Witte Werf december 2002

AfdrukkenVrij spreekrecht voor alle burgers
Quo vadis, Europa?
Marc Elchardus en de (directe) democratie
Frans van den Enden; de vergeten vader van het democratisch ideaal
De Politieke klasse tegen het volk: Amerikaanse ervaringen
Diverse berichten

VRIJ SPREEKRECHT VOOR ALLE BURGERS

Verhofstadt noemde de AEL een criminele organisatie. Abou Jahjah wou hem daarom vervolgen. Volgens kamervoorzitter De Croo kan dat niet: zowel strafrechterlijke, burgerlijke als tuchtrechterlijke vervolging zijn onmogelijk. “Dat betekent niet dat een parlementslid op welk ogenblik dan ook ongestraft om het even wat kan beweren. Het betekent wél dat hij of zij in het kader van de uitoefening van zijn of haar mandaat vrijuit moet kunnen spreken, in alle onafhankelijkheid en zonder enige vrees voor enige vorm van vervolging of sanctie” (De Morgen, 5 december 2002). Wat parlementsleden en ministers in de Kamer zeggen, is volledig beschermd. De terechte argumentatie luidt, dat de wetgevende macht onafhankelijk moet zijn van de rechterlijke macht.

De politieke klasse heeft voor zichzelf het recht op vrij spreken gereserveerd. Burgers zoals u en ik moeten niet “..kunnen spreken in alle onafhankelijkheid, en zonder vrees”. Nee, voor ons zijn afhankelijkheid en vrees gereserveerd. Wij worden geacht te krimpen van schrik, voor diegenen die veel geld hebben om vervolgingen in te leiden, voor inquisiteurs van het centrum Leman, voor iedereen met macht.

Wij leven niet in een democratie, maar in een particratie. Niets illustreert scherper de juistheid van deze stelling, dan de ongelijke verdeling van het vrije spreekrecht. Vrij spreekrecht voor onze politieke voogden, en een muilkorfregime voor het plebs: zo zit ons systeem in elkaar.
In een democratie is het volk de soeverein, en de soeverein spreekt vrijelijk en zonder vrees. In een democratie komt iedereen het recht op vrij spreken toe, dat in een particratie voor de toppolitici is gereserveerd. De Kamer geldt als het forum voor de parlementsleden, in hun hoedanigheid van wetgevende macht. Naar volstrekte analogie daarvan dient een net van vrije politiekmaatschappelijke forums te worden ingevoerd, waarop àlle burgers kunnen spreken “..in alle onafhankelijkheid, en zonder vrees”. Kranten moeten de mogelijkheid krijgen, om in hun bladzijden zo’n vrij maatschappelijk forum in te stellen. Gelijk welke burgergroep moet een vrij forum kunnen inrichten, op het internet of anderszins. Die politiekmaatschappelijke forums moeten zich als zodanig officieel kunnen laten registreren, zodat over hun statuut achteraf geen betwisting kan ontstaan. Hun enige verplichting moet zijn, dat zij zich duidelijk als vrij forum bekendmaken. De forums moeten zodanig zijn gestructureerd, dat zij voor burgers gemakkelijk mijdbaar, maar ook gemakkelijk toegankelijk zijn. Het vrije woord impliceert niet alleen het recht om vrij te spreken, maar ook het recht om vrij te mogen luisteren, en het recht om niet te moéten luisteren. Net zoals in de Kamer dienen de sprekers op een vrij forum individueel kenbaar, maar tevens om hun daar geuite mening onschendbaar te zijn te zijn.

Zonder zo’n vrij spreekrecht voor iedereen, is er geen democratie. In België is vrij spreekrecht gereserveerd voor toppolitici. België is dus geen democratie. En dat moet veranderen.




QUO VADIS, EUROPA?

In Trouw verscheen op 11 dec. (p.16) de volgende commentaar van Doeko Pinxt betreffende de weigering van het Nederlandse kabinet, om een referendum te houden over de uitbreiding van de EU. De Nederlandse regering vond de problematiek ‘te ingewikkeld’ voor de modale burger. Doeko Pinxt slaat de nagel op de kop:

“De reden [voor de weigering van het referendum] klinkt nogal schofterig. Met name als je bedenkt dat er volgende maand verkiezingen zijn en we wel geschikt geacht worden om over 'eenvoudige' onderwerpen zoals integratie, veiligheid, milieu, onderwijs en economie ons oordeel te vellen. Het zijn onderwerpen waar menig kabinet de afgelopen 20 jaar mee heeft geworsteld en nu nog steeds. Eenvoudig bekeken gaat de uitbreiding van de EU puur over de vraag of we bereid zijn onze welvaart te delen. Het stomste wat je als politicus kan doen is het volk voor dom houden, daarnaast getuigt het van weinig intelligentie”.

Als het over Europa gaat, worden de burgers doorgaans volstrekt onmondig gehouden. De politieke klasse plengt over deze stand van zaken af en toe een krokodillentraan, maar daar blijft het bij. Verhofstadt had het, in zijn laatste boekje (‘De vierde golf’) wel over de invoering van het referendum op volksinitiatief op federaal niveau, maar aan een Europees burgerreferendum schijnt hij nooit te hebben gedacht.

De Europese Unie stevent aan hoog tempo af op een statuut van ondoorzichtige superstaat, met een eigen censuurwetgeving en een eigen ideologie, maar zonder een greintje democratie. De nieuwe regels en wetten waaraan wij geacht worden ons te houden, zijn nu reeds voor het merendeel van het Europees niveau afkomstig. Bovendien komt de Europese regelgeving voor een aanzienlijk gedeelte reeds tot stand, niet via het unanimiteitsbeginsel, maar via gekwalificeerde meerderheden. Wanneer het verdrag van Nice van kracht wordt, zal dit voor twee op drie Europese besluiten het geval zijn. Dat betekent dat de volkssoevereiniteit reeds in zeer grote mate naar het Europees niveau werd overgeheveld. Aan de burgers, die in een democratie nochtans de dragers zijn van de soevereiniteit, werd nooit enig akkoord gevraagd.

De staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten hebben in Laken, bij de afronding van het Belgisch voorzitterschap van de EU (15 december 2001), een ‘Europese Conventie’ gelanceerd, die over de toekomst van Europa moet nadenken en voorstellen moet formuleren. Deze Conventie, die onder leiding van Valéry Giscard d'Estaing (voorzitter), Giuliano Amato en JeanLuc Dehaene (vicevoorzitters) maandelijks plenair bijeenkomt, moet tegen eind 2003 een document afscheiden, waarin ondermeer voorstellen betreffende democratisering van de Unie moeten opgenomen zijn. Dat document zal dan als basis dienen voor de werkzaamheden op een nieuwe bijeenkomst van staatshoofden en regeringsleiders, die op grond van het document van de Conventie besluiten zullen treffen.

Twee maatregelen zijn dringend nodig.

Ten eerste moeten in het document eindelijk directdemocratische rechten voor de Europese burgers zijn opgenomen. Momenteel worden de burgers door Europa als een soort vee behandeld, dat met listen en lagen in de gewenste richting wordt gemanoeuvreerd. JeanClaude Juncker, eerste minister van Luxemburg, karakteriseerde de besluitvorming op de EUregeringsconferenties als volgt: "Wij nemen een besluit, maken het openbaar en wachten een tijdje op eventuele reacties. Wanneer we dan geen geschreeuw horen en geen protest wordt vernomen, omdat de meeste mensen de draagwijdte van het besluit helemaal niet doorzien, dan gaan we weer verder stapje voor stapje, tot de terugweg is afgesneden" ( Der Spiegel, 52/ 1999, p.136). De referenda op volksinitiatief moeten, voor de EU als geheel, over alle onderwerpen kunnen handelen waarvoor de EU bevoegd is, zonder uitzondering. Bovendien moet aan de bevolking van iedere lidstaat afzonderlijk het principieel recht op de exitoptie gelaten worden: een lidstaat moet dus uit de EU kunnen treden indien een meerderheid van de bevolking in die lidstaat dat wenst.

Ten tweede moeten, liefst op dezelfde dag, referenda over de Conventietekst worden gehouden, in alle lidstaten afzonderlijk. Die referenda moeten een bindend karakter hebben en gebundeld worden volgens de unanimiteitsregel: indien in één lidstaat de bevolking de Conventietekst verwerpt, dan is die tekst niet goedgekeurd. Het gaat immers over een Europese verdragswijziging, en daarvoor geldt de unanimiteitsregel. De Europese Groenen vragen een Europees referendum over de Europese constitutie, die enkel zou aangenomen worden indien in heel de EU een meerderheid van 50% wordt gehaald, en bovendien een meerderheid in 75% van de staten. De Groenen verzetten zich ook tegen de exitoptie (Belga, 20 dec. 2002). Hoewel de Groenen zich veel democratischer opstellen dan de andere Europese parlementsfracties, is ook hun standpunt uit democratisch oogpunt nog deficitair. De Eurobarometerpeilingen leren, dat in alle lidstaten een meerderheid van de bevolking vasthoudt aan het principe van nationale soevereiniteit, wat op Europees niveau wordt uitgedrukt door het vetorecht voor iedere afzonderlijke lidstaat. In België is 45% van de bevolking voor het behoud van het vetorecht, terwijl 33% dit vetorecht wil opgeven. In alle andere EUlidstaten is de steun voor het behoud van het vetorecht nog sterker (De Standaard, 221002). Zeker als het over zo’n belangrijke zaak als de Europese Grondwet gaat, moet dus het principe van het vetorecht gehandhaafd blijven.

Deze referenda worden best gekoppeld aan de Europese verkiezingen in 2004.

Verder spreekt het vanzelf dat ook de uitbreiding van de Europese Unie op consequente wijze langs directdemocratische weg moet goedgekeurd worden. De uitbreiding met tien nieuwe lidstaten verloopt uit democratisch oogpunt op een absurde manier. In de toetredende staten wordt meestal een referendum over de kwestie gehouden, terwijl de huidige lidstaten aan hun bevolking het zwijgen opleggen. Het is alsof een huwelijk wordt gesloten, waarbij van slechts één van beide partners een jawoord wordt verlangd. Dat zo’n referendum in de lidstaten geen formaliteit zou zijn, blijkt uit de Eurobarometerpeiling, die in Frankrijk 47% tegenstanders (tegen 40% voorstanders) van de uitbreiding aangeeft (in België is 51% pro uitbreiding, 32% tegen; in de EU als geheel is 50% pro, en 30% contra). Bijzonder acuut wordt over enkele jaren de kwestie van de toetreding van Turkije. Ten voordele van deze toetreding wordt, om geostrategische redenen, zware druk uitgeoefend door de USA. Tenzij directe democratie wordt ingevoerd op Europees niveau, zal de Amerikaanse regering betreffende deze kwestie meer invloed kunnen uitoefenen, dan de Europese burgers zelf. Van democratisch deficit gesproken...
www.europeanreferendum.org
http://europeanconvention.eu.int/organisation. asp?lang=NL
http://europa.eu.int/comm/public_opinion/



MARC ELCHARDUS EN DE (DIRECTE) DEMOCRATIE


Mark Elchardus en Wendy Smits (2002) “Anatomie en Oorzaken van het Wantrouwen” Brussel: VUB Press

Mark Elchardus (2002) “De Dramademocratie” Tielt: Lannoo

VUBsocioloog Mark Elchardus, nogal eens uitgeroepen tot huisideoloog van de socialisten, heeft al enkele jaren belangwekkende onderzoeksresultaten over het maatschappelijk vertrouwen (of wantrouwen) gepubliceerd. In ‘Anatomie en Oorzaken van het Wantrouwen’ wordt de oogst van jaren inspanningen bijeengebracht. Dat is des te interessanter, daar Elchardus meent een voorlopig bevredigende verklaring te hebben gevonden voor het fenomeen van het toenemend maatschappelijk wantrouwen (p.9). Waarover gaat het precies? Uit tal van peilingen, gehouden op nationaal of Europees niveau, blijkt dat de burgers erg weinig vertrouwen hebben in de ‘instellingen’. Helemaal onderaan bengelen de politieke partijen, die in ons land op het vertrouwen van minder dan 10% van de bevolking kunnen rekenen. Gerecht (16%), regering (16,3%) en parlement (16,8%) worden in ons land door slechts kleine minderheden vertrouwd. Het meest vertrouwen hebben wetenschap, onderwijs, en artsen, die krediet krijgen van ongeveer 7 op 10 Belgische burgers (p.16). Elchardus trekt die conclusie niet, maar het eerste besluit uit deze cijfers is natuurlijk, dat België onmogelijk een democratie kan worden genoemd: de grote meerderheid van de burgers is van oordeel, dat hun zogenaamde ‘vertegenwoordigers’ hen niet op betrouwbare wijze vertegenwoordigen. Voor het gerecht trekken Elchardus en Smits de conclusie wel: “Het vertrouwen in het gerecht is zo laag, dat we gerechtigheid voortaan moeten beschouwen als een bedreigde waarde. Gerechtigheid is een verzuchting geworden die geen instelling meer heeft om zich te verwezenlijken” (p.21). Of nog: “De laatste vijf jaar is een meerderheid van de bevolking van oordeel dat de politie hen niet meer tegen criminelen kan beschermen. Dat is zonder meer een dramatisch gegeven. Het betekent dat de overheid in de ogen van een meerderheid van de bevolking haar eerste en belangrijkste opdracht niet meer aankan” (p.102). Het geloof in de rechtstaat is weg.

Nadere analyse van de gegevens leert ons enkele fundamentele zaken over dit maatschappelijk vertrouwen. Ten eerste: dit maatschappelijk vertrouwen betreft één, niet verder opdeelbaar aspect van de sociale werkelijkheid. De gegevens laten niet toe om een onderscheid te maken tussen bijvoorbeeld wantrouwen tegenover economische instellingen, en wantrouwen tegenover politieke instellingen (p.26). Het lage maatschappelijke vertrouwen wordt wel het best weerspiegeld in de houding van de burgers tegenover parlement, regering en politieke partijen (p.26). Andere belangrijke bevinding: maatschappelijk vertrouwen (in de instellingen) moet worden onderscheiden van sociaal vertrouwen (in individuen). “Het vertrouwen in de instellingen beschouwen we (...) best als een ééndimensioneel gegeven dat zich duidelijk onderscheidt van het sociaal vertrouwen” (p.31).

België neemt terzake in Europees verband een unieke positie in. Nergens is het maatschappelijk vertrouwen de afgelopen twintig jaar meer gedaald dan in ons land, en nergens ligt het lager (p.32).

Democratie volgens Smits en Elchardus

Elchardus en Smits gaan uit van de fictie, dat België in een of andere zin een reële democratie is. Het wantrouwen van de meeste burgers tegenover de ‘democratische instellingen’ interpreteren ze als een afwijzing van de democratie: “Op de kerk na vervullen de acht instellingen die het minste vertrouwen genieten, allemaal belangrijke democratische functies: vertegenwoordiging (partijen, regering, parlement, vakbonden), belangenbehartiging (partijen, vakbonden, pers) en de taken van de rechtstaat (advocatuur en gerecht). In feite worden alle instellingen die belangrijk zijn voor het functioneren van een democratische rechtstaat sterk gewantrouwd. De instellingen die het meeste vertrouwen genieten roepen daarentegen het beeld op van een maatschappelijke orde die vooral steunt op centraal en professioneel gezag: wetenschap, onderwijs, artsen, ziekenhuizen en de koning. De rangorde van het vertrouwen verraadt met andere woorden een duidelijke hang naar gezag dat, bekeken vanuit het standpunt van de burger ontegensprekelijk is” (p.41).

Het is ontegensprekelijk een belangwekkende vaststelling: de instellingen die het meest worden geïdentificeerd met de ‘vertegenwoordigende democratie’ worden het minst vertrouwd. Partijen, regering en parlement zijn er het belabberst aan toe, en de vakbonden en de pers instellingen die nauw met het politieke machtscentrum zijn verweven zijn er met ongeveer 20% vertrouwen niet veel beter aan toe. Elchardus en Smits schrijven dit toe aan een ‘hang naar gezag’. Maar er zijn andere interpretaties mogelijk. De evidente conclusie uit de gepresenteerde cijfers lijkt te zijn, dat de mensen wantrouwen wat onecht is.

Een leraar, een dokter of zelfs een koning, zijn in grote lijnen ook daadwerkelijk wat ze pretenderen te zijn. Wellicht krijgen zij relatief veel vertrouwen, omdat hun feitelijke activiteiten in grote lijnen overeenkomen met wat zij zeggen te doen (respectievelijk onderwijzen, genezen, en af en toe een moraliserende toespraak afscheiden).

Wat Elchardus en Smits met de naam ‘vertegenwoordigende democratie’ aanduiden, is daarentegen structureel leugenachtig. De parlementsleden vertegenwoordigen de kiezers niet, noch structureel noch feitelijk. Zij vertegenwoordigen de kiezers niet structureel, omdat het mandaat dat zij zogezegd van de kiezer kregen, de facto een afgedwongen pseudomandaat is. Een écht mandaat wordt in vrijheid gegeven, wat inhoudt dat de mandaatgever de vrijheid heeft om eventueel geen mandaat te geven, maar zelf te handelen of te beslissen. In de zogezegde ‘parlementaire democratie’ moéten de kiezers ‘mandateren’; zij mogen niet rechtstreeks beslissen. Het zogezegde mandaat waarmee de parlementairen hun macht uitoefenen wordt door dwang aan de kiezers ontwrongen. En feitelijk vertegenwoordigen parlementsleden niet de kiezers, maar hun partijleidingen (en via die leidingen, de maatschappelijke ‘elite’).

De evidente nulhypothese zou voor Elchardus en Smits moeten zijn, dat de burgers de instellingen van de ‘vertegenwoordigende democratie’ wantrouwen, omdat die instellingen wegens structurele leugenachtigheid dat wantrouwen verdienen. De mens is geneigd om wantrouwen aan de dag te leggen wanneer hij bedrog vermoedt. Elchardus en Smits zouden dus de vraag moeten beantwoorden: bedriegen de ‘vertegenwoordigende instellingen’ de kiezer? Vertegenwoordigen zij de burgers, of vertegenwoordigen zij enkel de maatschappelijke elite? Indien dit laatste het geval is, lijkt het ook normaal dat de minst begoede en minst geschoolde kiezers het meeste wantrouwen aan de dag leggen. Het zijn inderdaad deze burgers die door de elite het meest worden misprezen en geviseerd. Moet men niet beginnen met na te gaan, of onbehagen objectieve oorzaken heeft? Neem bijvoorbeeld de criminaliteit. Toen Wathelet in 1988 minister van justitie werd, waren er in België 6.222 gedetineerden. Toen Verwilghen op 15 maart 2002 , op vraag van Vlaams Blokparlementslid Guido Tastenhoye cijfers bekendmaakte over de nationaliteit van de gedetineerden, bleek hun aantal reeds gestegen tot 9098 : een toename van 46% op nog geen 15 jaar. Wanneer je naar de nationaliteiten kijkt, zie je dat de Marokkanen met 1066 gedetineerden de kroon spannen. Een land als Algerije, waarmee België op het eerste gezicht geen speciale banden heeft, levert 221 gedetineerden (vergelijk: buurland Nederland levert 133 gedetineerden, Frankrijk 253, Duitsland 29). Zeker oudere mensen hebben tijdens hun leven een explosie meegemaakt van de criminaliteit. Men kan wel degelijk nagaan of het onbehagen, en met name het onveiligheidsgevoel, objectieve oorzaken heeft. Het is ook normaal dat dit onbehagen zich vooral in de lagere sociale klassen verspreidt: die mensen hebben minder opties om zich te beschermen, en de gevolgen van een misdaad als bv. een beroving zullen voor hen verhoudingsgewijs zwaarder doorwegen.

Elchardus en Smits gaan niet in op dit soort zakelijke vraagstelling. Zij nemen daarentegen het onthutsende besluit, om a priori iedere verklaring voor het wantrouwen uit te sluiten, die op de prestaties van de instellingen is gebaseerd (p.42). Zij voeren hiervoor drie redenen aan: (1) er zijn geen objectieve gegevens om die prestaties in te schatten; (2) subjectieve evaluaties van genoemde prestaties verhelderen niets, omdat zij juist het te verklaren wantrouwen weergeven; (3) de prestaties van de instellingen kunnen niet afdoende worden geëvalueerd, ze vereisen juist vertrouwen (p.42). De logica achter deze houding is min of meer te vergelijken met die van de dronkelap, die zijn verloren huissleutel alleen maar onder de straatlantaarn zoekt, omdat daar alleen voldoende licht brandt. Maar je kan de sleutel natuurlijk niet verbieden om in de duisternis te liggen, en je kan de verklaring voor het wantrouwen niet beletten om wel degelijk in de objectieve sfeer te liggen.

Elchardus en Smits laten dus de objectieve prestaties van de ‘vertegenwoordigende democratie’ voor wat ze zijn, en gaan het hart van de burger bekloppen op zoek naar zielskundige oorzaken. Hun verklaringsmodel (p.44) zit in grote lijnen als volgt in elkaar: het wantrouwen wordt in eerste instantie voortgebracht door het gevoel van onbehagen, dat zich bij de burgers heeft genesteld. Dit onbehagen wordt gemeten, door via bevraging het veiligheidsgevoel en het vertrouwen in de toekomst van de burgers te peilen. Mensen die zich minder veilig achten, ontwikkelen een gevoel van onbehagen en gaan de ‘democratische instellingen’ wantrouwen. Het onbehagen wordt op zijn beurt in de hand gewerkt door veroudering (mensen op leeftijd voelen zich minder behaaglijk) en ontkerkelijking (mensen met een christelijke of katholieke overtuiging hebben substantieel meer vertrouwen in de instellingen). Een hogere scholingsgraad, betere geïnformeerdheid of een intensere participatie aan het verenigingsleven zijn factoren die het onbehagen verlagen. “De wantrouwige burger is gemiddeld een minder geëngageerde, minder geïnteresseerde, daarom waarschijnlijk ook minder goed geïnformeerde burger. Hogere scholing leidt niet rechtstreeks tot een meer kritische opstelling die wantrouwig maakt; lage scholing gaat wel gepaard met onbehagen en dat leidt tot wantrouwen” (p.55). Merkwaardig genoeg hebben de sociaaleconomische positie (inkomen) of de ervaring van werkloosheid en armoede geen invloed op onbehagen en vertrouwen (p.53).Een belangrijk argument dat Elchardus en Smits aandragen om het gevoel van onbehagen te subjectiveren luidt dan ook: “In het algemeen dragen de theorieën die het wantrouwen beschouwen als een rationeel antwoord op ervaren deprivatie niet veel bij tot de verklaring van het wantrouwen” (p.57). Maar de mens is een maatschappelijk wezen. Een gevoel van onveiligheid hoeft helemaal niet veroorzaakt te worden door persoonlijke ervaringen. Het volstaat dat men de onveiligheid en de misdrijven rondom zich ziet toenemen. Hetzelfde geldt voor gebrek aan vertrouwen in de toekomst: men kan via waarneming van zijn omgeving best objectieve gronden hebben voor zo’n afgenomen vertrouwen, ook wanneer men individueel geen werkloosheid of armoede heeft ervaren.

Elchardus en Smits hebben ook gepeild naar de steun die bestaat voor wat zij de ‘democratische rechten’ noemen. Die steun is praktisch universeel. De stelling “Iedereen moet het recht hebben haar/ zijn mening te zeggen, ook al heeft de meerderheid een andere mening” wordt door 97,2% (versus 1,7%) van de Vlamingen onderschreven; “Iedereen heeft recht op een eerlijk proces” wordt door 97,8% (versus 1,2%) goedgekeurd; “verdraagzaamheid is voor mij een belangrijke waarde binnen onze samenleving” krijgt de steun van 97,2% (versus 1,1%) (p.83). De ‘verzuurde burgers’ wijzen dus helemaal niet de grondrechten af. Daarentegen wijzen de meeste burgers wel de bewering af, dat wij in een democratie zouden leven. “De politieke partijen zijn alleen maar geïnteresseerd in mijn stem en niet in mijn mening” wordt door 72,1 % (versus 11%) van de Vlamingen onderschreven; “De meeste politici beloven veel, maar doen niets” draagt de goedkeuring weg van 73,9 (versus 9,1%) van de bevolking (p.86). Bij de bevolking leeft een tamelijk sterk ressentiment tegen ‘politiek’ (p.8485). Zo is 49,5% (versus 34,2%) van de ondervraagden het eens met de uitspraak: “Ik heb de politiek niet nodig”. “Men moet de politiek gewoon afschaffen, en het land laten besturen door wijze mensen” krijgt het akkoord van 31,4% (versus 47,8%). Elchardus en Smits interpreteren dit soort resultaten als “het verwerpen van de democratie” (p.84), terwijl het veeleer gaat om het verwerpen van de particratie. ‘Politiek’ is op de keper beschouwd een zeer afgeleid begrip, dat in verschillende opzichten helemaal geen synoniem, maar juist een antoniem is voor ‘democratie’. Beschouw bijvoorbeeld het bij uitstek politiek fenomeen van de coalitievorming, waarbij bepaalde partijen een ‘meerderheidscoalitie’ vormen en daarbij een ‘oppositie’ uitsluiten. Dit is een bij uitstek politiek fenomeen, maar het is volstrekt ondemocratisch. De opsplitsing van de verkozenen in een ‘meerderheid’ en een ‘oppositie’ betekent, dat de politieke impact van de oppositiekiezers eenzijdig wordt vernietigd (of minstens drastisch wordt verkleind) zonder dat hiervoor enige democratische legitimatie voorhanden is. Democratisch zou een ‘Konkordanz’bestuur zijn, zoals bijvoorbeeld in Zwitserland gebruikelijk is. Om een zuivere vraagstelling te krijgen, die de democratische gezindheid van de burgers correct weergeeft, hadden Elchardus en Smits hun vragenbatterij in twee opzichten moeten veranderen. Enerzijds hadden zij moeten peilen naar de steun voor directe democratie, met name voor het bindend referendum op volksinitiatief. Zo’n vraag zou bij uitstek geschikt zijn om de steun voor het beginsel van de volkssoevereiniteit in kaart te brengen (waar het in een authentieke democratie tenslotte om draait). En anderzijds hadden zij in hun vragen de begrippen ‘politiek’ en ‘democratie’ veel scherper moeten scheiden. Een vraag als “Laat het land besturen door experts en specialisten, niet door politici” (35,6% pro, 37,6% contra) is bijvoorbeeld dubbelzinnig. Mensen die het begrip ‘politicus’ opvatten als ‘verkozene’, zullen aan die vraag een andere inhoud geven als mensen die een ‘politicus’ in eerste instantie zien als een ‘vertegenwoordiger van de particratie’.

Vertrouwen en ontkerkelijking

Er valt dus zeker kritiek te leveren op Elchardus en Smits, in de zin dat zij te weinig moeite doen om de objectieve gronden voor onbehagen na te gaan, en te snel steun voor ‘de politiek’ gelijkstellen met democratische gezindheid. Maar dat betekent niet dat hun observaties geen belangrijke, ja essentiële informatie bevatten. Met name levert hun onderzoek heel wat aanwijzingen op betreffende de relevantie van het mensbeeld voor het maatschappelijk vertrouwen.

Zoals gezegd correleert de christelijke levensbeschouwing zeer sterk met maatschappelijk vertrouwen: “Het vertrouwen is het grootst bij de praktiserende katholieken en christenen, gevolgd door de vrijzinnigen en de ongelovigen. Het vertrouwen is het laagst bij de onverschilligen en de aanhangers van een individuele religie. Levensbeschouwelijk engagement draagt dus sterk bij tot vertrouwen. De grote kloof bevindt zich tussen de katholieken en christenen enerzijds, en de andere groepen anderzijds (...) De ontkerkelijking, de achteruitgang van het geloof, de toename van de levensbeschouwelijke onverschilligheid en van de individuele religies, moeten we beschouwen als belangrijke oorzaken van het toenemend maatschappelijk wantrouwen” (p.6061).

Het is mogelijk dat het grotere vertrouwen van christelijke gelovigen voortspruit uit een gemakkelijkere aanvaarding van ongelegitimeerd gezag. In dat geval zou kerkelijkheid gewoon selecteren op gezagsvriendelijkheid: mensen die gemakkelijker een machthebber vertrouwen, hebben in die hypothese gewoon een grotere kans om kerkelijk te worden of te blijven. Maar het is goed mogelijk dat de verklaring, minstens ten dele, schuilt in het feit dat kerkelijke of gelovige mensen een spiritueel mensbeeld hanteren, dat meer basis biedt voor het verlenen van vertrouwen. Een min of meer vergelijkbare overweging geldt voor de impact van de media. Populaire media (in Vlaanderen is VTM daarvan het prototype) correleren met wantrouwen: “Wie de populaire media verkiest, stelt zich a priori niet wantrouwig op (er is geen rechtstreeks effect van mediavoorkeur op wantrouwen). Mensen met die mediavoorkeur voelen zich wel behoorlijk onbehaaglijk en/of breken met democratische opvattingen en dat vertaalt zich in wantrouwen. Bijgevolg is het waarschijnlijk dat de opkomst van de massamedia, en vooral de commercialisering van de televisie, een belangrijke oorzaak is geweest van de daling van het maatschappelijk vertrouwen in de westerse landen” (p.68). “Een groot deel van de bezorgdheid over de effecten van de media, vooral in de Amerikaanse literatuur, heeft niet zozeer te maken met de hoeveelheid tijd die men aan tvkijken besteedt, maar met de (cynische) inhoud van het politieke nieuws en met de beelden en opvattingen die in het nieuws, het infotainment en andere programma’s aan bod komen. Gevoelens van onbehagen en wantrouwen worden dan toegeschreven aan de specifieke kijk op de wereld die in bepaalde media toonaangevend is (...) en aan de tendens om complexe vragen te herleiden tot zwartwittegenstellingen”.
(p.66)

De kern van de problematiek is vermoedelijk de impact van het materialistische mensbeeld op het maatschappelijk wantrouwen. De maatschappelijke elite hanteert een ‘wetenschappelijk’ mensbeeld waarin de mens wordt gezien als een intelligent dier, een toevallig product van de evolutie, behept met sociale maar vooral ook antisociale instincten, en daarom intrinsiek gevaarlijk. Het onderscheid tussen goed en kwaad is in zo’n mensbeeld ten gronde illusoir: als ‘goed’ geldt gewoon wat de meerderheid of de machtigen als memetische normen weten op te leggen. De populaire media verspreiden grotendeels zo’n materialistisch mens en maatschappijbeeld. Het democratisch ideaal impliceert daarentegen (zoals alle maatschappelijke idealen) dat er een objectief onderscheid is tussen goed en kwaad, en dat het moreel bewustzijn van de individuele mens de plaats is waar dit onderscheid zich kan manifesteren. Wie consequent een materialistisch mensbeeld hanteert, kan geen idealen koesteren. Het menselijk bewustzijn is immers reflexief, en het individuele menselijk denken is één: je kan niet tegelijk een moreel of maatschappelijk ideaal koesteren en tevens de opvatting huldigen, dat alle idealen illusies zijn, en dat ieder moreel streven alleen maar het gevolg is van een meme, die zich succesvol in je hoofd heeft genesteld. Media die materialisme (en het daarbij aansluitend hedonisme) propageren geven de mensen minder aangrijpingspunten om tot goede en sociaal produktieve burgers uit te groeien.

Particratie en democratie

In ‘De dramademocratie’ (DD) stelt Elchardus dan toch dat wij niet leven in een vertegenwoordigende democratie: “Het is in feite niet langer juist om ons regime te omschrijven als een ‘vertegenwoordigende democratie’. Het is een politiek systeem waarin grote macht uitgaat van een door de media gedragen voorstelling en waar legitimiteit wordt ontleend aan de wijze waarop personen, groepen en organisaties in die mediavoorstelling verschijnen. In de vertegenwoordigende democratie vertegenwoordigt het parlement het volk. Nagenoeg iedereen is het erover eens dat het parlement vandaag nog slechts een geringe politieke rol speelt” (DD, p.70). Volgens hem heeft zo’n vertegenwoordigende democratie dus ooit wel bestaan. In werkelijkheid is de ‘vertegenwoordigende democratie’ zoals wij die nu kennen, een uitvinding van de maatschappelijke elite waarmee een reeds ontloken democratisch streven op een zijspoor werd gezet. In België werd het huidige systeem gelanceerd na de eerste wereldoorlog, door koning Albert I en enkele toppolitici (‘coup van Loppem’). Het parlementaire systeem met enkelvoudig stemrecht maakte deel uit van een pakket ‘toegevingen’ aan de arbeidersbeweging (zoals de 48urendag en de erkenning van het stakingsrecht), gedaan met het oog op de revolutionaire toestand in Midden en OostEuropa. Maar de socialistische leiding betaalde ook een essentieel entréegeld voor haar toetrede tot het Belgische bovenbazensysteem: zij gaven definitief het democratisch ideaal op, dat bij hun stichting in artikel 1 van hun statuten was opgenomen: de invoering van de democratie, dit wil zeggen algemeen enkelvoudig stemrecht plùs het referendum op volksinitiatief. Voortaan zouden de socialisten hun achterban voorhouden dat het Belgisch systeem van afgedwongen nepmandaten een ‘democratie’ was, en in die houding hebben ze tot op heden volhard.

Elchardus doet spijtig genoeg mee aan die maskerade. Hij gaat zelfs zover om de propagandaterminologie van de politieke partijen over te nemen, die zichzelf ‘democratische partijen’ noemen (bij wijze van kontrast met het als ‘ondemocratisch’ beschouwde Vlaams Blok p.128). De kiezers van het Vlaams Blok plaatsen zichzelf volgens hem ‘buiten de democratische basiswaarden’ (p.129) en, wat de opvattingen betreft, maakt zelfs een kwart van de bevolking zich daaraan schuldig. Zoals gezegd komt Elchardus tot die conclusie, door onvoldoende onderscheid te maken tussen de begrippen ‘politiek’ en ‘democratie’. Maar Elchardus verdient lof, omdat hij tenminste de moed heeft om een voorzichtig pleidooi te houden pro referendum, omdat hij vindt dat de volksoevereiniteit ernstig is ondermijnd en dat directe democratie tot het herstel van die soevereiniteit kan bijdragen. Hij legt aan de invoering van de directe democratie evenwel een aantal beperkingen op.

Elchardus bepleit vooreerst een financiële controle: “Eén manier om de volksoevereiniteit in de symbolische samenleving wat kansen te geven, is het controleren van de financiële middelen die worden ingezet voor de propaganda rond de pro en contrastandpunten van een referendum. Eigenlijk dient hier voor het referendum te worden gezocht naar het equivalent van de wet op de partijfinanciering” (DD, p.133). Daarnaast blijft nog altijd het probleem bestaan van de mediaaandacht: “De grote invloed van de media realiseert zich immers niet via de expliciete propaganda, maar via de mate waarin zij via nieuws, infotainment en ontspanning een toon en een stemming zetten. De bijdrage die het referendum kan leveren tot het herstel van de volkssoevereiniteit blijft daarom afhankelijk van de mate waarin de mediaaandacht voor de pro en contraposities evenwichtig kan worden gemaakt. Het middel om dat te doen de controle over de media is echter niet aanwezig” (p.133). De rol van de media op de afloop van het referendum is reëel, maar dient anderzijds ook niet te worden verabsoluteerd. Vooral bij pogingen om een volksvoorstel te kelderen kan propaganda en toonzetting belangrijk zijn. Een fundamentele maatregel, voorgesteld door Garrett en Gerber, zou reeds de bekendmaking zijn van de financieringsbronnen voor iedere pro en contracampagne. Op termijn dient men in een rijpe democratie te evolueren naar een situatie, waarbij het maatschappelijk debat zich in wezen afspeelt op een publiek forum, waar men de microfoon krijgt op basis van het bewezen maatschappelijke draagvlak van een voorstel. Wie bijvoorbeeld handtekeningen verzameld heeft voor een voorstel, kan op dit forum podiumtijd verkrijgen. Dat maatschappelijk forum dient te worden beschouwd als een uitbreiding van het parlement, een plaats waarop iedereen op een volstrekt vrije manier alles mag zeggen, hoe ‘schokkend’ of ‘beledigend’ dit ook door anderen kan worden gevonden.


Opkomstplicht?

Het voorstel van Elchardus, om aan het bindend referendum een opkomstplicht te koppelen, is ondoordacht. Zijn argument luidt als volgt: “De nietparticiperende burgers kunnen afwijken van een toevallige verzameling burgers, met het gevolg dat een welbepaald deel van de bevolking systematisch van de besluitvorming is uitgesloten. Als dat gebeurt, is het risico zeer groot dat de opinies, opvattingen en wensen van de burger sterk vertekend worden weergegeven. Op basis van een aantal simulaties die gebruik maken van de gegevens van het verkiezingsonderzoek van 1991, komt men voor Vlaanderen tot het besluit dat vooral de laaggeschoolden zouden uitgesloten worden van participatie. Het afschaffen van de opkomstplicht zou betekenen dat men hooggeschoolden haast twee keer meer een stem geeft dan laaggeschoolden. Het zijn dergelijke vaststellingen die de politicoloog Lijphart (‘Unequal participation. Democracy’s unresolved dilemma’ American Politicial Science review 9(1), p.114; 1997) laten zeggen dat de afwezigheid of het afschaffen van de opkomstplicht een sluikse manier is om het meervoudig stemrecht weer in te voeren” (p.136137).
Het is echter pervers, om vrijwillige abstinentie gelijk te stellen met ‘uitsluiting’. De Belgische wetgeving uit de periode 18931919, waarbij sommige mannen drie stemmen kregen en andere slechts één, was wettelijk opgelegd. Indien je arm en ongeschoold was, had je simpelweg slechts recht op één stem. In een systeem met gelijk stemrecht zonder opkomstplicht, wordt niemand uitgesloten, noch de iure noch de facto. Indien je thuisblijft, is dat jouw eigen keuze. Iedere democratie berust op het uitgangspunt, dat de burgers soevereine individuen zijn begiftigd met verstand, oordeelsvermogen en vrije wil. Wie zegt dat afwezigheid van opkomstplicht op ‘uitsluiting’ neerkomt, wijst eigenlijk dit uitgangspunt af. Het is natuurlijk redelijk om te eisen, dat de stemming moet plaatsvinden onder omstandigheden, die iedereen toelaten om deel te nemen. De eis om de stemming op zondag te laten plaatsvinden, is daar een voorbeeld van. Op dezelfde manier kan men eisen, dat personen die minder goed ter been zijn recht hebben op transport tussen woonplaats en stemlokaal. Maar de eis tot opkomstplicht heeft een fundamenteel ander karakter. Stemmen is een heel bijzonder soort activiteit. Via de stemming drukt de burger rechtstreeks een moreel oordeel uit. Dat kan alleen in vrijheid. Wie iemand wil dwingen tot moraliteit, snijdt daardoor juist de weg tot moreel handelen af: vrijheid is de bestaansvoorwaarde voor moraliteit. Bovendien ontzegt men aan de burger, door opkomstplicht aan het referendum te verbinden, het recht om te mandateren aan zijn stemmende medeburgers, terwijl zo’n mandatering in heel wat gevallen juist de beste morele keuze kan zijn (zie verder).

Volgens Elchardus levert een referendum zonder opkomstplicht geen representatief resultaat op. Ten bewijze haalt hij Zwitsers onderzoek aan, waaruit blijkt dat de uitslag van peilingen en van referenda gemiddeld negen procentpunten afwijkt: “Indien de peilingen correct zijn, betekent dit dat een meerderheid van 58% op het referendum eigenlijk een minderheidsopinie kan zijn of dat een minderheid van 42% eigenlijk een meerderheid kan zijn. De kans op vertekening is dus bij een lage opkomst wel bijzonder groot” (p.136). Men kan zich vooreerst afvragen, waarom Elchardus die peilingen dan zo onfeilbaar vindt. Bij de verkiezingen in 1994 voorspelden peilingen een monsterscore tegen de 30% voor de VLD. In Antwerpen hingen affiches waarop VLDkandidaat Leo Delwaide, op basis van die peilingen, werd aangemeld als de toekomstige burgemeester van Antwerpen. In werkelijkheid kwam de VLD uit op zowat driekwart van de voorspelde score. Het gebeurt vaak, dat peilingen resultaten opleveren die sterk afwijken van de resultaten van een geheime stemming. Peilingen kunnen dus zeker niet dienen als objectieve maatstaf, om daaraan de ‘representativiteit’ van een geheime stemming af te meten. Maar meer ten gronde dient men op te merken, dat het vertegenwoordigingsprincipe bij een volksreferendum net zo goed geldt als bij parlementaire besluitvorming. Elchardus zou, om consequent te zijn, ook de vraag moeten stellen naar de representativiteit bij parlementaire besluitvorming. Kunnen alle in het parlement goedgekeurde wetten rekenen op een meerderheid bij de bevolking? De vraag stellen is ze beantwoorden: nee dus. De meerderheid bij een gemandateerde groep kan afwijken van de meerderheid bij de globale bevolking. Ook bij directdemocratische besluitvorming is er sprake van mandatering. Bij een volksreferendum neemt de burger twee besluiten. Het eerste besluit betreft precies deze mandatering: door te gaan stemmen verkiest de burger zichzelf als mandataris in het ad hoc parlement, dat beslist over de vraag die ter stemming voorligt. Blijft de burger thuis, dan geeft hij daardoor een mandaat aan de burgers die wél gaan stemmen. Wie aan de stemming deelneemt, neemt dan door die stemming het tweede besluit, over het onderwerp zelf. Het verschil tussen vertegenwoordigende en directe besluitvorming is minder groot dan meestal wordt aangenomen. Bij de vertegenwoordigende besluitvorming zijn de verkiezing van de gemandateerde groep en het daarop volgend wetgevend werk door die groep in de tijd sterker gescheiden; maar fundamenteel is het onderscheid overigens niet. Het belangrijkste verschil is, dat bij directdemocratische besluitvorming de individuele burger zelf beslist of hij gemandateerd wordt of niet, terwijl bij representatieve besluitvorming de kandidaatmandataris voor de verwerving van het mandaat ook afhankelijk is van de anderen. Representatieve besluitvorming omvat dus noodgedwongen een element van uitsluiting (er zijn nu eenmaal meer kandidaatmandatarissen dan te begeven mandaten) dat niet optreedt bij directe besluitvorming, en dat is ook de reden waarom directe besluitvorming in democratisch opzicht superieur is aan indirecte besluitvorming.

Plaatselijke democratie

Elchardus houdt een sterk pleidooi voor lokale directe democratie, maar ook dit pleidooi is weer verbonden met een antidemocratische stellingname: namelijk dat op ‘hogere’ bestuursniveaus de directe democratie ‘niet meteen’ moet worden ingevoerd: “We moeten streven naar regels die de uitdrukking van de volkswil zo onafhankelijk mogelijk maakt van de invloed van de media. Dat kan door de directe democratie te betrekken op kleine eenheden, zoals de wijk en de buurt, waar burgers zich persoonlijk, zonder de tussenkomst van media, op basis van hun eigen ervaring, een oordeel kunnen vormen. Vandaar het pleidooi om wijkreferenda te houden en, veel verdergaand nog, de burgers effectieve controle te geven over en een budget voor een aantal aspecten van de inrichting en het gebruik van hun onmiddellijke woonomgeving. Vandaar ook het voorstel om het bindende referendum op volksinitiatief op federaal, gemeenschaps of gewestniveau niet meteen in te voeren, maar ervaring op te doen met grondwettelijke referenda en referenda over de ratificatie van verdragen die de soevereiniteit beperken. Op die manier laat men de directe democratie gewichtige beslissingen nemen, met minder kans op demagogie” (DD, p.153). Elchardus vindt dat er dus wel een referendum zou mogen komen over de invoering van een door het parlement voorgestelde grondwetswijziging, maar dat het volk zelf geen initiatieven ter wijziging van de grondwet (of van een gewone wet) mag nemen. Nochtans geeft hij geen enkele reden, (1) waarom de mediaimpact in het eerste geval kleiner zou zijn dan in het tweede, en (2) waarom het volk, bij grotere mediaimpact, plots onmondig zou moeten gemaakt worden.

Nee, volksoevereiniteit is ondeelbaar, zoals zwangerschap. Ze is er, of ze is er niet. Indien je ‘voorlopig’ het volledig recht op een wetgevend volksreferendum inhoudt, ‘om ervaring op te doen’, dan betekent dat dat er een instantie boven het volk staat die nadien die ervaring moet evalueren. En wie zal die instantie zijn, tenzij het particratisch establishment? Wat we nodig hebben is een volwaardige democratie, geen opgetuigde particratie. En het is niet de particratie, maar het volk zelf dat ervaring moet kunnen opdoen, met een volwaardige democratie.

Ik heb dus heel wat kritiek. Maar toch is grote waardering voor Elchardus op zijn plaats. Vooreerst voert hij bijzonder interessant sociologisch materiaal aan. Maar het belangrijkste: hij gedraagt zich als een onafhankelijk denker, en uit zijn werk spreekt een reële bezorgdheid over het gebrek aan volkssoevereiniteit in ons politiek bestel. Hij is een academicus die de elite en de particratie niet naar de mond praat. En dat is in dit politiekcorrecte tijdsgewricht een niet te onderschatten verdienste.
_____________________________




FRANS VAN DEN ENDEN : DE VERGETEN VADER VAN HET DEMOCRATISCH IDEAAL


Jonathan I. Israel (2001) ‘Radical Enlightenment. Philosophy and the making of modernity 16501750’ Oxford: Oxford University Press

B. de Spinoza (1670, 1997) ‘Theologischpolitiek traktaat’ Amsterdam: Wereldbibliotheek

Franciscus van den Enden (1665, 1992) ‘Vrije Politijke Stellingen’ (met inleiding door W.Klever) Amsterdam: Wereldbibliotheek

Het democratisch ideaal is gebaseerd op een aantal filosofische inzichten, die pas in de laatste eeuwen duidelijk werden geformuleerd en ook heden ten dage absoluut geen gemeengoed zijn. Twee ideeën staan daarbij centraal: het concept van vrije meningsuiting, en het concept van volkssoevereiniteit. Onlangs schreef Jonathan Israel een boeiend boek, dat ons helpt begrijpen waar, wanneer en hoe deze ideeën voor de eerste maal duidelijk aan de oppervlakte kwamen.

De golf van de reformatie betekende een eerste stap voor de verovering van het recht op vrij denken. Het geestelijk monopolie van de katholieke kerk werd definitief doorbroken. Rond 1590 was de confessionele landkaart van Europa al grotendeels getekend, al werd er in de eerste helft van de 17de eeuw nog stevig gevochten. In 1648 eindigde de tachtigjarige oorlog: de Noordelijke Nederlanden waren definitief ontsnapt aan de controle van het katholieke Spanje.

Maar in diezelfde tijd kwam alweer een nieuwe golf opzetten in de vrijdenkerij. Israel legt de grens tussen beide bewegingen ergens rond 1650. Tot die tijd dachten de verschillende, elkaar bestrijdende kampen in Europa nog allemaal confessioneel. Na 1650 verscheen de beweging van de ‘radicale Verlichting’ op het toneel. Die stelde de gemeenschappelijke grondslag van alle confessies in vraag. Israel schetst de geestesstrijd in Europa als een gevecht tussen drie kampen. Enerzijds had men de gevestigde macht, gebaseerd op de coalitie tussen adel en kerkelijke macht. Daar tegenover stond de stroom van de ‘gematigde Verlichting’, waarvan in Engeland bijvoorbeeld Newton en Locke, of Montesquieu in Frankrijk hoofdvertegenwoordigers waren (Rousseau moet als een hybried geval worden beschouwd Israel p.269). De strijd voor de geestelijke suprematie tussen die twee bewegingen was rond 174050 nog onbeslist. Maar er was nog een derde, vooral uit de Nederlanden afkomstige stroming die van de ‘radicale Verlichting’ die door de beide anderen werd verketterd en grotendeels ondergronds opereerde. De meest bekende protagonist van deze stroming was Spinoza. Andere vertegenwoordigers van deze stroming, vooral uit de Nederlanden, zijn nu grotendeels vergeten, hoewel hun ideeën vaak veel meer innoverend waren dan die van meer gekende figuren uit de stroom der ‘gematigde Verlichting’. De radicale Verlichting moest oproeien tegen een stroom van gedachtencontrole en een censuurnetwerk, dat zich over Europa verbreidde. Het is vanuit de Nederlanden dat de nieuwe, verboden gedachten zich bij voorkeur verspreidden. In Frankrijk werd de uitdrukking ‘livres de Hollande’ de staande formulering om verboden litteratuur aan te duiden (p.101).
Vrijheid van denken en spreken: een radicaal idee

Israel merkt op dat het ideaal van de vrije meningsuiting geenszins tot het gedachtengoed van de ‘gematigde Verlichting’ behoorde (Israel, p.116117). De opvattingen van Locke zijn voor die ‘gematigde Verlichting’ representatief : hij bepleitte wel tolerantie tegenover allerlei uiteenlopende christelijke opvattingen, maar niet tegenover atheïsten. De reden was, dat een mens die het geloof in God verliest, ook alle grond verliest waarop moraliteit is gebaseerd: “The taking away of God, but even in thought, dissolves all” (‘De verwijdering van God, zelfs alleen maar in het denken, zet alles op losse schroeven’; Israel, p.266). Locke had ook bezwaren tegen vrije meningsuiting voor katholieken, omdat die de autoriteit erkenden van een buitenlandse macht, namelijk de paus. Spinoza was de eerste bekende filosoof die hiertegen inging, al werd hij wel voorafgegaan door een aantal minder bekende figuren, zoals Johan de la Court en vooral Franciscus van den Enden (Israel, p.259).

Spinoza legt zijn visie omtrent de vrijheid van denken en spreken uit in hoofdstuk 20 van zijn ‘Theologischpolitiek traktaat’. Dit is meteen ook het laatste hoofdstuk van dit werk (verder: TPT). De titel van dat hoofdstuk luidt: “Aangetoond wordt dat in een vrij staatsbestel het een ieder is toegestaan te denken wat hij wil en te zeggen wat hij denkt”.

De uitgangspunten van Spinoza zijn tweeerlei.

Enerzijds vormt het vermogen tot vrije meningsvorming de kern van het mensenwezen, in die zin dat dit vermogen onoverdraagbaar is: “Niemand kan immers zijn natuurlijk recht, dat wil zeggen zijn vermogen om vrij te redeneren en te oordelen over welk onderwerp dan ook, op een ander overdragen, noch kan hij daartoe gedwongen worden” (TPT, 20,1; p.424). Spinoza is geenszins blind voor de realiteit van beïnvloeding en propaganda. Maar, besluit hij , “..het is toch nooit zover gekomen dat de mensen niet te allen tijde de ervaring hadden dat eenieder overtuigd is van zijn eigen gelijk, dat er evenveel verschil van hoofden als van smaken is” (TPT 20,2; p.425).

Anderzijds is de staat volgens Spinoza gebaseerd op een bindend contract tussen vrije burgers. Spinoza stelt dat “..de mensen zich, om veilig en op de beste manier te leven, onvermijdelijk hebben moeten verenigen tot één geheel en dus hebben moeten bewerkstelligen dat ze het recht dat krachtens de natuur iedereen op alles had, collectief zouden hebben, en dat dit recht niet langer door de kracht en de begeerte van ieder afzondelrijk zou worden gedetermineerd, maar door de kracht en de wil van allen tezamen” (TPT, 16,5; p.350). Spinoza besluit dan: “Uit de grondslagen van het staatkundige leven (...) volgt met de grootste duidelijkheid dat het uiteindelijke doel van de politiek niet is om te heersen of de mensen met vrees in bedwang te houden en aan een ander ondergeschikt te maken, maar integendeel om de enkeling van vrees te bevrijden, zodat hij, voor zover dat mogelijk is, veilig leeft, dat wil zeggen, dat hij zijn natuurlijke recht om te bestaan en zich te doen gelden zonder schade voor zichzelf en voor een ander optimaal behoudt. Het is niet, zo wil ik zeggen, het doel van de politiek om de mensen van redelijke wezens tot dieren of automaten te maken, maar integendeel om ervoor te zorgen dat hun geest en lichaam veilig kunnen functioneren en dat zijzelf de vrije rede gebruiken en niet met haat, toorn of bedrog strijden, noch zich door bittere gevoelens jegens elkander laten meeslepen. Het doel van de politiek is dus in werkelijkheid de vrijheid” (TPT, 20,6; p.426427; benadrukking door ons). Elders schrijft hij nog: “Hoe minder dus de mensen de vrijheid om te oordelen wordt toegestaan, des te meer wijkt men af van de staat die de meest natuurlijke is en des te gewelddadiger is dientengevolge de regering” (TPT, 20,14; p.434; benadrukking door ons).

Spinoza maakt een onderscheid tussen woord en daad, dat ogenschijnlijk subtiel ligt en tegelijk uiterst belangrijk is.

Woorden kunnen op een bepaald moment daden worden. Dat gebeurt op het moment dat ze rechtscheppend zijn. Het duidelijkst is dit, op het ogenblik dat ik mijn stem uitbreng in een democratisch besluitvormingsproces. Wanneer ik bij een beslissende stemming ‘ja’ of ‘nee’ zeg, dan is dat spreken een scheppende daad: ik creëer recht. Binnen het rechtskader dat ikzelf en anderen op die manier tot stand brengen, kan ik op dezelfde manier ook weer al sprekend rechtsdaden stellen, bijvoorbeeld door een contract te tekenen of ‘ja, ik wil’ te zeggen bij een huwelijk.

De primaire scheppende daad die ik stel, is ‘ja’ zeggen tegen het contract waarmee mensen samen de rechtsstaat vorm geven. Iedere burger wordt geacht dit jawoord te hebben gegeven. Van immigranten kan het, bv bij een inburgeringscontract, expliciet worden gevraagd. Wellicht ware het beter om aan iedere burger, bij zijn meerderjarigheid, zo’n expliciet jawoord te vragen: een soort plechtige toetreding tot het gemenebest.

Spinoza ziet nu een beperking in het vrije spreekrecht hierin, dat men deze rechtscheppende woorden nadien niet mag intrekken. Het sociaal contract dat met de medeburgers door het woord is gesloten, mag nadien niet door het woord worden verbroken. Een duidelijk voorbeeld zijn oproepen tot geweld tegen personen of groepen. Zo’n oproep moet als een rechtscheppende (of beter: onrechtscheppende daad) worden beschouwd, omdat hij neerkomt op een eenzijdige herroeping van het sociaal contract. De details van het sociale contract kunnen gewijzigd worden, maar dit dient via de democratische procedures te gebeuren die in het contract zijn vervat. Die procedures moeten dan natuurlijk wel voorhanden zijn.

..we kunnen daaruit niet minder gemakkelijk bepalen welke meningen in de staat oproer betekenen: die namelijk, die zodra zij geponeerd worden, bewerkstelligen dat de overeenkomst, waarbij de enkeling afstand heeft gedaan van zijn recht om volgens zijn eigen beslissing te handelen, wordt opgeheven. Bijvoorbeeld als iemand meent dat de hoogste overheid niet zijn eigen meester is, of dat niemand zijn beloften gestand hoeft te doen, of dat ieder volgens zijn eigen oordeel behoort te leven en andere soortgelijke dingen, die rechtstreeks in strijd zijn met de genoemde overeenkomst, dan is zo iemand oproerig, niet zozeer wegens zijn oordeel en mening als wel wegens de daad die dergelijke oordelen inhouden; en wel omdat hij alleen al door iets dergelijks te menen de belofte van trouw die hij stilzwijgend of uitdrukkelijk aan de hoogste overheid heeft gegeven, verbreekt. Derhalve zijn andere meningen, die niet een daad, zoals verdragbreuk, wraak, toorn enz. impliceren, niet oproerig, behalve wellicht in een staatsbestel dat enigszins door bederf is aangetast...” (TPT, 20, 9; p.429).

Spinoza heeft het ook over meningen die “...hoewel zij op het oog alleen om kwesties van waarheid en onwaarheid draaien, toch met boos opzet worden geponeerd en verbreid” (TPT, 20, 9; p.430). Hier doelt hij naar eigen zeggen op religieusfundamentalistische standpunten, die hij elders in de TPT (15, 8) behandelt. Zijn betoog lijkt hierop neer te komen, dat men rechtsvernietigende uitspraken ook niet kan maken in naam van vermeende religieuze openbaringen. Spinoza verwerpt in dit verband het beroep op openbaringen: “Als zij dus beweren dat zij behalve deze geest nog een andere hebben, die hen zeker maakt van de waarheid, beroemen ze zich hierop ten onrechte en spreken ze slechts vanuit een vooroordeel van hun affecten, of ze nemen uit grote vrees dat ze door de filosofen zullen worden verslagen en openlijk aan de lachlust prijsgegeven, hun toevlucht tot heilige plaatsen. Maar tevergeefs, want welk altaar kan hij zich verschaffen die de majesteit van de rede schendt?” (TPT 15,8; p.345).

Afgezien van de welomschreven gevallen, waarbij uitspraken als daden kunnen worden opgevat, dient de rechtsstaat dus de vrijheid van meningsuiting niet enkel toe te staan, maar daarin zelfs zijn eigenlijke doel te zien, ondanks de ongemakken die dit meebrengt. “Opdat dus niet vleierij, maar trouw gewaardeerd wordt, en opdat de hoogste overheden de macht op de beste wijze behouden, en niet gedwongen worden te zwichten voor oproerlingen, moet men noodzakelijkerwijze de vrijheid om te oordelen toestaan en de mensen zo regeren dat, hoe verschillende en tegengestelde meningen zij ook openlijk koesteren, zij toch eendrachtig samen leven. En wij kunnen niet betwijfelen dat deze wijze van regeren de beste is en kleinere ongemakken kan verdragen, omdat zij het meeste met de natuur der mensen overeenkomt. In een democratie immers (die de natuurlijke staat het meest nabij komt) komen allen overeen (...) volgens een gemeenschappelijk besluit wél te handelen, maar niet te oordelen en te redeneren..” (TPT 20, 14, p.433).
Franciscus van den Enden (16021674)

De Antwerpenaar Franciscus van den Enden is in de geschiedenis van de mensheid wellicht de eerste democraat geweest in de moderne betekenis van het woord. Van den Enden werd aanvankelijk opgeleid in Leuven, tot jezuïet. Hij heeft het echter nooit tot definitieve opname in de orde gebracht: in 1633 werd hij eruit getrapt, wegens al te erge dwalingen. Hij studeert medicijnen en bereist Europa. In 1642 huwt hij in zijn geboortestad, met Clara Maria Vermeeren. Hij schijnt verschillende diplomatieke missies te hebben vervuld en mogelijk speelde hij ook een rol bij de totstandkoming van de vrede van Munster; wij zijn hierover zeer slecht ingelicht. Enkele jaren later vestigt hij zich te Amsterdam, waar hij aanvankelijk als boek en kunsthandelaar actief is. In 1652 gaat hij failliet, en begint hij met een private Latijnse school, die veel succes kent. Vanaf 1655 is de jonge Spinoza een van zijn leerlingen.

In 16611662 onderhandelt hij met de commissarissen van de Kolonieskamer van Amsterdam om gunstige voorwaarden te verkrijgen voor een groep mensen die naar NieuwNederland willen emigreren. Zijn voor die tijd radicaaldemocratische voorstellen leiden echter tot een zwaar conflict met de stedelijke overheid. Kort daarna verschijnen dan zijn twee politieke werken: ‘Kort Verhael van NieuwNederlants..’ (1662; verder KV) en ‘Vrye Politijke Stellingen en Consideratien van Staat’ (1665; verder VPS). In 1670 verhuist van den Enden met zijn school naar Parijs. Daar was hij betrokken bij een samenzwering tegen Lodewijk XIV. Hij wordt verraden, aangehouden en op 27 november 1674 opgehangen op de Place de la Bastille.

De man die van den Enden zou verraden, Du Cause de Nazelle, heeft ons ook een karakterschets van eerstgenoemde achtergelaten: “Hij had een kleine gestalte maar met een spirituele en zeer aangename fysionomie. Zijn conversatie was charmant. Hij was vol vuur in zijn redevoeringen, vooral in zijn snedige antwoorden, enthousiast zelfs bij steriele onderwerpen, subliem in zijn gedachten. De filosofie, de theologie, de wiskunde met al haar afdelingen fascineerden wanneer hij erover sprak (...) Wat betreft de godsdienst, die had hij geen. Hij geloofde noch in straffen noch in beloningen na dit leven, hoewel hij overigens een soevereine meester van het heelal beleed. Maar in privégesprekken ontdekte men zonder moeite zijn ware opvattingen over deze materie. In het publiek evenwel of in het bijzijn van onbekende personen nam hij zich zeer in acht” (VPS, inleiding, p.7778). Volgens Du Cause de Nazelle had van den Enden Hebreeuws, Syrisch, Grieks, Latijn, Duits, Italiaans, Spaans en Frans gestudeerd, en was hij zeer bedreven in de scheikunde en de bereiding van geneeskrachtige produkten. Van den Enden heeft overigens een medisch werk geschreven, ‘Secreta Medicinae’, dat verloren is gegaan.

De VPS werden anoniem uitgegeven, en pas in 1990 ontdekte Klever dat van den Enden de auteur was. Klever schrijft hierover, in zijn inleiding op van den Ende (p.1315; benadrukking door mij): “Onderzoek leidde al snel tot de conclusie dat het pamflet, dat in 1665 gedrukt was, niet alleen van kapitaal belang is als achtergrond van Spinoza’s politieke traktaten, maar dat het ook zelf vanwege zijn originaliteit en onvergelijkbare rijkdom een plaats op het wetenschappelijke erepodium verdient. Voor het eerst in de geschiedenis der politicologie wordt hier de stelling verdedigd en dan nog wel in een buitengewoon knap betoog dat de democratie de enig mogelijke wijze van een doelmatige staatkundige organisatie is. Tot nu toe gold Spinoza als degene die in een antidemocratische traditie, waarin uitsluitend advocaten van een absolute monarchie of een regenteske aristocratie voorkwamen, moedig opstond voor de rechten en vrijheid van het volk met zijn voor die tijd gedurfde bewering dat een democratische staatsvorm ‘het meest natuurlijk’ is en ‘het meest de vrijheid nabij komt’ (...) Van den Enden is behalve een bewogen en daardoor ook fascinerende auteur tevens een radicale vernieuwer van het denken over de politiek. Wat had de historie van dit vak tot nu toe opgeleverd? Plato walgde van een democratie en was in ‘De Staat’ in het krijt getreden voor het bestuur door een zorgvuldig opgeleide elite. Aristoteles had zich in de ‘Politica’ uitgesproken voor een gemengde regeringsvorm, waarin monarchale, aristocratische en democratische componenten elkaar in evenwicht zouden houden. Cicero was nauwelijks van deze lijn afgeweken in zijn eclectische ‘De Re Publica’. In de Renaissancetijd had Machiavelli in ‘Il Principe’ en de ‘Discorsi’ de toon gezet met nuchtere psychologische analyses van de machtsuitoefening. Hij had zich evenwel onthouden van een duidelijke keus voor een van de gangbare politieke varianten (...) En dan was er de Engelsman Thomas Hobbes, die in zijn ‘De Cive’ (1642) en ‘Levithian’ (1651) trachtte aan te tonen dat het, om uit de chaotische noodsituatie van onderlinge bedreiging en burgeroorlog te geraken, maar het beste is om zich contractueel, doch met huid en haar en in bijna onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, toe te vertrouwen aan een monarch. Tegen deze, hier slechts globaal geschetste achtergrond, was het werk van van den Enden niets minder dan revolutionair”. Spinozaspecialist Wim Klever beschouwt van den Enden, zeker inzake politieke inzichten, als een cruciale inspiratiebron voor diens leerling Spinoza: “Zonder te willen beweren dat Van den Enden de gehele rijkdom van Spinoza’s geschriften anticipeert of dat er geen noemenswaardige verschillen zijn, verdedig ik hier de stelling dat hij wel de hoofdzaken van Spinoza’s filosofie anticipeert en dat hij inzake de politicologie de methode en de beginselen aanlevert die ook in Spinoza’s politieke werken werkzaam zijn. De tweede, daarop aansluitende these luidt, dat niet Spinoza Van den Enden maar omgekeerd Van den Enden Spinoza gebracht heeft tot deze gemeenschappelijke en overeenkomstige positie” (VPS, p.99).

Het gelijkheidsideaal bij van den Enden

In het kleiner werkje, verschenen in 1662 (‘Kort Verhael van NieuwNederlants Gelegentheit...’; verderop KV) en door Klever in zijn inleiding uitvoerig geciteerd, geeft van den Ende zijn visie op het politieke begrip ‘gelijkheid’:

En dit is dan ‘t geen wy met onzen voornamen Grontslagh van Evengelijkheit alleen te verstaen willen geven, namentlijk, dat’er, om een welgestelde Christburgerlijke Societeit, Republijk, of Gemeenbest te vestigen, voor alle zaken een zodanige Gelijkmatigheit (tusschen meer, en min verstandigen, meer, en min gegoeden, mannelijk, en vrouwelijk geslacht, Regeerder, en geregeerden, enz) door redenen en ervaringe moet uitgevonden worden, daer uit men op ‘t zekerste zal mogen bevinden, en besluiten konnen dat ieder lit in zijn graet, daer door niet alleen niet verswakt, of vernadeelt, maer in ‘t tegendeel versterkt, en meer, en meer opgeholpen, en gevordert mach werden: want ieder in zijn byzonderen stant wel geconsidereert, of aengemerkt werdende, zullen alle Evengelijk verbeteringh in haren stant van noden te hebben bevonden werden. Tegens welk voorsz. en ware vryheits gronden wy dan verstaen te strijden alle Societeits Ledens onderlinge heersingh, of geweltsoeffeningh, mitsgaders alle blindt gehoorsamen, en vertrouwen...”
(KV; zie VPS, p.56).

Van den Ende vat dus het gelijkheidsideaal zo op, dat de staat aan iedereen in gelijke mate of in evenredigheid, baat moet brengen, wat samengaat met de uitsluiting van alle mogelijkheid tot onderlinge overheersing of geweld. Het welzijnsverhogend effect van de staat moet optreden, onafhankelijk van iemands talenten, geslacht, bezit, maatschappelijke status enz. Van den Ende verwerpt reeds in KV de ‘smadelyke Aelmoesgevingen’, die gepaard gaan met vernedering en machtsverwerving door de gever.

Van den Ende verzet zich anderzijds uitdrukkelijk tegen de opvatting, dat het streven naar gelijkheid neerkomt op gelijkschakeling:

’t Isser zo veer van daen dat wy in ‘t tegendeel zulx voor zo onmogelijk houden te geschieden, als dat onze vingeren, de zelve blijvende dieze nu zijn, echter even langh souwen konnen zijn, of gemaekt werden: want yder Mensch, door zijner Naturewezenheit, en bijzondere eigenschap een Werelt op sich zelve makende, blijft altijt onderscheide van alle andere Menschen, en na zijner lichaems, en voornamentlijk sielen hoedanigheden, of eigenschappen is hy ook, of min, of meerder uitmuntende in alle zijne actien of bedrijven, hebbende alle zijne byzondere hoedanigheden, ook hare byzondere uitwerkingen, welkenthalven het ook met recht voor de grootste Dwazen in deze werelt te achten zijn, die veel menschen, ik swijgh noch van gehele Lantschappen, onder eenen regul, of strikte manier van leven trachten te brengen, zonder eens te willen, of konnen letten, wat den aert van zulke Lant, of ook Sociëteit, mitsgaders yder Mensch in ‘t particulier tot zijn Natuir is vereyschende. En waerom wy ook wel ter dege in dezen souwen willen voor gerecommandeert houden, datmen in allen Wetten, en Statuten voor ‘t gemeen wel voornamentlijk ‘t gemeene nut moest beoogen, maer echter niet te min aan d’andere kant naeuwe sorgh dragen, dat een yders particuliere, en natuirlijcke evengelijkevryheit hier door zonder aenzien van Personen, op ‘t minste wierde besnoeit, en gekrenkt...” (KV; zie VPS, p.5354).

De wetten moeten zich dus richten op het algemeen nut, maar anderzijds ieder op gelijke manier ruimte geven voor zijn eigenheid.

Vrijheid van spreken

Reeds in de KV spreekt van den Enden zich radicaal uit voor vrijheid van spreken:

Dat niemandt zoo wel Vremde als simpele Inwoonder, en Burger dezer Societeit om eenigerhande sustenue in zake van Godtsdienst, of opinies halven door den wegens de H. Overigheits gestelde Schout, Opziender, of andersins Gevolmachtighde op eenigerhande wijze en zullen mogen werden gemolesteert” (KV, zie VPS, p.59); “Het alderschadelijkste ja pestelentiaelste eenes Staets dan is; dat’er geen behoorlijke vryheit en wort gelaten... om alles met bondige reeden by te mogen brengen, wat yemandt voor ‘t gemeene best verstaet, of meent vorderlijk te mogen, of konnen zijn” (KV, zie VPS, p.60).

Broederlijkheid

Van den Ende pleit voor rechtsgelijkheid, maar tegelijk ook voor een recht dat de vrijheid dient. Rechtsgelijkheid betekent niet gelijkschakeling van de mensen, maar een gelijke vrijheid voor iedereen om naar eigen inzicht en talent te denken, te spreken en zich te ontwikkelen. Hij gebruikt hiervoor de term “..de evengelyke vryheit, den ware grontslagh eens Gemeenebests” (VPS, p.4/p.145). Maar van den Ende raakt ook het derde luik aan van de drievoudige kreet der Franse revolutie: ‘liberté ! égalité ! fraternité !’. Centraal staat daarbij volgens hem het recht op arbeid. “Zo ymant door quade fortuyn, of ook andersins door natuirlijke weersin tot het avontuirlijk Negotiëren, of andersins gepleeghde hantering, onlustigh bevonden wiert, dat men zodanige na eigen sinlijkheit, of ten Oorlogh, of ten nutten Landtbouw, ofte iet anders daer hy beeter toe genegen, en bequaem toe geoordeelt wiert, rustige gelegentheit moest verschaffen, om, wel willende, buiten alle smaet, en verachtingh met alle de zijne rustigh te konnen leven?” (VPS p.5/p.148). Het gemenebest dat de staat is, legt de facto aan al de ingeborenen het lidmaatschap op, wat zich uitdrukt in het feit, dat iedereen geacht wordt zich aan de wetten van de staat te houden. Dit is enkel gerechtvaardigd, indien de staat ook voor iedereen een voordeel oplevert, en het recht op bestaan: “En voor zo veel als wy bemerken, en verstaen konnen, dat ‘er geen byzonder besten, buiten ‘t gemeen, recht aengenaem, noch bestant te zijn kan geacht, noch gezeit werden; zo veel te meer, en nayveriger, zal, door yder rechtschapige ziel, den algemeene welstant betracht werden. De lichamelijke interesten dan zijn, (...) datze buiten alle lichamelijken dwangh, en verzeeringh (= verwonding) , wel gedekt, en gevoedt in hupse gesontheit, de vervulling van alle reedelijke lusten, en genegentheden, met de meeste verzeekeringh onderlingh mogen genieten” (VPS p.6/p.149). Over de constitutie, die van den Enden beschreef in de KV, schrijft Klever: “ Dit is niets minder dan een grootse, onovertroffen staatsconceptie. Waar niet ieder lid baat vindt bij de staatkundige organisatie, is het met het algemeen welzijn en daarmee met de zuiverheid van de staat gedaan. Van den Enden lijkt niet alleen de eerste democraat, maar ook de eerste socialist te zijn, iemand die de staat niet los kan denken van algemene welzijnszorg voor de zwakken. In de constitutie werd een bepaling opgenomen voor royale sociale en medische voorzieningen. Van den Enden verwerpt nadrukkelijk de ‘smadelijke Aelmoesgevingen’ door rijke lieden of door de Kerken” (VPS, p.5657).

Het soevereine volk

Van den Enden spreekt het idee van de volkssoevereiniteit uit in de krachtigst mogelijke bewoording: de stem van het volk moet beschouwd worden als de stem van God: “Achtende alzo hier als by voorraet genoegh aengewezen, en getoont, dat’er voor ‘s volx besten, geen getrouwer beradingh (=overleg), noch zeekerder oordeel, en besluit, noch getoont, noch gegeven kan worden, als ‘s volx ordentlijke beradingh, oordeel, en besluit zelve. En welkenthalven het allerweegen klaer, en waer zal blijken, dat de stemme eenes volx, voor ‘t zelve volk, waerlijk voor Godts stem voluit geacht, en gehouden moet worden” (VPS, p.17/175). Van den Ende voegt daar aan toe, dat het volk door de democratische praktijk van volksvergaderingen en onderling overleg, ook aan ervaring en inzicht zal winnen: “Waer by ook noch gevoegt kan worden, dat zo wanneer ‘t geheele volk ordentlijk raetslagende, en stemmende; niemants wijsheit, of kennisse onder zo een volk vruchteloos kan zijn; en dienvolgende is het volk, niet alleen van alle wijsheit, en kennisse, onder zich, in alle voorvallen en swarigheeden gedient; maer ook worden zy alle van tijt, tot tijt, meer, en meer, door dusdanighe vrye volx vergaderinghen en onderlinge raetslagen, tot kennisse van ‘t gemeenebest opgewekt, gescherpt, en gesleepen” (VPS, p.17/175). Men merkt inderdaad op dat van den Enden een directe vorm van democratie voor ogen heeft, mét geheime stemming. De soevereiniteit moet volgens hem berusten bij de vergadering van meerderjarige mannen die in staat blijken in hun eigen onderhoud te voorzien (vrouwen, kinderen, en mannen die niet in hun onderhoud kunnen voorzien, horen volgens van den Enden dus niet thuis op de volksvergadering): “Om het welk wat naerder te overweegen, en in te zien; zo zullen wy ons hier voorstellen een vergaderingh van wel bevoegde mannen, of Borgers. (Want der vrouwen, jonge luiden, kinderen, dienende, enz. welstant; kan niet anders, als volkomen van der wel bevoegde mannen welstant af te hangen, en voluit verknocht te zijn geoordeelt worden) welkers mannen, of Borgeren wel bevoegtheit eener alderontsaghelijkste, vrye, en alleen wettige vergaderingh van menschen, acht ik geleegen te zijn, datze van hunne natuurlijke vryheit wel onderrecht zijnde; de zelve kennen, en op ‘t hooghste lieven. Minst, of liever gants niet, met superstitie behebt, of aengedaen, en dien volgende van alle hevige sectgesintheit vry te zijn mogen gezeidt, en geacht werden. Hun eigen onderhout, buiten eenigerhande vile (=verachtelijke) dienstbaerheit, weten te bescharen, en daar toe noch bequaemheit van jaren, enz. hebben. Houdende de stemme des volks, waerlijk, en alleen onder ‘t zelve volk, en vergadering voor de stemme Godts” (VPS p.19/179180). Een beperking bij van den Enden is duidelijk, dat hij vrouwen, en ook mannen die in hun onderhoud voorzien door ‘vile’ vormen van dienstbaarheid (het is niet duidelijk wat dit juist betekent) van het democratisch proces uitsluit. Hij spreekt ook de noodzaak uit dat die mannen zo veel mogelijk vanuit een rationele gesteldheid te werk gaan, en zich zo veel mogelijk los hebben gemaakt van bijgeloof en sekteachtig gedrag. Deze laatste opmerking is volkomen relevant: democratie kan maar functioneren in de mate dat de burgers bereid zijn om ze te laten functioneren. Indien de burgers geen democratie willen, maar bijvoorbeeld theocratie, dan zullen ze de democratie langs democratische weg door een theocratie vervangen (het succes van islamitische partijen in sommige landen met moslimmeerderheid is een concreet voorbeeld van die paradox). Als voorbeeld voor een democratische werking geeft van den Enden de werkwijze in Holland tijdens de oorlog tegen de Spanjaarden. De gemeenteleden beraadslaagden tesamen, en dit in wapenuitrusting. Bij een akkoord werden de wapens op een hoop gegooid. Waren de voorstellen van de leiders onaanvaardbaar, dan uitte men dit door gekrijs en wapengekletter (VPS, p.22). Hierbij aansluitend wordt opgeroepen om amfitheaters te bouwen waarin duizenden burgers kunnen samen vergaderen en via geheime stemming besluiten nemen over de ‘interest van staet’: “Des zelfs vergaderplaets wild ik in ‘t ronde, met onderscheide galleryen, en banken tamelijk verheeven van onderen opwaerts gaende (...) na eisch van ieders Borgherschap wel geordineert, en gebouwt hebben: op dat alle de Borgeren van elkanderen wel gezien, en gehoort, mitsgaders der zelve stemmen ordentlijk, en wel bedekt, door Balletjens, op ‘t vrijst gegeven, en vergadert kosten werden” (VPS, p.31/p.209). Bij de eerste vergadering zouden alle verordeningen die de soevereiniteit van het volk beknotten, publiek moeten worden verbrand: “Laet ons dan ook, tot een eerste intree, en vreughdenvieringh, onzer manhafte resolutie, alle gepretendeerde Graeflijke privilegien, Placcaeten, en Ordonnantien, verkeerde, en uitmergelende vryheits verkrachtende Rechtspleegingen, enz. zo wel van alle voorgaende, als den tegenwoordigen tyran, als kluysters, en boeyens verachtende, met voeten treeden, en als bewijsteekenen onzer ontroofde, en ontweldighde vryheit, door der zelver ghestelde beulen, tot een meede afschaffingh, en laetste dienst bewijzingh, door ‘t vuur opentlijk laten verbranden. En dit zal dan waerlijk en te recht mogen heeten pro libertate Populi, of patriae” (VPS, p.31/p.214215). Vervolgens wordt gepleit voor een bond van aldus democratisch werkende steden, functionerende volgens het principe van de evenredige vertegenwoordiging (VPS, p.34). Van den Enden verzet zich tegen honoraria voor overheidsbedieningen, en pleit voor openbaarheid van beleid, en een gezond financieel beheer, zonder schulden. De wapens moeten in handen van de burgers blijven en de burgers moeten zich regelmatig oefenen in het gebruik ervan: “De wapenen dan moeten in handen, (ik meen niet in vremde, en gehuerde; maer in eigener wel geoeffende handen) niet min stantvastigh, als manhaftigh gegreepen” (VPS, p.30/p.207) “De Jongers, tot hunne mannelijke jaren ghekomen zijnde, moeten voor alle zaken de H. Wapenen dapperlijk te hanteeren, onderweezen werden: Op dat men die noyt, in ghedurige ghehuurde vremde lantloopers handen behoefden te vertrouwen: Want alwaer de kracht, eener gepretendeerde Republijk, tot een ghedurige, en ondragelijke belastingh van ‘t gemeen, voornamentlijk wordt ghepractiseert; weet voorzeeker, dat dit eindtlijk op een ondragelijke Tyranny, en ruine, dier ghepretendeerde Republijk, onvermijdelijk moet uit komen” (VPS, p.35/p.218). Alle functionarissen moeten met wakend oog gevolgd worden, vooral diegenen die uitmunten in welsprekendheid en hebzucht.

Wanneer men de inhoud van de ‘Vrije Politijke Stellingen’ vergelijkt met de huidige toestand, kan men niet anders dan vaststellen dat de meeste doelstellingen van de pioniersfiguur van den Enden nog steeds op realisatie wachten. Van den Ende hanteert nog een beperkt begrip van algemeen stemrecht. Maar hij heeft een scherp begrip van de volksoevereiniteit en van de directe democratie. Hij eist een bewapening van het volk, die nooit werd gerealiseerd, en hij koesterde een vrees betreffende het ontstaan van een politieke klasse, die achteraf bekeken maar al te relevant is gebleken. Er verliepen na van den Endens dood bij de Bastille nog 115 jaren, vooraleer op diezelfde plaats het volk voor het eerst, en tevergeefs, naar het kruit en naar de macht greep.

Ondertussen zijn nog eens 213 jaren verstreken.

Gods molen maalt langzaam.
_________________________________




DE POLITIEKE KLASSE TEGEN HET VOLK :AMERIKAANSE ERVARINGEN.


Dane Waters (editor) (2001)“The Battle over Citizen Lawmaking” Durham: Carolina Academic Press

In 23 van de 50 deelstaten van de USA bestaat één of andere werkbare vorm van directe democratie. In de meeste van deze staten werd het referendum op volksinitiatief ingevoerd in het begin van de twintigste eeuw. Rechtstreekse inspiratie was daarbij Zwitserland; de drijvende politieke kracht was de toenmalige populistische beweging. Hoewel het volksinitiatief in de USA enkel op deelstaatniveau bestaat, heeft het toch een aantal doorbraken mogelijk gemaakt die niet enkel voor de USA, maar voor de hele wereld inspirerend waren: de directe verkiezing van de senatoren, het vrouwenstemrecht en de achturendag werden voor het eerst via deelstaatreferenda ingevoerd.
Een eeuw later staat het volksreferendum in deze deelstaten onder druk. Niet omdat de belangstelling bij de gemiddelde burger zou zijn afgenomen. Wel integendeel, het aantal volksreferenda is de voorbije twintig jaar spectaculair gestegen, en daarmee is ook het verzet van de politieke klasse in de USA toegenomen. Paul Jacob (‘Silence isn’t golden: the legislative assault on citizen initiatives’ p.97107) vat de huidige situatie als volgt samen: “While citizen activists view the initiative as often the only vehicle for implementing the public will, the politicians view it as a dagger aimed directly at them. Yet, unlike most political battles that citizens can watch on their television sets and read about in the newspapers, this conflict has largely taken place behind the scenes. Perhaps because the battle lacks any ideological or party identity. It’s not a leftright or Republican vs. Democrat issue. Large majorities of every demographic group favor the initiative process while legislators, regardless of party affiliation, generally oppose it.“ (‘Burgersactivisten beschouwen het referendum op volksinitiatief als vaak het enige middel om de volkswil te verwerkelijken, terwijl de politici het zien als een tegen hen gericht wapen. In tegenstelling tot de meeste politieke conflicten die de burgers op de buis en in de kranten kunnen volgen, wordt de strijd hier grotendeels achter de schermen uitgevochten. Misschien komt dit doordat de strijd geen klassiek ideologische dimensie heeft, en geen partijkwestie is. Het is geen kwestie van links versus rechts, of republikein versus democraat. In gelijk welke volksgroep vindt men grote meerderheden pro volksreferendum, maar de wetgevers zijn, ongeacht hun partijpolitieke achtergrond, meestal tegen’) (p.97).

Het volksreferendum is in de USA een belangrijk instrument geweest om bepaalde thema’s, die in de ogen van de politieke klasse hoogst onwelkom waren, toch op de agenda te krijgen. Het meest opvallend is wellicht het thema van de ‘term limits’ (beperking op de maximale duur van een politiek mandaat). Momenteel zijn reeds 18 deelstaatparlementen onderworpen aan zo’n beperking. Uit zelfbelang zullen parlementairen virtueel nooit met zo’n maatregel instemmen (in ons Belgisch parlement valt je integendeel zelfs speciaal eerbetoon te beurt indien je extra lang je zitje hebt weten te behouden). ‘Term limits’ zijn over het algemeen erg in trek bij de kiezers, die hierin een uitgelezen middel zien om de uitkristallisering van een politieke klasse te beletten. En ‘term limits’ zijn heel erg onpopulair bij de politieke klasse zelf, die hierdoor hun lucratieve bezigheid bedreigd zien. ‘Terms limits’ worden in de USA bijna altijd via volksreferendum ingevoerd, en het thema zou zeker nooit op de politieke agenda zijn geraakt indien niet in een reeks deelstaten directdemocratische besluitvorming zou hebben bestaan.

Geen wonder dus, dat politici proberen de klok terug te draaien en via parlementaire initiatieven het volksinitiatief willen bemoeilijken. Het is interessant dat in acht deelstaten de grondwetsbepalingen, die het volksinitiatief invoerden, expliciet verbieden dat het parlement maatregelen zou nemen die de werking ervan zouden bemoeilijken. Zo stipuleert de grondwet van Arkansas: “No legislation shall be enacted to restrict, hamper or impair the rights herein reserved to the people” (‘geen wet zal worden ingevoerd, om de hier vastgelegde volksrechten te beperken, te hinderen of te kortwieken’). Toch stelt men overal vast, dat achter de schermen en buiten het voetlicht politieke initiatieven worden genomen, om de werking te belemmeren van het stukje directe democratie dat in de USA bestaat. Een kort overzicht van de trukendoos:

* Verzwaring van de handtekeningdrempel. Dit kan op verschillende manieren gebeuren. Men kan vooreerst proberen om gewoon de handtekeningdrempel te verhogen. Enkele jaren geleden is er in Oregon een referendum op parlementair initiatief geweest, dat de handtekeningdrempel met 50% wou verhogen. De kiezers verwierpen het voorstel.

Een andere truuk bestaat hierin, dat men een evenredige geografische spreiding van de handtekeningen over de hele deelstaat gaat eisen. Zo moet men tegenwoordig in Idaho de 5%drempel niet enkel halen voor de deelstaat in zijn geheel, maar ook in minstens 22 van de 44 counties waarin de staat is opgedeeld. Omdat de kosten voor handtekeningophaling in rurale gebieden hoger liggen dan in stedelijke zones, komt deze spreidingseis neer op een zeer substantiële bemoeilijking van het proces. In Idaho heeft geen enkel volksinitiatief meer plaatsgevonden sinds de nieuwe regeling van kracht is.

Andere truuk: de tijdspanne verkorten waarbinnen de handtekeningen moeten opgehaald worden (Missouri, 1998) .

* Beperkingen betreffende de ophalers van handtekeningen. In Nebraska werd een wet ingevoerd, die bepaalde dat enkel geregistreerde kiezers handtekeningen mochten ophalen. In diverse deelstaten voerde het parlement een verbod in op betaald handtekeningverzamelen. Hoewel dit soort bepalingen ongrondwettelijk zijn en voor het federale hooggerechtshof aangevochten en vernietigd worden, worden ze toch ingevoerd en leggen ze zolang ze niet worden vernietigd ernstige beperkingen op aan het volksinitiatief. Eisen dat de handtekeningen enkel door ingezetenen mogen opgehaald worden, is een andere truuk (Mississippi, 1998)

* Frontale wetsovertreding door het parlement: ‘lawlessness’ (= wetteloosheid).

Het gebeurt steeds meer dat staat of parlement ongestraft de wet overtreden om een volksinitiatief tegen te werken. In Alaska vond in 1994 een referendum plaats over ‘term limits’. De kiezers krijgen in deze deelstaat (zoals elders) voor de stemming een officiële brochure, waarin voor en tegenstanders van het voorstel hun argumenten uiteenzetten. Dienen zich geen tegenstanders aan, dan worden geen tegenargumenten vermeld. In dit geval bevatte de brochure tegenargumenten, maar uit anonieme bron. Pas na uitvoerig aandringen in de media werd onthuld dat de leidende ambtenaar van de kiesverrichtingen zelf de tegenargumenten had geschreven, omdat zich geen enkele burgergroep als tegenstander van ‘term limits’ had aangediend. De meest brutale wetsovertreding werd vastgesteld in Massachusetts. De grondwet van die staat voorziet dat het parlement moét stemmen over burgervoorstellen. Enkel nadat het parlement zo’n burgervoorstel heeft afgewezen, kan een referendum plaatsvinden. Het parlement weigerde echter de stemming over een voorstel betreffende ‘term limits’. En het hooggerechtshof weigerde om de parlementaire stemming te verplichten, om het principe van de scheiding der machten te ontzien.

* Vernietiging van het volksbesluit door het gerecht. Men neemt in de USA ook een toenemende tendens waar om de uitslag van referenda achteraf voor de rechtbank aan te vechten. In de staten langs de westkust werden 54% van de succesvolle volksinitiatieven achteraf aangevochten, en in 55% van deze gevallen (dus in drie op tien succesvolle volksreferenda) voerden de klachten tot volledige of gedeelte vernietiging van de nochtans door het volk goedgekeurde maatregelen (p.198).
De meest venijnige argumenten, op basis waarvan volksbesluiten door de rechtbank worden vernietigd, zijn gebaseerd op de ‘single subject’ eis. Op zich klinkt deze vormvereiste redelijk genoeg: een referendum mag maar over één onderwerp gaan. Een vraag van het type: “moet de belasting op eendeneieren worden afgeschaft en de jacht op eenhoorns worden verboden?” zondigt tegen de vereiste, dat het volksreferendum over één welbepaald onderwerp moet handelen. Maar dat soort flagrante gevallen doet zich vrijwel nooit voor. De keerzijde van de medaille is, dat ‘eenheid van onderwerp’ voor bepaalde rechtbanken een uiterst rekkelijk begrip blijkt. In Montana bijvoorbeeld werd door de rechtbank een volksinitiatief afgewezen omtrent het voorstel, dat iedere nieuwe belasting per referendum moet worden goedgekeurd. De rechtbank verwierp het referendum omdat de vraag niet over één onderwerp ging: de ene belasting is immers de andere niet (p.103).

Dierenbescherming: initiatief SQ 687

Voorstanders van dierenbescherming hebben vaak gebruik gemaakt van referenda om hun doel te bereiken. Daarbij kwamen ze vaak in botsing, zowel met verrassend machtige jagersverenigingen, als met verrassend oordelend rechters. In 1963 hadden dierenbeschermers een klacht ingediend tegen hanengevechten in Oklahoma. Er was immers in die staat een wet, die verbood om gevechten tussen dieren te organiseren. Hanengevechten zijn wreed: de dieren krijgen voor het gevecht meestal pepmiddelen toegediend, en metalen sporen aan de poten gebonden, waarna ze in een kuil worden geplaatst voor een tweestrijd op leven en dood. In beroep werd de klacht van de dierenbeschermers verworpen, omdat de rechter oordeelde ... dat kippen geen dieren zijn (p.109). De liefhebbers van hanengevechten konden ook rekenen op belangrijke parlementaire steun, zoals die van John Monks die in het huis van volksvertegenwoordigers van Oklahoma verklaarde: “The first thing the communists do when they take over is ban cockfighting” (‘het eerste wat communisten na een machtsovername doen, is een verbod op hanengevechten instellen’). Gegeven deze door de rechterlijke en wetgevende macht afgescheiden onzin, en gelet op het feit dat de grote meerderheid van de burgers in Oklahoma tegen hanengevechten bleek gekant, werd in 1999 een volksinitiatief op het getouw gezet. Op 5 november 2002 werd volksinitiatief SQ 687 dan uiteindelijk goedgekeurd, met een meerderheid van 56%. Dat cijfer is verrassend laag, en wordt verklaard door het massale verzet van de tegenstanders. Die gaven ook honderdduizenden dollars uit om het referendum tegen te houden. Reeds tijdens de periode waarin de handtekeningen werden verzameld, zetten zij allerlei processen (bijvoorbeeld wegens laster) op het getouw tegen de voorstanders. Die aanklachten misten elke grond, maar waren bedoeld om de energie, het geld en de tijd van de initiatiefnemers op te slorpen. De leider van het volksinitiatief werd het mikpunt van een tegen hem gerichte telefooncampagne. In een latere fase, toen de handtekeningen binnen waren, werd klacht ingediend wegens vermeende onwettelijkheid van het initiatief. Het uiteindelijke succes van initiatief SQ 687, nadat alle andere wegen doodliepen, toont aan dat het volksinitiatief een uniek en onvervangbaar middel kan zijn om tegen machtige lobbies in, de volkswil te doen zegevieren. Initiatief SQ 687 is slechts één van de vele voorbeelden. Dierenbeschermers zijn erin geslaagd in verschillende deelstaten belangrijke successen te behalen, ook wanneer de tegenstanders over veel meer geldmiddelen bleken te beschikken dan zijzelf. Jagersverenigingen, die in de USA blijkbaar over zeer veel middelen en over veel politieke steun beschikken, hebben zich de laatste jaren actief ingespannen om het volksreferendum te bemoeilijken. In Utah en in Idaho is dit ook gelukt. In beide staten werden onder impuls van de jagers wetten ingevoerd, die geografische spreiding van de opgehaalde handtekeningen opleggen. De elite past achter de schermen de wet aan, om het volk het zwijgen op te leggen, zodat ze haar wreedaardige liefhebberijen zoals jacht tijdens het zoogseizoen, jacht met klemmen enz. verder kan beoefenen.

Invloed van het geld

Het boek bevat ook een interessante bijdrage over de invloed van geld op de referendumuitslagen (Elizabeth Garrett & Elisabeth R. Gerber ‘Money in the initiative and referendum process: evidence of its effects and prospects for reform’ p.7395). Beide auteurs zijn onderzoekers die op dit domein heel wat werk hebben verricht; hun bijdrage geeft een goede samenvatting van de verworven inzichten. Zoals bekend is de invloed van geld op de uitkomst van representatieve verkiezingen in de USA overweldigend: bij verkiezing van Congresleden wint in 96% van de gevallen de kandidaat die de duurste campagne heeft gevoerd (p.101). Er bestaat een gerechtelijke uitspraak van het Amerikaanse hooggerechtshof (First National Bank of Boston versus Bellotti) waarin uitdrukkelijk wordt gesteld: “The risk of corruption perceived in cases involving candidate elections... simply is not present in a popular Vote on a public issue” (p.100) (‘Het risico op corruptie dat voorhanden is bij representatieve verkiezingen ... is onbestaande bij het volksreferendum’). Toch wordt de invloed van het geld vaak aangehaald als argument tegen directe democratie. Garrett en Gerber vatten de onderzoeksresultaten als volgt samen:

De partij die bij een referendum het meest uitgeeft, heeft een beperkt voordeel. Garrett en Gerber citeren een studie van Price, volgens dewelke de zijde die het meest uitgaf won in 55% van de gevallen, een waarneming die consistent is met andere studies (p.7879)

Geld kan een relevante factor worden in handen van de tegenstanders van een initiatief. Indien een groep tegenstanders beschikt over een drastisch financieel overwicht, kan zij via publicitaire bekendmaking van tegenargumenten vaak een initiatief doen mislukken. Daarentegen is geld weinig efficiënt om een maatregel per referendum te laten goedkeuren (p.79).

Initiatieven die hun steun overwegend krijgen van individuele burgers, hebben een grotere kans op succes dan initiatieven die vooral steunen op economische belangen. Indien die laatste hun propagandainvestering opdrijven, kan dit zelfs resulteren in een vermindering van het aantal prostemmen (p.81).

Gerber en Garrett geven ter illustratie cijfers over de referenda op volksinitiatief, die in de jaren ‘90 in Californië werden gehouden (p.8286). In totaal gaat het over 43 referenda, waarvan er 18 slaagden (42%). Bij deze 43 referenda waren er 16 waar de voorstanders over een financieel overwicht van minstens 1:2 beschikten; van deze 16 slaagden er 12 (75%). Er waren ook 16 referenda, waar de tegenstanders over een financieel overwicht van minstens 1:2 beschikten. Van deze 16 referenda slaagden er 5 (31 %). Een multivariate regressieanalyse leert, dat extra geld uitgegeven ten voordele van campagnes geen significant effect heeft, maar dat extra geld uitgegeven tégen een voorstel wel het aantal prostemmers significant verkleint.

Competentie van de kiezer

In de bijdrage van Mads Qvortrup (‘The Courts v. the People: an essay on judicial review of initiatives’ p.197207) wordt ingegaan op de competentie van de kiezers. Als argument tegen directe democratie wordt vaak aangevoerd, dat de kiezers niet bekwaam zijn om te oordelen, ja zelfs de gestelde vraag vaak niet kunnen verstaan. Offensieven van de maatschappelijke elite tegen directe democratie zijn vaak op dit argument gegrondvest, en rechters durven bij tijd en wijle dit gezichtspunt volgen tot in het absurde. Zo werd in 1997 in Californië door een rechter geoordeeld, dat ‘proposition 140’ niet door de burgers kan worden begrepen. Het voorstel betrof de invoering van levenslange ‘term limits’ voor bepaalde mandaten.

Qvortrup citeert recente litteratuur waarin op deze kwestie nader wordt ingegaan. Meestal gaan mensen die het incompetentieargument hanteren uit van de verzwegen veronderstelling, dat (a) men over een encyclopedische kennis omtrent een onderwerp moet beschikken om verantwoord te kunnen oordelen, en dat (b) de verkozenen wél, en de modale referendumkiezer niét over zo’n kennis beschikt.

Natuurlijk sluit dat standpunt, indien het consequent wordt aangehangen, iedere vorm van democratie uit. Want indien kiezers niet kunnen onderscheiden tussen goede en slechte stellingnames, kunnen ze a fortiori ook niet onderscheiden tussen goede en slechte kandidaten, bijvoorbeeld bij parlementsverkiezingen. Die kandidaten zijn immers ‘goed’ of ‘slecht’ in functie van de keuzes die ze maken. Indien de kiezer op dat laatste punt reeds als ontoerekeningsvatbaar moet gelden, kan hij zeker niet een goede kandidaat kiezen (want dan moet hij bovendien ook nog andere elementen gaan beoordelen, zoals bv. de kwaliteit en het programma van de lijst waarop de kandidaat staat enz). In werkelijkheid maken de kiezers bij representatieve verkiezingen wel degelijk beredeneerde keuzes, hoewel ze worden geconfronteerd met een enorm informatiedeficit. Er zullen bijvoorbeeld bij de laatste Belgische parlementsverkiezingen maar weinig CVPkiezers zijn geweest, die konden voorspellen dat die partij het homohuwelijk zou goedkeuren; of Agalevkiezers, die konden raden dat de Agalevverkozenen de wapenexport naar Nepal zouden onderschrijven. Het is duidelijk dat in vergelijking de keuze bij een referendum veel minder dubbelzinnig en veel transparanter is.

Kiezers gebruiken bij referenda zeer intensief zogenaamde ‘shortcuts’. Zij maken hun keuze zeer vaak op basis van adviezen of standpunten bekend gemaakt door personen of instanties in wie ze vertrouwen stellen of die ze competent achten. Dit is ook de democratisch verantwoorde manier voor zogenaamde ‘middenveld’organisaties, om politieke invloed uit te oefenen. Organisaties als vakbonden, kerken, milieuverenigingen enz. dienen niet zozeer namens, maar wel tot de individuele kiezers te spreken. In de mate dat deze organisaties een kapitaal aan vertrouwen opbouwen, zal hun invloed vergroten. Indien het zogenaamde middenveld niet tot, maar namens de kiezers spreekt, berust hun invloed niet op vertrouwen maar op (onverantwoorde en onterechte) macht. Qvortrup citeert een belangwekkende studie van Arthur Lupia (‘shortcuts versus encyclopedias: information and voting behavior in California’s insurance reform elections’ American Political Science review, 88, p.71, 1994) waaruit blijkt dat de keuzes van schijnbaar slecht geïnformeerde kiezers, doordat ze gebruik maken van shortcuts, minder dan 3% afweken van de keuzes gemaakt door goed geïnformeerde kiezers. Vergelijkbare waarnemingen vindt men in het werk van Shaun Bowler en Todd Donovan (‘Demanding Choices’ Ann Arbor: Michigan University Press, 1998), die besluiten (p.165): “voters can and do think about and decide upon propositions in ways that make sense and in ways that take advantage of readily available information” (‘kiezers zijn in staat om zinnig over voorstellen na te denken en daarbij gemakkelijk toegankelijke informatie te gebruiken. En ze doen dat ook’. Dezelfde conclusie vindt men overigens ook bij Mark Elchardus: “De hedendaagse argwaan tegen de burger herinnert aan het oudere elitaire denken over ‘de massa’. De gecultiveerde afkeer van de massa, zoals die weleer opdook in het werk van Nietzsche, Ortega y gasset en T.S.Eliot, lijkt zich vandaag te uiten in een trivialisering van de kiezer. Hij steunt op de opvatting dat de burger slecht geïnformeerd is, zijn politieke keuze voor de verkeerde motieven maakt, wispelturig, volatiel en zappend stemt. Er zullen heel wat mensen zijn die vinden dat de kiezers zich door de verkeerde motieven laten leiden. Ik betrap me er zelf op dat te denken, telkens wanneer de partij waarvoor ik stem een nederlaag lijdt (...) De kiezer denkt niet op onsamenhangende wijze. Uit onderzoek blijkt dat hij vaak duidelijke standpunten heeft met betrekking tot gelijkheid en solidariteit, migranten, veiligheid en misdaadbestrijding, gezondheidszorg en pensioenen. Veel kiezers weten niet wat ‘links’ en ‘rechts’ betekent, nog meer weten ze niet wat de nieuwe breuklijn is of het postmaterialisme, maar zij nemen op die breuklijnen wel duidelijke, vrij consistente, vrij duurzame en vaak diep aangevoelde posities in. De kiezer is niet irrationeel en wispelturig” De Dramademocratie, p.176177).

En hoe staat het eigenlijk met de tweede hypothese van de antidemocraten, namelijk dat parlementairen goedgeïnformeerde keuzes maken? “..legislators ... often vote on bills they may not have read. In the main their decisions are anchored in pressure from constituents, committee chairs and party leaders (ref.: John Kingdon: ‘Congressmen’s Voting Decisions’ Ann Arbor: University of Michigan Press 1989) William Riker and Berry Weingast have thus made a case for stricter judicial scrutiny of laws enacted by legislatures, on the grounds that the representatives fail to represent the majority of the people (‘Constitutional regulation of legislative choice: the consequences of judicial deference to legislatures’ Virginia law review 74, 1998, p.74) (‘parlementsleden...stemmen vaak over voorstellen tot wet die ze niet lazen. Doorgaans wordt hun beslissing bepaald door druk van opdrachtgevers, commissievoorzitters en partijleiders ”). “Er moeten geheime stemmingen zijn zodat kamerleden echt volgens hun mening kunnen stemmen”, eiste CVPkamerlid Pieter De Crem enkele jaren geleden in De Standaard (27 08 96). Journalist Derk Jan Eppink voegde daar de volgende commentaar aan toe: “Voor de oude rotten in de Kamer is dit ‘nieuwlichterij’ omdat de geheime stemming de fractiediscipline ondermijnt”.

Nee, er zijn geen rationele gronden om het spreek en beslissingsrecht van het soevereine volk in te perken. Maar de elite heeft goede materiële redenen om de directe democratie uit te schakelen op die enkele plaatsen, waar ze in kiem beschikbaar is. Het door Dane Waters uitgegeven boek laat zien dat het offensief in de USA sinds enkele jaren, achter de schermen, in alle hevigheid is ingezet. Een waarschuwing voor ons.

DIVERSE BERICHTEN

‘LEEFBAAR NEDERLAND’ VOOR DIRECTE DEMOCRATIE
“De machteloze burger, dat is volgens Leefbaar Nederland een fundamenteel probleem. Om hier wat aan te doen wordt een fors pakket van politieke en staatsrechtelijke veranderingen voorgesteld. Daarbij gaat het niet om een getrouwe kopie van de maatregelen die D66 al decennialang bepleit, zoals in het voorjaar het geval was. Nee, Leefbaar Nederland lijkt verder te gaan waar D66 gebleven was.

In het programma van Leefbaar Nederland worden diverse `speerpunten' geformuleerd. Stuk voor stuk gaat het hierbij om voorstellen die aspecten van een meer directe democratie inbrengen in het bestaande vertegenwoordigende, `indirecte' stelsel. Zo dienen het referendum en volksinitiatief te worden ingevoerd. Via een volksinitiatief zouden burgers en een relatief kleine groep van 12.500 burgers zou het proces al op gang brengen een voorstel aan de Tweede Kamer kunnen voorleggen. De Tijdelijke Referendumwet, die als het aan het kabinetBalkenende ligt wordt afgeschaft, dient juist te worden omgezet in een bindende, blijvende regeling met een versoepeling van de eisen die voor het houden van een referendum worden gesteld. ,,Daarnaast wordt bij een nader te bepalen aantal onderwerpen, waaronder grondwetswijzigingen en Europese verdragen, van rechtswege een verplicht referendum uitgeschreven.'' Overigens blijft het parlement het laatste woord houden over het sluiten en aanvaarden van verdragen. ,,Maar dat [aanvaarden] kan pas plaats hebben nadat de bevolking via een verplicht referendum akkoord is gegaan.''

(uit: Algemeen Dagblad” 13 12 02, p.9)

*

NVA TEGEN DEMOCRATIE

Op haar congres van 45 mei 2002 te Leuven, heeft de ‘democratische’ partij van Geert Bourgeois, de NVA, zich ondubbelzinnig tegen de volksoevereiniteit en voor de particratie uitgesproken. Hieronder de passage uit de congrestekst:

Voor de NVA wordt de democratie niet versterkt door het uithollen van de functie van de volksvertegenwoordigende organen ten voordele van de invoering van vormen van "directe" democratie zoals het referendum of de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester. Het resultaat hiervan is immers dikwijls schijndemocratie waar de toon aangegeven wordt door emotie en platte stemmingmakerij.

Politici moeten hun verantwoordelijkheid nemen in plaats van die terug te schuiven naar het volk. "Directe" democratie als manier om inspraak te organiseren is voor de NVA bijgevolg slechts een uitzonderlijke mogelijkheid, namelijk om voorafgaand aan de politieke besluitvorming een beslissing te nemen over een algemeen principe.

Natuurlijk is democratie meer dan af en toe gaan stemmen. Inspraak van zowel de georganiseerde als ongebonden burger is mogelijk via adviesraden. Zulke adviesraden moet men, op alle beleidsniveaus, reglementeren en (her)waarderen, zonder een inefficiënt overaanbod te creëren
.”

http://www.nva.be/programma/wiewatwaarom/ congresteksten2002.htm#_Toc906707
5

*
JAPANSE BURGER WANTROUWT POLITICI

Japanners hebben meer vertrouwen in waarzeggers dan in politici. Dat blijkt uit een peiling van de Japanse krant ‘Asahi Shimbun’. Slechts 15 procent van de ondervraagden gaf aan vertrouwen te hebben in politici, terwijl 20 procent zei te geloven in de voorspellingen van waarzeggers. Politici eindigden van de negen beroepsgroepen waarover de deelnemers hun mening moesten geven zelfs helemaal onderaan. Bovenaan de lijst stonden meteorologen, met 92 procent, gevolgd door artsen (81 procent), de politie (65 procent) en onderwijzers (58 procent).
(De Telegraaf, 23 dec 02)

*
STRIJD OM SYMBOLEN IN BOLZANO

Op 6 oktober vond in Bolzano, de hoofdplaats van ZuidTirol, een referendum plaats over de naamsverandering van het hoofdplein van de stad. Dit plein droeg de naam ‘Piazza Vittoria’, Plein van de Overwinning, die verwees naar de geallieerde overwinning waarmee de eerste wereldoorlog eindigde. Als gevolg daarvan werd ZuidTirol, dat deel uitmaakte van OostenrijkHongarije, aangehecht bij Italië. De meerderheid van de bevolking in ZuidTirol is Duitstalig, maar in de hoofdplaats Bolzano spreekt de meerderheid Italiaans. De coalitie van centrumlinkse en Duitstalige partijen, die ZuidTirol bestuurt, had in 2001 de ‘Piazza Vittoria’ herdoopt tot ‘Piazza della Pace’, Plein van de Vrede.

Hiertegen was verzet gekomen van de rechtse partijen. Die vonden dat de geschiedenis niet mag worden uitgewist, en zij lanceerden een correctief referendum om het plein opnieuw zijn vorige naam te geven. Voorstanders van de nieuwe naam vonden, dat de oude naam kwetsend was voor de Duitstaligen. De affaire kreeg een zekere nationale weerklank toen Gianfranco Fini een week voor het referendum op bezoek kwam in Bolzano om het herstel van de oude pleinnaam te steunen. Uiteindelijk haalde dit voorstel ook een meerderheid van 62% (30.873 stemmen).

*
GEEN SECESSIE VOOR HOLLYWOOD EN SAN FERNANDO VALLEY

Op november jl. werden in Los Angeles twee referenda gehouden over de afscheiding van twee voorsteden. De meeste aandacht ging naar San Fernando Valley, een noordelijke voorstad van de Californische metropool. SFV telt 1,3 miljoen inwoners en zou als zelfstandige stad op de zesde of zevende plaats komen op de USranglijst. Los Angeles, momenteel de tweede stad van de USA (na New York) zou in geval van afscheiding Chicago moeten laten voorgaan. Zo ver kwam het echter niet. De afscheidingsbeweging haalde wel een nipte meerderheid (51%) in SFV zelf, maar niet in de totale metropool (67% tegen afscheiding). De Californische wet laat eenzijdige secessie niet toe. In de voorstad Hollywood bleef de secessiebeweging ver achter: het referendum in deze voorstad zelf leverde 69% tegenstanders van afscheiding op.
http://www.montereyherald.com/mld/
montereyherald/news/politics/4452894.htm

GEEN DEMOCRATIE IN EKEREN

De stad Antwerpen wil in de deelgemeente Ekeren een opvangcentrum inplanten voor ontspoorde jongeren. Ekeren is, zeer tegen de zin van de meeste inwoners van dit polderdorp, gefusioneerd met Antwerpen. Het opvangcentrum moest op Antwerps grondgebied komen, en de keuze viel op deelgemeente Ekeren, waar ook al een asielcentrum is ingeplant. Op 19 december hebben burgemeester Detiège (SP.A) en minister Vogels (Agalev) het plan tegenover een tweehonderdtal inwoners verdedigd. Dat gebeurde zonder veel succes. Belangwekkend was dat Vogels verwees naar het NIMBYsyndroom, om te verantwoorden dat zo’n instelling kan en moet ingeplant worden tegen de wil van de bewoners: «Moesten we dan eerst een referendum organiseren? Denkt u dat er één gemeente of buurt is, die dan akkoord zou gaan met een jeugdinstelling in hun achtertuin? Iedereen is het er over eens dat we nood hebben aan opvangruimte voor jongeren die in de criminaliteit dreigen te belanden, maar niemand wil het in zijn wijk. Als politicus moet je ook bij dit soort beslissingen je verantwoordelijkheid durven nemen» (Het Laatste Nieuws, 20 december 2002).
Vogels kiest op deze manier al jaren consequent voor de ‘politieke moed’ en tegen de democratie.

Over het NIMBYeffect vindt men een hoofdstuk in het boek van Bruno Frey ‘Not just for the Money’(Cheltenham: Edward Elgar Publ.1997). Frey en zijn groep bestudeerden hoe de bevolking van het Zwitsers dorp Wolfenschiessen, reageerde op de plannen om op het grondgebied van die gemeente een opslagplaats voor nucleair afval in te planten. Zij vonden dat de bereidheid van de bewoners, om dit offer te brengen voor het algemeen nut, sterk afhing van de ingeschatte risico’s, en ook van de besluitvormingsprocedure (indien die rechtmatig wordt bevonden, stijgt de bereidheid om de inplanting van de opslagplaats te accepteren). Daarentegen doet een aanbod voor compenserende financiële vergoedingen die bereidheid dramatisch dalen (omdat zulks door de inwoners als een poging tot morele omkoping wordt gezien). De bewoners van Wolfenschiessen hadden, in tegenstelling tot de bewoners van Ekeren, het recht om langs directdemocratische weg de inplanting van de opslagplaats te weigeren. Ze hebben uiteindelijk de inplanting geaccepteerd, nadat op volksvergaderingen geologen kwamen uitleggen dat Wolfenschiessen objectief de meest geschikte plek was.

Natuurlijk heb je in een zaak als die van het opvangcentrum in Ekeren, te maken met het resultaat van een jarenlang democratisch deficit, dat niet op ééntweedrie valt goed te maken. De Zwitsers hadden, via een referendum, gekozen voor het verder gebruik van kernenergie; het logisch gevolg is, dat dan ook ergens een opslagplaats voor nucleair afval wordt geïnstalleerd. De Belgische bevolking heeft daarentegen nooit ja of nee kunnen zeggen tegen de massale immigratie, die door de politieke klasse tijdens de laatste decennia op gang werd gebracht (het cliënteel in het opvangcentrum zal naar verwacht zeer overwegend allochtoon zijn). Evenmin hebben de bewoners van Ekeren ooit ja of nee kunnen zeggen tegen de fusie met Antwerpen. Best mogelijk dus, dat de bevolking van Ekeren niet de gevolgen wil dragen van beslissingen, die niet de hunne zijn. Maar eens zullen mensen als Mieke Vogels toch de duivelse cyclus, waarbij voorbije antidemocratie de verantwoording oplevert voor weer nieuwe antidemocratie, moeten doorbreken. En het volk laten beslissen, zoals dat hoort in een democratie.
Ondertussen wil het Vlaams Blok in het democratische gat springen.

Blijkens een bericht in de Gazet van Antwerpen (26 dec. 02) wil deze partij een districtsreferendum uitlokken over de omstreden inplanting. De partij zal eind januari een voorstel doen in de districtsraad. Nog nooit vond er een referendum plaats in een van de Antwerpse districten. Volgens Filip Dewinter, kan het referendum er komen, ook als de Antwerpse gemeenteraad het idee afwijst (wat uiteraard te verwachten valt). "De gemeentewet bepaalt dat 3.000 Ekerenaren daarvoor een petitie moeten ondertekenen", aldus Dewinter.

Indien dit referendum doorgaat, zou het om een dubbele primeur gaan: het eerste referendum in Antwerpen, en het eerste referendum op districtsniveau.

F.OberholzerGee e.a. ‘Panik, Protest und paralyse. Eine empirische Untersuchung über nukleare Endlager in der Schweiz’ Schweiz. Zeitschr.f. Volkswirtschaft u. Statistik 131, 147177 (1995)

_________________________________

En tenslotte...



Het spreken over directe democratie is in dit land veelal een vorm van volksverlakkerij geweest. Dat blijkt duidelijk uit het bestaan van nietrepresentatieve, nietbindende vormen van volksraadpleging. De pleitbezorgers van de directe democratie menen het blijkbaar niet echt


Mark Elchardus, De Dramademocratie , p.201