Boekbespreking David van Reybrouck – Tegen verkiezingen

Afdrukken

David van Reybrouck, “Tegen verkiezingen”, De Bezige Bij, oktober 2013
ISBN 978 90 234 7459 3, 128 pagina’s

 

David van Reybrouck heeft een interessant boek geschreven, maar spijtig genoeg onvolledig en deels onjuist wat de directe democratie betreft. Hierin laat hij zich kritisch uit over verkiezingen. In plaats daarvan pleit hij voor het loten van politici. Ook spreekt hij zich uit voor via loting samengestelde burgerfora die zich met specifieke maatschappelijke problemen bezighouden, zoals de G1000, waarvan hij mede-initiatiefnemer was.

 

Kritiek op de particratie

 

In een interview op Trouw.nl (6 oktober 2013) vat Van Reybrouck zijn kritiek kernachtig samen. Hij haalt een uitspraak aan van de huidige voorzitter van de Vlaamse socialisten, Bruno Tobback – “Ik weet perfect wat ik moet doen aan het klimaatvraagstuk, maar als ik dat doe, word ik nooit meer verkozen” – en reageert daarop: “Dat is precies wat mij tegenstaat. We leven in een tijd van permanente verkiezingskoorts. Vanaf de dag van de verkiezingen zijn politici bezig met de volgende. Dat werkt verlammend. Sociale media als Twitter en Facebook versterken dat effect. Ministers en Kamerleden staan onder permanente druk van één lange opiniepeiling, voortdurend ligt de afrekening van de kiezer op de loer.”

 

“(...) Het vertrouwen in de democratie is in een vrije val beland, het gaat echt in sneltreinvaart achteruit. Burgers vertrouwen politici niet meer, en omgekeerd. In de Europese Unie is het vertrouwen in de nationale parlementen in tien jaar tijd gezakt van 38 naar 26 procent. Dat is een hallucinant cijfer. De Britse denktank Demos waarschuwt dat in diverse Europese landen de democratie op haar retour is, niet alleen in Griekenland en Roemenië, maar ook in Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Italië. Dat land is onder Berlusconi door corruptie, de macht van de maffia en de verstrengeling van media, bedrijfsleven en politiek al een soort postdemocratie geworden. Democratie is niet langer evident op dit continent. Als we niet oppassen zitten we tussen nu en tien jaar met een aantal niet-democratische EU-lidstaten.”

 

“(...) De opkomst bij verkiezingen loopt vrijwel overal terug, kabinetsformaties duren steeds langer, en kabinetten sneuvelen steeds vaker tussentijds. Ondanks de opkomstplicht in België stijgt het kiesverzuim. Het heeft 541 dagen geduurd voordat het kabinet van premier Di Rupo was geformeerd: verbijsterend. Overal in Europa zitten regeringen korter. En regeringspartijen worden steeds zwaarder afgestraft bij de eerstvolgende stembusgang. Het democratisch stelsel kraakt in zijn voegen.”

 

“(...) Ik wil verkiezingen niet afschaffen, ik wil er alleen iets naast zetten. We zijn democratie volkomen synoniem gaan beschouwen aan verkiezingen - het rood maken van een bolletje eens in de zoveel jaar. Ik trek dat in twijfel. Met democratie wordt al drieduizend jaar geëxperimenteerd, en pas de laatste tweehonderd jaar via verkiezingen. Er zijn andere procedures denkbaar. Loting bijvoorbeeld. Je zou je kunnen voorstellen dat de Senaat in België, en wellicht ook die in Nederland, de plaats wordt waar de leden zijn ingeloot. Die mensen hoeven zich niet te bekommeren over de volgende verkiezingen, en kunnen zich helemaal richten op het algemeen belang dat in het huidige bestel steeds meer in de verdrukking komt.”

 

Directe democratie

 

Over directe democratie is hij tegelijk sceptisch. Een kernpassage in zijn boek luidt: “De vraag is of referenda wel geschikt zijn om een besluit te vellen over ingewikkelde dossiers. (...) De afgelopen decennia is het referendum vaak naar voren geschoven als een effectief middel om de democratie te hervormen. In een tijd waarin de samenleving individualiseert en het middenveld minder zwaar weegt dan vroeger, leek het velen nuttig om over controversiële dossiers rechtstreeks de mening van de bevolking te vragen. Sinds de referenda over de Europese Grondwet in Nederland, Frankrijk en Ierland is de liefde voor het referendum wat bekoeld. Toch genieten ze nog steeds een grote populariteit, zoals blijkt uit de referenda over de onafhankelijkheid van Catalonië en Schotland en het Britse vertrek uit de Europese Unie. Referenda en deliberatieve democratie zijn in zoverre verwant dat ze rechtstreeks naar de mening van de gewone burger vragen. Voor de rest staan ze volkomen haaks op elkaar: bij een referendum vraag je aan iedereen om te stemmen over een onderwerp waar meestal slechts weinigen iets van afweten, bij een deliberatief project vraag je aan een representatieve steekproef mensen te beraadslagen over een onderwerp waarover ze alle mogelijke informatie krijgen. Bij een referendum spreekt nog heel vaak het onderbuikgevoel, bij een deliberatie spreekt een verlichte publieke opinie.” (p. 116) Elders spreekt hij van het referendum als een “beoordeling in enkele seconden”.

 

Rijp en rot

 

Het probleem met Van Reybrouck’s betoog is dat het rijp en rot door elkaar is. Zijn kritiek op de particratie is deels terecht. De politieke partijen zitten vaak onderling vooral te bekvechten, in plaats van zich met de grote maatschappelijke problemen bezig te houden. Hun handelen lijkt vaak vooral ingegeven te zijn door eigenbelang.

 

Loting van politici is een interessante gedachte, maar niet voor het probleem dat Van Reybrouck schetst. Van Reybrouck lijkt vooral politici te willen loten omdat die zich niets hoeven aan te trekken van de volgende verkiezingen, en dus de wil van de meerderheid aan hun laars kunnen lappen. Dit is een anti-democratisch betoog.

 

In werkelijkheid is loting van politici interessant omdat dat de vorming kan tegengaan van een vaste politieke klasse van beroepspolitici met vastgeroeste eigen deelbelangen die tegen het algemene belang ingaan. Beroepspolitici  hebben veelal de neiging de staatsmacht en de ‘collectieve sector’ steeds verder uit te breiden, omdat dit hen meer zeggenschap, middelen en aanzien oplevert. Als geheel hebben beroepspolitici belang bij het negeren van de roep om meer directe democratie, omdat directe democratie hun plannen en doelstellingen kan doorkruizen en hen als klasse minder belangrijk maakt.

 

Maar als we politici voortaan loten, dan zou dit wel gecombineerd moeten worden met een uitgebreid direct-democratisch stelsel via welke burgers het mandaat dat ze aan de gelote groep geven, steeds kunnen terugnemen en direct kunnen beslissen. Zeg maar het Zwitserse model. Zonder zo’n direct-democratisch kanaal zouden de gelote burgers totaal hun eigen gang kunnen gaan. De huidige politici worden tenminste in toom gehouden door het feit dat ze bij de volgende verkiezingen op hun daden worden afgerekend. Voor de gelote burgers geldt dat niet.

 

Zo’n directe democratie wil Van Reybrouck niet. Zijn veronderstelling dat burgers bij referenda niet nadenken en bij burgerfora wel, is nergens op gebaseerd. Ten eerste blijkt uit onderzoek van de politicoloog Hans-Peter Kriesi dat typisch die burgers gaan stemmen die het gevoel hebben dat ze het onderwerp kunnen overzien.  Ten tweede blijkt uit onderzoek van Arthur Lupia naar een aantal Amerikaanse volksinitiatieven, dat de burgers die encyclopedische kennis hebben van het referendabele onderwerp slechts een 3% anders stemmen dan burgers die op ‘shortcuts’ afgaan (zoals stemadviezen van politieke partijen, maatschappelijke organisaties of wetenschappelijke experts). Dit komt omdat aan politieke keuzes meestal basale waarde-oordelen ten grondslag liggen. Burgers hoeven geen gedetailleerde kennis te hebben van ter stemming gebrachte onderwerpen, ze moeten alleen de hoofdlijnen kunnen overzien. Van Reybrouck’s idee van een referendum als “beoordeling van enkele seconden” is een absurditeit. Bij referenda is er net zo goed publiek debat en meningsvorming en –uitwisseling als bij burgerfora, alleen is dit bij referenda een gedecentraliseerd, anarchistisch proces waarbij elke burger zelf bepaalt op welke informatiebronnen hij zich richt.

 

Daarbij weten we allemaal hoe de politici met Van Reybrouck’s voorstellen om zullen gaan. Ze zullen echt de verkiezingen niet gaan afschaffen, maar zullen zeggen: okee, laat ons af en toe een burgerforum á la de G1000 organiseren om oplossingen te suggereren voor specifieke maatschappelijke problemen. Maar bij dergelijke burgerfora zijn het steeds de politici die het initiatief nemen, die bepalen waar het burgerforum zich over buigt, die de deskundigen aanwijzen en betalen die de burgers terzijde staan (deze deskundigen domineren inhoudelijk vaak dergelijke burgerfora) en die aan het eind bepalen of ze iets – en zo ja, wat – ze zullen doen met de uitkomsten. Kortom, burgerfora leveren geen volkssoevereiniteit op, en ook geen breed publiek debat en brede betrokkenheid, want naast de 1000 burgers die wél mee mochten doen aan de G1000 stonden 11 miljoen Belgen die niet mee mochten doen. Waarom zouden zij zich verdiepen in maatschappelijke thema’s waarover ze vervolgens toch niets te zeggen hebben? De G1000 is een interessant experiment geweest, en is voor herhaling vatbaar, maar ze kan niet de plaats innemen van een integrale directe democratie.