Directe democratie maakt het volk soeverein

Afdrukken

In dit basisartikel over directe democratie, dat is gebaseerd op het boek dat hij met Jos Verhulst schreef*, laat de auteur zien waarom het referendum voortvloeit uit het kernidee van democratie, hoe het Zwitserse referendumsysteem functioneert en welke positieve effecten het referendum in de praktijk heeft. Ook gaat hij in op veelgehoorde tegenargumenten.

 

Door Arjen Nijeboer

 

Zestig jaar geleden was de burger veilig ingebed in de maatschappelijke zuilen. Hij dacht over de meeste zaken min of meer hetzelfde als zijn zuilgenoten. Op alle gebieden beschikte deze zuil over massaorganisaties die de individuele burger inbonden en het gezamenlijke groepsstandpunt uitdroegen, van vakbonden en kerken tot media en politieke partijen. De burger had vertrouwen in deze organisaties en voelde zich door hen vertegenwoordigd. Hij had weinig behoefte om zijn oordeel individueel te ontwikkelen.

 

Vanaf de jaren ’60 veranderde dit. Sindsdien zijn mensen zich in de eerste plaats als individu gaan ervaren en niet meer als groepswezen. Men heeft behoefte om zelf op individuele gronden standpunten over van alles en nog wat in te nemen, los van de ideologische, aan de voormalige zuilen gebonden sjablonen. Bovendien ervaren burgers het in toenemende mate als onvoldoende om hun stem af te geven aan volksvertegenwoordigers en zelf vier jaar lang niet mee te mogen praten. Men wil zelf meebeslissen.

 

Deze situatie vraagt om nieuwe politieke structuren, om een nieuwe invulling van het begrip democratie. In feite komt het erop aan om serieus werk te maken van de gelijkheid die het basisprincipe is voor het politieke en rechtsleven.

 

Democratie = volkssoevereiniteit

 

Democratie betekent letterlijk ‘volksheerschappij’. In een democratie wordt geen autoriteit boven de bevolking erkend; het volk is soeverein. De wetten hebben in een democratie autoriteit omdat degenen die de wetten moeten gehoorzamen, deze wetten op één of andere manier hebben goedgekeurd. Dit is door de Franse filosoof Rousseau verwoord als het ‘sociaal contract’: wetten zijn legitiem omdat het vrije afspraken zijn tussen gelijkwaardige en mondige burgers, die samen de rechtsgemeenschap vormen.

 

In een representatief stelsel als het onze is de volkssoevereiniteit echter niet gewaarborgd. Burgers kunnen niet anders dan eens in de vier jaar hun medebeslissingsrecht afdragen aan een klein groepje volksvertegenwoordigers, die vervolgens een monopolie op het beslissingsrecht hebben. Hierdoor kunnen structureel wetten tot stand komen die niet door de meerderheid gedragen worden. De bevolking kan weliswaar de verkozenen bij een volgende stembeurt niet herkiezen, maar ze kan met geen wettig middel voorkomen dat er besluiten worden genomen die de meerderheid van de burgers niet wil.

 

Om het representatieve stelsel toch democratisch te kunnen noemen, word er een beroep gedaan op de fictie van het ‘mandaat’. Burgers zouden in verkiezingen een mandaat geven aan het parlement. Dit is schijn, omdat het mandaat in feite afgedwongen is. Er wordt immers nooit aan burgers gevraagd òf zij wel willen mandateren, en zo ja onder welke voorwaarden.

 

Dit betekent niet dat het representatieve stelsel geen belangrijke functie heeft. Maar de eigenlijke reden ervoor is een praktische en geen principiële: conform de logica van de arbeidsverdeling is het efficiënt wanneer burgers niet constant over alles zelf hoeven te beslissen. Daarom mandateren burgers voor het dagelijks bestuur een vaste club, een parlement. Een werkelijk mandaat is echter een mandaat dat eventueel ook níet gegeven kan worden. Wanneer voldoende burgers hiertoe de hand opsteken, zou het mandaat terug moeten gaan naar de bevolking die dan direct over een zaak beslist. Alleen een dergelijk stelsel is een authentieke democratie te noemen.

 

Daarom moet het representatieve stelsel worden uitgebreid met het referendum. Omdat volkssoevereiniteit inhoudt dat de bevoegdheden van de volksvertegenwoordiging zijn afgeleid van de bevoegdheden van de bevolking, moet voor besluitvorming per referendum dezelfde mogelijkheden gelden als voor volksvertegenwoordigers tijdens de representatieve besluitvorming. Er mogen van bovenaf geen extra beperkingen worden opgelegd. Dit betekent dat burgers ook zelf onderwerpen en voorstellen op de agenda moeten kunnen zetten (het volksinitiatief), dat uitslagen bindend zijn, dat burgers op alle bestuurlijke niveaus kunnen meebeslissen, dat geen onderwerpen zijn uitgesloten en dat er geen minimale deelnamepercentages gelden. Bovendien moeten volksbesluiten niet achteraf gewijzigd of teniet gedaan kunnen worden door de politieke klasse. In een democratie heeft het volk het laatste woord.

 

Overal in het Westen laten peilingen zien dat een grote meerderheid van de bevolking voorstander is van directe democratie.  In 1998 sprak 71 procent van de Belgen zich uit voor invoering van het referendum op federaal Belgisch niveau. In Nederland is volgens een SCP-peiling uit 2002 81 procent van de bevolking voor invoering van het referendum. Uit eerder SCP-onderzoek bleek dat bij alle 4 grote politieke partijen een grote meerderheid van de achterban – tussen 70 en 86 procent – voorstander was van het referendum. Van de Duitsers is 85 procent gewonnen voor directe democratie volgens een Emnid-poll uit 2005. Diverse peilingen in Groot-Brittannië van 1995 tot heden geven ook grote meerderheid voor diverse vormen van referendum aan.

 

De in veel landen gehouden opinieonderzoeken onder verkozen politici laten echter tegen tegenovergestelde zien: doorgaans is een forse meerderheid tegen invoering van directe democratie. Dat verklaart meteen waarom de invoering van directe democratie in veel landen zo moeizaam verloopt.

 

Het voorbeeld Zwitserland

 

Zwitserland is een weliswaar onvolmaakt, maar toch zeer interessant voorbeeld van hoe direct-democratische besluitvorming in de praktijk kan werken. De Zwitserse directe democratie wordt op federaal niveau al sinds de negentiende eeuw uitgemaakt door drie hoofdinstrumenten:

 

Verplicht referendum: in sommige gevallen, zoals grondwetswijzigingen of de afdracht van soevereiniteit naar internationale organisaties, moet altijd een referendum worden gehouden.

 

Facultatief referendum: als het parlement een wet of verdrag heeft goedgekeurd, kunnen 50.000 burgers binnen 4 maanden via handtekeningeninzameling een volksstemming over dat besluit afdwingen.

 

Volksinitiatief: als 100.000 burgers binnen 18 maanden hun handtekening zetten onder een door burgers geschreven voorstel, dan wordt daar een referendum over gehouden, eventueel samen met een tegenvoorstel van het parlement. Burgers hebben dan drie keuzes: het volksvoorstel, het tegenvoorstel van het parlement of de status quo (geen van beide). Een derde controlevraag zorgt ervoor dat er altijd een absolute meerderheid voor één van opties uit de bus komt. De uitkomst wordt in de Zwitserse grondwet verankerd. Dit zorgt er tevens voor dat goedgekeurde volksinitiatieven alleen door een nieuw referendum overruled kunnen worden, want de Zwitserse grondwet kan alleen gewijzigd worden via een volksstemming.

 

Er zijn nauwelijks uitgezonderde onderwerpen. Voor volksinitiatieven geldt dat zij niet tegen een klein aantal volkenrechtelijke bepalingen mogen ingaan. In feite is slechts één van die principes – het non-refoulement-principe, ofwel het verbod om asielzoekers terug te sturen naar hun land van herkomst als ze daar gevaar lopen op onmenselijke behandeling – van zodanige aard dat die kan botsen met een volksinitiatief. Op grond van dit principe is in 1996 één volksinitiatief ongeldig verklaard. Verder geldt voor volksinitaitieven alleen een vormvereiste: er mogen bijvoorbeeld geen twee verschillende onderwerpen in één volksinitiatief staan.

 

Maar het is in Zwitserland zonder meer mogelijk om via het volksinitiatief mensenrechten in te stellen of af te schaffen, belastingen te wijzigen of het staatsbestel te veranderen. Referenda over bijvoorbeeld staatsuitgaven, militaire zaken en het democratische systeem zelf zijn in Zwitserland aan de orde van de dag. De uitkomsten van referenda zijn nagenoeg altijd bindend – alleen op gemeentelijk niveau worden soms consultatieve referenda gehouden, vooral rond gemeentefusies – en nergens in Zwitserland gelden minimale opkomstdrempels (deelnamequorums). De internationale ervaring met opkomstdrempels is zeer negatief. Ze zijn arbitrair (ze gelden niet bij parlementsverkiezingen) en ze maken boycotacties mogelijk door tegenstanders van het betreffende referendum (ofwel de heersende politici). Een eenvoudige rekensom leert dat zij in bepaalde gevallen het referendum niet kunnen winnen als hun achterban komt stemmen, maar wel als hun achterban thuis blijft. Dus roepen ze hun achterban op om niet te stemmen. Dan wordt het referendum ongeldig verklaard en blijft de status quo onaangetast. In bijvoorbeeld Italië zijn dergelijke praktijken schering en inslag. Opkomstdrempels geven een premie aan hen die het publieke debat willen ontlopen en via machtsspelletjes hun slag willen slaan.

 

De Zwitserse referendumpraktijk

 

Op federaal niveau vonden vanaf 1848 ruim 500 referenda plaats. De directe democratie is op kantonaal en gemeentelijk niveau vaak nog uitgebreider, vooral in het Duitstalige deel van Zwitserland. Op al deze niveaus samen worden in Zwitserland jaarlijks zo’n 200 referenda gehouden.

 

Referenda en de meeste verkiezingen worden gebundeld op twee tot vier jaarlijkse stemdagen. Voor elke stemdag ontvangt elke kiezer een brochure van de regering met zakelijke informatie omtrent de voorstellen en argumenten van de voor- en tegenstanders. Stemmen per brief was al enige tijd mogelijk en daar is sinds kort het stemmen via internet bijgekomen. Nog slechts 5 procent van de effectieve kiezers stemt daarom via het stembureau; 85 procent stemt via brief en de overige 10 procent via het internet.

 

De directe democratie leidt ertoe dat Zwitserse politici zeer omzichtig te werk gaan bij hun wetgevend werk. Toch wordt nog ongeveer de helft van de wetten die door een facultatief referendum worden aangevochten, verworpen. Voorstellen tot grondwetswijziging of lidmaatschap van internationale organisaties worden in drie van de vier gevallen goedgekeurd. Volksinitiatieven hebben historisch slechts 10 procent slaagkans. Dit komt overeen met een gegeven dat vaker uit onderzoek naar directe democratie blijkt: burgers zijn vrij voorzichtig en zullen geen voorstellen steunen die duidelijke zwakheden bevatten.

 

Daarnaast worden meer dan 80 procent van de 2400 gemeenten, alsmede de kleine kantons Appenzell Innerrhoden en Glarus, nog steeds hoofdzakelijk bestuurd via de volksvergadering. Regelmatig – veelal één keer per jaar – komen de burgers samen (veelal in de open lucht) om via handopsteken te beslissen over alle belangrijke besluiten die het afgelopen jaar zijn voorbereid.

 

Peilingen laten zien dat de Zwitsers de directe democratie tot de meest gewaardeerde instituties rekenen. Zelfs een meerderheid van de Zwitsers die nooit stemt is voorstander van het systeem. Omdat de spelregels van de directe democratie in de grondwet verankerd zijn, en de grondwet alleen door een verplicht referendum kan worden gewijzigd, kan de politieke klasse de directe democratie niet aantasten zonder toestemming van de bevolking. In Zwitserland is het volk dus werkelijk soeverein.

 

Directe democratie in de Verenigde Staten

 

Overigens is de directe democratie niet alleen wijdverbreid in Zwitserland, maar ook in de Verenigde Staten. Maar liefst 27 van de 51 Amerikaanse deelstaten hebben een vorm van directe democratie die meestal net zo ver gaat als de Zwitserse. Verreweg de meeste staten kennen het volksinitiatief, uitgezonderde onderwerpen zijn er meestal niet en opkomstdrempels bestaan slechts op enkele plekken. De directe democratie werd in de meeste staten ingevoerd in de eerste decennia van de twintigste eeuw, vaak onder invloed van het Zwitserse voorbeeld.

 

Op lokaal niveau is de directe democratie nog meer verbreid. Zo’n 70 procent van de Amerikanen leeft in een stad of staat waar het referendum op volksinitiatief is voorzien. Dit heeft geleid tot een indrukwekkende hoeveelheid referenda. Verder bestaat de volksvergadering nog steeds op gemeentelijk niveau in een aantal deelstaten in vooral het noordoosten van de Verenigde Staten (‘Open Town Meetings’ of OTM). De OTM is in deze gemeenten de hoogste autoriteit.

 

Effecten van directe democratie

 

De aanwezigheid van gemiddeld een eeuw directe democratie in Zwitserland en de Verenigde Staten heeft wetenschappers de gelegenheid gegeven om de effecten van directe democratie in de praktijk te onderzoeken. Uiteraard worden hierbij andere factoren die een mogelijke invloed uitoefenen, verdisconteerd (het ceteris paribus-beginsel). Vooral Zwitserland biedt goede mogelijkheden voor onderzoek, omdat de verschillen in directe democratie tussen de kantons aanzienlijk zijn en er vaak landelijk uniforme data beschikbaar zijn van allerlei maatschappelijke indicatoren. Al dit onderzoek levert interessante inzichten op. Een greep uit de onderzoeksresultaten:

 

De onderzoekers Feld en Savioz vonden in 1997 een duidelijk verband tussen directe democratie en economische prestatie. De meer direct-democratische kantons leveren afhankelijk van het tijdstip een tussen de 5,7 en 15 procent hogere economische prestatie dan de kantons met weinig directe democratie.

 

Kirchgässner, Feld en Savioz bekeken in 1999 131 van de 137 grootste gemeenten om het verband tussen directe democratie en publieke schuld vast te stellen. In de gemeenten waarin referenda over publieke uitgaven waren toegestaan, was de overheidsschuld 15 procent lager dan in gemeenten waar dit niet het geval was.

 

Feld en Matsusaka onderzochten in 2003 het verband tussen directe democratie en overheidsuitgaven. Sommige kantons kennen het zogenaamde ‘Finanzreferendum’, waarbij alle overheidsbeslissingen boven een bepaald bedrag (gemiddeld 2,5 miljoen Zwitserse frank) verplicht moeten worden goedgekeurd door de burgers. In kantons met zo’n referendum waren de overheidsuitgaven tussen 1980 en 1998 gemiddeld 19 procent lager.

 

Benz en Stutzer bekeken in 2004 de relatie tussen directe democratie en politieke kennis. Zij vonden een aanzienlijk verschil in politieke kennis tussen de kantons met weinig en veel directe democratie. Het verschil tussen het kanton Genève, dat in Zwitserland de minste directe democratie heeft en het kanton Basel, dat het meeste heeft, was even groot als het verschil in politieke kennis tussen personen met of zonder partijlidmaatschap, of personen uit een inkomensgroep van 5000 of 9000 Zwitserse frank per maand.

 

Frey, Kucher en Stutzer deden in 2001 onderzoek naar het zelfgerappoteerde geluksgevoel van burgers. Ze stelden 6.000 burgers uit heel Zwitserland de vraag: “Hoe tevreden bent u tegenwoordig met uw leven als geheel?” Ze controleerden voor vele andere variabelen die het geluksgevoel beïnvloeden (zoals gezondheid,het hebben van werk en een relatie) en vonden dat - ceteris paribus - een inwoner van het kanton Basel (met zoals gezegd de meeste directe democratie) 12,6 procentpunt hoger scoorde op de geluksschaal dan een inwoner van het kanton Genève (dat de minste directe democratie heeft). Kennelijk maakt het gevoel invloed uit te kunnen oefenen op de regels waaronder iemand leeft, gelukkiger.

 

Pommerehne onderzocht de 103 grootste steden van Zwitserland op het verband tussen directe democratie en efficiëntie van de overheid, met als voorbeeld de afvalverwerking. Hij vond dat steden met directe democratie een 10 procent goedkopere afvalverwerking hebben. Hij vond ook dat afvalverwerking door een privaat bedrijf goedkoper was dan die van een publieke dienst. De combinatie directe democratie met private afvalverwerking was 30 procent goedkoper dan de combinatie vertegenwoordigende democratie met publieke afvalverwerking.

 

Last but not least bekeek Frey in 1997 de relatie tussen directe democratie en belastingontduiking. In de kantons met veel directe democratie is het verzwegen inkomen per jaar en per belastingbetaler 1900 euro lager dan in kantons met weinig directe democratie. De verklaring van Frey luidde dat indien mensen controle kunnen uitoefenen op de besteding van het belastinggeld, de neiging om de belasting te ontduiken kennelijk afneemt.

 

Argumenten tegen directe democratie

 

Tegenstanders van directe democratie komen meestal met een klein aantal argumenten tegen het gebruik van referenda, die we hieronder behandelen. Een paar opmerkingen vooraf. Meestal zijn het in feite geen argumenten tegen referenda, maar tegen democratie als zodanig. Ook hebben tegenstanders de neiging om directe democratie te vergelijken met een ideale toestand. Dat is uiteraard geen eerlijke vergelijking, want de vertegenwoordigende democratie is ook niet ideaal. De directe democratie moet daarentegen punt voor punt vergeleken worden met de vertegenwoordigende democratie.  Dat is een eerlijke vergelijking. Daarnaast kan pragmatisch verwezen worden naar de situatie in bijvoorbeeld Zwitserland, waar de directe democratie sinds de negentiende eeuw zeker niet geleid heeft tot de wantoestanden die tegenstanders van referenda voorspellen.

 

Het meest gebruikte tegenargument is wellicht dat het referendum strijdig zou zijn met het parlementaire stelsel. Dat argument wordt eigenlijk al door de praktijk weerlegd: bijna elke staat in de wereld kent wel een vorm van referendum. De mengvorm tussen directe en vertegenwoordigende democratie is de norm. In Zwitserland en de Verenigde Staten is het referendum op alle mogelijke manieren ingebed in het parlementaire systeem. De tegenstanders zeggen vaak specifiek dat het parlement in diskrediet zou worden gebracht als burgers in een referendum anders stemmen dan politici. In werkelijkheid is het parlement dat vertrouwen al lang kwijt. In internationale onderzoeken naar het vertrouwen dat mensen in allerlei maatschappelijke instituties hebben (zoals de regering, het leger of het onderwijs) bungelen de parlementen meestal onderaan. Directe democratie zou juist tot een herstel van vertrouwen in de politiek als zodanig kunnen bewerkstelligen. Door het hoog oplopende debat rondom volksstemmingen krijgen politici en maatschappelijke organisaties ook veel meer ruimte om hun argumenten voor het voetlicht te brengen. Politici verliezen misschien een bepaalde mate aan macht maar ze krijgen er echte invloed voor terug.

 

Sommigen stellen directe democratie gelijk aan de dictatuur van de meerderheid. Dat is een karikaturale voorstelling van zaken. Uiteraard wordt in het parlement ook gestemd en dan geeft de meerderheid ook de doorslag. Het probleem is dat stemmingen meestal onvermijdbaar zijn. In een ideale wereld zou een publiek debat naar een consensus, ofwel unanimiteit, tenderen. Helaas is dat in de praktijk van alledag meestal niet haalbaar. Op een gegeven moment is de tijd van debatteren voorbij en is het tijd om hoofden te tellen. De meerderheidsregel is daarbij de meest eerlijke regel omdat deze na unanimiteit het meest wenselijk is. Zo verkrijgen we het kleinst aantal ontevredenen, en de minderheid haar zin geven boven de meerderheid zou nog oneerlijker zijn. Natuurlijk zal de meerderheid moeten luisteren naar de minderheid.  Maar een directe democratie gaat veel minder dan een vertegenwoordigende democratie uit van het machtsprincipe. In een directe democratie is er een permanent debat. En in een situatie waarin mensen direct over zaken kunnen stemmen, moet elk thema z’n eigen wisselmeerderheid vinden. Er zijn – in tegenstelling tot een vertegenwoordigend systeem – geen vaste meerderheden en minderheden. De ene keer bevindt je je in de meerderheid, de andere keer in de minderheid. Dat is democratie.

 

Burgers zouden onbekwaam zijn om direct te beslissen. Ze zouden de benodigde specialistische kennis missen. De meeste politici zijn echter over het algemeen ook geen specialisten maar generalisten. Ze moeten zich ook over de meest uiteenlopende zaken een beeld vormen, terwijl ze vaak maar op een paar onderwerpen echt over dossierkennis beschikken. De kern van een politiek voorstel is niet technisch maar betreft een waarde-oordeel of morele keuze. Voor die keuze zijn burgers even capabel als politici. Voor zover burgers dus niet over een onderwerp kunnen beslissen, kunnen hun vertegenwoordigers (de politici) dat maar beter ook laten. Dergelijke beslissingen moeten overgelaten worden aan de mensen die het betreffen, hetzij op een lager of hoger politiek niveau, hetzij de mensen die werkzaam zijn in het geestesleven of het economisch leven.

 

Directe democratie zou ontwrichtend kunnen werken op de overheidsfinanciën, omdat burgers enerzijds de belastingen zouden willen verlagen en anderzijds de uitgaven gelijk willen houden of zelfs verhogen. Het hierboven aangehaalde bewijs laat juist zien dat het andersom is: hoe meer directe democratie, hoe lager de overheidstekorten. Ook uit opinie-onderzoek blijkt dat een meerderheid van de burgers tegenstander is van staatsschulden en begrotingstekorten. Ze zullen niet stemmen voor voorstellen die de staatsfinanciën ontwrichten. Anderzijds hebben politici een incentive om juist wel staatsschulden aan te gaan. Zij willen bij de verkiezingen laten zien wat voor prachtige dingen ze allemaal hebben gerealiseerd voor de burger, ook al moesten ze daarvoor geld lenen. Ook is aangetoond dat hoe meer partijen deelnemen aan een coalitie, hoe sneller er begrotingstekorten worden geaccepteerd. Politici hebben namelijk de neiging om stemmen uit te ruilen: stem jij voor mijn voorstel, dan stem ik voor het jouwe.

 

Directe democratie zou te weinig nuancering toelaten. Burgers kunnen alleen ’ja’ of ‘nee’ zeggen. Directe democratie zou bovendien leiden naar ‘linking’ van allerlei onderwerpen die niets met elkaar te maken hebben. Echter, vanuit het perspectief van de burgers levert directe democratie veel meer nuanceringsmogelijkheden op dan de verkiezingen. Bij verkiezingen moeten ze alle mogelijke onderwerpen en standpunten samenvatten in één druk op de knop. Bij directe democratie kunnen burgers los van hun keuze bij de verkiezingen rondom afzonderlijke onderwerpen beslissen. ‘Linking’ van verschillende onderwerpen in één stem is dan ook typisch iets wat bij parlementaire  verkiezingen gebeurt. Wie meer nuanceringsmogelijkheden voor de burger en minder linking wil, moet dan ook de directe democratie uitbreiden. In Zwitserland is het fenomeen van ‘linking’ onbekend, juist omdat burgers steeds de mogelijkheid hebben volksinitiatieven te lanceren en referenda aan te vragen over elk onderwerp dat ze maar willen.

 

De rechten van minderheden in een directe democratie zouden worden aangetast. Er is nauwelijks wetenschappelijk onderzoek te vinden dat die stelling ondersteunt. Tegenstanders van directe democratie kunnen hooguit enkele geïsoleerde gevallen als bewijs aanhalen, terwijl er wereldwijd jaarlijks op alle niveaus tienduizenden referenda worden gehouden. Ook geldt hierbij uiteraard weer dat parlementen wereldwijd soms ook besluiten nemen die minderheidsrechten aantasten. De directe democratie moet op dit punt eerlijke met de vertegenwoordigende democratie vergeleken worden en dan blijkt dat er geen bewijs is voor de stelling dat directe democratie minderheidsrechten aantast.  Wat wel is bewezen (door o.a. onderzoek in Californië), is dat juist leden van minderheidsgroepen voorstander zijn van referenda. Alle onderzochte groepen in het onderzoek waren in meerderheid voorstander van directe democratie, de minderheidsgroepen meer dan gemiddeld. De verklaring is eenvoudig: minderheidsgroepen hebben een minder goede lobby bij de regering. Juist zij hebben belang bij directe democratie. Doordat minderheden via handtekeningenacties referenda kunnen aanvragen, kunnen zij via een publiek debat tot een meerderheid uitgroeien.

 

Het referendum zou een vertragende werking hebben. Die is er tot zekere hoogte, maar de vraag is of dat erg is. Nu zien we vaak dat wet- en regelgeving in hoog tempo wordt gewijzigd. Elke nieuwe regering maakt veranderingen van de vorige weer ongedaan. Een referendumdemocratie zou meer rust brengen op dit punt. Door het brede, uitvoerige publieke debat kunnen wetten tot stand komen die beter doordacht zijn en een breed draagvlak hebben. Het feit dat we nu van crisis tot crisis strompelen zonder tijd voor publiek debat, komt deels door het gebrek aan democratie.

 

Kleine, goed georganiseerde of kapitaalkrachtige groepen zouden via het referendum hun slag kunnen slaan. De werkelijkheid is eerder andersom. Kleine, goed georganiseerde lobbies kunnen in een zuiver vertegenwoordigend stelsel veel gemakkelijker invloed uitoefenen dan in een directe democratie. Ze hoeven hiervoor slechts een handvol politici te overtuigen, onder druk te zetten of om te kopen. Dat kan heel goed via verborgen kanalen. In een directe democratie moeten ze de hele bevolking overtuigen, en plein public.

 

*Dit artikel is gebaseerd op het boek van Jos Verhulst en Arjen Nijeboer, Directe democratie: feiten, argumenten en ervaringen omtrent het referendum (Brussel: Democracy International, 2007). Gratis download op: http://www.referendumplatform.nl/533