Witte Werf juli 2003

Afdrukken

Anonieme dictatuur Europa

Democratie en onderwijs

Zijn verkozen gemeenteraden onmisbaar?

Notities bij de voorbije verkiezingen

De Antwerpse perikelen vanuit democratisch oogpunt

Verzwijgen is goud

Het particratisch argument

Diverse berichten

 

 


ANONIEME DICTATUUR EUROPA


De ontwerptekst voor de Europese Constitutie is klaar. In een aantal Europese landen zal over deze Grondwet een referendum worden gehouden. Democratische militanten uit een reeks Europese landen hebben hiervoor geijverd, en bijna de helft van de Conventieleden heeft een petitie terzake getekend. Dat een bindend referendum, voorafgegaan door een fair debat, een democratisch minimum is, ligt voor de hand. Indien dit ontwerp wordt goedgekeurd, zal de Europese Unie immers veel meer bevoegdheden krijgen, en veel sterker gecentraliseerd zijn, dan thans het geval is. De burgers van Europa moeten zich hierover kunnen uitspreken.

Stel dat Verhofstadt II ons een referendum toestaat. Verdient dit ontwerp dan onze ja-stem? Het antwoord is klaar en duidelijk: neen. Uit democratisch oogpunt is deze tekst een ramp.

Uit de artikelen I-44, I-45 en I-46 van het ontwerp leren we, dat de EU zal functioneren volgens het principe van de ‘representatieve democratie’. Dat is de nieuwspraakterm voor particratie zonder volkssoevereiniteit. Deze expliciete optie voor ‘representatieve democratie’ grendelt de wet af voor iedere vorm van directe democratie.

In werkelijkheid biedt dit ontwerp van Grondwet zelfs geen perspectief op een particratisch regime, want de burgers kiezen volgens deze Grondwet nog altijd geen wetgevende vergadering. Het ‘Europees parlement’ heeft gewoon een misleidende naam. De zogenaamde parlementsleden mogen geen wetsvoostellen indienen. Enkel de Commissieleden mogen dat. En die Commissie wordt niet verkozen.

Onder I-46, punt 4 kunt U de dooie democratische mus bezichtigen: meer dan een miljoen burgers uit een aantal lidstaten kunnen bij de Commissie gaan bedelen om een wet. Zelfs als de Commissie OK zegt, kan de Raad van de EU (waarin ministeriële vertegenwoordigers van de lidstaten zetelen) de zaak nog tegenhouden.

Deze Grondwet is een schande. Zij voert geen democratie in, en zelfs geen particratie. Wat zij invoert, is een anonieme dictatuur. Burgers hebben met zo’n Grondwet noch de bevoegdheid om wetgevende initiatieven te lanceren, noch zelfs de bevoegdheid om een orgaan te verkiezen dat wetten kan maken, zoals in een ‘normale’ particratie.

Het belangrijkste positieve element uit de ontwerptekst is het recht op uittreding uit de Unie, dat expliciet aan de lidstaten wordt toegekend. Een bepaling die nog groot belang kan hebben, wanneer de nachtmerrie binnen enkele decennia in al haar omvang zichtbaar wordt.


Jos Verhulst


 


DEMOCRATIE EN ONDERWIJS


“Experts in education have never been right; their ‘solutions’ are expensive, self-serving, and always involve further centralization. It’s time for a return to democracy, individuality, and family”
G.T.Gatto ‘Dumbing us down’ p.38
---

Geert de Vries (1993) “Het pedagogisch regiem” Amsterdam: Meulenhoff

John Taylor Gatto (1992) “Dumbing us down. The hidden curriculum of compulsory schooling” Philadelphia: New Society Publishers

John Taylor Gatto (2001a) “A different kind of teacher. Solving the crisis of American schooling” Berkeley: Berkeley Hills Books

John Taylor Gatto (2001b) “The underground History of American Education” New York: Oxford Village Press

Sheldon Richman (1995) “Separating School & State. How to liberate America’s families” Fairfax: Future of freedom Foundation

Ik heb nooit graag de school bezocht. Zowel op de lagere school in mijn geboortedorp, als op de middelbare school die ik bij de jezuïeten in Brussel doorliep, blik ik terug als op een tijd van eindeloze verveling, massaal tijdverlies en onzinnige discipline. Niet dat er geen interessante leraars waren. Die waren er, al vormden zij een minderheid. Wat mij drukte - al was ik mij daar toen niet van bewust - was het schoolsysteem op zich, het feit dat bijna al mijn tijd erdoor in beslag werd genomen, en het onbestemde gevoel dat men buiten mijn medeweten doende was mij te maken of op te voeden tot iets waarmee ik niets te maken wou hebben.

 

Toch is die afzichtelijke schoolmiserie achteraf bekeken niet vruchteloos geweest. Want vele jaren later bleek ik, zonder het zelf goed te beseffen, behept met de drang om terug te schoppen tegen dit systeem. Zo stak ik een jaar of twintig geleden heel wat tijd in de oprichting van het toen nog ongesubsidieerde Leuvense Steinerschooltje. En enkele jaren geleden kwam er dan een tweede experiment, toen ons gezin met thuisonderricht voor onze vier schoolmoeë kinderen begon. Deze educatieve ondernemingen gingen telkens met heel wat leesactiviteit gepaard, en daarbij werd me steeds duidelijker, dat democratie en onderwijs veel, zéér veel met elkaar vandoen hebben. Kort gezegd: staatsgecontroleerd onderwijs is een wapen gericht tegen de invoering van de democratie.

 

De lectuur van het boekje van de Vries ‘Het pedagogisch regiem’ riep enkele jaren geleden veel in me wakker. Het eerste zinnetje van dit boek luidt: “Waarom gaan kinderen naar school?” (p.7) en dat is inderdaad de hamvraag, die meestal niet wordt gesteld. De motieven voor de invoering van het veralgemeend staatsgecontroleerd onderwijs zijn niet te vinden in de behoeften van het volk, en zelfs niet in de behoeften van de economie. De schoolopvoeding kwam er om de ideologische dominantie van de heersende klasse te versterken. De Vries (p.26) citeert met instemming Lawrence Stone: “Alles wijst er (...) op dat ten eerste de strijd tussen de verschillende christelijke groeperingen om gedachtencontrole over de armen een van de hoofdoorzaken van de groei van het volksonderwijs in het Westen is geweest; en dat ten tweede de protestanten de eersten waren die de potentiële waarde zagen van de school en de drukpers als wapenen in deze strijd” (p.26). “Al lang voor de invoering van een universele leerplicht werd (...) door de plaatselijke en regionale elites een krachtige, nauwkeurig geadministreerde en door de aard van zijn sancties heel effectieve schooldwang uitgeoefend op armlastigen en hun kinderen” (de Vries, p.26-27). In die tijd was het nog gebruikelijk dat klassebelangen openlijk werden uitgesproken; de memetische technologie stond nog in haar kinderschoenen.

 

Derhalve kon Jeronimo de Vries, voorzitter van de commissie van de stadsarmenscholen van Amsterdam, in 1832 het volgende schrijven: “Wat ware er van de veiligheid der vermogenden, zonder pligtsbesef, zonder zedelijke beginsels der armen, zonder onderwijs en opleiding? (...) Om u te beveiligen, meervermogenden, moeten men de armenscholen, dat zijn kweekplaatsen tot pligt en orde, voorstaan en ondersteunen. Zonder onderwijs kunnen de behoeftigen geen openbare kennisgevingen lezen, Uwen wil niet verstaan” (de Vries, p.30). Deze ideeën circuleerden rond het begin van de 19de eeuw op wereldschaal, waarbij het Pruisische onderwijssysteem vaak model stond. Richman (p.45) citeert Benjamin Rush, een van de ondertekenaars van de Amerikaanse ‘Declaration of Independence’ en vroege verdediger van verplicht onderwijs: “It is necessary to impose upon them [=children] the doctrines and discipline of a particular church. Man is naturally an ungovernable animal, and observations on particular societies and countries will teach us that when we add the restraints of ecclesiastical to those of domestic and civil government, we produce in him the highest degrees of order and virtue (...) Let our pupil be taught that he does not belong to himself, but that he is public property. Let him be taught to love his family, but let him be taught at the same time that he must forsake and even forget them when the welfare of his country requires it” (‘het is nodig om bij de kinderen de doctrine en de discipline van één of andere kerk in te planten. De mens is van nature een onregeerbaar wezen, en studie van de nodige samenlevingen en landen leert ons dat de combinatie van kerkelijke, familiale en staatsbeperkingen leidt tot de grootst mogelijke zin van orde en deugd (...) Laten we het kind leren dat hij niet zichzelf, maar de staat toebehoort. Leer het om zijn familie te beminnen, maar leer hem dat hij die familie moet loslaten en vergeten wanneer het heil van zijn land dat vergt”).


*

Meer dan honderd jaar na de gewelddadige invoering van de schooldwang in Massachusetts, hebben homeschoolers het nog altijd moeilijk in die deelstaat. De familie Bryant (Waltham, MA; foto) werd door de kinderbeschermingsdienst geterroriseerd omdat ze weigerden hun twee kinderen te onderwerpen aan de staatstesten. “We have legal custody of the children and we will do with them as we see fit” (‘we hebben wettelijke voogdij over de kinderen en wij doen met hen wat we willen’), kregen ze van de staatskinderbeschermers te horen. De ouders hielden echter het been stijf: opvoeding is de zaak van het gezin.


---Het is interessant dat de invoering van de schoolplicht met allerhande dwangmaatregelen gepaard ging. Taylor (1992, p.25) noteert bijvoorbeeld: “Our form of compulsory schooling is an invention of the State of Massachusetts around 1850. It was resisted - sometimes with guns - by an estimated eighty percent of the Massachusetts population, the last outpost in Barnstable on cape Cod not surrendering its children until the 1880s, when the area was seized by militia and children marched toschool under guard (‘Onze vorm van schooldwang ontstond in Massachusetts, rond 1850. Ongeveer 80% van de bevolking verzette zich ertegen, soms gewapenderhand. De laatste weerstand werd slechts gebroken dertig jaar later, in Bernstable op Cape Cod, toen milities de streek bezetten en de kinderen onder escorte naar de scholen voerden’). Voor de invoering van de schooldwang bedroeg de alfabetiseringsgraad van Massachusetts 98%; na enkele generaties met schoolplicht was dit cijfer in 1990 teruggelopen tot 90%.

In de loop van de twintigste eeuw werden de eigenlijke doelstellingen van het staatsgecontroleerd onderwijs besmuikter geformuleerd, tenzij natuurlijk in de totalitaire staten. Zo luidde het op een partijcongres kort na de oktoberrevolutie, in 1918: “We moeten de nieuwe generatie omvormen tot een generatie van communisten. Kinderen kunnen worden gevormd als was, tot goede communisten (...) We moeten de kinderen onttrekken aan de ruwe invloed van hun families. We moeten ze overnemen, of nog duidelijker: we moeten ze nationaliseren” (Richman 1995, XV; mijn vertaling). Benito Mussolini zag het aldus: “Fascisme ziet de Staat als het absolute, doch de individuen en groepen als relatieve entiteiten, die enkel moeten begrepen worden in hun relatie tot de Staat (...) Het is de Staat die zijn burgers opvoedt tot de burgerlijke deugden, hen bewust maakt van hun missie en hen tot eenheid samensmeedt” (Richman 1995, p.XVI ; mijn vertaling).

Oorspronkelijk was het staatsgecontroleerd onderwijs dus een middel om de lagere klassen ideologisch te ketenen aan de kapitalistische staat. Nadien is daar een masker bovenop gekomen: het onderwijs als economisch productief systeem. Nu zijn leren en geestelijke productie ongetwijfeld belangrijke productiefactoren. Maar het blijft onbewezen dat het leren wordt verbeterd door kleuter-, lager en middelbaar onderwijs. Men dient de leerprestaties van de kinderen in de scholen immers niet te vergelijken met een situatie waarin helemaal niet wordt geleerd, maar wel met een situatie waarin de kinderen leren buiten de school om, bijvoorbeeld in gezinsverband. De Vries: “...vanaf de achttiende eeuw, maar vooral in de negentiende en twintigste eeuw, zijn regerende elites en andere notabelen in westerse landen steeds meer overtuigd geraakt van het economische nut van onderwijs. Deze overtuiging is een krachtig motief en een voornaam argument geworden om onderwijs te bevorderen. De ironie wil, dat de geldigheid van juist dit argument moeilijk valt te bewijzen. Dat onderwijs aan de consolidering van natiestaten, aan het versterken van groepsbanden en aan de disciplinering van lagere klassen heeft bijgedragen, staat wel vast. Of het los daarvan een economische bijdrage heeft geleverd aan de Rijkdom der Naties is eigenlijk heel onzeker” (de Vries, p.36-37).

De Vries beschrijft in aansluiting hierop een belangrijk ideologisch mechanisme: naarmate het onderwijs wordt uitgebouwd, ontstaat een onderwijsestablishment dat leeft van het onderwijs, zijn invloed ziet groeien met de omvang van het onderwijs, en dus een ideologische campagne gaat voeren ter onderstreping van het belang van een (gecentraliseerd en staatsgecontroleerd) onderwijs. Men ziet dit mechanisme op alle mogelijke domeinen opduiken. Zet bv. een bureaucratie op ter bestrijding van het racisme, en de betrokken bureaucraten zullen beginnen met het racismeprobleem op te blazen, de betekenis van de term racisme te verruimen, steeds meer middelen en wetten te eisen ter versterking van hun invloed enz. Omdat het in zo’n gevallen telkens gaat om fulltime gespecialiseerde ideologen kan hun maatschappelijke impact enorm worden, en zelfs die van politici gaan overvleugelen. Ook in het onderwijs is de ideologische bureaucratie steeds omvangrijker geworden.

“De motieven van natievorming, groepsbinding, disciplinering en modernisering zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een natiestaat vereist zowel een aan de staatsmacht gehoorzame bevolking als een bloeiende economie. Zo’n staat kan niet worden geregeerd zonder horizontale en verticale groepsloyauteiten. Effectieve onderwerping van armen, in de eerste plaats van de krachtigen onder hen die kunnen stelen, vechten, roven en verkrachten, vraagt een sterk centraal gezag. En economische bedrijvigheid floreert in een politiek en maatschappelijk gepacificeerde ruimte. Bovendien bestaat tussen discipinering en modernisering een dialectische verhouding: disciplinering is een voorwaarde voor modernisering, maar modernisering ondergraaft en transformeert sociale verhoudingen en schept zo een nieuwe noodzaak tot disciplinering. Op lange termijn beschouwd hebben nationale elites dan ook alle vier de doelen nagestreefd. Zij deden dit binnen onderlinge, zowel internationale als intranationale concurrentieverhoudingen.
Naarmate de machtsverhoudingen tussen staten en de klassenverhoudingen binnen staten zich tot min of meer stabiele patronen uitkristalliseerden, kwam meer de nadruk te liggen op economische wedijver. De motieven van natievorming, groepsbinding en disciplinering zijn echter niet verdwenen: ze zijn bij het economische motief ondergedoken. Politieke elites en hun mededingers hebben dit niet allemaal zelf bedacht. Dat onderwijs de nationale eenheid kan bevorderen, de cohesie binnen de eigen kring kan versterken, een oplossing kan bieden voor het probleem van de armen en bij kan dragen aan een economische modernisering - deze gedachten zijn hun meestal vanaf de zijlijn aangereikt door mensen die een eigen belang hebben bij onderwijs. De gelijkgerichtheid van de belangen van proto-pedagogische beroepsgroepen met die van de regerende elites is zelfs een verklaring voor het ontstaan überhaupt van onderwijs uit godsdienst en tovenarij” (de Vries, p.37-38).

De eigenlijke economische betekenis van het staatsgecontroleerd onderwijs schuilt niet hierin, dat in het onderwijs economisch relevante vaardigheden worden verworven. Wel belangrijk is dat het onderwijs mensen volgens aanleg selecteert voor gebruik op de arbeidsmarkt (de Vries, p.50). Het onderwijs verschaft de kapitalist ook informatie over de kandidaat-werknemer: “Jongeren die de school afmaakten hebben blijk gegeven van intelligentie, doorzettingsvermogen en sociale vaardigheid, en ze zullen die bekwaamheden waarschijnlijk ook in hun werk toepassen. Het schooldiploma geeft werkgevers dus informatie over de geschiktheid van potentiële werknemers, ook al is het leerplan voor het te verrichten werk niet ter zake. Sterker nog, een irrelevant leerplan geeft soms waardevoller informatie dan een nauwkeurig op het werk toegesneden curriculum” (de Vries, p.47).

Zoals we zullen zien, heeft het onderwijs daarnaast ook een aantal meer algemene politiek-maatschappelijke functies.

Wie is John Taylor Gatto?

John Taylor Gatto is ongeveer 30 jaar leraar geweest in New York. In het begin van de jaren ‘90 kreeg hij kort na elkaar enkele opvallende pedagogische onderscheidingen en prijzen. Toen hij voor het tweede opeenvolgende jaar gebombardeerd was tot ‘New York City Teacher of the Year’ (door de ‘New York Alliance for Public Schools’) gaf hij, bij de ceremonie van de prijsuitreiking, een onthutsende toespraak (opgenomen in Gatto 2001a) waarin hij tekeer gaat tegen alle vormen van schooldwang onder het motto: “Nothing worthwhile is learned by compulsion”

*
John Taylor Gatto
www.johntalylorgatto.com
---
(‘onder dwang leer je niets dat de moeite waard is’; p.41). Gatto werd in 1989, 1990 en 1991 door de Senaat van de staat New York ook tot ‘New York State Teacher of the Year’ uitgeroepen. Ook de toespraken bij die gelegenheden gegeven (in Gatto 1992) liegen er niet om: “Good people wait for an expert to tell them what to do. It is hardly an exaggeration to say that our entire economy depends upon this lesson being learned. Think of what might fall apart if children weren’t trained to be dependent: the social services could hardly survive; they would vanish, I think, into the recent historical limbo out of which they arose. Counselors and therapists would look in horror as the supply of psychic invalids vanished. Commercial entertainment of all sorts, including television, would wither as people learned again how to make their own fun. Restaurants, the prepared-food industry, and a whole host of other assorted food services would be drastically downsized if people returned to making their own meals rather than depending on strangers to plant, pick, chop, and cook for them. Much of modern law, medicine, and engineering would go too, the clothing business and school-teaching as well, unless a guaranteed supply of helpless people continued to pour out of our schools each year” (‘Goede luitjes wachten tot een expert hen vertelt wat ze moeten doen. Het is nauwelijks overdreven om te zeggen dat heel onze economie afhangt van de verspreiding van deze stelling. Beeld je in wat allemaal bedreigd wordt wanneer de kinderen niet op afhankelijkheid worden getraind. Sociale diensten zouden nauwelijks kunnen overleven, en ik denk dat ze zouden verdwijnen in hetzelfde limbo waaruit ze recent zijn opgedoken. Raadgevers en therapeuten zouden verschrikt hun toevoer aan psychisch ontwrichte mensen zien verdwijnen. Commercieel vermaak, met inbegrip van de televisie, zou verschrompelen indien de mensen terug zouden leren hoe zichzelf te vermaken. Eethuizen, de fastfoodindustrie, en allerhande dienstverlening in de voedingssector zou drastisch verkleinen indien mensen terug hun eigen maal zouden bereiden, en anderen niet langer voor hen laten planten, plukken, oogsten en koken. Een groot stuk van het rechtswezen, van de geneeskunde, van de techniek, van de kledingsindustrie en van het onderwijs zou verdwijnen, indien onze scholen niet elk jaar voor de toevoer van nieuwe hulpelozen zouden instaan’; Gatto 1991b, p.9). Ondanks de harde woorden van Gatto bleef men hem onder de prijzen bedelven, terwijl men tegelijk geen vinger uitstak ter verandering van het schoolsysteem; een fraai staaltje van ‘repressieve tolerantie’. Uiteindelijk publiceerde Gatto een artikel in de ‘Wall Street Journal’ (20 07 91; “I quit, I think” - ‘ik geloof dat ik opstap’; opgenomen in Gatto 2001b, p.xxv-xxvi), waarin hij aankondigde uit het onderwijs te stappen. De eerste en laatste zinnen van deze tekst: “Government schooling is the most radical adventure in history. It kills the family by monopolizing the best times of childhood and by teaching disrespect for home and parents. The whole blueprint of school procedure is Egyptian, not Greek or Roman. It grows from the theological idea that human value is a scarce thing, represented symbolically by the narrow peak of a pyramid (...) I can’t teach this way any longer. If you hear of a job where I don’t have to hurt kids to make a living, let me know. Come fall I’ll be looking for work” (‘Staatsgecontroleerd onderwijs is het meest radicale avontuur uit de geschiedenis. Het vernietigt de gezinnen door beslag te leggen op het mooiste stuk van de kindertijd, en door misprijzen aan te leren jegens gezin en ouders. Het basisconcept van de hele onderwijsonderneming is niet Grieks of Romeins, doch Egyptisch. Het uitgangspunt is het uit de lucht geplukte idee dat het menselijk waardevolle een rariteit is, symbolisch terug te vinden aan de smalle top van de piramide (...) Ik kan in deze omstandigheden niet verder onderwijzen. Indien u een job kent waarvan men kan leven zonder jongeren te beschadigen, geef dan een seintje. Want in de komende herfst ben ik werkloos’). Sindsdien is hij een gloeiende ijveraar voor radicale onderwijsvrijheid, een zaak waarvoor hij naar eigen zeggen in het jaar 2000 reeds een miljoen mijlen had afgelegd, en de 50 staten van de USA heeft bezocht.

Gatto schreef enkele sprankelende boeken. Wie deze werken leest, ontdekt alras dat Taylor het prototype is van de luciede gevoelsmens. Zeer belezen, niet steeds even nauwkeurig, doch recht vanuit het hart, en vanuit een decennialange en grondig verwerkte onderwijservaring sprekend.


Gatto over school en democratie

Een centrale stelling van Gatto luidt: “...forced schooling...was a way to stop democracy” (‘schoolplicht ... was een manier om de democratie af te blokken’; p.17). Toen de USA op het einde van de 18de eeuw vorm aannamen, was het gevaar voor een doorbraak van de democratie inderdaad reëel. In het gebied bestonden reeds frappante voorbeelden van direct-democratische besluitvorming, met name in de Town Meetings in het Noordoosten. Die lagen dan ook snel onder vuur: “As early as 1784, a concerted effort was made by the Boston business community to overthrow town meetings, replacing them with a professionally managed corporation. Barrell, a wealthy merchant, claimed citizen safety could be enhanced this way, - and besides, ‘a great number of very respectable gentlemen’ wished it. Timothy Dwight, longtime president of Yale after 1795, and a pioneer in modern education (...) fought a mighty battle against advancing democracy. Democracy was hardly the sort of experiment men of affairs would willingly submit their lives and fortunes to for very long” (‘Reeds in 1784 deed de zakengemeenschap te Boston georganiseerde inspanningen om de Town Meetings te vervangen door een professioneel geleid bestuur. Barrell, een rijke handelaar, beweerde dat dit de veiligheid van de burgers zou verhogen, en dat ‘vele vooraanstaande burgers’ zo’n stap verlangden. Timothy Dwight, vanaf 1795 een lange tijd president van Yale, en een pionier inzake moderne opvoeding (...) voerde krachtig strijd tegen de democratie. Democratie was niet het soort experiment waaraan zakenmensen zichzelf en hun bezittingen langdurig wensten overgeleverd te zien’ ; Gatto 2001b, p.16-17).
We beleven in deze politiek correcte tijden een heuse ‘Umwertung aller Werten”: wat goed was, wordt kwaad; wat mooi is, wordt lelijk; wat waardevol was, wordt belachelijk. Toch zijn er enkele constanten te bespeuren, zoals bijvoorbeeld de tendens om de individuele mensen steeds machtelozer te maken. In Duitsland werd een wet goedgekeurd, die het doden van mieren met zware boetes bestraft. Een legertje van 85 mierenbeschermingsambtenaren werd aangesteld, om de daad bij het woord te voegen. Huiseigenaars of tuiniers die wederrechtelijk een hinderlijk mierennest willen liquideren, zijn dus verwittigd: ze moeten toelating vragen om verhuis van het mierennest naar het dichtstbijgelegen bos te mogen doorvoeren. De Britse regering heeft dan weer de bescherming van de inbrekers tegen het geweld van hun slachtoffers bovenaan haar agenda geplaatst. In New York zijn er bijna dagelijks berichten over krankzinnige boetes, uitgedeeld in het kader van het daar geldende zero tolerance-beleid. Mensen werden daar bijvoorbeeld beboet omdat ze op een plastieken kratje op het voetpad voor hun pand hadden plaatsgenomen ($ 160), omdat ze op een metrotrein in slaap vallen én hun arm daarbij op het aangrenzende zeteltje lieten rusten ($ 80), of omdat ze op de trappen van de subway even stopten om uit te blazen (dit kostte een zwangere vrouw $80).

www.sundaytimes.news.com.au/printpage/0,5942,6523003,00.html

Het doel van deze permanente ‘blame game’ is uiteraard, om Jan-met-de-pet gaandeweg te dresseren tot een toestand van permanente culpabilisering, onderwerping en controle. Het politiek correcte establishment richt daarbij zijn pijlen bij voorkeur tegen elementen die op één of andere manier natie- of volks- of traditiebevestigend zijn. Een typisch voorbeeld is het offensief, dat in Groot-Brittannië begonnen is tegen de ‘hot cross buns’, dat zijn gebakjes met een kruis erop die met Pasen opgediend worden, en nu van de scholen worden geweerd omdat ze ‘aanstootgevend’ zouden zijn voor niet-christenen, met name Joden, hindoes en moslims.

==>’Hot cross banned: councils decree buns could be ‘offensive’ to non-Christians’ Daily Telegraph 16 03 03.
www.telegraph.co.uk/news/main.jhtml?xml=/news/2003/03/16/nbuns16.xml


Scholen spelen bij deze algemene dressuur een cruciale rol.

Vooreerst leren zij de gezinnen machteloosheid aan. De politieke klasse is geïnteresseerd in versplinterde gezinnen, waarbij de ouders allebei voltijds gaan werken en de kinderen zo vroeg mogelijk worden uitbesteed in allerhande staatsgecontroleerde instellingen (zie in de knipselbijlage C-F een ouder artikel van mij over dit onderwerp). “Schools stifle family originality by appropriating the critical time needed for any sound idea of family to develop - then they blame the family for its failure to be a family. ” (‘Scholen onderdrukken familiale originaliteit door beslag te leggen op de tijd die families broodnodig hebben om zich gezond te ontwikkelen, waarna ze de gezinnen hun mislukking verwijten; Gatto 1991b, p.74).

Ten tweede leren de kinderen op scholen om hun leven te laten bepalen door externe motieven. Hun gedrag wordt in verregaande mate bepaald door uurroosters, schoolbellen, leerprogramma’s en eindtermen. Kinderen worden op school gesorteerd per leeftijd; onafgezien van hun individuele aanleg en bekwaamheid, worden zij met leeftijdsgenoten in één klas samengebracht. Volgens Gatto is zich leren conformeren aan de uitvoering van in wezen onzinnige taken en opdrachten, één van de belangrijkste doelstellingen van de school: “Work in classrooms isn’t significant work; it fails to satisfy real needs pressing the individual; it doesn’t answer real questions experience raises in the young mind; it doesn’t contribute to solving any problem encountered in actual life. The net effect of making all schoolwork external to individual longings, experiences, questions, and problems is to render the victim listless (...) As I watched it happen, it took about three years to break most kids, three years confined to environments of emotional neediness with nothing real to do. In such environments, songs, smiles, bright colors, cooperative games, and other tensions-breakers do the work better than angry words and punishment could” (‘Klaswerk is betekenisloos. Het komt niet tegemoet aan enige nood van de maker en geeft geen antwoord op de vragen van de jongere; het lost geen problemen op uit het echte leven. Het eindresultaat van deze loskoppeling tussen schoolwerk en de individuele verlangens, ervaringen, vragen en problemen is, dat het slachtoffer tot lusteloosheid wordt veroordeeld (...) Naar mijn ervaring volstaat een verblijf van ongeveer drie jaar in een emotioneel vacuüm, zonder levensechte activiteiten, om de meeste kinderen te breken. Een omgeving met zang, glimlachjes, felle kleuren, gezelschapsspelletjes is daarbij effectiever dan strenge woorden en straffen’; Gatto 2001, p.43). “...I began to realize that the bells and the confinement, the crazy sequences, the age-segregation, the lack of privacy, the constant surveillance, and all the rest of the national curriculum of schooling had set out to prevent children from learning how to think and to act, to coax them into addiction and dependent behavior” (‘...ik ging beseffen dat de schoolbel, de opsluiting, het maffe uurrooster, de groepering per leeftijd, het gebrek aan privacy, de permanente bewaking, en alle andere middelen uit ons nationaal opvoedingsarsenaal bedoeld zijn om kinderen te beletten om te denken en te handelen, en om ze slaafs en afhankelijk te maken’; Gatto 1991b, p.xii). Uit vele passages in zijn geschriften blijkt, dat de waarneming van de progressieve verschrompeling van heel wat kinderen in het schoolsysteem voor hem een indrukwekkende ervaring was: “After struggling at the bars of the cage for a few years, most kids just give up and settle into the low-grade vocational activities of the school” (‘Na enkele jaren aan de staven van de kooi te hebben gerukt, geven de meeste kinderen het op, waarna ze zich richten zich in de op minderwaardige doelen gerichte schoolactiviteiten’; Gatto 2001a, p.192); “The children we capture sense the time they are losing is precious time, time that will never return. They dislike themselves for not knowing how to save their lives and turn time to real use” (‘De kinderen die wij inkooien voelen wel dat ze kostbare en onvervangbare tijd verliezen. Ze zitten vol stil zelfverwijt omdat ze hun levenstijd niet konden redden, niet zinnig konden gebruiken’ Gatto 2001a, p.40); “A great many children see through the fraud in elementary schooling but lack language and education to come to proper terms with their feelings” (‘Vele kinderen voelen de oplichterij van het schoolwezen wel aan, maar ze missen de woorden en de achtergronden om dit gevoel klaar te verwoorden’; Gatto 2001b, p.363).

Ten derde leren kinderen op een school ook om zich in te passen in machtshiërarchieën, die hun bestaan juist danken aan het gesloten karakter van de schoolinstelling (zie knipselbijlage F-I voor een ouder artikel van mij over dit thema): “The truth is that schools don’t really teach anything except how to obey orders. This is a great mystery to me because thousands of humane, caring people work in schools as teachers, aides, and administrators. It must be that the abstract logic of the institution they work for is psychopathic; it has no conscience. It rings a bell and the young man in the middle of writing a poem must close his notebook and move to a different cell where he must memorize that man and monkeys evolved from a common ancestor” (‘Het enige wat scholen echt aanleren is het opvolgen van bevelen. Dat is een mysterie, want duizenden humane en zorgzame mensen werken in het onderwijs als leraar of als ondersteunend en administratief personeel. De oorzaak moet liggen in het feit dat de abstracte en gewetenloze logica van het schoolinstituut als zodanig psychotisch functioneert. De bel gaat en de jongere die doende is een gedicht te schrijven moet zijn schrift dichtklappen en naar het volgende celletje doorschuiven, waar hij zich moet inprenten dat mensen en apen van een gezamelijke voorvader afstammen’; Gatto 2001a, p.15).

Gatto gaat expliciet uit van een mensbeeld, waarbij ieder individu gekenmerkt wordt door een eigen lot en levensplan; de school functioneert als een wapen tegen deze individuele levenskern: “The fact is that if you watch children cosely in controlled conditions as I did for thirty years as a schoolteacher, you can hardly fail to conclude that each kid has a private destiny he or she is pulling toward wordlessly, a destiny frequently put out of reach by schoolteachers, school executives, or project officers from the Ford Foundation” (‘Wie zoals ikzelf kinderen gedurende dertig jaar heeft geobserveerd kan niet naast het feit kijken dat ieder kind een strikt persoonlijke bestemming heeft waarop het zich in stilte richt. En vaak komt die bestemming dan buiten bereik, door de interventies van leraren, schoolverantwoordelijken, of projectleiders van de Ford Stichting’; Gatto 2001a, p.108).

Het spreekt vanzelf dat op deze manier juist het soort burgers wordt gekweekt, dat de politieke klasse welgevallig is. De schoolstructuur kweekt mensen, die het normaal vinden om extern geleid te worden. Diegenen die toegeven dat scholen inderdaad niet efficiënt zijn om vaardigheden aan te leren in de engere zin, maar dat zij wel belangrijk zijn voor het ‘socialisatieproces’, hebben meestal juist dit soort inpassingsvermogen op het oog. Scholen kweken het soort burgers aan wie je kunt wijsmaken, dat een vanuit de top geleide particratie in feite een ‘democratie’ is.

De piramide: ex oriente lux

Eén van de opvallende elementen in de onderwijsgeschiedenis is inderdaad de steeds terugkerende inspiratie, die voorstanders van autoritair staatsonderwijs vinden in Oosterse voorbeelden. De Vries (p.24) citeert een passage uit een preek van Luther (1530): “Ich halt aber das auch die oberkeit hie schuldig sey die unterthanen zu zwingen, ihre kinder zu schulen zu halten (...) Thut doch der Turck wol ein anders, und nimpt das dritte kind inn seinem gantzen reich und zeuchts wo zu er will. Wie viel mehr sollen unser herrn doch ettliche knaben nemen, zur Schulen, so doch damit den Eltern das kind nicht genommen, sondern zu ihrem Besten und zu gemeinem nutz erzogen wurde, zu dem Ampt, da ihm gnug geben wird. Darumb wache hie, wer wachen kan, die oberkeit wo sie einen tüchtigen knaben sihet, das sie den zur schulen halten lasse”. Luther verwijst hier naar het voorbeeld van de jongensschatting in het Osmaanse rijk: een vast deel van de zonen van christelijke onderdanen werd van de ouders afgenomen, en die kinderen werden ingelijfd bij de Janitsaren, een kaste van paleisdienaren. Volgens Luther moeten de christelijke vorsten op vergelijkbare wijze te werk gaan: kinderen moeten met het oog op het algemeen nut overheidsopvoeding krijgen in scholen. Luther gebruikte ook de vergelijking tussen schoolplicht en dienstplicht: “Als de regering burgers die geschikt zijn voor militaire dienst kan dwingen tot het dragen van speer en geweer, het bestormen van bolwerken en het vervullen van andere krijgsplichten in tijd van oorlog, hoe veel meer heeft zij dan een recht om mensen te dwingen hun kinderen naar school te zenden, omdat we in dit geval oorlog moeten voeren met de duivel” (uit een brief aan keurvorst Jan van Saxen; de Vries p.172).

Gatto (p.17-21) beschrijft de hindoeïstische invloed op de vroege scholingsmethodes in Groot-Brittannië en de USA. Die geschiedenis begint met Andrew Bell, een Britse koloniaal in India die op het einde van de 18de eeuw het onderwijssysteem bestudeerde, waarmee op bepaalde plaatsen in India de lagere kasten (95% van de Hindoe-bevolking) in het gareel werden gehouden. In deze scholen zaten honderden kinderen uit de lagere kasten samen in één grote ruimte. De kinderen waren onderverdeeld in groepen van tien, met één ouder kind aan het hoofd. Dat oudere kind gaf het eigenlijke onderricht aan zijn onderafdeling, en stond daarbij onder direct toezicht en controle van de Brahmaan, die het geheel superviseerde maar zelf geen onderricht gaf. Bell kopieerde dit systeem in een wezentehuis waarover hij de leiding had gekregen, en stelde vast dat het zeer geschikt was om zijn pupillen tot meegaande kostgangers om te vormen. In 1797 schreef Bell een boekje over zijn bevindingen. In Groot-Brittannië werden een reeks elementen uit het door Bell beschreven Hindoe-schoolsysteem overgenomen door Joseph Lancaster, een jonge quaker die eigenlijk emancipatorische bedoelingen had. De Lancasterscholen trokken de aandacht, en werden door de hogere kringen aanvankelijk gezien als een middel om de lagere klassen te disciplineren. Maar Lancasters meer emancipatorische doelstellingen werden niet gesmaakt en al gauw werden concurrerende scholen opgericht die trouwer bleven aan de door Bell beschreven Hindoeprincipes. Lancaster week uit naar de USA. In 1811 werd Bell, die teruggekeerd was naar Engeland, benoemd als hoofd van de ‘National Society for Promoting the Education of the Poor in the Principles of the Established Church’ die de Lancasterscholen moest beconcurreren. Het systeem van Bell werd ook in Schotland ingeplant. Voor zijn diensten aan de staat werd Bell begraven in Westminster Abbey. De Lancasterscholen waaierden ook uit naar de USA, en verwerden daar ook tot Bell-scholen. De impact van de Bell-scholen bleef in de USA eerder marginaal, maar was belangrijk in Groot-Brittannië.

In al deze scholen functioneerde het onderricht onder supervisie van één enkele leraar voor 300 tot 1.000 kinderen, wat erg goedkoop was. Net als in de Hindoe-scholen onderrichte die leraar niet zelf, maar via oudere leerlingen die volgens een soort paramilitaire hiërarchie waren ingedeeld.

Gatto beschrijft uitvoerig, hoe het Amerikaanse schoolsysteem werd beïnvloed vanuit Pruisen. Het autoritaire Pruisen was in de loop van de 19de eeuw een lichtend voorbeeld voor de Amerikaanse onderwijshervormers. Pruisen was het eerste land dat op een succesvolle wijze de schoolplicht invoerde, in 1819. Volgens Gatto (2001, p.136) heeft de autoritaire traditie in Pruisen zeer diepe historische wortels, tot in de dertiende eeuw toen de Teutoonse ridderorde de oorspronkelijke Slavische bevolking uitroeide en in het gebied een traditie van gecentraliseerd bestuur invoerde, naar het voorbeeld van de Saraccenen, dat de Orde had leren kennen tijdens de kruistochten. Ex oriente lux. Of in Gatto’s woorden: “Schools teach exactly what they are intended to teach and they do it well: how to be a good Egyptian and remain in your place in the pyramid” (‘Scholen leren precies datgene waarvoor ze bedoeld zijn. Ze leren je hoe je een goede Egyptenaar kan worden die blijft staan op zijn plaats in de piramide’; Gatto 1991b, p.15-16; ook: p.75).

De school als vampier

Gatto maakt een interessant onderscheid tussen gemeenschap (‘community’) en netwerk (‘network’) (Gatto 1991b, p.51 ev). Een gemeenschap karakteriseert hij als volgt: “A community is a place in which people face each other over time in all their human variety, good parts, bad parts, and all the rest. Such places promote the highest quality of life possible, lives of engagement and participation” (‘Een gemeenschap is een plaats waar mensen doorheen de tijd elkaar in al hun goede, slechte en andere facetten waarnemen. Zo’n plaatsen zijn de juiste omgeving voor optimale levenskwaliteit, en voor engagement en betrokkenheid’; p.56). ”networks, however, don’t require the whole person, but only a narrow piece. If you function in a network it asks you to suppress all the parts of yourself except the network-interest part - a highly unnatural act although one you can used to” (‘In netwerken speelt niet de hele mens, doch slechts één beperkt facet een rol. Wanneer je functioneert in een netwerk word je geacht enkel dat beperkte facet te laten meespelen. Dat is eigenlijk een zeer onnatuurlijke gang van zaken, al kan je er wel aan wennen’; p.53). Netwerken zijn op zich niet problematisch, maar zij kunnen geen gemeenschappen vervangen: “...they lack any ability to nourish their members emotionally” (‘Ze zijn niet in staat de mensen gevoelsmatig te verzorgen’; p.58). Netwerken zijn normaal wanneer het erom gaat specifieke doelstellingen na te streven, op een beperkt levensdomein. Scholen hebben volgens Gatto ook netwerkkarakter, maar ze poseren als gemeenschap, waardoor ze een vampierkarakter krijgen: “..a vampire network like a school, which tears off huge chunks of time and energy needed for building community and family - and always asks for more - needs to have a stake driven through its heart and be nailed into its coffin” (‘Een vampiernetwerk als de school scheurt uit het sociale weefsel hele stukken tijd en energie weg die nodig zijn om de gemeenschap en de familie op te bouwen. En de vampier wil altijd méér. We moeten een paal door zijn hart drijven en zijn doodskist toenagelen’; p.56). Volgens Gatto is dit maatschappelijk vampirisme een algemeen kenmerk van wat hij de ‘instituties’ noemt: “...every institution’s unstated first goal is to survive and grow, not to undertake the mission it has nominally staked out for itself” (de eerste, onuitgesproken doelstelling van iedere institutie is niet de officieel geproclameerde missie, maar wel de eigen overleving en groei’; p.65) Het vampierachtig karakter van de school manifesteert zich op meerdere domeinen. Zo neemt de school zeer veel tijd van de kinderen in beslag, zodat weinig tijd overblijft voor andere activiteiten. Van de gemeenschap zuigt de schoolvampier steeds meer geldmiddelen weg, zonder dat daar iets productiefs tegenover staat. In de USA zijn de kosten van het onderwijs buitengewoon hoog, en dit levert geen beter onderwijs op. Gatto (2001, p.26) geeft verschillende verbluffende cijfers. In de public schools in New York gaat niet minder dan 51% van het onderwijsgeld naar algemene administratieve kosten, en nog eens 5% wordt afgeroomd voor administratie in het schooldistrict zelf. Maar ook binnen de school zelf gaat nog eens een pak geld naar niet-onderwijzende functies, zodat voor die laatste uiteindelijk nog 32% overblijft. Dit schijnen in de USA de normale verhoudingen te zijn. In 1990 werd in Milwaukee $6.951 per jaar en per leerling uitgegeven, maar slechts $1.647 ging naar financiering van het eigenlijke lesgeven. De rest was voor administratie, inspectie en allerhande omkadering (Gatto 2001, p.29). Inderdaad een administratieve vampier. En zonder twijfel treedt hier ook weer het traditionele bureaucratie-effect op: diegenen die aan de top van het onderwijs werkzaam zijn vormen een machtige full-time actieve drukkingsgroep, die in staat is om steeds meer middelen naar het schoolsysteem te draineren, zonder dat hier enige productiviteit tegenover staat.

Gatto beschrijft hoe het onderwijssysteem in dienst staat van de particratie. Het particratisch regime is, net zoals zijn onderwijsjong, een vampierachtig wezen. Het mechanisme werd reeds op het einde van de 19de eeuw beschreven, door Gaetano Mosca, in het boek ”Elementi di Scienza Política” (Rome: Fratelli Bocca 1896, tweede uitgebreide editie 1923; in het Engels uitgegeven als: ‘The Ruling Class: Elements of a Science of Politics’; Gatto 2001b, p.349-350). In dit werk wordt gesteld dat de elite zich bewust en zorgvuldig moet laven aan het denktalent en de vitaliteit die opduikt in de onderworpen klassen. Het onderwijs moet in die lagere klassen systematisch talent opsporen, het de waarden van de dominerende elite bijbrengen en de veelbelovende jongeren vervolgens leiden naar opname in de elite: “Identified early enough inside the laboratory of government schooling, the best leadership of these classes could be uprooted and transplanted into the ruling class society, reinvigorating the blood stock of the overclass: Count Dracula in education department drag” (‘Indien het snel genoeg wordt herkend in het laboratorium van het staatsgecontroleerd onderwijs, kan het beste leiderstalent uit die klassen worden losgemaakt en getransplanteerd naar de heersende klasse, die daardoor van nieuw bloed wordt voorzien: graaf Dracula in onderwijsvermomming dus’; Gatto 2001b, p.350). Het boek van Mosca was volgens Gatto een hit in academische kringen tijdens de eerste decennia van de 20ste eeuw. Het particratische recept wordt door Gatto als volgt samengevat: “The theory of democratic elites provided a way to have plutocracy hide inside the skin of democracy, to have ordinary people represented by the best ‘selected by the best’. Here was Orwellian Newspeak of a very high order. Since the commons could not be trusted to select the best from among itself, the community of quality would have to do it for them, backstage, concealing (...) the full reality of the radical political transformation” (‘De theorie van de ‘democratische’ elites bood een mogelijkheid, om plutocratie te laten doorgaan als democratie, waarbij dit laatste stelsel dan wordt voorgesteld als een systeem waarbij de besten de besten selecteren. In feite staan we hier voor een zeer hoogontwikkelde vorm van Orwelliaanse nieuwspraak. De selectie van de besten kan niet aan het gemeen worden toevertrouwd, en daarom moet de elite dit voor hen doen, achter de schermen (...) waarbij de werkelijkheid van deze radicale politieke verschuiving verborgen blijft’; Gatto 2001b, p. 350).

Samengevat: het eigenlijke doel van ons onderwijssysteem is niet, dat de kinderen zouden leren en de in hen aangelegde talenten en impulsen zouden ontplooien. Het doel is, om de particratische elite van nieuw bloed en talent te voorzien, en om bij het gemeen de meme van onderhorigheid en volgzaamheid in te planten.


Kort pleidooi voor een concreet alternatief

Het kan niet ontkend worden dat de burgers in de afgelopen eeuw enkele zware nederlagen hebben geleden tegen de anonieme, sluipende macht van het globaliserende kapitalisme. Het feit dat Vlamingen nu gemiddeld twee uur en veertig minuten per dag doorbrengen voor de televisie vertegenwoordigt, ondanks alle mooipraterij, een belangrijke maatschappelijke verliespost. Hetzelfde geldt voor de manier waarop het bestaande schoolsysteem op grote schaal als onmisbaar wordt ervaren: “It is the great triumph of compulsory government monopoly mass-schooling that among even the best of my students’ parents, only a small number can imagine a different way to do things” (‘De grote triomf van het staatsmonopolie op gedwongen massascholing blijkt hieruit, dat zelfs de ouders van mijn beste studenten zich maar zelden kunnen voorstellen dat het ook anders kan’; Gatto 1991b, p.12).

In weinig sectoren wordt zoveel goede wil gestoken als in het onderwijs. Mijn pleidooi is allerminst gericht tegen diegenen die op de scholen werken en leren. Juist om het rendement en de betekenis van die inspanningen te valorizeren, stel ik de interventie van de staat in onze scholen in vraag. Hoe zou het anders kunnen?

Eerste uitgangspunt: de generaties veranderen snel. Reeds in 1919 merkte Steiner op: “Die Kinder sind heute anders, als sie waren vor Jahrzehnten. Das ergibt sich schon aus einer oberflächlichen Betrachtung sehr deutlich. Man muß sie anders erziehen und anders unterrichten, als man vor Jahrzehnten unterrichtet hat. Man muß mit dem Bewußtsein unterrichten, daß man eigentlich bei jedem Kinde eine Rettung zu vollziehen hat” (‘Kinderen zijn nu anders dan enkele decennia geleden. Zelfs een oppervlakkige waarneming maakt dat duidelijk. De opvoeding moet nu anders zijn dan voor enkele decennia. En men moet onderrichten met het besef, dat het voor ieder kind eigenlijk om een reddingsoperatie gaat’; GA 296, 16/8/1919). Dat betekent ook, dat wij nu weer op een andere manier tewerk moeten gaan dan in 1919. Want de kinderen veranderen inderdaad. Het gemiddelde IQ bijvoorbeeld, is doorheen de loop van de vorige eeuw om onbekende redenen dramatisch gestegen (het Flynn-effect). Maar naast zo’n relatief makkelijk meetbaar kenmerk, zijn ongetwijfeld ook allerlei andere karakteristieken, waarop men niet of nauwelijks met kwantitatieve methoden de hand kan leggen, sterk gewijzigd. En dat in deze tijden van reclame, verfijnde staatspropaganda, ideologisch en praktisch materialisme en politieke correctheid iedere opvoeding tevens ook een soort reddingsoperatie is, zou voor iedereen duidelijk moeten zijn.

Ander punt: ik ga uit van wat ik voor mijzelf de ‘gulden regel van Steiner’ ben gaan noemen: de kunst bestaat erin om het maatschappelijke leven zo in te richten dat de mensen deze maatschappelijke vormen als eigen scheppingen kunnen zien en behandelen, en erin kunnen werken en handelen vanuit eigen motivatie. In Steiners woorden: “..die soziale Kunst würde darin bestehen, daß man das, was uns äußerlich umgibt, allmählich so umwandelt, daß es der Mensch behandeln kann wie das, was ihm von innen aus eigen ist, wie das, was ganz aus seiner Individualität herausquillt” (‘...sociale kunst zou daaruit bestaan, dat men onze omgeving zodanig hervormt dat de mens met die omgeving kan omgaan als iets, wat met zijn innerlijk leven is verwant, als iets, wat uit zijn eigen individualiteit is opgestegen’ -R.Steiner Gesamtausgabe 338, p.113).

Wat betekent dit voor het onderwijs? Eerst en vooral, dat het schoollopen niet verplicht mag worden. Dat was trouwens de uitdrukkelijke opvatting van Steiner zelf. Weg met iedere vorm van wettelijke of feitelijke schoolplicht. Cultuur en geestes-leven dient te beginnen bij de individuen, en wat de opvoeding betreft, bij de gezinnen. Niet bij de staat, niet bij allerhande educatieve organisaties en koepels - autonoom of niet. De vrije geest is immers een individueel en geen collectief gegeven. In Gatto’s woorden: “...no large-scale reform is ever going to work to repair our damaged children and our damaged society until we force open the idea of ‘school’ to include family as the main engine of education”(‘Geen enkele grootschalige hervorming zal ooit de schadeberokkening aan kinderen en samenleving kunnen stoppen, zolang het concept ‘school’ niet mee het gezin als belangrijkste opvoedingsmiddel gaat omvatten’; Gatto 1992, p.37)

De gezinnen moeten met andere woorden de reële keuze hebben, tussen schoollopen of zelf onderwijs organiseren. Het natuurlijke systeem om dit te realiseren is de ‘leerbon’: je geeft het subsidiegeld dat nu per kind naar de school gaat (pakweg 2.500 euro per kind en per jaar voor de lagere school; dubbel zoveel voor het middelbaar) aan het gezin (terloops: zonder onbillijke inkomensverdeling zou de leerbon overbodig zijn; een simpele belastingsverlaging zou dan volstaan).

De gezinnen kunnen de leerbon gebruiken om zelf onderricht te geven, om met een aantal gezinnen samen een klein of wat groter schooltje op te richten, of om de school van hun keuze te financieren. In dat laatste geval geven ze hun leerbon gewoon door aan de school. Gatto pleit herhaaldelijk voor het teruggeven van het onderwijsbelastingsgeld aan de gezinnen: “Pouring the money we now pour into schooling back into family education might cure two ailments with one medicine, repairing families as it repairs children (...)...give families back their tax money to pick and choose - who could possibly be a better shopper if the means for comparison were made available?” (‘terugvloeiing richting gezinnen van het geld dat nu naar de scholen gaat, zou zowel de gezinnen als de kinderen ten goede komen (...) .. geef de gezinnen hun belastingsgeld terug, zodat ze kunnen kiezen en selecteren; wie zou dat beter kunnen, indien de middelen ter vergelijking beschikbaar zijn’; Gatto 1992, p.32-33 en p.103); “Give a portion of school taxes back to parents who want to shop around the old and new options for a better deal than they are getting” (‘Geef een stuk van het onderwijsbelastingsgeld terug aan de ouders, zodat die kunnen kiezen tussen de oude en de nieuwe oplossingen en meer waar voor hun geld kunnen bekomen’; Gatto 2001a, p.31).

Ook de scholen moeten volstrekt vrij zijn om zich te richten op de leerbehoeften van de kinderen. Hoe soepeler het leersysteem, hoe beter. Mensen, gezinnen en leraren moeten volstrekt vrij zijn om samenwerkingsverbanden naar keuze in te richten, zonder enige staatsinmenging. Gatto noemt dit het ‘congregational principle’ (het ‘congregatiebeginsel’): mensen moeten vrij zijn om te kiezen met wie ze willen samenleven en samenwerken. Gatto zelf omschrijft dit principe als volgt: “...people are less than whole unless they gather themselves voluntarily into groups of souls in harmony” (‘mensen kunnen niet volledig mens zijn tenzij ze zich vrijwillig met zusterzielen kunnen verbinden’; Gatto 1992, p.96). Volgens Gatto (1992, p.87) is dit principe met name in het onderwijs van het allergrootste belang. Wanneer je mensen met willekeurig uiteenlopende achtergronden, bekwaamheden, idealen en doelstellingen verplicht om samen te werken (wat gebeurt in staatsgecontroleerd onderwijs), dan moet je uniformiseren. Het is zoals het verhaal van Procustes, die zijn gasten op maat van zijn gastbed sneed of uitrekte. Het bed paste dus perfect voor iedereen, maar iedereen werd beschadigd. Om écht te kunnen leren, heb je eerst en vooral radicale onderwijsvrijheid nodig. Gatto wijst het principe af dat kinderen uit verschillende achtergrond perse moeten ‘gemengd’ worden. Wat wij tegenwoordig ‘multiculturalisme’ noemen, voert Gatto terug tot de tussenoorlogse jaren, toen de Amerikaanse politiek-economische elite een mediacampagne opzette om de publieke opinie tot het ‘internationalisme’ te bekeren. De scholen speelden bij de realisatie van die propagandacampagne trouwens een belangrijke rol (Gatto 2001b, p.353-354).

Het ultieme fundament van de onderwijsvrijheid is deze: het individu moet ruimte krijgen om zich op zichzelf terug te plooien en zich vanuit het eigen centrum te ontwikkelen. Het kind moet in de stilte zichzelf kunnen horen. “The Congregationalists understood that good things happen to the human spirit when it is left alone” (‘De congregationalisten beseften dat de menselijke geest er wel bij vaart wanneer hij gerust gelaten wordt’; Gatto 1991b, p.94). “The natural solution to learning to live together in a community is first to learn to live apart as individuals and as families. Only when you feel good about yourself can you feel good about others” (‘Om samen een gemeenschap te leren vormen, moet je eerst als individu en gezin apart leren leven. Alleen wie zich goed voelt op zichzelf, kan zich ook goed voelen samen met de anderen’; Gatto 1991b, p. 79).

Hoe kunnen we het ‘congegratieprincipe’ in het onderwijs optimaal toepassen? Vooreerst door de overeenkomsten tot samenwerking zoveel mogelijk op te splitsen. Leerlingen zouden zich best per vak inschrijven, niet per schooljaar. Ze zouden per vak steeds de keuze moeten krijgen tussen, hetzij zelfstandig leren, hetzij de lessen volgen. Naast die twee mogelijkheden zou nog een derde mogelijkheid kunnen voorzien worden: een coachingsovereenkomst met de leraar, die dan geen les geeft maar beschikbaar is om bij moeilijkheden uitleg of hulp te bieden. Afspraken moeten door individuen in principe per vak gemaakt en nagekomen worden. Net zoals burgers in een democratie niet enkel kunnen kiezen tussen partijprogramma’s, maar via het volksreferendum ook kunnen opteren voor afzonderlijke wetsvoorstellen, zo kunnen leerlingen in een écht vrij onderwijssysteem niet enkel kiezen tussen volledige schoolprogramma’s, maar kunnen ze ook opteren voor aparte vakken en projecten.

De staat kan middelbare examens inrichten of centra voor zo’n examens erkennen. In elk geval zouden die examencentra zich buiten de scholen moeten bevinden. Examens en scholen worden best gescheiden. Scholen zijn in wezen instellingen voor vrije geesten; examencentra waar diploma’s (rechtsdocumenten) afgeleverd worden, zijn eigenlijk rechtsinstellingen en horen door de rechtsstaat beheerd of erkend te worden. Die examens moeten grosso modo betrekking hebben op een pakket vakken wat overeenkomt met de kennis en vaardigheden die wenselijk zijn om optimaal als burger te kunnen functioneren, en om hogere studies te kunnen aanvatten (dat schijnt inderdaad de bestaansreden van het middelbaar diploma te zijn). Leerlingen kunnen naarmate ze vorderen, tussen hun andere activiteiten en volgens hun eigen ritme, de vereiste examens afleggen. Zolang dit ritme globaal genomen niet te laag ligt, is er geen leerinspectie nodig, noch voor het gezin, noch voor de school. Het moet bijvoorbeeld perfect mogelijk zijn, dat een leerling die rond zijn 16de de meeste officiële credits heeft behaald, dan een half jaar niet studeert maar bijvoorbeeld gaat werken.

Anderzijds moeten scholen volop de vrijheid hebben, om hun leeraanbod te verruimen met activiteiten die voor de officiële eindexamens geen belang hebben. De gezinnen zullen vrij bepalen in welke mate ze op ieder aanbod ingaan. “Break up these institutional schools, decertify teaching, let anyone who has a mind to teach bid for customers, privatize this whole business - trust the free market system” (‘Splits de institutionele scholen op, schaf het systeem van pedagogische diploma’s af, laat iedereen die wil lesgeven zijn diensten aanbieden, privatiseer de hele zaak en vertrouw op de vrije markt’; Gatto 1992, p.79).

Bij dit alles komt het erop aan om twee tussendoelstellingen te realiseren: de jongere moet aan iedere les deelnemen, omdat hij/zij vrij gekozen heeft om aan die specifieke les deel te nemen, en de jongere moet voldoende ruimte krijgen om te leren, het eigen leven richting te geven in functie van zelfgekozen doelstellingen en de eigen, specifieke talenten en verzuchtingen.

De te verwachten voordelen zijn talrijk. Vooreerst zullen kinderen veel meer leren. Een realistische verwachting is, dat het tempo waarmee leerstof wordt verwerkt, met 50 à 100 procent zal toenemen.

De belangrijkste winst zal echter de cultuur van zelfstandigheid en vertrouwen zijn, die door zo’n vrij onderwijs kan worden opgebouwd. Gezinnen zullen veel meer kunnen fungeren als autonoom beslissende entiteiten, en jongeren zullen veel meer mogelijkheden verwerven, om hun leven zelfstandig, zonder externe controle door allerhande onzichtbare machten in te richten. En dat zijn juist de vaardigheden die een democratie nodig heeft.

Democratie veronderstelt immers, dat er een actief geestesleven bestaat, waarin voortdurende nieuwe ideeën ontstaan, die dan via democratische beeld- en besluitvorming tot wetten uitkristalliseren. Dat actieve geestesleven verhoudt zich tot de staat, zoals de zon zich verhoudt tot de plant. Evenmin als de plant de zon kan controleren, kan de staat het geestesleven controleren. Toch is het juist dat, wat dictaturen en particratieën voortdurend proberen. Bij invoering van daadwerkelijke onderwijsvrijheid wordt het particratische regime dan ook de grote verliezer. De partijen zullen inderdaad, door de terugdringing van de staatsmacht over het onderwijsgebeuren, hun remmende en bevoogdende rol moeten opgeven. Scholen zullen niet langer hun instrumenten tot politieke indoctrinatie kunnen zijn. In evenredigheid hiermee zal democratie de grote winnaar zijn. Want het democratisch ideaal vereist zelfstandig levende, denkende en oordelende mensen, mensen dus die het tegendeel zijn van wat het staatsgecontroleerd onderwijs wil afleveren.

Zover is het echter niet. De uitweg uit het huidige systeem is moeilijk begaanbaar, omdat hij in wezen enkel door individuen kan worden bewandeld: “...only the fresh air from millions upon millions of freely made choices will create the educational climate we need to realize a better destiny” (‘Enkel de frisse lucht, bestaande uit miljoenen en miljoenen vrij gestelde daden en vrij gemaakte keuzes zal ademruimte bieden voor het opvoedkundig klimaat dat toelaat om de weg naar een betere wereld in te slaan’; Gatto 2001b, p. 384). Enkel vrije keuzes van vrije mensen kunnen een verandering inluiden. Dat kan op vele manieren gebeuren, door leraren die pogen om hun school los te wrikken uit de staatsklem, door ouders die hun kind zelf gaan opvoeden, door vrijwilligers die gezinnen en jongeren in nood opvoedkundig bijstaan. De gevraagde inspanning is altijd groot, en de inzet ook.

Want ieder gered kind is er één.

En de redding van de kinderen is ook de redding van de democratie.

 


ZIJN VERKOZEN GEMEENTERADEN ONMISBAAR ?

- over de Open Town Meetings in New England -

Joseph F. Zimmerman (1999) “The New England Town Meeting: democracy in action” Westport, Connecticut: Praeger

Wij geloven nogal gemakkelijk, dat verkozen gemeenteraden onmisbaar zijn. Een gemeente zonder burgemeester en schepenen, en zonder politieke partijen die elkaar bij lokale verkiezingen bekampen om de ‘macht’, lijkt ondenkbaar. Toch bewijzen honderden gemeenten in New England, dat het ook anders kan. New England is het gebied in het Noordoosten van de USA, ruwweg ten oosten van de lijn New York - Montreal. In de vier noordelijke staten uit dit gebied (Massachusetts, New Hampshire, Vermont en Maine) bestaat vanaf de prilste kolonisatie een bestuurstraditie gebaseerd op de zogenaamde ‘Open Town Meetings’ (OTM). Het hoogste bestuursorgaan in de gemeenten is er niet een verkozen gemeenteraad, doch een open volksvergadering. Prof. Zimmerman (State University of New York) schreef er een boek over.

Hoe functioneert een OTM?

We schetsen hieronder de situatie in de staat Massachusetts; maar het systeem is in New Hampshire, Vermont en Maine zeer gelijklopend (we laten de burgervergaderingen met gereduceerde bevoegdheid, die voorkomen in Connecticut en Rhode Island, buiten beschouwing).

De OTM komt in principe éénmaal per jaar samen. Alle geregistreerde kiezers uit de gemeente kunnen op de vergadering het woord nemen en stemmen. De vergadering wordt bijeengeroepen door de ‘Board of Selectmen’. Dit is een comité waarvan de leden werden aangeduid op vorige zittingen van de OTM, en dat fungeert als een soort executieve van de OTM.

Deze Board nodigt de kiezers uit met een ‘warrant’. Dit document vermeldt de plaats en datum van de OTM, alsook de lijst van punten waarover de OTM moet debatteren en stemmen. Burgers van de town kunnen agendapunten op de warrant laten plaatsen. Hiervoor zijn vereist: ofwel honderd handtekeningen van geregistreerde kiezers, ofwel (voor kleine gemeenten) de handtekeningen van één tiende van het aantal geregistreerde kiezers. De selectmen kunnen zelf punten op de agenda plaatsen, en punten opnemen die worden aangedragen door de stadsadministratie en andere comités en commissies.

Toen de OTM’s in de 17de eeuw ontstonden, heetten ze nog ‘folkmoots’. Die kwamen oorspronkelijk wekelijks of maandelijks samen. Er werden in de zeer kleine toenmalige gemeenschappen nog geen vertrouwenspersonen met uitvoerende taken verkozen. Vrij snel evolueerde dit lokale bestuurssysteem naar een stelsel met verkozen uitvoerders. De eerste ‘selectmen’ werden reeds in 1633 aangeduid (in Dorchester). De taak van de ‘Board of selectmen’ bestaat erin om de opvolging van de genomen besluiten te verzekeren, en om - zoals gezegd - de volgende OTM voor te bereiden. De selectmen maken ook het jaarverslag op. De meest effectieve vorm van jaarverslag blijkt diegene te zijn, waarbij de warrant samen met het verslag als een soort krantenbijlage wordt verspreid onder de lokale gemeenschap.

De deelnemers aan de OTM krijgen een aantal adviezen. In een aantal gemeenten gaat aan de eigenlijke OTM nog een informatieve preTown Meeting vooraf, waarop burgers nadere informatie kunnen inwinnen over de punten op de warrant. In de warrant zelf vindt men bij vele ter stemming voorliggende punten adviezen van diverse comités. De ‘town counsel’, een jurist gespecialiseerd in gemeentewetgeving, speelt een belangrijke adviserende rol op de OTM zelf.

De OTM wordt voorgezeten door een moderator, die ofwel aan het begin van de bijeenkomst wordt gekozen ofwel een mandaat (van één tot drie jaar) voor die functie kreeg. Verder wordt ook een ‘town clerk’ gekozen, ondermeer belast met het nemen van de notulen van de OTM. De OTM begint normaliter met de verkiezing van een aantal mandaten, waaronder de selectmen. Die verkiezingen hebben doorgaans geen partijkarakter.

Stemmen gebeurt met handopsteken of opstaan; bij delicate punten gaat men over tot geheime, schriftelijke stemming. Een probleem met de schriftelijke stemming is het tijdrovend karakter (typisch ongeveer drie kwartier voor stemmen + tellen). Toch is de mogelijkheid tot geheime stemming essentieel, ter vermijding van sociale druk bij controversiële onderwerpen.

De besluiten van de OTM kunnen nog herroepen worden via een referendum. In Massachusetts zijn hiervoor de handtekeningen van 300 geregistreerde kiezers vereist, en het besluit van de OTM wordt enkel herroepen indien een meerderheid, die minstens 20% van de geregistreerde kiezers omvat, daarvoor opteert. In bijzondere omstandigheden kunnen ook extra OTM’s bijeengeroepen worden.

Doorgaans is er in de town ook een ‘finance committee’, waarvan de leden voor maximaal drie jaar worden aangeduid, en dat in hoofdzaak fungeert als adviesorgaan voor de OTM inzake geldzaken. Voor grotere gemeenten is zo’n financieel comité verplicht. Het comité heeft in vele gemeenten de bevoegdheid om sommen tussen rekeningen te transfereren en, tot aan een zeker plafond, voor onvoorziene uitgaven te putten uit het reservefonds van de town. Towns met een bevolking boven de tienduizend zielen moeten ook over een ‘planning board’ beschikken. De OTM verkiest of benoemt de leden van deze raad, die zich ondermeer met huisvesting en gezondheidszaken bezighoudt. ‘Finance committee’ en ‘planning board’ geven voor bepaalde punten vaak stemadvies aan de OTM; dit stemadvies is opgenomen in de ‘warrant’.

Indien 200 kiezers, of anders 20% van het aantal geregistreerde kiezers dit verlangen, worden naast de jaarlijkse OTM nog een of meer ‘special town meetings’ ingericht. Dit gebeurt in nogal wat gemeentes op het einde van het jaar, met de bedoeling om sommen van bepaalde gemeenterekeningen te transfereren naar andere rekeningen. De special town meeting kan ook bijeengeroepen worden indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen.

Districten, bijvoorbeeld afgezonderde gehuchten, kunnen eigen meetings houden over thema’s die enkel plaatselijk belang hebben.

Een groot aantal towns in Massachusetts hanteren voor de OTM geen quorum. Elders zijn doorgaans zeer lage quorums voorzien.

Het debat.

Hoeveel burgers zijn op de Town meetings aanwezig? In de USA laat men zich registreren als kiezer. Het procent aanwezigen is dan voor de vier staten met volwaardige OTM’s: Maine: 28,17%; Vermont: 26,03%; New Hampshire: 22,60%; Massachusetts: 11,89%. In feite moeten deze percentages met ongeveer 10% worden verhoogd, omdat op de lijsten van geregistreerde kiezers ongeveer 10% namen staan van personen die inmiddels zijn verhuisd.
De aanwezigheidsgraad hangt sterk af van de grootte van de gemeente. In gemeenten met minder dan 500 inwoners is doorgaans meer dan een derde aanwezig. In de steden in Connecticut met meer dan 20.000 inwoners bedraagt de aanwezigheid nog ongeveer 1% (Zimmerman p. 165; cijfers voor 1996). Men stelt ook een sterk verlaagde afwezigheid vast in gemeenten waar de bevoegdheid van de OTM is beperkt.

De tendens tot deelname aan de town meetings is eerder dalend. Een veelheid van factoren is hiervoor verantwoordelijk. Een factor die duidelijk een rol speelt, is het feit dat de meetingdagen geen verlofdagen meer zijn. Vroeger was de OTM een belangrijk sociaal gebeuren: het officieel gedeelte werd doorgaans gevolgd door een informeel sociaal gedeelte, met een avondmaal enz. Door de meetings meer en meer op gewone werkdagen te houden maakt men voor heel wat mensen de deelname moeilijk of minder aantrekkelijk. Andere factoren die worden genoemd, zijn de toegenomen mobiliteit (‘commuteritis’: in vele gemeenten zijn de inwoners recente inwijkelingen, of mensen die ver buiten de gemeente werken), de toegenomen complexiteit van de af te stemmen agenda, het feit dat heel wat gepensioneerde kiezers op het moment van de OTM in het Zuiden van de USA verblijven, en de algemene tendens tot verminderd maatschappelijk engagement. Geheel in overeenstemming met de bevindingen van Putnam is ook de televisie een negatieve factor: “Television is responsible for a significant decline in town meeting participation. When a choice has to be made between the meeting and one or more favorite television programs, the former is apt to be the loser as far as a significant number of voters are concerned, especially if the warrant contains primarily non-controversial articles” (‘Televisie is verantwoordelijk voor een significante daling van de OTM-deelname. De OTM verliest bij een aantal kiezers gemakkelijk van populaire TV-programma’s, zeker wanneer er geen controversiële punten op de agenda staan’ ; p.168).

Het debat verloopt over het algemeen gediscipineerd. Zimmerman (p.164) citeert in dit verband Finley, die wijst op het gediscipineerd karakter van de Atheense ecclesia: “few actually exercised the right to speak in the Assembly, which did not suffer fools; it acknowledged, in its behavior, the existence of political as well as technical expertise, and it looked to a few men in any given period to lay down alternative policy lines from which to choose” (‘weinigen namen op de Vergadering daadwerkelijk het woord. De Vergadering verdroeg geen gekken; door haar gedrag erkende ze het bestaan van politieke en technische expertise, en rekende op elk moment op een klein aantal mannen om de politieke alternatieven voor te leggen’ M.Finley ‘Democracy: ancient and modern’ Londen: Hogarth Press, p.24). Een traditierijke burgervergadering ontwikkelt een fijne neus voor kwaliteitsvol advies en heeft respect voor bekwaamheid en onderlegdheid. Met andere woorden: je ziet op bijeenkomsten als de OTM aanschouwelijk het ‘shortcut’-fenomeen optreden, dat bij direct-democratische besluitvorming een centrale rol speelt. Dit betekent dat de meeste burgers, bij de beeldvorming omtrent een bepaald vraagstuk, niet zelf de hele kwestie uitdiepen, maar op zoek gaan naar betrouwbare autoriteiten (personen of organisaties) waarop zij zich kunnen oriënteren. De praktijk wijst uit dat tijdens de adviezen die de kiezers krijgen van de ‘planning board’, het ‘finance committee’ en de ‘town councel’ door de deelnemers efficiënt worden benut. Zimmerman voegt hieraan toe: “It would be a mistake, however, to conclude that the town meeting is a rubber stamp of the committee’s and the board’s recommandations, as the unpredictability of the town meeting is proverbial. No warrant article, no matter how insignificant, is immune to comment, amendment, and/or rejection by the town meeting” (‘Men moet echter niet denken dat de OTM volautomatisch de aanbevelingen volgt van raden en comités. De onvoorspelbaarheid van de OTM is spreekwoordelijk, en zelfs het kleinste punt op de warrant kan aanleiding geven tot commentaar, amendering of afwijzing door de vergadering’ p.185).

Zimmerman (p.173-174) enquêteerde bij de gemeenteambtenaren omtrent de kwaliteit van het debat op de OTM. In Massachusetts beoordeelde 82% die kwaliteit als ‘uitstekend’ of ‘goed’, ‘16% als ‘redelijk’ en 2% als bedenkelijk. Zimmerman vroeg ook om de kwaliteit van de beslissingen te beoordelen. In Massachusetts vonden 86% van de ambtenaren de beslissingen ‘uitstekend’ of ‘goed’, 14% ‘redelijk’ en 1% ‘bedenkelijk’. In de andere staten zijn de cijfers analoog.

Aanbevelingen voor optimale werking

Zimmerman destilleert uit zijn studie een reeks aanbevelingen, om te komen tot een optimaal werkende OTM.

- In de mate dat de zelfbesturende dorpen problemen hebben, zijn die volgens Zimmerman niet het gevolg van de OTM, maar wel van het ontbreken van een goed management. De uitvoering van de OTM-besluiten komt in vele dorpen in handen van deeltijdse krachten of vrijwilligers, aangeduid door de OTM. Er bestaat een sterke historische verknochtheid aan dit systeem, en in het verlengde daarvan een groot wantrouwen tegen een sterke uitvoerende macht. Zimmerman raadt aan om te investeren in professioneel management: de OTM kan besluiten tot het in dienst nemen van een professionele voltijdse manager, zodat de besluiten van de volksvergadering efficiënter kunnen worden uitgevoerd (p.189).

- De ervaring wijst uit dat een bekwame moderator essentieel is. Doorgaans heeft de OTM één centrale microfoon. Wie het woord vraagt, gaat naar de microfoon en wacht tot de moderator het woord verleent. Zimmerman raadt twee microfoons aan; één voor de voorstanders van een voorstel, en één voor de tegenstanders. Deze lay-out vergemakkelijkt een evenwichtige presentatie van de argumenten.

- In elk geval moeten de kiezers de warrant per post besteld krijgen. Uithangen op publieke plaatsen is onvoldoende.

- De OTM-organisatie moet voorzien in kinderopvang, en in transport voor ouderen.

- De vergadering kan versneld worden door de opstelling van een ‘consent calendar’. Alle punten waarover vermoedelijk geen dispuut zal ontstaan, worden samengebracht en in één keer goedgekeurd. Aan het begin van de vergadering kunnen door de deelnemers punten uit deze lijst worden gelicht.

- Vele mensen aarzelen om in het openbaar hun stem uit te brengen op een OTM. Zimmerman wijst herhaaldelijk op dit punt. Met moderne technologie zou het zeker mogelijk moeten zijn, om de geheime stemming op de OTM te veralgemenen. Het klassieke invullen van een stembiljet, gevolgd door telling, neemt veel tijd in beslag. Maar voor het overige zijn er geen argumenten tegen een geheime stemming op de OTM. Integendeel, iedereen moet zonder enige sociale druk te voelen kunnen meestemmen.

De superioriteit van de OTM

Direct-democratische besluitvorming heeft altijd een vertegenwoordigend karakter. Het verschil met indirecte besluitvorming schuilt niet in het vertegenwoordigend karakter als zodanig, maar in de wijze waarop de vertegenwoordiging tot stand komt. Bij een referendum bijvoorbeeld, bestaat de volksvertegenwoordiging uit de verzameling van de kiezers die effectief aan de stemming deelnemen. De burger neemt bij een referendum dus twee besluiten. Door effectief te gaan stemmen verkiest hij zichzelf tot volksvertegenwoordiger. Door een stem in de ene of andere zin uit te brengen, oefent hij vervolgens zijn taak van volksvertegenwoordiger effectief uit. De superioriteit van de directe besluitvorming schuilt hierin, dat niemand tegen zijn wil uit de volksvertegenwoordiging kan gesloten worden.

Dat is bij de OTM niet anders. In feite fungeert de OTM als een direct gemeentebestuur; iedere burger die dit wenst kan in het bestuur gaan zetelen. Dit wordt door Zimmerman als volgt samengevat: “...the traditional New England open town meeting is a de facto representative legislative body, with changing membership, that considers all viewpoints or warrant articles and makes decisions that generally are in the best interests of the town” (‘...de traditionele OTM in New England is een de facto wetgevend lichaam, met wisselende samenstelling, dat standpunten en agendapunten overweegt en besluiten treft die over het algemeen de belangen van de town optimaal dienen’ p.11, p. 163). Zimmerman wijst op het formeel representatief karakter van een direct zich samenstellende vergadering: “While lamentable, voter non-participation may be interpreted as a vote of confidence in the ‘regular’ town meeting attendees to represent in a responsible manner the best interests of absent voters. Similarly, the lack of a quorum requirement in most towns indicate that townspeople have confidence that even a meeting with a very small attendance will make sound decisions. (...) What is needed is a new conception of town meeting democracy positing that the assembly of voters is a de facto representative legislative body with two safety valves - open access to all voters and availability of the initiative to add articles to the warrant and to call special meetings. A third safety valve - the protest referendum - can be adopted by a town meeting” (‘Hoewel betreurenswaardig, kan de afwezigheid van kiezers gezien worden als een vertrouwensvotum jegens diegenen die trouwer de OTM volgen, en van wie men verwacht dat ze op een verantwoordelijke manier ook de belangen van de afwezigen zullen dienen. De afwezigheid van een quorum in de meeste towns wijst erop dat men vertrouwen heeft in het gezond oordeel van zelfs een zwakbezette OTM (...) We dienen de OTM met een nieuwe blik te bekijken, als een kiezersbijeenkomst die de facto als vertegenwoordigend orgaan optreedt. Twee veiligheidskleppen zijn voorhanden: vrije deelname voor alle kiezers, en recht op volksinitiatief om punten op de warrant te plaatsen of een extra OTM bijeen te roepen. Een derde veiligheidsklep, het corrigerend referendum achteraf, kan ook door de OTM ingevoerd worden’ ; p.190-191).

Uit democratisch oogpunt is de OTM absoluut superieur aan het klassieke stelsel van een verplicht verkozen gemeenteraad. Een voorbeeld: terwijl de politieke klasse allerhande mensonwaardige (en voor de meeste vrouwen totaal irrelevante) dwangmaatregelen invoert om het aantal vrouwen in het parlement op te drijven, bestaat de OTM volkomen spontaan voor de helft of meer uit vrouwen. Dit is typerend voor een algemeen fenomeen: de OTM is alleen reeds door zijn samenstelling veel representatiever voor de bevolking dan het handvol partijleden dat een verplicht verkozen gemeenteraad pleegt te bevolken. Bovendien is de OTM veel minder gevoelig voor de impact van drukkingsgroepen (‘special interests’) dan verkozen organen: “Although critics allege that town meetings are dominated by special interest groups, the evidence is stronger that such groups exercise considerably more influence in legislative halls of representative bodies where in camera decisions occasionally are made and that their influence has tended to undermine citizen confidence in traditional representative governance institutions. Any town citizen can organize a special interest group, and its views will be heard by the town meeting, which may or may not endorse a group’s proposal(s). Town meetings succesfully have counteracted special interest groups” (‘Hoewel critici beweren dat OTM’s door belangengroepen worden gedomineerd, wijst onderzoek uit dat belangengroepen juist veel meer invloed hebben in vertegenwoordigende organen, waar besluiten nogal eens binnenskamers genomen worden. Die invloed van belangengroepen heeft trouwens het vertrouwen van de burger in de traditionele vertegenwoordigende bestuursvormen ondermijnd. Iedere burger van de town kan zijn eigen belangengroep organiseren, die op de OTM kan aanhoord en eventueel gevolgd worden. Maar OTM’s weerstaan succesvol aan de druk van belangengroepen’; p.187).


Zimmerman (p.188) vermeldt nog de volgende manifeste voordelen van de OTM boven de minder directe bestuursvormen:

- ”..participants are educated by the town meeting. The primary assembly involves political interactions among equals that educate and socialize the participants” (‘deelnemers worden door de OTM opgevoed. Deze hoogste bijeenkomst wordt gekenmerkt door wisselwerking tussen gelijken die de deelnemers civilizeren en socialiseren’)
- “Citizens also educate elected officers by providing a different perspective on certain public problems” (‘burgers voeden ook de verkozen ambtenaren op door een andere kijk te bieden op bepaalde openbare problemen’)

- “Democratic scrutiny of town administrators is another benifit of the primary assembly, as ordinary citizens can question and hold town officiers responsible for their actions and inactions (...) If townspeople are satisfied with the performance of officers, there may be few questions other than ones designed to elicit supplemental information. On the other hand, officers can be grilled if they have exercised power in an arrogant manner and their performance in office has disturbed greatly a number of participants, and the officers’ responsiveness to citizens’ concerns will improve if they desire to be reelected” (‘de administratie van de stad komt onder controle van de burgers, die ambtenaren ter verantwoording kunnen roepen voor hun daden en nalatigheden (...) Indien de burgers tevreden zijn over de ambtenaren, wordt doorgaans niet veel meer dan wat bijkomende informatie gevraagd. Ambtenaren die arrogant te werk gaan of een aantal burgers serieus hebben gegriefd, kunnen op de rooster worden gelegd. De bestuursambtenaren zullen meer rekening houden met de bezorgdheden van de burgers indien ze willen herbevestigd worden op hun post’).

Het OTM-systeem, gecombineerd met de genoemde direct-democratische ‘veiligheidskleppen’, kan in tegenstelling tot het systeem van de verplicht verkozen gemeenteraden als authentiek democratisch worden bestempeld. In het OTM-systeem is het immers structureel onmogelijk dat een minderheid haar wil poogt door te zetten, zonder dat de meerderheid over een mogelijkheid beschikt om dit tegen te gaan. In het OTM-systeem kan de meerderheid zich steeds doorzetten. In het particratische ‘vertegenwoordigende’ systeem kan een meerderheid in de gemeenteraad ook maatregelen doordrukken die tegen de meerderheidswil van de burgers ingaan. De belangrijkste verbetering waarvoor het OTM-systeem in aanmerking komt, is de veralgemening van de geheime stemming. Momenteel wordt, om traditioneel technische redenen, enkel bij bepaalde delicate onderwerpen geheim gestemd. Met moderne technologie moet het zeker mogelijk zijn om de geheime stemming op een vlotte en controleerbare manier te veralgemenen. Met die verbetering erbij, is de OTM wellicht de meest democratische lokale bestuurstechniek, die überhaupt denkbaar is.

 


NOTITIES BIJ DE VOORBIJE VERKIEZINGEN


Sexuele quota

Eén van de nieuwigheden bij deze verkiezingen zijn de (indirecte) sexuele quota. Op een kandidatenlijst mag niet meer dan de helft + één van de kandidaten van hetzelfde geslacht zijn. Een feministische lijst met enkel vrouwen, of een mannelijk kaarterskwartet kunnen zich dus niet meer verkiesbaar stellen.

Eén van de neveneffecten van deze dwaze en anti-democratische wet is, dat de bekwaamheid van de kandidaten naar beneden wordt gehaald. Veronderstel, dat de bekwaamheden voor wetgevend werk gelijk over mannen en vrouwen zijn verdeeld. Laat ons aannemen dat we een kandidatenlijst van 20 personen moeten opstellen. Hoe groot is de kans dat de 20 meest bekwame kandidaten dan in een verhouding 9/11, 10/10 11/9 over de geslachten zijn verdeeld? Een eenvoudige berekening leert, dat er 17,6% kans is op een 10/10 verhouding en 16,0% kans op een 9/11 of 11/9 verhouding. In totaal heb je dus 49,6 % kans dat de volgens bekwaamheid opgestelde lijst aan de sexuele quotumregel voldoet. In één geval op twee zul je dus één of meerdere bekwamere kandidaten moeten elimineren, om aan de politiek-correcte criteria te voldoen.

De sexuele quota zijn ook dwaas om andere redenen. Na de verkiezingen onderzochten twee onderzoekers aan de KUL eens nauwkeuriger wie er nu precies was verkozen in Vlaanderen (113 mandaten, voor Kamer en Senaat samen; zie Gazet van Antwerpen, 06 06 03). Blijkt dat in de hele kamer niet één arbeider of landbouwer zetelt. De onderzoekers telden wel één werkloze, namelijk ... Patrick Janssens, die tot voor enkele maanden aan een ministerwedde de SP.A leidde. Er is één thuiswerkende vrouw, bij het Vlaams Blok. Al die groepen, samen goed voor verscheidene tientallen procenten van de bevolking, zijn dus compleet ondervertegenwoordigd. Langs de andere kant zijn 76 van de 113 verkozenen beroepspolitici, en nog eens 7 andere zijn partij- of kabinets-medewerkers. Heel begrijpelijk dus dat op het vlak van klasse en beroep niet om quota wordt geschreeuwd. Een arbeidster moet maar denken, dat een vrouwelijke verkozene uit een totaal andere klasse (meestal uit de politieke klasse) haar problemen zal kunnen begrijpen. Jazeker: de particratie heeft ook een uitgesproken klassekarakter...

De politieke klasse manifesteert zich overigens steeds openlijker als een kartel van familiale KMO’s, waarbij de SP.A zonder twijfel de kroon spant (Bruno Tobback, Peter Vanvelthoven, Freya Van den Bossche, Hilde Claes, Maya Detiège). Wie zich binnen het partijapparaat naar de top van de lijst weet te werken, haalt het. Slechts 8 van de 133 kandidaten doorbraken via hun voorkeurstemmen de dwang van de lijstvolgorde.

Kortom, de sexuele quota in het parlement hebben niets te maken met enig streven naar billijkheid of efficiëntie. De invoering ervan maakt deel uit van het ideologische PC-offensief, waarbij de burgers worden gedresseerd om zich minder en minder te zien als een individu, en meer en meer als representant of exemplaar van één of andere biologische of sociologische groep.

Partijen en hun ‘achterban’

De zogenaamde ‘representatieve democratie’, nauwkeuriger omschreven als particratie, is ongeschikt om de volkswil tot uitdrukking te brengen. De reden is, dat de kiezer een keuze moet maken tussen partijprogramma’s, en zijn voorkeur voor particuliere problemen niet kan uitdrukken. Particratische verkiezingen zijn het politiek equivalent van gekoppelde verkoop, een terecht verboden praktijk, want oneerlijk jegens de consument. Democratie heb je pas wanneer de burgers over ieder afzonderlijk onderwerp desgewenst zelf kunnen beslissen, via het bindend referendum. Enkel dan is het volk soeverein.

Dat partijprogramma’s niet representatief zijn voor de voorkeur van de kiezers, bleek nog eens uit een enquête die werd verricht voor de ‘Doe de stemtest’ van de VRT. De kiezers van de diverse partijen bleken in heel wat opzichten standpunten te huldigen, die afwijken van de inzichten gehuldigd door de partijtop. Zo bleek 63,4 procent van de VLD-kiezers voorstander van een belasting op de grote fortuinen, terwijl 52,9 procent van de SP.A-Spirit kiezers en 51,3% van de Agalev-kiezers tegen migrantenstemrecht zijn. Bij de VLD-kiezers is 51,1 procent tegen de afschaffing van de stemplicht, en bij de Agalev-achterban is 75,6 procent tegen een verhoging van de benzineprijs (De Morgen, 22 04 03, p.4).
Stouthuysen spreekt

Patrick Stouthuysen (De Standaard, 23 04 03, p.19) over de kandidaten op de lijsten: “Ons systeem selecteert op de verkeerde gronden. We selecteren mensen op basis van hun vermogen om bovenaan een lijst te geraken en verkiezingen te winnen. Daardoor houden we mensen over die campagne kunnen voeren, die vlot praten en die goed overkomen op tv. Dat zijn in de regel meer dan gemiddeld ambitieuze en assertieve mensen, die meestal over een grote geldingsdrang en een navenant ego beschikken. Niet noodzakelijk de eigenschappen die je nodig hebt om het land goed te besturen”. Ook nog: “...de kandiaten zijn met handen en voeten aan de partijleiding gebonden. Onafhankelijkheid en durf moet je van hen niet verwachten”.


Doe de stemtest

In de FET (06 05 03, p.2) verscheen een artikel van Peter De Roover, over de door de VRT gelanceerde ‘stemtest’. Deze test werd door honderdduizenden Vlamingen uitgevoerd; 61% van de deelnemers zou aangeven dat de uitkomst van die stemtest een meebepalende factor is voor hun stemkeuze. De stemtest krijgt een wetenschappelijk aura doordat hij is opgesteld door de professoren Walgrave en Deschouwer.

Walgrave is een actief bepleiter van massamanipulatie via de media, wat natuurlijk aanzet tot argwaan jegens de test.

Peter De Roover vond allerhande eigenaardigheden, doch vermeldt slechts één systematische tendens:

“We telden bij hoeveel vragen (op 36) een positief antwoord punten oplevert voor de zeven partijen. Een foutloze Agalev-rit omvat 23 positieve antwoorden, gevolgd door Spirit (22), de VLD, de SP.a en de N-VA (19), het Vlaams Blok en de CD&V (15). De paars-groene partijen komen aan een gemiddelde van 20,75, de oppositie aan 16,33. Peilers weten dat er een lichte voorkeur bestaat bij gepeilden voor positieve antwoorden. De wijze van vraagstelling zorgt hier dus voor een relatief voordeel voor paarsgroen”.

De Roover gaat niet na, hoe groot de kans is om zo’n score-verschil tussen de paars-groene meerderheidspartijen (23, 22, 19 en 19) en de oppositiepartijen (19, 15 en 15) te bekomen op basis van louter toeval. Ik heb de t-test uitgevoerd om dit na te gaan. Ik vind een t-waarde van 2,672, wat voor 5 vrijheidsgraden een waarschijnlijkheid oplevert die kleiner is dan 2,5 procent (t.975 = 2,57). Dat betekent dat er minder dan 1 kans op 40 is dat dit verschil door toeval is ontstaan. Conventioneel legt men de significantiegrens bij 1:20 , zodat we dit resultaat kunnen interpreteren als een aanwijzing, dat er wel degelijk een factor werkzaam was die discrimineerde tussen meerderheidspartijen en oppositiepartijen. Dat betekent niet noodzakelijk dat er bedrog in het spel was. De door De Roover opgespoorde tendens kan bv. ook wijzen op onbewust doorwerkende voorkeur bij de opstellers van de test.

De mogelijke vraag: “bent U voor of tegen het referendum op volksinitiatief”, die nochtans scherp kan discrimineren tussen de diverse partijprogramma’s, kwam in de test (uiteraard) niet voor.

De nieuwe burgemeester

Begin mei vond ik in mijn bus een exemplaar van De(n) Antwerpenaar, een ‘gratis’ informatieblad van de stad Antwerpen. Eerste jaargang, nummer 7. Datum: 1 mei 2003 (knipselbijlage B).

Hierin vond ik als informatie, dat wij een nieuwe burgemeester hebben. Op p.3 staat zelfs een uitnodiging aan alle Antwerpenaars: "Begin mei kunt u als bewoner met de nieuwe burgemeester aan tafel gaan zitten. De burgemeester beantwoordt bewonersvragen". Op p.1 van dit gratis door mij betaalde 'informatie'blad staat ook een olijke foto van die nieuwe burgemeester. Maar zijn naam wordt eigenaardig genoeg niet vermeld.

Enkele dagen daarna vond ik een nieuw document in mijn bus, met de titel: "Stem voor hen. Politiek gaat over de mensen". Dit bleek een verkiezingsdrukwerk van SP.A-Spirit. Op p.4 van dit schotschrift vernemen we (in forse, rode letters): "In 1999 trok Steve Stevaert nieuwkomer Patrick Janssens aan als voorzitter van de partij. In minder dan vier jaar maakten ze SP.A tot een moderne, vernieuwde partij. Nu is Patrick Janssens burgemeester van Antwerpen en lijstttrekker voor de kamer in Antwerpen".

*


Zowel de stedelijke overheid als de SP.A zelf hebben dus Patrick Janssens aan de kiezer voorgesteld als de nieuwe ‘burgemeester van Antwerpen’. Een kras staaltje van kiezersbedrog, dunkt me. Heel wat mensen stemmen nu eenmaal graag op ‘hunnen burgemeester’, getuige de talrijke burgemeesters op de neergelegde lijsten. Bovendien nog eens bedrog, dat via De(n) Antwerpenaar ook door de belastingbetaler wordt meegefinancierd.

Peilingen

“VLD slaat kloof met CD&V” blokletterde De Standaard op haar voorpagina van 19 04 03. De drie eerste bladzijden van de krant waren hoofdzakelijk gewijd aan de uitslagen van een Dimarso-peiling, uitgevoerd in opdracht van de VRT, de UA en De Standaard zelf. Belangrijkste resultaat: de VLD haalt 2,7% meer dan de CD&V, en bijna dubbel zoveel als het Vlaams Blok. De enquête werd verricht in de tweede helft van maart bij 1.022 Vlamingen.

“Suspense à tous les étages” (‘spanning op alle niveaus’) meldde Le Soir anderhalve week later (28 04 03, p.3). “En Flandre, les partis se tiennent en effet dans un mouchoir de poche. Selon les résultats de l’enquête ‘Dedicated Research’, le VLD, le CD&V et le cartel SP.A-Spirit évoluent dans un espace réduit de moins de 2%. L’écart séparant le Vlaams Blok - pointé à 17,2% - du trio de tête n’est d’ailleurs pas grand lui non plus”(‘In Vlaanderen zitten de partijen elkaar direct op de hielen. Volgens een onderzoek verricht door ‘Dedicated Research’ bevinden VLD, CD&V en SP.A-Spirit zich binnen een nauwe vork van 2%, en de kloof tussen dit trio en het Vlaams Blok, met zijn score van 17,2%, is ook al niet groot’; p.3). De ondervragingen gebeurden hier tussen 15 en 19 april, dus een maand na de Standaard-enquête.


De twee peilingen leverden, vooral voor de VLD en het Vlaams Blok, zeer verschillende resultaten op, die ook leidden tot krantenkoppen met tegengestelde inhoud. Het is al vaak gezegd dat peilingen ‘waardeloos’ zijn. Maar waarom?

De peilingen zelf zijn niet perse verkeerd, maar zij worden overgeïnterpreteerd. Schommelingen, die domweg door het toeval kunnen ontstaan, worden het voorwerp van allerhande diepzinnige bespiegelingen. Laat ons bv. eens de enquête van De Standaard bekijken. Hoe groot is eigenlijk de foutenmarge voor een partij, die in deze enquête een score van 25% krijgt toegeschreven? Een kleine berekening leert, dat de échte stemintenties met 95% zekerheid ergens tussen de 22,3% en de 27,7% liggen. Er rust dus een foutenmarge van plus minus 2,7% op het resultaat. Voor kleinere partijen wordt zo’n foutenmarge in absolute zin kleiner, doch in relatieve zin groter (op een voorspelde score van 10%, moet men bv. een marge van plusminus 1,8% nemen).

*


De foutenmarge voor de peiling in zijn geheel ligt nog hoger. En het is die globale foutenmarge die we eigenlijk moeten weerhouden. De kranten behandelen de peilingsresultaten immers alsof àlle scores tegelijk betrouwbaar zijn. Indien men bijvoorbeeld zes partijen beschouwt, en op ieder van de zes partijscores een 95%-onzekerheidsmarge weerhoudt, dan is er toch reeds 26,5% kans dat één of meer van de reële partijscores toch buiten die onzekerheidsmarge valt. Indien men een betrouwbaarheidsmarge van 95% wil voor het globale stel van de zes partijscores, moet men voor de afzonderlijke partijen betrouwbaarheidsmarges nemen van 0,951/6 ~ 0,99 (of 99%). Dat levert voor een partij met een voorspelde score van 25%, een betrouwbaarheidsmarge op van + 3,5%. En dan ziet men de ‘kloof’, die de VLD volgens De Standaard sloeg ten opzichte van de CD&V, reeds in de onbeduidendheid wegzinken. Het is waarschijnlijk niet voor niets dat de kranten bij de bespreking van deze duurbetaalde enquêtes weinig of niets zeggen over de betrouwbaarheidsmarges.

Bovendien moet men rekening houden met andere factoren die de onzekerheid verder vergroten. Omdat de enquêtes telefonisch worden gehouden, zullen veel ondervraagden denken dat de peiling niet anoniem is en niet oprecht antwoorden (vooral wanneer hun partijvoorkeur niet PC is). Een deel van de ondervraagden weigert trouwens om een voorkeur uit te spreken. Bij de Standaard-enquête kwam daar nog een merkwaardige bijzonderheid bovenop. Blijkens een grafiek op p.2 waren de kiezers per partij nog eens onderverdeeld in drie categorieën: die met een “...uitgesproken voorkeur” voor de betrokken partij, die met een “...lichte voorkeur” en die met “... helemaal geen voorkeur”. Deze laatste categorie (31% van het totaal aantal ondervraagden en oververtegenwoordigd bij de VLD) betrof volgens de peilers mensen zonder voorkeur die na aandrang toch een (logischerwijs willekeurige) keuze uitspraken.

Kortom, de in De Standaard gepubliceerde peiling liet geen enkele interessante conclusie toe. Dat zo’n krant daar dan toch enkele bladzijden aan besteedt, zegt veel over het niveau van onze Vlaamse ‘kwaliteitspers’.

Een week voor de verkiezingen verschenen dan nog eens drie peilingen, direct na elkaar:
*


De 95%-significantiemarge, vertrekkend van de uitslagen van De Standaard, zijn: VLD en CD&V: 2,7% ; SP.A-Spirit: 2,6% ; Vlaams Blok: 2,3% ; Agalev en N-VA: 1,5%.
De overeenkomstige 99%-significantiemarges zijn: VLD en CD&V: 3,5% ; SP.A-Spirit: 3,4% ; Vlaams Blok: 3,1% ; Agalev en N-VA: 1,9%

Indien je de later gepubliceerde peilingen van LLB en LS als reproducties van de DS-peiling beschouwt, dan zie je dat van de zes partijen er ééntje is, namelijk Agalev, waarbij het resultaat in de LLB-peiling buiten de significantiemarge van de DS-score valt, zelfs indien je de 99%-marge neemt. De enquête van Le Soir vertoont zowel voor CD&V, Agalev als voor de N-VA zo’n excessieve afwijking. Dit suggereert dat zelfs de 99%-marge te smal is om als basis te dienen voor commentaar op het geheel van de peiling. Blijkbaar bestaan er tussen de peilingen in de verschillende kranten methodologische verschillen. In De Standaard geeft opiniepeiler Jan Drijvers als één van de verklaringen voor de hoge Agalev-scores in de peilingen (ivm het stemresultaat): “Dat is een menselijke reactie. Via allerlei correcties stelt men te grote verschuivingen in het kiesgedrag bij, maar men verwart daarbij stabiliteit en betrouwbaarheid” (DS 19 05 03, p.17). Met andere woorden: de peilers knoeien met hun resultaten en zeggen dat niet aan de lezers.

Iedereen is het erover eens, dat peilingen niet als voorspellingen van verkiezingsresultaten kunnen opgevat worden. Peilingen zijn momentopnamen. Maar op hetzelfde ogenblik gepubliceerde peilingen zouden wél ongeveer dezelfde werkelijkheid moeten meten, willen zij überhaupt nog enige betekenis hebben. Wanneer twee of meer peilingen direct na elkaar worden gepubliceerd, kan je de latere peiling als een reproductie van de vroegere peiling beschouwen. Dat laat ons toe, om een schatting te maken van een empirische standaarddeviatie, die op deze peilingen rust. Die empirische standaarddeviatie zal dus breder zijn dan de berekende, omdat zij ook de impact van de methodologische verschillen zal omvatten.

Beschouw een bevolking waarvan de lichaamlengtes normaal verdeeld zijn, met een gemiddelde waarde van 170 cm en een standaarddeviatie van 10 cm. Hoe groot zal het gemiddeld verschil in lichaamslengte zijn, wanneer we uit deze bevolking twee willekeurige individuen uitpikken? De statistische theorie zegt dat dit 0,8 standaarddeviaties zal zijn, in ons voorbeeld dus 8 cm. De scores voor een bepaalde partij in een reeks opeenvolgende peilingen zullen ook normaalverdeeld zijn, en de verschillen tussen twee scores zullen gemiddeld 0,8 empirische standaarddeviaties bedragen. Ik heb de scores vergeleken, enerzijds van de DS-peiling van 15 april en de LS-peiling van 19 april, en anderzijds van de DS-peiling van 9 mei en de LLB-peiling van 12 mei alsook de LS-peiling van 13 mei. Het resultaat is, dat de empirische standaarddeviatie ongeveer dubbel zo groot is als de berekende.

Dat voert ons tot de volgende vuistregel, om een realistische 95%-betrouwbaarheidsmarge te schatten voor een peiling met zes partijen. Bereken eerst de theoretische standaarddeviatie. Dat doe je door het aantal ondervraagden te nemen, te vermenigvuldigen met de score van de partij (uitgedrukt als een getal tussen 0 en 1), nog eens te vermenigvuldigen met (1 - die score), en van de uitkomst de vierkantswortel te nemen. Die uitkomst vermenigvuldig je met 2,58 (om een 99%-marge voor de aparte partij te bekomen) en nog eens met 2 om de berekende standaarddeviatie door de empirische te vervangen. Vereenvoudigd: vermenigvuldig de berekende standaarddeviatie met vijf. De uitkomst geeft de 95% marge indien je de hele set van de zes partijen bekijkt, uitgedrukt in aantal ondervraagden. Om een onzekerheidsmarge in procent te krijgen, deel je nog eens door het aantal ondervraagden.


Twee realistische rekenvoorbeelden:

de VLD haalt 23,6% ; 1000 ondervraagden. Vijfmaal de standaarddeviatie = 5 x (0,236 x 0,764 x 1000)exp(0,5) = 67 ondervraagden meer of minder, wat een procentuele marge geeft van plusminus 6,7%.

Of: Agalev haalt 5,7%; 1000 ondervraagden: 5 x (0,057 x 0,943 x 1000) exp.(0,5) = 37 ondervraagden, of 3,7% meer of minder.

Die marges zijn natuurlijk breed, en de enige voorspellingen die ze voor deze verkiezing nog toelieten, is een daling van de groene en een stijging van de rode score (ten opzichte van de verkiezingsresultaten van 1999). De discussies over de volgorde tussen VLD, CD&V en SP.A-Spirit, over de kansen van de N-VA of de stijging of daling van het Blok, konden door de peilingen niet beslecht worden. Alles wat de kranten daarover schreven, was louter wind.

Communautaire aspecten

In de pers werd heel wat aandacht besteed aan het feit, dat blijkbaar niet alle kamerzetels even duur zijn. Kiezers van kleine partijen genereren moeilijker zetels dan kiezers van grote partijen, en kiezers van Franstalige partijen genereren gemakkelijker zetels dan kiezers van Nederlandstalige partijen.

Het eerstgenoemd effect wordt bewerkstelligd door ons onevenredig zetelverdelingsysteem, dat tijdens de afgelopen legislatuur nog werd aangevuld door de vijfprocentdrempel. Die drempel zorgt ervoor, dat in het volkrijkere Vlaanderen grotere partijen worden weggemaaid dan in Wallonië, terwijl je voor federale verkiezingen toch ten minste een mechanisme zou mogen verwachten, dat alle Belgen gelijk behandelt. De N-VA haalt met 201.399 stemmen één zetel. Ecolo haalt met 201.123 stemmen 4 zetels. De stemmenaantallen zijn voor beide partijen gelijk, maar de zetels kosten voor de N-VA vier maal zo veel als voor Ecolo. Belangrijker voor de overlevingskansen van deze partijen is het feit, dat de N-VA géén overheidssubsidies meer krijgt, terwijl Ecolo wél langs de kassa mag passeren. De vijfprocentdrempel hield immers de N-VA wél uit de senaat, maar het electoraal iets kleinere Ecolo niet (om subsidies te krijgen, moet een partij zowel in de Kamer als in Senaat zetelen).

Franstalige zetels zijn goedkoper, omdat in het Franstalig landsgedeelte meer niet-kiesgerechtigden wonen. Het aantal zetels in een kieskring wordt immers bepaald naar evenredigheid, niet met het aantal kiesgerechtigden, maar met het aantal inwoners. De volksvertegenwoordigers worden blijkbaar geacht, ook die niet-kiesgerechtigden te vertegenwoordigen. Hoe een verkozene je kan vertegenwoordigen, zonder dat je hebt kunnen kiezen, blijft een goedbewaard particratisch geheim.
The End

De verkiezingen waren nauwelijks voorbij, of het Arbitragehof liet weten dat de huidige kieswetgeving ongrondwettelijk is: het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden omdat er overal provinciale kieskringen zijn, behalve in Brabant. Het Arbitragehof vernietigt ook de regeling, die gelijktijdige kandidaatstelling voor Kamer en Senaat toestaat.

Hoewel de rechters klaar en duidelijk zeggen dat de stembusgang van 18 05 03 is gehouden in strijd met de Grondwet, worden de verkiezingen zelf toch niet vernietigd. Kan men dan ook niet een bindend referendum op volksinitiatief (BROV) inrichten, ook al is dit zogezegd strijdig met de Grondwet? Natuurlijk niet: het BROV is immers strijdig met de particratie.

 


DE ANTWERPSE PERIKELEN VANUIT DEMOCRATISCH OOGPUNT


De aanslepende crisis bij de totstandkoming van een nieuw Antwerps stadsbestuur had althans één voordeel: zij liet open en bloot het anti-democratisch karakter zien van het bestaande politieke bestel. Wat hieronder volgt is nieuw noch origineel. Maar wellicht is het toch nuttig om pro memorie alles nog eens netjes op een rij te zetten.

1. Ontslag of niet?

Het collectief ontslag van het schepencollege gebeurde niet, omdat deze schepenen een formele of juridische fout hadden gemaakt. De schepenen wezen iedere schuld af en de meesten klommen in het nieuwe schepencollege, geïnstalleerd op 09 05 03, alweer aan boord. De enige rationele verklaring voor dit tijdelijk ontslag zou kunnen zijn, dat de schepenen door hun ondoordachte aankopen het vertrouwen hadden verloren van de Antwerpse burgers. Besturen zonder vertrouwen is in een democratisch bestel inderdaad onmogelijk.

Maar indien dit vertrouwen de norm is, dan moet het ook objectief kunnen uitgedrukt worden. Hiervoor bestaat een procedure: impeachment of recall. Volgens deze werkwijze, die zowel in Zwitserland als in de USA bestaat, kunnen verkozenen en hoge ambtenaren die het vertrouwen hebben verloren, via een directe volksstemming weer worden afgezet.

In Antwerpen is daarvan geen sprake. De burgers kunnen enkel toekijken, terwijl de politici hun schaduwdans uitvoeren. In een democratie kunnen de soevereine burgers een verleend mandaat intrekken. In Antwerpen kan dat niet. Reden tot achterdocht is er nochtans genoeg. Zo verklaarde de gebuisde kandidaat-burgemeester Coveliers “De echte reden waarom ik geen burgemeester kon worden, is dat men niet wou dat het deksel van de pot in mijn handen zou komen” waarna hij preciseerde dat “..de SP.A niet wou dat ik de corruptie zou aanpakken” (De Morgen 02 05 03, p.7). Eddy Boutmans, Agalev-staatssecretaris voor ontwikkelingssamenwerking, zei dan weer: “Janssens pleegde een stadsgreep (...) Niet de aanpak van corruptie, wel het wegvegen van de oude garde was voor Ludo Van Campenhout en Patrick Janssens de inzet van de Antwerpse crisis” (De Standaard 19 04 03, p.12).


2. Geheime stemming van de verkozenen

Op 9 mei werd het nieuwe schepencollege verkozen (zonder de burgemeester). Zo’n stemming is geheim. Meteen ziet men, dat de partijdiscipline dan onder druk komt. De Morgen (02 05 03, p.7) schetste de toestand als volgt: “Een andere mogelijke hindernis is de herverkiezing van Agalev-schepen Chantal Pauwels. De aanduiding van de schepenen verloopt bij geheime stemming en bij andere meerderheidspartijen bestaat enige rancune omdat zij wel een schepen hebben ingeleverd (Kathy Lindekens bij de SP.A en Ann Coolsaet bij de VLD) en de groenen niet. Het Blok probeert de wig nog groter te maken door Luk Lemmens, het enige N-VA-gemeenteraadslid, naar voren te schuiven als tegenkandidaat voor Pauwels (die bij haar aantreden in 1999 enkele stemmen minder kreeg dan de andere schepenen)”. Van Campenhout zei hierover (ibid.): “Het zou een zeer slecht democratisch signaal zijn indien ze (= Chantal Pauwels) niet wordt verkozen. Dat is wel ongeveer het ergste wat ons kan overkomen. Ik zal mijn fractie inhameren dat we ons zo’n incident niet kunnen permitteren”. De ‘inhamering’ kon niet voorkomen, dat enkele gemeenteraadsleden dissident stemden. Hoewel de meerderheid present was met 33 gemeenteraadsleden, kregen Chantal Pauwels (Agalev) en Robert Voorhamme (SP.A) slechts 29 ja-stemmen. Maar ook VLD-er Bungeneers kreeg slechts 27 ja-stemmen, hoewel hem in de VISA-affaire niets te verwijten viel. De vermoedelijke reden voor de dissidente stemmen is, dat Bungeneers door vele leden van de meerderheid wordt verdacht van het laten lekken van de VISA-praktijken. In elk geval liet dit voorbeeld zien, dat het stemgeheim ruimte schept voor de gemeenteraadsleden, om naar eigen inzicht te stemmen, zelfs na ‘inhamering’ vanwege de fractieleider. Indien stemgeheim voor verkozenen de regel zou zijn, zou het snel afgelopen zijn met de particratische dominantie over de verkozenen des volks. Zonder integraal stemgeheim voor de verkozenen zal het vertegenwoordigend luik van een democratie nooit behoorlijk kunnen functioneren.

3. Opmars van een niet-verkozene

IJzeren partijdiscipline was vereist, om de niet-verkozen socialist Robert Voorhamme in het schepencollege te krijgen. Voorhamme, die nu socialistisch schepen wordt, was niet alleen niet verkozen als gemeenteraadslid; hij stond ook niet op de eerste plaats op de opvolgerslijst. Na het ontslag van Lindekens als gemeenteraadslid moesten op de SP.A-opvolgerslijst dus enkele voorgangers worden weggeïntimideerd. Volgens de faxkrant ‘t Scheldt (Nr.417, 02 05 03, p.1) zouden twee van die voorgangers allochtone werknemers zijn bij het ABVV, die te horen kregen dat er een verband zou kunnen zijn tussen het behoud van hun job en hun bereidheid, om Voorhamme te laten voorgaan.

Kathy Lindekens weet in Humo (23 05 03, p.14) over de reden van haar ontslag: “Ik had geen keuze (...) Er waren al enkele gemeenteraadsleden gepusht om op te stappen en baan te ruimen voor Voorhamme als ik het niet zou doen. Mensen die er helemaal niets mee te maken hadden, zijn zwaar onder druk gezet. Ik wilde dat de intimidaties stopten”.

De doorstoot van Voorhamme, vanaf een obscure plaats op de socialistische opvolgerslijst naar een zitje in het schepencollege, is een zeldzaam sterke illustratie van het feit, dat wij niet in een democratie leven, doch in een particratie. Het is blijkbaar de partij, en niet de kiezer, die bepaalt wie in de gemeenteraad en in het schepencollege terechtkomt.

Het echte schandaal is natuurlijk, dat vanuit de partijhoofdkwartieren de samenstelling van de gemeenteraad en het schepencollege openlijk wordt gemanipuleerd, zonder dat de Antwerpenaar daarin ook maar enige zeg heeft. Wie burgemeester is, wie schepen wordt, zelfs wie in de gemeenteraad zetelt: het wordt allemaal beslist buiten de burgers om. Die mogen enkel toekijken. De invoering van een werkbare impeachment- of recallprocedure op gemeentelijk niveau dringt zich op.

 


VERZWIJGEN IS GOUD


William McGowan (2001) “Coloring the News. How crusading for diversity has corrupted american journalism” San Francisco: Encounter Books

Sally Satel (2000) “PC, M.D. How political correctness is corrupting medicine” New York: Basic Books

Dr. Koenraad Elst (2002) “De islam, hoelang nog? Vlaamse polemieken over de islam” Wijnegem: Delta-Stichting vzw

Selectieve verzwijging is één van de meest essentiële technieken die de pers bij de doordrukking van de globalistische PC- agenda gebruikt. McGowan geeft in zijn boek diverse voorbeelden, ondermeer in verband met de invoering van etnische quota. Deze quota hebben in de USA geen democratisch draagvlak. Uit een recente peiling blijkt dat 64% van de Amerikanen de quota verwerpt, en dit na een reeds decennia durende massapropaganda voor dit ‘idee’ (‘racial preferences widely opposed, polls finds’ Washington Times 29 04 03).
www.dynamic.washtimes.com/twt-print.cfm?ArticleID=20030429-146116

De etnische quota werden in de USA gemeengoed in de jaren ‘70. Dit leidde tot een merkwaardige uitspraak van het Hooggerechtshof in 1978. Een blanke kandidaat-student, Bakke, was geweigerd door de universiteit van Californië voor een medische opleiding, hoewel hij bij het toelatingsexamen beter had gescoord dan een aantal zwarte studenten, die wel werden toegelaten. Eén van deze positief gediscrimineerde studenten was Patrick Chavis. Het hooggerechtshof had geoordeeld dat Bakke toch medicijnen mocht studeren.

Dit leidde dan, vele jaren later, tot een vergelijking tussen Bakke en Chavis. Op 6 november 1995 verscheen in New York Times Magazine een artikel van Nicholas Lemann (‘What happened to the case for affirmative action?’) waarin neerbuigend werd gesproken over de relatief obscure medische carrière van Bakke, terwijl Chavis werd afgeschilderd als het prototype van een arts, die zich inzet voor arme zwarte patiënten, en die overigens zelf nog voortdurend het slachtoffer was van aanhoudende rassendiscriminatie. Tijdens de campagne rond referendumvoorstel 209, waardoor in 1996 de positieve discriminatie werd verboden in Californië, werd Chavis door de tegenstanders voorgesteld als het prototype van de maatschappelijke winst, die de gemeenschap kan puren uit de toepassing van positieve discirminatie op de universitaire campussen. Volgens senator Ted Kennedy was Chavis het “..perfect example (of affirmative action beneficiaries who) are likely to benefit their professions and the communities in which they live” (‘een perfect voorbeeld van door affirmatieve actie begunstigden die daarna voor hun beroep en hun gemeenschap een aanwinst blijken’; p.3). De vermeende successtory kende echter een bruusk eindpunt toen Chavis in 1997 werd geschorst door de Medical Board of California, wegens zijn “..inability to perform some of the most basic duties required of a physician” (‘onbekwaamheid om bepaalde allerelementairste medische handelingen uit te voeren’). Chavis was als nevenverdienste een praktijk van liposuctie begonnen, en een van zijn patiënten had zijn gestuntel niet overleefd. McGowan beschrijft in detail hoe de pers, die kort tevoren Chavis had opgevoerd als een schitterend voorbeeld van de effecten van positieve discriminatie, maximale stilte in acht nam bij deze tragische ontknoping. De New York Times, die in haar wekelijkse bijlage het voorbeeld Chavis had gelanceerd, zweeg totaal. En dat laatste is wellicht geen toeval.

Want ook de NYT discrimineert ‘positief’ met het oog op meer ‘diversiteit’. Recent moest de krant zich tegenover haar lezers uitvoerig verontschuldigen voor de activiteiten van de nepjournalist Jayson Blair, die in de New York Times honderden artikels schreef op basis van verzonnen gesprekken en geplagieerde verslagen. Voor een aantal nepreportages diende Blair ook onkostennota’s in voor niet gemaakte verplaatsingen. De Morgen (13 05 03, p.3) wijdde aan het geval een uitgebreid artikel, maar repte met geen woord over een aspect dat in de USA uitvoerig werd besproken: Blair was als zwarte een benificiënt van het streven van de NYT naar meer ‘diversiteit’. Raines, de ‘executive editor’ van de NYT, gaf op een conventie van de ‘National Association of Black Journalists’ (www.nabj.org ); beeld u in dat er een ‘National Association of White Journalists’ zou bestaan!) in 2001, precies Jayson Blair op als een voorbeeld terzake. In één adem noemde Raines diversiteit ook belangrijker dan de kwaliteit van de redactie als zodanig. Zo ver kan de verdwazing gaan. Na het debacle gaf Raines, op een bijeenkomst van de NYT-staf, ook toe dat Boyd om raciale reden aan Blair “one chance too many” had gegeven. In een opzienbarend interview in de New York Observer (23 05 03) gaf Blair zelf toe, dat raciale voorkeuren in zijn carrière een rol speelden, al kloeg hij ook over ‘racisme’ bij jongere blanken die tegen deze voorkeursbehandeling wrok ontwikkelden.


==> www.timeswatch.org/articles/2003/0509.asp
==>www.wnd.com/news/article.asp?ARTICLE_ID=32517
Sally Satel is een Amerikaanse arts die al enkele jaren tekeer gaat tegen de rol van de politieke correctheid. Zij heeft bijvoorbeeld behartenswaardige dingen geschreven over de politiek correcte bewering, volgens dewelke er geen rassen bestaan, terwijl mensen met verschillende raciale achtergrond blijkbaar toch belangrijke medisch relevante verschillen kunnen vertonen (zie haar opiniestuk in de New York Times: ‘I am a racially profiling doctor’ (05 05 02).
www.sallysatelmd.com/html/a-nytimes3.html

In haar boek geeft Satel diverse voorbeelden van de pers, die barnumreclame voert rond PC-stellingen, en tegenargumenten verzwijgt. Eén voorbeeld. In 1999 verscheen een studie (K.A. Schulman e.a. ‘The effect of race and sex on physicians’ recommendations for cardiac catheterization’ New England Journal of Medicine 340, p.618-626, 1999) waarin werd beweerd, dat geneesheren zwarten veel minder dan blanken doorverwijzen voor een hartcatheterisatie. Bij dit medisch onderzoek wordt een sonde door de slagaders geleid om de toestand van de kransslagaders na te gaan. Bedoeling is om na te gaan of problemen met de kransslagaders door het aanbrengen van een overbrugging (‘bypass’) of door ballondilatie kunnen geremedieerd worden.
content.nejm.org/cgi/content/short/340/8/618

Schulman stelde, dat zwarten 40% minder kans hadden op een hartcatheterisatie dan blanken. De studie kreeg een enorme weerklank in de media, en werd algemeen (zelfs in prestigieuze medische tijdschriften) aangehaald als bewijs dat blanke geneesheren, uit onbewust racisme, systematisch zwarten achterstellen (zie bv.: ‘Health care: it’s better if you’re white’ The Economist 27 02 99, p.28-29; ‘Institutionalized racism in health care’ editoriaal in The Lancet, 353, p.765). De 40%-bewering werd overal in de pers overgenomen.

De studie van Schulmans groep was gebaseerd op 8 filmpjes, waarop 8 acteurs over hun klachten werden geïnterviewd (de acht acteurs waren blank of zwart, man of vrouw, 50 of 70 jaar oud). De onderzochte artsen kregen één van deze filmpjes te zien, en moesten op basis daarvan bepalen of ze een hartcatheterisatie-onderzoek aangewezen vonden of niet.

In feite bleek uit de studie, dat enkel zwarte vrouwen minder doorverwijzingen kregen; zwarte mannen kregen net evenveel doorverwijzingen als blanke mannen of vrouwen. Nadere analyse van de onderzoeksgegevens laat zien, dat met name één van de acht filmpjes (met een oudere zwarte vrouw) een zeer lage score kreeg (73,3%, tegen ongeveer 90% gemiddeld). Het was vooral op basis van dit filmpje, dat de score voor zowel vrouwen als zwarten een stuk lager uitviel (Satel , p.258). De reden is onduidelijk; het kon bijvoorbeeld zijn omdat de acteursprestatie in dit filmpje minder geslaagd was). Afgezien van dit evidente gebrek bleek al gauw, dat de data vanuit statistisch oogpunt slecht verwerkt waren. In werkelijkheid hadden blanke mannen, blanke vrouwen en zwarte mannen vrijwel evenveel kans op doorverwijzingen, terwijl de kans op doorverwijzing van zwarte vrouwen 88% bedroeg van kans gevonden voor blanke vrouwen. Er verscheen dan ook al gauw een rechtzetting (L.M.Schwartz e.a. “Misunderstandings about the effects of race and sex on physicians’ referrals for cardiac catheterization’ New England Journal of Medicine 341, p.279-283). Het vervolg laat zich echter raden: “Compared with the tidal wave of coverage triggered by the Schulman study, the article by Schwartz and her colleagues generated a mere trickle of media interest” (‘Vergeleken met de vloedgolf van mediaberichten over de oorspronkelijke studie van Schulman, kreeg het artikel van Schwartz e.a. maar een schijntje belangstelling’; Satel p.164).

Ander feit dat absoluut geen mediabelangstelling kreeg: een studie - in dezelfde maand verschenen als het Schulman-onderzoek - waaruit bleek dat in de praktijk zwarten evenveel kransslagaderoverbruggingen en ballondilatie-ingrepen ondergingen als blanken (L.L. Leape e.a. “Underuse of cardiac procedures: do women, ethnic minorities and the uninsured fail to receive needed revasacularization?” Annals of Internal Medicine 130, p.183-192, 1999).

Zie van Satel ook: “Racist Doctors? Don't Believe The Media Hype” The Wall Street Journal 04 04 02 www.flwi.rug.ac.be/cie/CIE/deley8.htm

Herman De Ley ontpopte zich, tussen haakjes gezegd, bij de laatste verkiezingen als sympathisant van Resist, aan wie hij (samen met enkele andere ‘progressieven’) zijn steun toezegde in De Morgen (14 05 03, p.10). Volgens hem is Resist een “...gepolitiseerde zelforganisatie van een achtergestelde minderheid die met democratische middelen wil strijden voor haar rechten (...) Het gaat ook om een strijd voor erkenning en waardigheid, voor het respect van de eigen culturele identiteit die mede religieus wordt ingevuld, en dat stelt ons progressieven voor een bijzondere uitdaging (...) Het gaat erom te erkennen dat er alternatieve opvattingen mogelijk zijn van menszijn en emancipatie. We moeten de diepe opvattingen van culturele groepen begrijpen en respecteren. De zelforganisatie vanwege slachtoffers van het racisme confronteert ons met hun eis van zelfdefinitie die onze vertrouwde categorieën ter discussie stelt”. Islam en vrouwen? Geen probleem volgens De Ley: “De AEL, en, breder, de moslims in ons land worden steeds weer vastgepind op een aantal terugkerende kwesties. De hardnekkigste ervan betreft de plaats van de vrouw. Blijkbaar is het aan de aandacht van velen ontsnapt hoe een generatie van jonge, mondige moslimvrouwen is opgestaan die voor zichzelf weet op te komen, wars van het paternalisme van delen van de linkerzijde of van westerse feministen”. Ondertussen laat de AEL zelf duidelijk weten waar ze voor staat: de invoering van de islamstaat (De Morgen, 15 05 03, p.5; ibid. 26 06 03, p.4), compleet met sharia, onderwerping van niet-moslims, steniging van ‘overspelige vrouwen’ en handenafhakking bij diefstal.
=>
memri.org/video/segment8_program.html
(hoe en wanneer moet ik mijn mogelijk ongehoorzame vrouw afmeppen, in het licht van het koran-voorschrift terzake)

Uiteraard krijgt De Ley géén blaam van de RUG, en is zijn betoog géén voorwerp van een cordon sanitaire door De Morgen. Even vanzelfsprekend leidden de ‘misstappen’ van Vermeulen wèl tot een ‘onderzoek’ door de KUL-autoriteiten, dat blijkbaar zeer veel voeten in de aarde had, want pas op 30 09 00 kwam dan de ‘blaam’ (de lichtste academische straf) aan het adres van Vermeulen. Deze laatste ging in beroep voor de beroepscommissie van de universiteit, bestaande uit collega’s professoren. Die hieven de blaam in december alweer op. Elst vat het verder verloop der gebeurtenissen dan samen als volgt: “Zijn naam is dus geklaard: er rust geen KUL-blaam op Urbain Vermeulen. Tegelijk raakte bekend dat de rector deze commissie haar bevoegdheid om zich in de toekomst in beroep over dergelijke betwistingen uit te spreken, ontnomen had. De Campuskrant, het officiële orgaan van de KUL, had uitvoerig aandacht besteed aan Vermeulens blaamwaardige uitspraken en de kritiek daarop, maar liet na om zijn ‘vrijspraak’ onder de aandacht te brengen. Ook de media brachten het bericht slechts terloops, en geen enkele hoofdredacteur of gastcolumnist wijdde er een commentaarstuk aan. Er zat voor de professor niets anders op dan zelf zijn collega’s aan te schrijven om de goede afloop te melden. Uiteraard kan dat de schade die aan zijn reputatie is toegebracht, niet ongedaan maken. Ook de mediadood van Vermeulen als duider bij het islamnieuws is niet opgeheven. Andere islamdeskundigen zullen deze les wel ter harte nemen” (p.119). Zwijgen is zilver, verzwijgen is goud.

 


HET PARTICRATISCH ARGUMENT


Democraten zeggen vaak, dat representatieve verkiezingen meer bekwaamheid en inzet vergen dan referenda. Bij deelname aan representatieve verkiezingen moet je vele dingen tegelijk afwegen en inschatten. Je moet vooreerst goede politieke besluiten van slechte politieke besluiten kunnen onderscheiden. Een goed politicus herken je immers per definitie aan het feit, dat hij goede politieke besluiten neemt. Vervolgens moet je ook de kandidaatmandataris kunnen taxeren op kwaliteiten als betrouwbaarheid, doorzicht of werkkracht.

Bij een referendum zijn de vereisten meer beperkt. Om verantwoord te stemmen moet je slechts op één domein een goed van een slecht politiek besluit kunnen onderscheiden. En je moet niemand persoonlijk taxeren of inschatten. Democraten zeggen dus dat kiezers, die kunnen deelnemen aan representatieve verkiezingen, a fortiori ook kunnen deelnemen aan referenda.

Particraten verwerpen dit argument. Zij vinden dat kiezers te dom, te lui of te onbekwaam zijn, of in elk geval te weinig tijd hebben, om rechtstreeks te kunnen oordelen over concrete onderwerpen. Maar die onbekwame kiezer kan wel op verantwoorde manier een volksvertegenwoordiger kiezen.

Hoe is dat mogelijk? Particraten gebruiken op dit punt graag een vergelijking. Je hebt bijvoorbeeld zelf twee linkerhanden, maar toch ben je bekwaam om goed loodgieterswerk van prutswerk te onderscheiden. Of je vindt iemand een goede arts, ook al weet je zelf niets af van geneeskunde. Algemeen: je kan iemands vaardigheden inschatten, ook al beschik je niet zelf over die vaardigheden. Volgens de particraten moeten we de beoefening van de politiek overlaten aan een vrij door ons gekozen politicus, net zoals we de beoefening van de geneeskunde moeten overlaten aan een vrij door ons gekozen geneesheer. Directe democratie via referenda, aldus het particratisch betoog, is niets anders dan een kwalijke vorm van zelfmedicatie.

Particraten beweren zelfs, dat kiezers juist beter zijn geïnformeerd bij indirecte verkiezingen: “Bij de verkiezing van vertegenwoordigers staat het label van de partij boven aan een lijst. Dit is een cognitief hulpmiddel bij het bepalen van de keuze omdat via dit label een associatie, een (eventuele) verbondenheid met een politieke familie tot stand komt (...). Daardoor is de keuze van de kiezer gemakkelijker in de mate dat hij of zij zich met een partij associeert. Ook gaat een zeker appèl uit van herkenbare politieke figuren, iets wat geheel ontbreekt in een referendum. Het kan wel zijn dat groeperingen en politieke partijen ten opzichte van de referendumvraag een standpunt hebben ingenomen, maar nergens is deze associatie aanwezig op het kiesformulier. De taak bij een volksraadpleging of referendum zou dus cognitief veel complexer zijn dan bij de verkiezing van vertegenwoordigers” (advies door het wetenschappelijk comité voor de commissie voor politieke vernieuwing, Kamerdocument 50 0797/002, p.56-57). Dit is natuurlijk een transparante drogredenering. Waar het bij verkiezingen om gaat, is de mogelijkheid om de wetgeving in de gewenste zin te beïnvloeden. En het is evident dat de kiezer, om de wetgeving langs indirecte weg te beïnvloeden, over veel meer kennis moet beschikken. Bij indirecte verkiezingen moet de kiezer niet enkel goede van het slechte wetsvoorstellen kunnen onderscheiden, hij moet ook nog eens gaan inschatten in welke mate de diverse partijen en kandidaten de door hem gewenste wetwijzigingen gaan realiseren. In het citaat hierboven worden de aanwijzingen, die een kiezer heeft om bij een referendum pro of contra te stemmen, vergeleken met de aanwijzingen waarover de kiezer beschikt, om voor of tegen deze of gene partij te stemmen. Zo vergelijk je appels met citroenen, want wie stemt voor een partij, weet daarmee nauwelijks in welke zin hij het wetgevend werk zal beïnvloeden. Hoeveel CD&V kiezers dachten bij de stembusgang van 1999 aan het homohuwelijk, of hoeveel Agalevkiezers dachten aan de wapenlevering aan Nepal, toen ze hun stem uitbrachten? Bovendien zijn de ‘cues’ waarover de professoren reppen sowieso waardeloos voor kiezers, die niet in partijprogramma’s doch slechts in concrete wetsveranderingen zijn geïnteresseerd. En dat is voor de meeste kiezers het geval: er zijn bijna geen burgers, die zich min of meer volledig in het programma van één welbepaalde partij kunnen terugvinden.

Blijft de kern van het particratische argument: verkozenen kunnen bekwamere en beter geïnformeerde keuzes maken dan de modale burger. Net zoals loodgieterij of artsenij is ook politiek een vak, mijnheer. Wetgevend werk mag men niet aan amateurs overlaten!

Doen politici dan in technische zin iets bijzonders, wat gewone burgers niet kunnen? ‘Ja’ of ‘nee’ zeggen tegen een wetsvoorstel vergt op zich geen enkele scholing. Iedereen kan op een stemknopje drukken, of op een formulier een bolletje zwarten. Niet iedereen kan een waterleiding leggen of een intraveneuze injectie toedienen. Maar iedereen kan een stem uitbrengen.

Is er geen bijzondere bekwaamheid vereist om een verantwoorde stem uit te brengen? Moet men niet vele uren of dagen studie en discussie besteden aan een wetsvoorstel, vooraleer daarover een stem kan worden uitgebracht? Parlementsleden, zo luidt het argument, hebben daar de tijd voor. Zij zijn daarvoor vrijgesteld. De modale burger niet.

De waarheid is natuurlijk, dat parlementsleden zelden of nooit stemmen op basis van eigen inzicht en eigen studie. Zij stemmen volgens de partijdirectieven. Juist daarom loopt het stemgedrag van de parlementsleden die tot dezelfde fractie behoren, zo verbazend parallel. In de meeste gevallen hebben parlementsleden de wet waarover ze stemmen, niet eens gelezen, laat staan begrepen. Hoeveel leden van het Vlaams parlement zouden bijvoorbeeld het decreet over de eindtermen in het middelbaar onderwijs zelfs maar oppervlakkig hebben doorgenomen?
Parlementsleden specialiseren zich op een beperkt domein, en steken nogal wat tijd in het gespecialiseerde commissiewerk op dit domein. Voor het overige gebruiken zij ‘shortcuts’: dat wil zeggen dat zij een onderwerp niet zelf bestuderen, maar afgaan op de autoriteit van anderen. Dat is precies hetzelfde wat ook de meeste burgers doen bij een referendum. Sommigen verdiepen zich in het onderwerp, maar de meerderheid zal zich oriënteren op de opinie van mensen of verenigingen die zij beschouwen als autoriteiten op het betrokken gebied. Bijzondere scholing of studie is daar niet voor nodig. Je hoeft dan ook niets speciaals te studeren om parlementslid of minister te kunnen worden. En ja, een parlementslid steekt meer tijd in politieke besluitvorming dan een gewone burger, die aan een referendum deelneemt. Maar het parlementslid stemt ook over veel meer wetten. Er is geen aanwijzing dat een parlementslid per gestemde wet meer tijd uittrekt dan een burger die aan een referendum deelneemt.

Evenmin zijn er bewijzen dat door burgers per referendum gestemde wetten dommer of nefaster zijn dan wetten, die langs parlementaire weg zijn goedgekeurd. Wat onze hooggeleerde professoren in de parlementaire commissie ook mogen beweren, het blijft een simpel logisch feit dat mensen, die in staat zijn om een parlement te kiezen dat goede wetten kan maken, a fortiori ook in staat moeten zijn om rechtstreeks goede wetten te maken. Michael Gallagher schreef over dit punt: “...European experience does not confront us with any obvious examples of irresponsible electorates plunging headlong into misguided decisions while an enlightened legislature wrings its hands helplessly on the sidelines. Of course, voters can make decisions that do not have the positive consequences envisaged, that do not take much account of the feelings of minorities, or that are simply ill-considered - but so can legislatures” (‘De Europese ervaring levert geen voorbeeld van een onverantwoordelijk kiezerscorps dat blindelings in de fout gaat terwijl een verlicht parlement vanaf de zijlijn machteloos moest toekijken. Natuurlijk kunnen kiezers beslissingen nemen die niet het verhoopte positief resultaat opleveren, onvoldoende de gevoeligheden van minderheden in rekening nemen, of gewoonweg verkeerd bekeken waren; maar parlementen kunnen dat evengoed’ EM. Gallagher en P.V.Uleri ‘The referendum experience in Europe’, London: McMillan 1996, p.241). Dezelfde overweging vinden we ook terug bij Cronin: “Critics of the direct legislation frequently have a view of state legislators that borders on the mythical: highly intelligent; extremely well informed; as rational as a virtuous, wise and deliberative statesman; and as competent as corporate presidents and university professors. These same critics tend to view the people as a ‘mob’, unworthy of being trusted. Yet the people, or so-called mob, are the same persons who elect legislators. How is it that they can choose between good and bad candidates but cannot choose between good and bad laws?” (‘Diegenen die directe democratie bekritiseren hebben vaak een mythische kijk op het parlementslid. Dat zouden hoogintelligente en buitengewoon goed ingelichte figuren zijn, rationele, deugdzame, wijze en bedachtzame staatsmannen, met de bekwaamheid van een bedrijfsleider of een hoogleraar. Het volk daarentegen wordt door dezelfden als een onbetrouwbare meute afgeschilderd. Toch is het diezelfde zogezegde meute die de parlementsleden verkiest. Hoe kan het gepeupel goede van slechte kandidaten onderscheiden, indien het geen onderscheid maken kan tussen goede en slechte wetten?’; T.E.Cronin ‘Direct Democracy’ London: harvard UP 1989, p.87).

Kortom: de vergelijking tussen het wetgevend werk en geschoolde vakarbeid, die niet voor iedereen is weggelegd, is volkomen ongepast. Iedereen met normaal gezond verstand kan via een referendum aan politieke besluitvorming deelnemen.

Maar er is meer. Ten gronde is het recht op individuele deelname aan de politieke besluitvorming onvervreemdbaar. De kern van een politiek besluit is immers altijd moreel. Politieke besluitvorming betekent: op basis van objectieve feiten, in eer en geweten een keuze maken voor het goede. Er is slechts sprake van politieke besluitvorming in de mate, dat de feiten ruimte laten voor zo’n morele keuze. We stemmen niet over de vraag hoeveel 2 + 3 is, noch over de vraag of een brugpeiler van een gegeven dikte en samenstelling, het wel of niet zal houden. Dat is ingenieurswerk. Maar we kunnen wel in eer en geweten stemmen over de vraag, of de betrokken brug uit ecologisch en maatschappelijk gezichtspunt wenselijk is of niet. Politiek begint waar, in maatschappelijke kwesties, de gewetens moeten onderscheiden tussen goed en kwaad.

Welnu, het geweten en het gewetensvol oordeel zijn, door hun natuur, onvervreemdbaar met het individu gebonden. Je kan je morele oordeelsvorming en je geweten niet uitbesteden. Je kan niemand vragen, om in jouw plaats te ademen. Op dezelfde wijze kan je niemand vragen, om in jouw plaats een gewetensvol leven te leiden. Zeker, mensen kunnen elkaar mandaten geven op basis van vrijwillig geschonken vertrouwen. Maar zij kunnen hun gewetens niet uitleveren aan elkaar. Dat betekent dat een mandatering nooit absoluut kan zijn: wanneer zich omstandigheden voordoen waarin burgers in geweten oordelen dat direct moet worden beslist, dan moeten zij de mogelijkheid hebben om terzake een initiatief te nemen. Net zoals iedereen een arbeidsovereenkomst kàn sluiten, maar niemand mag gedwongen worden om zo’n overeenkomst te sluiten, zou ook iedereen de mogelijkheid moeten hebben om politiek te mandateren, maar niet mogen gedwongen worden tot mandatering, zoals in ons huidig systeem het geval is. Gedwongen politieke mandatering is even verwerpelijk als een gedwongen arbeidsovereenkomst; in beide gevallen heb je te maken met verhulde vormen van slavernij. In een echte democratie geven burgers een vertrouwensvol mandaat aan verkozenen, om het wetgevend werk te verrichten waarmee het gros van de burgers zich niet direct kan of wil inlaten. Maar diezelfde burgers behouden in een democratie wel de volle mogelijkheid om, telkens dit nodig lijkt, direct volgens hun geweten te beslissen - via het bindend referendum op volksinitiatief.

 

DIVERSE BERICHTEN

 

BRITTEN VOOR REFERENDUM OVER EUROPESE GRONDWET


In het Britse populaire dagblad The Sun verscheen op 15 05 03 een artikel van politiek hoofdredacteur Trevor Kavanagh, waarin een referendum over de komende Europese Grondwet wordt geëist. Volgens een in opdracht van de krant uitgevoerd onderzoek beseffen de meeste Britten helemaal niet dat zo’n Grondwet überhaupt op komst is. Daar komt nog bij dat 60% van de ondervraagden gekant bleek tegen het afstaan van nog meer bevoegdheden aan Brussel.

Bovendien wenst niet minder dan 84% van de Britten een referendum over zo’n grondwet, vooraleer die van kracht wordt.

The Sun kondigt aan campagne te zullen voeren voor zo’n referendum.

www.thesun.co.uk/article/0,,2-2003221325,00.html

Een tegelijk door de Telegraph bekendgemaakte bevraging leverde een vergelijkbaar resultaat op: 83% procent wenste soevereiniteitsvragen op te lossen via nationale referenda, terwijl slechts 13% vond dat dit de taak was van de regering.

www.telegraph.co.uk/news/graphics/2003/05/15/neu15big.gif

*


VIER FRANSEN OF VIJF VOORSTANDER VAN DEMOCRATIE


Uit een recente peiling van SOFRES, waarvan de resultaten werden bekendgemaakt op 12 03 03, blijkt dat 82% (tegen 15% tegenstanders) van de Fransen ja zeggen tegen het instituut van het referendum op volksinitiatief.

Het bericht van ‘Lire la politique’, waarin de resultaten van het SOFRES-onderzoek worden samengevat, stelt ook dat de grote meerderheid van de Fransen van mening zijn dat zij geen enkele invloed op de politieke besluitvorming uitoefenen (90% heeft het gevoel geen invloed uit te oefenen op het nationaal niveau, en 76% heeft hetzelfde gevoel met betrekking tot het gemeentelijk niveau).

HAMBURG: VAKBONDEN BEKOMEN REFERENDUM TEGEN PRIVATISERING


Op 20 mei hebben de vakbonden in Hamburg de nodige handtekeningen binnengeleverd, om een ‘Volksbegehren’ af te dwingen betreffende de privatisering van de ‘Landesbetriebs Krankenhäuser’ (LBK), dat met 11.000 werknemers het grootste bedrijf in Hamburg vormt. LBK beheert ondermeer ook bejaardenwoningen.

Op 01 05 02 hadden de vakbonden reeds een ‘Volksinitiative’ gelanceerd. Dat is een petitie, waarvoor in de deelstaat Hamburg 12.000 handtekeningen nodig zijn. De verkoop van het complex is een belangrijke doelstelling van de huidige rechtse CDU-FDP-Schill deelstaatregering. De senaat had dan op 27 11 02 deze petitie afgewezen.

De burgers in Hamburg hebben nu dus een Volksbegehren, dat wil zeggen een bindend referendum op volksinitiatief, over deze kwestie afgedwongen. Het initiatief wordt gesteund door de oud-kommunistische PDS en door de groenen van GAL. De socialisten doen niet mee.

Hamburg heeft samen met Beieren de meest democratische wetgeving in de Duitse Bondsrepubliek. Tot 1998 bestond een mogelijkheid tot volksreferendum, die echter zo goed als onwerkbaar was. OP 27 09 98 konden de burgers, dankzij een initiatief van de organisatie ‘Mehr Demokratie’, via een referendum een veel betere referendumregeling afdwingen. In de drie daaropvolgende jaren vonden 25 ‘Burgerbegehren’ plaats. Het Duitse systeem voorziet in twee fazen. Eerst is er een petitiefase, waarvoor een relatief klein aantal handtekeningen is vereist. Indien het deelstaatparlement de petitie afwijst, komt het tot een authentiek ‘Volksbegehren’. Daarvoor zijn meer handtekeningen nodig: 60.000, te verzamelen in twee weken. Het nieuwe referendumsysteem in Amsterdam (zie elders in deze Witte Werf) vertoont een soortgelijke tweetrapsysteem.

taz Hamburg Nr. 7059 vom 21.5.2003, Seite 21, 14 Zeilen (TAZ-Bericht), kva
www.taz.de/pt/2003/05/21/a0016.nf/text
www.ping.be/jvwit/witwhamburg.html
www.lichter-der-grossstadt.de/html-Dokumente/Aktuelles/Welt-LBK-120902.htm

WETSVOORSTEL VOOR NIET-BINDEND REFERENDUM IN LUXEMBURG

In het Luxemburgs parlement werd een wetsvoorstel ter invoering van een niet-bindend referendum ingediend. De Luxemburgse regering heeft ook aangekondigd, dat ze in elk geval een referendum zal organiseren betreffende de Europese grondwet.
www.chd.lu/servlet/DisplayServlet?id=24487&path=/export/exped/sexpdata/Mag/005/007/026446.pdf

ONZE PROGRESSIEVE PERS


In de WW van vorige zomer maakten we melding van een Nederlandse studie, waaruit bleek dat bijna tachtig procent van de Nederlandse journalisten voor een linkse partij stemt (zie: Maarten Huygen "Media ver van het publiek. Na de dood van Pim Fortuyn gaat beschuldigende vinger naar politiek en pers" NRC-Handelsblad, 8 mei 2002). Dat blijkt nu ook te gelden voor de Vlaamse pers, aldus een onderzoek verricht aan de Gentse universiteit, en waarbij meer dan duizend journalisten werden ondervraagd. “Meer dan drie kwart noemt zich tamelijk tot zeer progressief, slechts zeven procent beoordeelt zichzelf als eerder conservatief. Zestien procent hangt in het centrum. Meer dan de helft van de journalisten vindt zichzelf progressiever dan hun medium. De journalistiek is de voorbije jaren fors progressiever geworden. Twintig jaar geleden noemde maar de helft van de journalisten zich progressief. In de parlementsverkiezingen van 1999 stemde 51 procent van de journalisten voor Agalev, 32 procent voor de SP, en opvallend, slechts 9 procent voor de CVP. Twee procent stemde voor het Vlaams Blok. Toch blijken journalisten aardige voorspellers, zo blijkt uit hun kiesintenties voor de voorbije parlementsverkiezingen van 18 mei. Toen de enquête in december vorig jaar en januari dit jaar werd afgenomen, planden al velen de overstap van Agalev naar SPA. Het percentage Agalev-stemmers was gezakt tot 30 procent, SPA/Spirit kreeg toen 43 procent” (De Standaard, 05 06 03, p.12).

In een commentaar zegt Paul Goossens: “Ik ken nogal wat mensen in de media die op café erg progressief zijn, maar in hun medium zich op de vlakte houden en het standpunt vertolken dat ze geen vingertje in de lucht willen steken, dat ze niet willen voorhouden wat de mensen moeten denken. Ik vind dat je als journalist veel meer opiniërend tewerk moet gaan”. Met andere woorden: volgens Goossens moeten de journalisten meer ijver aande dag leggen bij hun indoctrinatiewerk.



UNIEK REFERENDUMSTELSEL IN AMSTERDAM

(naar een persbericht van het Referendumplatform)

Op 19 06 03 heeft de Amsterdamse gemeenteraad een plan goedgekeurd voor een nieuw referendumstelsel, dat uniek is in Nederland. Burgers kunnen nu zelf voorstellen schrijven en aan de gemeenteraad voorleggen. Daarvoor zijn ongeveer duizend handtekeningen nodig. Wijst de raad het burgervoorstel af, dan kunnen burgers na het inzamelen van 25.000 handtekeningen een referendum initiëren. Komt zo’n referendum tot stand, dan heeft de gemeenteraad nog het recht om een alternatief voorstel te doen. Burgers hebben dan de keuze uit 3 opties: de bestaande situatie, het initiatiefvoorstel of het raadsvoorstel. De uitkomst is ‘politiek bindend’. Juridisch bindende referenda zijn in Nederland grondwettelijk onmogelijk, maar de leden van de gemeenteraad verbinden zich ertoe om de uitkomst van het referendum te eerbiedigen.

In Amsterdam stelt de gemeenteraad bij referenda altijd een campagnebudget vast, dat soms wel 450.000 euro bedraagt. Dit bedrag zal in de toekomst gelijk worden verdeeld over het gemeentebestuur en het burgerinitiatief. Er komt een huis-aan-huis-verspreide Referendumbrochure waarin het gemeentebestuur en het burgerinitiatief evenveel ruimte krijgen voor hun argumenten en op elkaars argumenten moeten reageren.

In de rest van Nederland kunnen burgers vrijwel alleen referenda aanvragen over door de overheid genomen besluiten (correctieve referenda). Ze kunnen niet zelf voorstellen op de agenda zetten. In Amsterdam werden in 1995-2003 zes referenda van dit type gehouden. Dit leidde tot onvrede bij de burgers omdat de politiek het alleenrecht op de politiek bleef houden, en onvrede bij het bestuur omdat burgers steeds “nee” riepen zonder aan te geven wat ze dan wél willen.

Het plan is geschreven door 7 jonge, niet-partijgebonden Amsterdammers, die uit onvrede met deze wederzijdse frustratie eind 2001 Amsterdams Initiatief oprichtten. Daartoe werd contact gezocht met deskundigen uit o.a. Duitsland en Zwitserland, waar dit type referendum al veel langer bestaat. Gedurende de eerste helft van 2002 is contact gezocht met alle politieke partijen in Amsterdam. Met de 6 oppositie-partijen in de raad (GroenLinks, D66, SP, Leefbaar Amsterdam, Amsterdam Anders/ De Groenen en Mokum Mobiel) is daarop in november een startconferentie gehouden waarna deze partijen het voorstel van Amsterdams Initiatief ongewijzigd in de gemeenteraad indienden. Vervolgens werd intensief gelobbied bij de verdeelde PvdA-fractie, met een derde van de zetels de grootste van Amsterdam en sinds mensenheugenis in het College. Vele PvdA-coryfeeën – waaronder landelijk leider Wouter Bos – betuigden steun aan Amsterdams Initiatief. Na een hevig en geemotioneerd raadsdebat stemden gisteravond 12 van de 15 PvdA-raadsleden voor, waardoor een raadsmeerderheid ontstond. Merkwaardig genoeg stemden Leefbaar Amsterdam en Mokum Mobiel tegen. Zij vonden de invloed van burgers te ver gaan.

Aan de PvdA-fractie werden twee concessies toegestaan. Ten eerste werd een (laag) deelnamequorum opgelegd: een referendum is pas geldig als 20 procent van de kiesgerechtigden een stem uitbrengt. Veel zwaarwegender is de tweede concessie: over een reeks belangrijke thema’s (zoals de gemeentebegroting, lokale belastingen, ‘kwetsbare groepen’, spoedeisende kwesties en het bestuurlijk stelsel...) mag geen referendum worden ingericht. In het najaar zal de raad discussiëren of sommige van deze uitzonderingen niet geschrapt moeten worden.
www.amsterdamsinitiatief.nl
www.parool.nl/1035521982298.html
_________________________________
Power to the people Zie: www.economist.com/displayStory.cfm?story_id=1534259

 


EN TENSLOTTE...


"Tot 2006 blijf ik alleszins burgemeester van Mechelen.
Dat heb ik de kiezer beloofd."

Slotzin uit het boekje ‘Iedereen burgemeester!’ van Vlaams minister-president Bart Somers,
uitg.Van Halewijck, verschenen in maart 2003.
Drie maanden nadien ruilde Somers zijn burgemeesterfunctie voor het ministerschap.