Guido De Bruyker: ‘GEEN HOERA VOOR DE DEMOCRATIE’

Afdrukken

In De Standaard van 12/13.03 ll. verscheen een opiniestuk van Ian Buruma onder de titel ‘GEEN HOERA VOOR DE DEMOCRATIE’. De mening van Buruma is in DS regelmatig present, en de keren dat ik ze las, vond ik ze blijk geven van veel scherpzinnigheid. Dit keer liggen de zaken echter anders.

Buruma noemt de huidige Europese ‘referendum-rage’ een weerspiegeling van het wantrouwen van de bevolking tegenover haar politieke vertegenwoordigers. Een vaststelling, lijkt me, waar weinig tegenin te brengen is. Maar dat is het dan. Verder dan deze diagnose komt zijn stuk in wezen niet. Zó eindigt zijn betoog: “Directe democratie zal het vertrouwen van de mensen in hun politieke vertegenwoordigers niet herstellen. Maar als dat vertrouwen er niet komt, zal de macht naar leiders gaan die beweren in naam van het Volk te spreken. En dat is nooit goed afgelopen.”

Het is nauwelijks te geloven dat deze professor democratie en mensenrechten aan Bard College, New York, er de inzichten over democratie op na kan houden waar hij in dat artikel blijk van geeft. Zijn definitie van referendum: “Een referendum is een voorbeeld van ‘directe democratie’. Het volk (of beter, het Volk) laat zijn stem niet horen via verkozen vertegenwoordigers in een parlement, maar rechtstreeks in een plebisciet.” De ironie van het zinnetje tussen haakjes (“of beter, het Volk”) hoeft niet te verbazen van een docent in democratie die van het begrip referendum niets méér blijkt af te weten dan dat het synoniem zou zijn van ‘plebisciet’. En die in alle ernst staande houdt dat verkozen vertegenwoordigers de stem van het volk zijn (terwijl verkiezingen zelfs nooit met democratische bedoelingen zijn ingesteld – zie Bernard Manin, David Van Reybrouck e.a.).

Zijn opvatting over ‘democratie’ vind je integraal terug in het volgende citaat: “Normaal stemmen wij in een vrije democratie op mannen en vrouwen van wie wij verwachten dat ze met kennis van zaken over problemen zullen beslissen die voor ons, gewone burgers, te ingewikkeld en te tijdrovend zijn. Een handelsovereenkomst, bijvoorbeeld, is niet iets waar je als modale burger direct mee bezig bent. Een referendum is zelden een nauwkeurige peiling van het gezond verstand van de mensen, of een test van hun expertise. Een referendum gaat over het buikgevoel, en dat kan gemakkelijk door demagogen worden gemanipuleerd. Daarom zijn demagogen er dol op.” De klassieke, achterhaalde argumenten dus tegen directe democratie – ze vullen een derde van Buruma’s betoog.

(Nog even een paar bedenkingen bij vorig citaat: vertegenwoordiging door verkiezing is de normale gang bij een ‘democratie’; vrije democratieën: je zou zeggen dat de auteur er zich op één of andere manier van bewust lijkt dat de contradictio in terminis onvrije ‘democratie’ in werkelijkheid bestaat; een referendum is zelden een nauwkeurige peiling van het gezond verstand van de mensen (laat hij de mogelijkheid open dat het in sommige gevallen wél zo zou zijn?), of een test van hun expertise: een tegenargumentatie van het genre ‘hogere vereisten voor vakbekwaamheid zijn zelden gunstig voor de werkgelegenheid’).

Buruma schildert dan wel de ‘roep om referenda’ af als een reactie van burgers die niet langer het gevoel hebben te participeren aan de politiek [hebben ze dat gevoel dan vroeger wél ooit gehad?] en als een symptoom van de populistische wens ‘ons land’ te heroveren, toch vindt hij ook dat de vertrouwenscrisis ernstig te nemen is. Maar, liever dan de oorzaak in het vertegenwoordigende en particratische systeem zélf te zoeken, kiest hij voor het status quo. Waarbij de burgers dan op de één of andere manier het vertrouwen in hun verkozenen maar zullen moeten herwinnen. Het gevaar dat populistische demagogen garen spinnen uit de frustratie die referenda kunnen meebrengen is uiteraard reëel, maar alleen omdat de particratie er alles aan doet om de touwtjes in handen te houden en referenda zo veel mogelijk te boycotten of uit te hollen. Buruma spant de kar vóór het paard.

In tijden waar zich een maatschappelijke omslag opdringt is één van de cruciale voorwaarden om hervormingen ingang te doen vinden dat campagnes voldoende ondersteuning genieten van gezaghebbende intelligentia. Buruma is op zijn gebied een invloedrijke figuur. Mensen zoals hij zijn daarom kwalijke tegenkrachten voor een broodnodige (r)evolutie.