in de modale, feilbare mens uitgesproken. En het is juist dit vertrouwen dat men nodig heeft om de directe democratie in te voeren. Integrale democratie invoeren betekent niets anders dan dat men het individuele morele oordeelsvermogen van onbevoogde en vrije mensen als steenrots neemt waarop het maatschappelijke huis wordt gebouwd.

 

Het denkbeeld, dat Christus een soort autoriteit heeft ingesteld, die ten opzichte van zijn medemensen op één of andere wijze over een bijzonder leergezag beschikt, is wel een kerkelijke maar tegelijk een compleet anti-christelijke gedachte. Wanneer Christus zegt: "Ik noem U geen dienaars meer, want de dienaar weet niet wat zijn heer doet, maar u heb Ik vriend genoemd, want Ik heb u alles meegedeeld wat Ik van de Vader heb gehoord" (Joh.15,15), en "..de waarheid zal u vrij maken" (Joh.8, 32), dan spreekt Hij zich precies radicaal uit tegen iedere vorm van kennismonopolie of andere vormen van spirituele dominantie van de ene mens over de andere. Dit gegeven is door de diverse kerkelijke hiërarchieën systematisch ontkend. Het bevrijdend karakter van het christendom, dat met name in het vroeg-Ierse christendom nog leefde, heeft in de geschiedenis van het Westen een essentiële rol gespeeld. Doch het heeft die rol gespeeld tégen de kerkelijke instituten (die trouwens vaak de lezing van de evangelies ontmoedigden); het christendom als bevrijdende kracht is altijd een subversieve stroom geweest, gedragen door individuen en niet door instituten. Het is precies deze breuk met het oeroude systeem van heren die heersen over onbekwamen en onwetenden, die karakteristiek is voor het christendom én voor de integrale democratie.

 

Eyskens eindigt zijn boek met een epiloog, waarin zeer duidelijk de kernvraag wordt opgeworpen waarrond iedere discussie omtrent democratie uiteindelijk draait: "De waarheid is dat de hedendaagse samenleving niet echt blijf weet met de vraag of de ethiek bij democratische consensus dient opgebouwd ofwel of het individuele bewustzijn en geweten universele normen kunnen ontdekken die algemeen gelden. Als christen ben ik aanhanger van de tweede stelling omdat ik geloof dat mens en mensheid kunnen evolueren naar een finaliteit die juist de verwezenlijking van een aantal fundamentele ethische beginselen veronderstelt. Maar wie ben ik om mijn mening aan andersdenkenden op te dringen? Met deze uitroep verzeilen we opnieuw midden in het dilemma tussen min of meer individualistische democratisering en min of meer autoriare ontdemocratisering van de ethische vraagstelling. Deze laatste stelling gaat uit van de overtuiging dat er een gezag is dat de mens overstijgt en oproept. Tegelijkertijd moet echter ook de individuele vrijheid als essentiële ethische waarde worden beklemtoond, zodat ongetwijfeld een spanning kan ontstaan tussen gewetensvorming en gewetensvrijheid, tussen dwang en autonomie, tussen het volgen van het eigen kompas of het betrouwen op de wegwijzer" (p.236).

 

Eyskens stelt het probleem scherp, maar hij lost het niet echt op. Het door hem geschetste dilemma vindt zijn antwoord in het besef dat integrale democratie een waarnemingsorgaan is voor de enkeling, om dank zij de ontmoeting met de andere betere toegang te krijgen tot de 'universele bronnen' in zichzelf. Het kernstuk in een levendige, integrale democratie is niet zozeer de punktuele besluitvorming - want besluiten worden mettertijd herroepen en bijgestuurd; het kernstuk is het proces van maatschappelijke discussie en beeldvorming, waarbij het individu de eigen ethische inzichten toetst aan wat anderen aandragen en zo tot zuiverder inzicht kan komen tot wat in hemzelf inzake ethisch inzicht ontspringt. Democratie is ten gronde een ethisch waarnemingsproces, waarbij de mensen elkaars waarnemingsmiddel zijn. De ontwikkeling van ethisch inzicht is per definitie een individueel proces. Het is echter gebonden aan twee voorwaarden. Ten eerste kan een authentieke ethische beeldvorming enkel plaatsvinden in het vooruitzicht van een daadwerkelijk te maken keuze. Ethiek zonder verbinding met de daad of het besluit is geen ethiek, en de mens kan geen ethisch inzicht ontwikkelen zonder het vooruitzicht op een daadwerkelijk te maken ethische keuze. En ten tweede kan authentieke ethische beeldvorming slechts groeien in toetsing aan de andere. In een democratie worden deze twee voorwaarden vervuld: de burgers komen in het proces van de maatschappelijke beeldvorming tot een steeds scherper individueel moreel beeld dat dan inderdaad - op het ogenblik van de stemming - in een relevante individuele besluitname uitmondt. Een samenleving zal daarom op termijn des te ethischer zijn, naarmate ze democratischer is.

 

Het probleem met de christen-democratie is, dat deze politieke stroming teveel blijft aanknopen bij de bevoogdende geest van de kerkelijke instituten en niet bij de emanciperende geest van het christendom. Daardoor blijft de christen-democratie zich verzetten tegen een kwalitatieve verdieping van de democratie, terwijl ze op dit punt juist de voorvechter bij uitstek zou moeten zijn. Ze zou de individuele mensen als morele producenten ernstig moeten nemen, want Christus heeft die mensen 'goden' genoemd (Joh.10, 34-35). De christen-democratie staat aan de drempel van de komende eeuw voor de keuze: aanknopen bij het genie van het originele christendom, ofwel verdwijnen.


INITIATIEF VOOR VRIJE SCHOOLKEUZE IN MICHIGAN

 

In Michigan is het initiatief 'School Choice YES!' (http://www.schoolchoiceyes.org/) gelanceerd. Het initiatief beoogt volledige belatingsaftrek van 80% van de schoolkosten (100% voor gezinnen met een inkomen onder anderhalve keer de officiële armoedegrens). Het volksinitiatief voorziet dat men zowel de schoolkosten voor de eigen kinderen als voor de kinderen van anderen kan aftrekken. De ouders kunnen op die manier voor hun kind vrij opteren voor een officiële 'public school' als voor een vrije school naar keuze.

 

Het volksinitiatief vloeit voort uit de groeiende onvrede die in de USA voorhanden is met betrekking tot het staatsonderwijs. Het initiatief kreeg ondermeer de steun 'National Baptist Convention of America', een kerkgemeenschap die vooral zwarten onder haar leden telt. De voorzitter van deze kerk noemde de vrije schoolkeuze hét burgerrechtthema bij uitstek voor de komende eeuw. De vrije schoolkeuze is vooral voor minderheden erg belangrijk, omdat zij minder mogelijkheden hebben om naar het kwalitatief betere private onderwijs uit te wijken, dat in de USA geen enkele vorm van subsidie geniet.

 

In diverse USA-deelstaten zijn er in de jaren '90 volksinitiatieven geweest om één of andere vorm van schoolbon in te voeren. De meeste initiatieven botsen echter op het probleem van de scheiding van kerk en staat. Schoolbonnen worden gefinancierd met 'gemeenschapsgeld' en dit laatste mag niet gebruikt worden om private kerken of levensbeschouwelijke verenigingen te financieren. Een financiering via belastingsaftrek vertoont dit nadeel niet.

 

In Arizona werd in 1997 een systeem van belastingsaftrek voor schoolgeld ingevoerd. De lerarenvakbonden, die het monopolie van de staatsscholen verdedigen, dienden klacht in bij het hooggerechtshof van Arizona omdat de belastingsaftrek tòch overheidsgeld zou vertegenwoordigen. Het hooggerechtshof heeft deze interpretatie op 26 januari 1999 echter verworpen, en bevestigde de (nogal evidente) stelling dat niet-verschuldigde belastingen niet als overheidsgeld kunnen beschouwd worden.

 

Een opiniepeiling wees uit dat 66% van de kiesgerechigden in Michigan positief antwoordt op de vraag: "Zou U de invoering van een belastingsaftrek steunen die ouders zou toelaten om hun kinderen naar private of kerkgebonden scholen te sturen, doordat ze een deel van hun schoolgeld kunnen recupereren?". Bij de ouders van kinderen in publieke scholen steunt 73% het voorstel, en bij ouders van kinderen in private scholen loopt het aantal voorstanders op tot 89%.


DE NOVEMBER-REFERENDA IN DE U.S.A.

 

Op 2 november vonden in 9 staten in totaal 46 referendums plaats.

 

Het meest opvallende resultaat komt uit Washington, waar ondanks een heftig verzet van het grootkapitaal (Microsoft, Boeing en nog enkele andere grote bedrijven investeerden zwaar in de tegencampagne) initiatief 695 werd goedgekeurd. Dit initiatief herleidt de autobelasting tot 30 dollar en onderwerpt alle toekomstige belastingswijzigingen aan een referendum (zie ook het vorig nummer van de Witte Werf).

 

Verder blijkt ook de opmars van 'medical marijuana' onstuitbaar. Het eigenlijke marijuana-verbod is een federale materie en besluitvorming daarover blijft dus buiten het bereik van de burgers. Op deelstaatniveau kan men het verbod echter wel afzwakken en de formule hiervoor is het verlenen van toelating van gebruik en kweek voor persoonlijke medische doeleinden. Na vele andere staten werd nu ook in Maine, met een meerderheid van 61%, deze afzwakking van het marijuana-verbod goedgekeurd. Eveneens in Maine werd een voorstel ter verstrenging van de abortuswetgeving afgekeurd (44% pro versus 56% contra).

 

Een verrassing was de nederlaag van het 'term limits' initiatief in Mississippi (45% pro en 55% contra). Het initiatief beoogde de beperking van de herverkiesbaarheid van parlementsleden in te voeren. De nederlaag kwam onverwacht omdat soortgelijke initiatieven die de laatste jaren in een reeks andere staten werden gelanceerd, steeds door een meerderheid van de burgers werden goedgekeurd.

 

Een volksinitiatief dat de commerciële visserij in de staat Washington aan banden wilde leggen mislukte (40% pro versus 60% contra).

 

In vele staten vonden ook constitutionele referendums plaats. In deze staten moet een grondwetswijziging verplicht aan een referendum worden onderworpen. In totaal werden 33 van de 41 voorgestelde wijzigingen goedgekeurd. Een opvallende weigering tot goedkeuring kende het voorstel in Oregon, om bij een rechtszaak over moord de jury toe te laten om met 11 tegen 1 stem tot schuld te besluiten. De meeste kiezers vonden dat de jury , zoals nu het geval is, unaniem moet beslissen.

 

In een reeks steden vonden ook referenda plaats over lokale onderwerpen. Opvallend waren de referenda in drie welvarende gemeenten bij San Fransisco (San Ramon, Pleasanton en Livermore) die verdere bebouwing op het grondgebied van die gemeenten bemoeilijken, door bouwprojecten van 10 of 20 woningen verplicht aan een gemeentelijk referendum te onderwerpen. In Houston (Texas) en St.Paul (Minnesota) wezen de kiezers plannen van de gemeenteraad af, om te investeren in plaatselijke sportstadions. In Missoula (Montana) was er geen meerderheid voor een initiatief, dat een minimumuurloon van 8 dollar wou opleggen aan alle bedrijven die op een of andere manier gemeentelijke steun ontvangen.


DIRECTE DEMOCRATIE IN VENEZUELA?

 

In december 1998 werd Hugo Chavez met 57% van de stemmen verkozen tot president van Venezuela. De gevestigde partijen werden weggevaagd. Chavez had in 1992 reeds een mislukte staatsgreep op zijn actief, en hij is een verklaard tegenstander van de gevestigde politieke klasse in zijn land.

 

Zoals in vele andere Zuid-Amerikaanse landen gaapt ook in Venezuela een enorme kloof tussen rijk en arm. Het land incasseerde de laatste 25 jaar ongeveer 300 miljard dollard aan olie-inkomsten, die echter hoofdzakelijk in handen van enkele honderden families terechtkomen. Een kwart van de bevolking is werkloos, 200.000 straatkinderen overleven door bedelen en stelen, meer dan de helft van de bevolking leeft onder de armoedegrens.

 

Chavez is een verklaard voorstander van directe democratie: "Wij willen overgaan van de vertegenwoordigende democratie, die we daarom niet moeten misprijzen, naar de participatieve en directe democratie en met een grotere deelname van het volk op alle besluitvormingsniveau's. Zodat we ons beter kunnen verzetten tegen de schending van de mensenrechten". Momenteel wordt een nieuw grondwetsproject bediscussieerd, waarin de invoering van het referendum op volksinitiatief centraal staat. Verder wordt ook gestreefd naar een uitbreiding van de gemeentelijke autonomie en naar een soort recall-recht (verkozenen kunnen halfweg hun termijn opnieuw aan een verkiezing onderworpen worden, indien de burgers dit vragen). In de loop van november zou de nieuwe grondwet aan een referendum worden onderworpen.

(Le Monde Diplomatique, oktober 1999).