Rondas over De G1000 en het Democratisch Verdriet van België

Afdrukken

Het wordt wel snel stil rond de G1000,het goedbedoelde burgerinitiatief op het getouw gezet door David van Reybrouck. Te snel. We weten ook bitter weinig over wat er op de G1000-dag op 11 november nu eigenlijk door de 704 participanten werd aanbevolen. Ik vind dat jammer, want ik had zelf een heel goeie reden om daar veel van te verwachten.

Deze reden had te maken met mijn opvatting van de natie. Voor mij is de natie immers helemaal niet de homogeniseringsmachine waartoe men ze vaak wil reduceren. In deze interpretatie zou een natie gewoon alle lidmaten tot assimilatie willen dwingen. Er zou geen plaats zijn voor diversiteit. Het is eerder omgekeerd:  de natie is de conflictzone, het oord waar de antagonisten (tegenstanders, geen vijanden) elkaar politiek kunnen en mogen bestrijden. De plek waar het georganiseerde meningsverschil plaatsvindt, is juist de natie. Waar anders?

 Daarom is het helemaal geen onzinnig idee om ruimte te bieden aan dat andere facet van de parlementaire democratie, namelijk de deliberatie. Daarmee is de democratie historisch ook begonnen: met het gezamenlijke overleg van de kiesgerechtigde burgers op de Atheense agora of op het Zwitserse dorpsplein. Deliberatieve democratie niet als alternatief voor de volksvertegenwoordigende democratie, maar als aanvulling ervan, net zoals er soms golven van directe democratie (onder de vorm van referenda) nodig zijn om zaken recht te trekken die zowel in de deliberatie als in de representatie krom zijn gebleven. Komt daar nog bij dat de natie zelf een soort doorlopende deliberatie is of idealiter zou moeten zijn.

 Wie zoals ik dat alles gelooft, gelooft ook in de noodzaak van meer participatie in de privébedrijven en overheidsbedrijven (zoals bijvoorbeeld de VRT), van meer inspraak van de basis in de politieke partijen, en van democratisering van de Rooms-Katholieke kerk. Allemaal organisaties die ons er bij tijd en wijle terdege aan herinneren dat ze ‘geen democratieën’ zijn. Jammer genoeg beschouwt men daar de democratie als een soort anarchie waarmee het bestuur hoegenaamd niet kan werken of niet snel genoeg beslissingen kan nemen. Democratie heeft een slechte naam in dergelijke beslissingspiramides. Het zou goed zijn voor de democratische opvoeding van de burger als overal van onderuit werd gewerkt: het zou meteen ook afverven op de politieke democratie. Wat wil men ook van de burger? Er is in de hele maatschappij nauwelijks een plek waar hij of zij de democratie aan den lijve kan ondervinden!

De troebele hoogdag

 Ik was dus erg nieuwsgierig naar het verloop van de G1000, en meer specifiek naar de G1000-dag zelf op 11 november 2011. Tenslotte had de Groep zelf de democratie tot zijn onderwerp en zijn voorwerp uitgeroepen. Op dit domein hebben deze mensen wel degelijk verwachtingen geschapen, bij zoverre dat de overlegdemocratische vorm soms als belangrijker werd voorgesteld dan de besproken inhoud.

 Ik heb dit fenomeen met een democratische blik willen bekijken. Ik heb geprobeerd niet op mijn luie oog over te schakelen, maar juist afwisselend verrekijkers en microscopen in te zetten. Maar het lag niet aan de lenzen of de glazen. Wat ik zag was zelf troebel. De G1000 zegt te geloven dat mensen iets te vertellen hebben over de samenleving. Maar wat exact de 704 aanwezigen op de G1000-dag over die samenleving te vertellen  hadden, dat komen we niet te weten, ook niet op de webstek van de G1000. Die zwijgt daarover in alle talen. Daarom is de burger wat betreft de aanbevelingen van zijn 704 vertegenwoordigers grotendeels afhankelijk van de externe berichtgeving en de sfeerbeelden in Franstalige, Nederlandse en Vlaamse media. Wat men daar leest en hoort is merkwaardig. Zouden de geruchten kloppen dat één van de aanbevelingen luidde, dat de verpakkingen van geneesmiddelen kleiner moesten? Dat men komaf moest maken met het profitariaat? Dat de werkloosheidsduur korter moest? Dat immigratie beperkt hoorde te worden? Dan rijst de vraag, of het niet voorspelbaar was dat uit dit zogenaamd wetenschappelijk begeleide systeem, dit soort verzuchtingen boven zou komen drijven. Samen met de nog veel prangender vraag naar wat het opvolgcomité van 32 burgers (volgens de initiatiefnemer vooral gekozen op basis van de diversiteit) met dit materiaal kan beginnen. Maar wat me werkelijk verontrustte, was de afwezigheid van twee belangrijke onderwerpen: de democratie zelf, en de ruimte waarin deze zich afspeelt.

De afwezige democratie

 Uit een eerste vragenronde die honderden suggesties opleverde werden 25 vragen geselecteerd.  Daaruit koos het bestuur dan weer drie dagthema’s ter deliberatie. Bij deze 25 vragen waren er zes over het communautaire probleem in België, vijf over de democratie zelf, en vier over openbare financiën. De overblijvende tien waren moeilijk in te delen varia. Maar de dagthema’s werden niet uit de voornoemde meerderheidsclusters gekozen, dus ook niet uit de wetenschappelijk geoogste vragen over democratie, terwijl de problematisering van de democratie toch de bestaansreden van dit burgerinitiatief was. Waarom wou men daarover dan niet reflecteren?

 Het was al begonnen met een zeer dubbelzinnige communicatie over het wenselijk aantal verkiezingen in België. De boodschap was duidelijk: er waren of er zijn er teveel. In de uitgebreide versie van het manifest staat als punt 13 de ondertussen in alle hoofden gebeitelde zin, dat onze democratie ‘verworden’ is tot ‘een dictatuur van de verkiezingen’ (in de samenvattende versie staat diezelfde zin onder punt 6). Een nogal grove uitspraak die niet alleen aantoonbaar onjuist is (er zijn hier, in vergelijking met andere staten, zeker niet meer verkiezingen), maar die ook een loopje neemt met het wezen van het federalisme. Mensen die vinden dat er teveel verkiezingen zijn, zowel van het standpunt van de kiezende burger als van de te verkiezen politicus, vinden namelijk meestal dat de regionale en de federale verkiezingen moeten samenvallen, zodat de uitslagen tot parallel samengestelde regeringen kunnen leiden. Dit is zeker geen federalistische optie, integendeel. Men geeft hier de indruk dat het federalisme van artikel 1 van de grondwet in de praktijk omzeild mag worden.

 Daarover is de G1000 nooit met zichzelf in het reine gekomen. Tijdens de hoogdag in de turnzaal van Thurn & Taxis te Brussel vroeg een journalist aan de woordvoerster of dit evenement voor herhaling vatbaar was. Natuurlijk gaan we daarmee door, antwoordde ze, ‘want verkiezingen zijn er maar om de vier, euh, vijf jaar’. Ik vond dit een veelzeggende verspreking. In één beweging gaf ze aan dat er nu eenmaal slechts om de zoveel tijd verkiezingen zijn, maar ook dat ze op de hoogte was van Di Rupo’s plan om die tijd tot vijf jaar te verlengen. Enerzijds waren er dus te weinig volksraadplegingen (‘slechts om de vier jaar’), maar anderzijds dan toch nog teveel (‘euh, vijf’). Dezelfde dubbelzinnigheid bij de initiatiefnemer zelf: na afloop beweerde hij dat het initiatief zich helemaal niet tegen een vermeend  teveel aan verkiezingen had gericht. Het bleef niet bij deze ene ondemocratische reflux. Niet alleen wat betreft het aantal, maar ook wat betreft de kostprijs van de verkiezingen kon men in die entourage bedenkelijke uitspraken noteren. Zoals de oprisping, dat dit toonbeeld van deliberatieve democratie a rato van 500 € de man, toch goedkoper was dan gewone verkiezingen. De deliberatieve democratie werd hier wel degelijk tegen de representatieve uitgespeeld. Vooral die ene zin over de ‘dictatuur van de verkiezingen’ heeft onnoemelijk veel kwaad gedaan. Sommige politicologen voelen zich erdoor gesteund om nu maar gelijk verkiezingen om de zeven jaar te vragen.

Slijtage van het parlementarisme

 Had de G1000-dag dus überhaupt iets te melden over democratie? Helemaal niet. Het is een onderwerp dat hen niet ligt. Tijdens de fysieke deliberatie zelf werd daarover niet gedelibereerd. Was er misschien al voldoende over gezegd tijdens de sensibiliseringscampagne? Werd de reclamemededeling dat hier een alternatief werd aangeboord, als voldoende debat beschouwd? Nochtans wordt vandaag de Europese parlementaire democratie van alle kanten belaagd. Daarom had ik verwacht dat de G1000 zich zou bezinnen over de echte gevaren voor de volksvertegenwoordigende democratie, zoals de alreeds ten uitvoer gebrachte ideetjes over zakenkabinetten, alsmede de nog niet ten uitvoer gebrachte over gaullistische machtsovernames en vijfde republieken. Anderzijds: hadden de initiatiefnemers zich aan zo’n reflectie begeven, dan was al snel de aap uit de mouw gekomen. De democratie is hen namelijk niet zoveel waard als de Belgische constructie. Eerst komt België als staat, dan pas komt de democratie. Maar dat is geen historisch nieuws: dat is sinds 1830 altijd zo geweest. Overal ter wereld zien we vandaag betogingen van systeemcritici. Bij ons scharen hun Vlaamse collega’s zich achter het inert systeem ‘België’, dat de democratie met een serieuze handicap opzadelt. Getuige de 530 dagen ‘onderhandelingen’.   

 Het komt er dus niet zozeer op aan een chimerische deliberatieve democratie te installeren, dan wel de representatieve en parlementaire democratie te herstellen. Doordat de burgers de particratie hebben laten begaan, hebben ze de belangrijkste schakel van het representatieve systeem tot brekens toe verzwakt. De uitschakeling van het parlement is de belangrijkste oorzaak van de berucht geworden kloof tussen de burger en zijn politiek. Daarom gaat het eerder om een parlementair deficit. Daaraan is niet alleen de partijtucht schuldig, maar evenzeer de manie om regeringsonderhandelingen te organiseren waarin de belachelijkste details tot de laatste puntjes worden afgeregeld – waardoor het parlement gereduceerd is tot een collectief, machinaal stemhok. Wie het democratische deficit wil aanpakken, moet eerst en vooral het parlement restaureren.

 De slijtageverschijnselen van het parlementarisme, afkomstig van interne en externe wrijving, doen zich overal in de democratische wereld voor. In België echter lijkt de slijtage tot op het bot doorgeschoten. De democratie zit hier op haar rauw vlees. Daarom moet er niet zozeer over de dictatuur van de verkiezingen worden nagedacht, dan wel over de dictatuur van de Belgische structuur.

De plaats van de democratie in België

 Dat brengt me op het tweede niet ter sprake gekomen onderwerp, dat in de oorspronkelijke vragenlijst van 25 vragen weliswaar het hoogst van alle clusters heeft gescoord, maar dat men toch niet ter behandeling heeft weerhouden. Het gaat om het onderwerp waarvan de burger volgens onze editorialisten niet wakker ligt, en dat is uiteraard het communautaire. Het gaat om de vraag waar de democratie zich afspeelt. Waar bevindt zich de plek van het georganiseerde meningsverschil?

 Het democratisch verdriet van België is het communautair deficit ten koste van Vlaanderen. De stelling van Jules Destrée, straks honderd jaar geleden geformuleerd, dat er ‘geen Belgen’ zijn, heeft geleid tot het reactionaire antwoord dat er inderdaad geen Belgen zijn die gelijk zijn voor de wet. De afschaffing van de parlementaire democratie door de grendelgrondwet van 1970 moest de Belgische staat redden. De Belgische staat kon slechts gered worden doordat men op zijn altaar de democratie offerde.

 Het probleem met de G1000 was dat hij daarover niet kon of wou reflecteren, omdat hij dan eerst had moeten ingaan op zijn statuut zelf. Het ging immers om een Belgisch forum, met een derde tweetalige tafels (met tolk: een aanfluiting van de ware Belgitude dus). De G1000 deed alsof de Belgische politieke ruimte een evidentie is – terwijl zo’n ruimte niet eens bestaat. De G1000 deed alsof de legitimatie van de Belgische constructie géén probleem vormt – terwijl deze staat straks vijf volle jaren verlamd is. Jamaar, zei Van Reybrouck, het communautaire probleem is, dank zij Di Rupo’s Vlinderakkoord, opgelost, dus hoefden we daar gelukkig niet meer over te praten. Zou hij dat echt geloven? Niets is opgelost. De G1000 speelde het klaar om te doen alsof de Vlaamse politieke ruimte niet bestaat. Dat is de dimensie die de G1000 wel ziet, maar die hem tegelijkertijd niet zint, en waarvan deze G1000 dus de aandacht wenst af te leiden. Het gaat in laatste instantie over (naar het woord van Wilfried Dewachter) de mythe van de Belgische parlementaire democratie. Logisch dat de G1000 dit ‘nationale’ probleem niet op zijn agenda kon zetten: het zou gewoon zelfvernietigend zijn geweest. Nochtans had volgens een Nederlandse verslaggever de teleurstellende opkomst (704 in plaats van de voorziene en bezworen 1000) precies met het communautaire feit te maken: volgens deze bron zijn het voornamelijk Franstaligen geweest die om een of andere reden waren afgehaakt. Ook daarover kregen we jammer genoeg geen cijfers.

 In het licht van deze overwegingen spreekt de keuze voor de drie onderwerpen die wel aan de 704 werden voorgelegd, eveneens boekdelen. Het zijn onderwerpen die het in zich hebben om het forum van de democratie Belgisch te houden. Het eerste onderwerp was de sociale zekerheid. Zoals bekend biedt de sociale zekerheid met zijn ‘interpersoonlijke solidariteit’ de enige inhoud die men nog aan een definitie van België kan geven. Het tweede was de welvaart, en dat is dan weer een Europees verschijnsel, dat we nu eenmaal niet meer in handen hebben. Het derde was de immigratie, en dat gaat over het lidmaatschap van de staat. Zolang als enigszins mogelijk is, geeft de staat dit niet uit handen. De conclusies van het toetsingscomité van de 32 zullen wel in die richting moeten gaan.

Nuttige vragen

 Twee nuttige vragen had de G aan de opgekomen burgers kunnen stellen. De eerste had moeten luiden: WAAR speelt zich het democratische gesprek af? Op welk forum, in welke arena? De G1000 heeft het niet aangedurfd deze vraag te stellen. Dit verzuim is de belangrijkste reden waarom dit initiatief een stille maar snelle dood zal sterven.

 De tweede nuttige vraag was niet zozeer een overwegingsvraag, dan wel een beslissingsvraag geweest. Ze had moeten luiden: ‘Bent u van mening, ja dan nee, dat een soeverein Vlaanderen 500 dagen op een regering had moeten wachten?’ Of, nog anders gesteld, maar dan in de vorm van een controlevraag bij een quiz: ‘Hoeveel dagen, denkt u, zouden de Vlaamse partijen onderling nodig hebben gehad om een regering te vormen? Kies: zes, zeven of acht dagen?’

 Wat dunkt u, beste lezer?

Jean-Pierre Rondas

Antwerpen, 24 XI 2011