Democratie.Nu bespreekt de conceptnota Burgerparticipatie van SCHILTZ

Afdrukken

1. INLEIDING

 

Democratie.Nu is volksvertegenwoordiger Willem-Frederik Schiltz erkentelijk voor zijn conceptnota: het laat toe om gefundeerde, omstandige feedback aan te leveren op een aantal pijnpunten van ons bestuurlijke systeem.

 

Geheel in de geest van de conceptnota - actieve burgerparticipatie mét impact -  becommentarieert de beweging voor directe democratie de verschillende liberale voorstellen. Het expertisecentrum over directe democratie brengt concrete voorstellen aan die - indien daadwerkelijk geïmplementeerd - de volkssoevereiniteit invoeren.

 

Want, zo onthult het SCP-onderzoek waarop Schiltz zich beroept: “Over de praktische invulling van de democratie, de politiek dus, is men minder tevreden. Er is veel kritiek op gekozen politici en grote steun voor meer inspraak van burgers en meer directe democratie (o.a. referenda over belangrijke kwesties, het kiezen van de burgemeester).” Het SCP-onderzoek benadrukt: “Toekomstig onderzoek moet zich richten op problemen met representatie in brede zin. Eén van de zorgen over moderne westerse democratieën betreft het vraagstuk van representatie: traditionele vormen van institutionele representatie hebben aan het begin van de 21e eeuw hun vanzelfsprekendheid verloren.”

 

Om deze pijnpunten te verhelpen, levert Schiltz een aantal instrumenten aan die moeten aantonen dat - nota bene binnen de lijnen van de bestaande representatieve democratie - nog belangrijke stappen vooruit kunnen gezet worden naar meer democratie.

 

Schiltz’ conceptnota bewandelt 3 pistes.

 

2. SCHILTZ WEG NAAR DEMOCRATISCHE VERNIEUWING

 

1. pro-verkiezingen

2. sterker parlement

3. méér betekenisvolle participatie

 

- oprichten kenniscentrum ‘democratische vernieuwing’

- beleidsnota minister van binnenlands bestuur

- burgerkabinetten (deliberatie)

- afschaffing formele adviesraden

- participatief budgetteren (burgerbegroting)

- deliberatieve peiling (mini-burgertop)

- burgerinitiatief, gevolgd door een gewestelijke volksraadpleging

- transparantie via digitalisering: actieve openbaarheid van overheidsdata.

 

Democratie.Nu vraagt zich - niet geheel zonder verwondering - af: hoe kunnen deze drie pijlers werkelijk leiden tot Democratische Vernieuwing en méér democratie, wanneer we vaststellen dat de voorstellen nét deel uitmaken van het probleem?

 

3. EEN DIRECT-DEMOCRATISCHE BLIK OP SCHILTZ' VOORSTELLEN

 

1. VERKIEZINGEN ZIJN GEEN DEMOCRATIE

 

1.A. verkiezingen werden historisch ingesteld TEGEN (burger)democratie

 

Verkiezingen hebben weinig of niets met democratie te maken, wat men doorgaans ook beweert. Ons huidig politiek systeem is geëvolueerd uit een systeem, door de toenmalige heerser opgericht tégen democratie. Dit systeem werd ‘representatief’ of ‘republikeins’ genoemd en was hoofdzakelijk gebaseerd op verkiezingen. Tijdens deze omwenteling werd er in de meeste westerse landen een ‘electoraal aristocratisch’ systeem ingesteld. In vergelijking met de ‘aristocratie door erfrecht’ was dit al een indringende evolutie. Hoewel, enkel rijken en vooraanstaanden (priesters, notabelen, ...) konden zich kandidaat stellen en deelnemen aan de verkiezingen. Nadien werd het algemeen stemrecht ingevoerd. Iedereen kon nu stemmen of zich verkiesbaar stellen. Omwille van dit democratische ‘element’ verwijst men naar verkiezingen als ‘democratisch’, geheel ten onrechte (Francis Dupui-Déri).  Veel van de zogezegd 'democratische' landen vormen in feite een electorale aristocratie met daar bovenop een sterke ‘particratie’. Meer weten? Check David van Reybrouck over 'verkiezingen'.

 

1.B. verkiezingen zijn weinig geschikt voor de aanstelling van de wetgevende macht (parlement)

 

Verkiezingen hebben weinig met democratie-an-sich (= wetgevende bevoegdheid voor de burgers) te maken: het is een instrument om leiders aan te stellen. Honderd jaar voor de Franse Revolutie werden de boekaniers geleid door de begrippen vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid. In een boekanierkamp werd de kapitein verkozen. Hij kon ook bij stemming afgezet worden. De bemanning - en niet de kapitein - besliste al dan niet om een ander schip of vloot aan te vallen. Ook de oude Grieken (+/- 400 VC) kenden het verkiezingssysteem voor de aanduiding van 'de beste', namelijk om het leger aan te voeren. De wetgevende structuren echter waren gebaseerd op democratische instrumenten, vertegenwoordiging door loting en de volksvergadering. Het verkiezingssysteem voor wetgevende structuren vindt voornamelijk zijn oorsprong in de Romeinse Republiek. Meer info.

 

Verkiezingen werden bijgevolg nooit ingevoerd om het beleid/wetgeving te laten bepalen door de burgers. Bij het aanstellen van leiders zijn verkiezingen wél een aanvaardbaar systeem: bv bij de aanstelling van bekwame mensen aan het hoofd van onze instellingen (zoals rechtstreekse presidentsverkiezingen, burgemeesterverkiezingen, aanstelling van rechters, hoge overheidsfuncties), …

Het principe van verkiezingen leidt op zichzelf tot de selectie van de besten (= aristocratie) en niet tot een vertegenwoordiging door gelijken (zoals bv met loting, wat - indien juist uitgevoerd - een representatief beeld van de samenleving garandeert).

 

 

1.C. de huidige verkiezingen zijn gestoeld op ondemocratische principes

Na de verkiezing - de stijd om de stem van de burger - volgt een tweede strijd, waar de burger niet eens aan te pas komt: de strijd om de coalitie/regering.

 

 

Deze coalitievorming tijdens het verkiezingsproces is fundamenteel ondemocratisch:

- het proces is NIET TRANSPARANT: de burger heeft geen vat op de regeringsvorming: de partijtoppen - niet het volk - bepalen welke partijen in de meerderheid terechtkomen. Het regeerakkoord wordt onderhandeld ver van de openbaarheid en wordt niet door de burgers bekrachtigd.

 

- de coalitievorming (met het cordon sanitaire als bijzondere verschijningsvorm) is een POLITIEK VAN UITSLUITING: de oppositie wordt uitgesloten van beleidsvorming. Kiezers die stemden op een partij die - al dan niet toevallig - in de oppositie belanden, worden eenzijdig buiten spel gezet, vermits zij uitgesloten worden van het wetgevende werk.

 

 Met andere woorden:

- coalities vervormen de kiesuitslag

- bepaalde groepen kiezers worden systematisch en structureel uitgesloten

- ook thema's zelf worden getaboeïseerd, bijvoorbeeld de problematiek van de veiligheid en de immigratie.

 

 

1. D. DE FUNCTIES DIE ER ECHT TOE DOEN WORDEN NIET DOOR DE KIEZER VIA VERKIEZINGEN INGEVULD

De burger verkiest geen regering, burgers hebben geen vat op de regeringsformatie, noch op het regeerakkoord. Men verkiest bovendien geen overheidsfuncties: het is de partijtop die benoemt. De kiezer heeft slechts een beperkt aandeel in de samenstelling van een - a priori - vleugellam parlement.

 

2. HET PARLEMENT KAN GEEN ROL VAN BETEKENIS MEER SPELEN, VERMITS ZE DE VOORBIJE DECENNIA NAGENOEG VOLLEDIG DOOR DE PARTICRATIE WERD UITGEHOLD

 

2.A. Hoe kan een parlement sterker worden, wanneer nét de verkiezingen (en de hiermee gepaard gaande coalitievorming) de kamer van volksvertegenwoordiging in twee snijden - meerderheidsfracties vs oppositie - en dus het parlement geheel verzwakken?

 

 2.B. Officieel is het parlement de wetgevende macht. In werkelijkheid is de regering véél meer wetgever dan het parlement. Het gros van de wetten ontstaan op de tafel van de uitvoerende macht; op zich een flagrante schending van de scheiding der machten en dus van de fundamenten van de rechtsstaat. De regering staat centraal in de politieke beleidsvoering. Het parlement is in de loop van de tijd uitgehold en gedevalueerd van wetgevende macht naar een knikkende stemmachine voor de uitvoerende macht. De besluitvorming gebeurt nu buiten het parlement. Ook de dwingende Europese directieven beknotten vrije wetgevende bevoegdheid door het parlement. 

 

 2.C. Staan parlementariërs niet per definitie machteloos?

- komt een parlementariër in de oppositie terecht: hij/zij is - per definitie - uitgesloten van deelname aan het wetgevende werk

- komt een volksvertegenwoordiger in de regering terecht: hij/zij is gebonden aan een regeerakkoord, dat op de partijhoofdkwartieren werd onderhandeld en iedere democratische legitimiteit mist. 

 

2.D. Zelfs mocht het parlement nog over effectieve macht beschikken, dan nog worden alle volksvertegenwoordigers in hun stemgedrag aangestuurd door de partij(toppen). Omdat deze partijvoorzitters bepalen wie er op een verkiesbare plaats komt te staan, oefenen de politieke partijen de facto een grote macht uit over het stemgedrag van hun volksvertegenwoordigers en verworden zij tot partijsoldaten. In België en Nederland worden nagenoeg alle stemmen door parlementariërs uitgebracht volgens de partijlijn. In Nederland ligt de partijdiscipline op 99,998%.

 

Daarom rijst de vraag: vertegenwoordigt het parlement werkelijk het volk?

 

De grondwet ontkent deze stelling en ook de Raad van State benadrukt dat er van volkssoevereiniteit geen sprake kan zijn 

 

Daarom, stemmen we in werkelijkheid op een volksvertegenwoordiger of eerder

- op een PARTIJSOLDAAT, met handen en voeten gebonden aan de partijdiscipline:

                             - partijgetrouw stemgedrag wordt beloond met een verkiesbare plaats op de lijst of een zitje in het                                            parlement

- wie anders stemt dan het partijstandpunt mag zich aan repercussies verwachten: de parlementariër kan zijn verkiesbare plaats bij de volgende kiesronde of een zitje in parlement wel vergeten + hij/zij wordt uitgesoten van alle activiteiten waarvoor het bezit van de partijkaart essentieel is.

 

- een NATIE-VERTEGENWOORDIGER

 

Met andere woorden: wordt de burger niet gedwongen te ‘kiezen’ (= gedwongen mandatering) voor een - voorgeselecteerde - ‘volks’vertegenwoordiger, die zélf over weinig tot géén enkele keuzevrijheid beschikt? Vertegenwoordigen volksvertegenwoordigers het ‘algemeen belang’ of eerder het belang van ‘de natie’, ‘de partij’, deelbelangen (vb belangenbehartiging van sommige economische sectoren) en het eigenbelang (macht, inkomen, status)?

 

3. PARTICIPATIE LEIDT NIET TOT VOLKSSOEVEREINITEIT

Participatie is een misleidende term. De cijfers zijn ontnuchterend. Zoals een Amerikaanse participatie-studie onthult: slechts een fractie (!) van de participatie-initiatieven in Amerika is de term ‘participatie’ waardig. Dat leidde tot een belangrijk toetsingsinstrument: de participatieladder van Arnstein.

 

 3.A. DE PARTICIPATIELADDER VAN ARNSTEIN

 

Arnsteins participatieladder is opgebouwd uit 8 participatietrappen, gaande van non-participatie (trapladder 1 en 2) over participeren in participatie (trapladder 3, 4 en 5) tot volwaardige participatie (trapladder 6, 7 en 8).

               1. Manipulatie: onder het mom van ‘begeleiding’ en ‘ondersteuning’ worden burgers geïnformeerd,

               geadviseerd, geïndoctrineerd en gekneed naar de ideologie van de machthebber.

 

2. Therapie: hier is sprake van ‘groepstherapie’ vermomd als ‘burgerparticipatie’: burgers worden betrokken in het proces, maar de focus ligt op het ‘opvoeden’ van burgers, op het afbrengen van hun ‘pathologie’, m.a.w. op ‘disciplinering’ en ‘socialisering’ en niet op het bestrijden van de structurele klasse-ongelijkheid an-sich.

 

                à 1 en 2: non-participatie.

 

3. Informering: er is sprake van éénrichtingsverkeer: de informatie vloeit van de overheid naar de burgers in plaats van omgekeerd en veelal hanteert men hierbij een paternalistische visie op de omschrijving van maatschappelijke problemen. De oplossing van een probleem ligt vaak al klaar in de vorm van een voorgesteld plan. Doel van de participatie is om de burgers via educatie en public relations te overtuigen het aangeleverde en voorgeknede plan te aanvaarden. Er wordt geen weerwerk of onderhandeling mét impact van de burger toegestaan.

Voorbeelden: kant-en-klare draaiboeken of modelcontracten worden aangeboden onder het mom van ‘support’. Vaak is de uitleg te technisch en wordt deze informatie niet altijd even goed begrepen door de participanten. Andere ingezette instrumenten: het nieuws, pamfletten en posters.

Andere voorbeelden: peilingen, vrijblijvende vragenlijsten, buurtvergaderingen, openbare hoorzittingen. Het betreft hier illusoire participatie: burgers worden niet ernstig genomen, er wordt niets met de klachten en adviezen gedaan, burgers kunnen hun wil niet doordrukken.

 

4. Consultatie:

Vbn: peilingen, vrijblijvende vragenlijsten, buurtvergaderingen, openbare hoorzittingen. Het betreft hier illusoire participatie: burgers worden niet ernstig genomen, er wordt niets met de klachten en adviezen gedaan, burgers kunnen hun wil niet doordrukken.

 

5. Bemiddeling: hier zetelt een aantal vooraf geselecteerde burgers - niet representatief voor de ganse bevolking - in de raad. Of, het aantal zetels voor burgerparticipanten in de raden is beperkt, waardoor de burgers nooit over een meerderheid kunnen beschikken. Burgervoorstellen worden steeds weggestemd; er bestaat geen enkele mogelijkheid om de eindbeslissing te beïnvloeden.

Vbn: adviesraden, buurtraden.

 

à 3 en 4 en 5: ‘participeren in participatie’ = illusoire participatie: burgers hebben dan wel geparticipeerd, maar zij ‘profiteren’ niet: participeren is daarom niet gelijk aan zélf beslissen. Er is geen sprake van ‘wetgevende bevoegdheid’ voor de burger. Burgers mogen dan wel spreken en zich uitdrukken, het blijft louter formeel en vrijblijvend en het status quo blijft gehandhaafd. Het ontbreekt de burgers aan ‘muscle’ om de besluitvorming te beïnvloeden. Vaak is de aangeleverde informatie gebrekkig, vertekend of misleidend. Doorgaans wordt de creativiteit van de participanten de kop ingedrukt: de technici en experts dragen vooropgestelde, weinig innovatieve en zuiver bureaucratische oplossingen aan, gericht op deelbelangen. Maw: de experts of procesbegeleiders sturen de participanten al in een welbepaalde richting; de uitkomst werd al op voorhand bepaald. Burgers mogen enkel nog hun akkoord geven of toezicht houden, terwijl hen het zicht op het ganse proces ontbreekt.

 

 

6. Bemiddeling: hier vindt een eerste verdeling van de macht plaats door ‘bemiddeling’ en ‘onderhandeling’. Burgers plannen mee en beïnvloeden de eindbeslissing.

 

7. Delegatie van macht: de burgers bezetten een meederheid van zetels, ze zijn stemgerechtigd en/of kunnen hun veto stellen, er is maximale transparantie van de inkomsten, de cv van de experten is gekend. Er is beslissingsbevoegdheid voor de burger.

 

8. Burgercontrole: burgers staan aan het roer, zijn betrokken en beheersen het programma/project van begin tot einde. Ze verdelen zelf de fondsen, plannen, managen en voeren alles zelf uit. Er zijn geen sturende/storende intermediaire factoren meer.

 

à 6, 7 en 8: vanaf deze trapladders krijgen de burgers de macht om te onderhandelen met de machthebber of verkrijgen zelfs full managerial power. Het doorslaggevende criterium is: ‘van in staat zijn een doorslaggevende invloed uit te oefenen’ tot ‘geheel zélf kunnen beslissen’.

 

 

3.B. SCHILTZ’ PARTICIPATIEVOORSTELLEN IN HET LICHT VAN ARNSTEINS PARTICIPATIELADDER

 

Democratie.Nu toetst Schiltz’ participatie-voorstellen af aan de  participatieladder van Arnstein.

 

Enerzijds is Schiltz zich duidelijk bewust van deze storende, beïnvloedende factoren en levert een aantal belangrijke randvoorwaarden aan die betekenisvolle burgerparticipatie moeten garanderen, zoals:

 

- Impact: "Als je burgers bij het beleid betrekt, dan moeten ze impact hebben. Je kan geen aanbevelingen laten formuleren om ze vervolgens naast je neer te leggen. Je kan geen referendum organiseren zonder de uitslag te respecteren.”

 

- Professionele communicatie- en procesbegeleiding + goede en heldere afspraken.Er is nood aan voorspelbare besluitvormingsprocedures en een transparant proces. Er moet open toegang zijn tot kerndocumenten en gegevens; faire mogelijkheden voor belanghebbenden om input te geven op plannen en een transparant en controleerbaar systeem om de input te verwerken en te integreren in de besluitvormingsprocedure. Beide partijen - politiek en burgers - moeten dezelfde verwachtingen hebben over het proces. Zoniet kan de poging tot participatie leiden tot heel wat teleurstelling en frustratie.”

 

Anderzijds vreest Democratie.Nu dat Schiltz’ voorstellen geheel contraproductief zijn. Geen enkel voorstel beklimt trapladder 6 (volwaardige participatie).

 

Een blik op Schiltz’ participatievoorstellen:

 

* burgerkabinetten (voorstel 3) en deliberatieve peilingen (V5)

* burgerbegroting (V6)

* burgerinitiatief/gewestelijke volksraadpleging (V7) ondersteund door kenniscentra democratische vernieuwing (V1) en middels een beleidsnota, sterk omkaderd door de overheid (V2)

* digitalisering (V9 en V10) en (actieve) openbaarheid/meer transparantie (V8)

 

* Burgerkabinet: “Een burgerkabinet op het Vlaamse niveau en burgerkabinetten op het lokale niveau. Via zo’n deliberatief besluitvormingsproces worden burgers dichter bij het beleid betrokken en dat creëert meer draagvlak voor het beleid.”

 

Volgens Democratie.Nu schuilt het addertje in de (vrij expliciete) disciplinering, de consultatie, de ‘therapie-gerichte aanpak’ die valt af te lezen in zinnen zoals: Zo’n deliberatieve aanpak creëert meer draagvlak voor het beleid.”

 

Deze verborgen disciplinering is niet nieuw. Voorliggende quote van Patrick Janssens is veelzeggend: Wij moeten meer mensen op een intense wijze bij de besluitvorming betrekken. Meer mensen moeten zelf mee over hun toekomst en die van hun gemeenschap beslissen. De huidige vertegenwoordigende democratie laat dat onvoldoende toe. Ook vormen van directe democratie zullen niet volstaan. Daarom moeten we de instrumenten van de politieke participatie herdenken en verfijnen.  Bovenop de vertegenwoordigende democratie kiezen we voor verregaande vormen van participatieve democratie. Die is gemeenschapsvormend en werpt een dam op tegen onverdraagzaamheid en afbrokkeling van het sociale weefsel. We willen zo mensen weer betrekken bij wat er in hun buurt gebeurt en bij wat er over hun buurt wordt beslist. Politiek wordt met de mensen en niet alleen voor de mensen gevoerd. Een grotere vorm van betrokkenheid moet leiden tot betere besluitvorming en dus tot beter beleid. Meer betrokkenheid bij de besluitvorming leidt ook tot een grotere aanvaarding van dat beleid en tot grotere identificatie met de samenleving”. 

In deze tekst wordt directe democratie (en dus de volkssoevereiniteit) afgewezen; het alternatief is ‘participatieve democratie’ met als doel het psychologisch lijmen en sussen van de ontevreden burger. Die burger gelooft onvoldoende in de politiek, wat de besluitvorming hindert. Laat de burger dus participeren, dan zal hij terug in de politiek geloven. In de quote staat letterlijk dat die participatieve democratie de burger zal brengen tot een ‘grotere aanvaarding van het beleid en tot een grotere ‘identificatie’ met de samenleving (in casu het globale kapitalistische bestel).

Samengevat: ‘Participatie’, ‘inspraak’ en ‘deliberatie’ worden ingezet om het beleid te legitimeren én de onvrede van de bevolking te kanaliseren. Participatie stelt het gebrek aan democratie niet in vraag; het legitimeert het politieke bestel door de bevolking de indruk te geven dat ze kunnen meesturen. Hier is de participatie enkel show of windowdressing: participatie wordt ingezet om aan te tonen dat de burger deelnam aan het proces/besluitvorming, terwijl de werkelijke beslissingsmacht ongenaakbaar blijft.

 

 

* Burgertop:Zet deliberatieve peilingen of mini-burgertops op rond belangrijke beleidsthema’s om de geïnformeerde mening van de burgers te weten te komen. Het idee: peilen naar de mening van burgers wanneer ze goed geïnformeerd zijn. De burgers moeten niet zelf met creatieve oplossingen komen, maar simpelweg goed geïnformeerd hun mening geven."  

Moet de geïnformeerde burger kunnen ‘adviseren’, zoals Schiltz stelt? Of moet de geïnformeerde burger dit advies ook bindend kunnen maken en daadwerkelijk kunnen implementeren? Waarom vrijblijvend adviseren wanneer men de mening wil kunnen vertalen in beleid?

 

Schiltz is zich overigens wel bewust van de mogelijkheid tot sturing en ‘kaping’ van het participatieproces, wat échte bottom up-burgerparticipatie in de weg staat. Schiltz stelt voor om de vele formele adviesraden die op het Vlaamse en lokale niveau fel geïnstitutionaliseerd zijn en worden bevolkt door professionele mensen uit publieke instellingen en belangengroepen af te schaffen. “Bouw daarom een kenniscentrum ‘democratische vernieuwing’ uit binnen de bestaande structuren en middelen van de Vlaamse overheid, die de rol van kennismakelaar en procesbegeleider kan spelen met het oog op de verdere ontplooiing van meer democratische vernieuwing. Betekenisvolle burgerparticipatie vergt een professionele omkadering, en de Vlaamse overheid heeft hier een belangrijke rol in te spelen. Een overkoepelende beleidsnota ‘democratische vernieuwing’ van Vlaams minister van Binnenlands Bestuur is noodzakelijk met een duidelijke uiteenzetting van de ambities en een bijhorend stappenplan.”

Democratie.Nu vreest echter dat deze verborgen disciplinering en aansturing niet zal verdwijnen, maar wordt vervangen door een al even stringent overkoepelend overheidskader en aangeleverde participatie-specialisten.

 

* Burgerbegroting (participatief budgetteren): participatie waarbij burgers via een deliberatief beslissingsproces een (beperkt) deel van de publieke middelen een publieke bestemming geven. “Juist wanneer het gaat om geld is betrokkenheid van burgers essentieel. Als het menens is om burgers meer macht te geven, dan gaat het er om met hen te beslissen over het budget."

 

Democratie.Nu merkt op dat België 25 jaar achterloopt op het participatief beheren van het overheidsbudget. De voorlopers bepalen inmiddels 25% van het overheidsbudget. Ook hier loert manipulatie door weinig neutrale procesbegeleiders en aansturende, omgekochte of aangeleverde experten om de hoek.

 

Democratie.Nu stelt dat wanneer het de overheid menens is de burger meer macht te geven zij zélf de hoogte van hun belastingen moeten kunnen bepalen en via referendum kunnen bepalen hoe deze gelden worden besteed. De toewijzing van een tevoren bepaald en beperkt bedrag is te vrijblijvend. 

 

 

* Burgerinitiatief, gevolgd door een gewestelijke volksraadpleging: “De recente studie van het SCP (sociaal-cultureel planbureau) toont aan dat er een groot draagvlak is voor meer inspraak van burgers en meer directe democratie via referenda over belangrijke maatschappelijke kwesties.”

 

Schiltz leverde hiervoor een ontwerp van bijzonder decreet aan.

 

a) dit ontwerp lanceert een volksraadpleging op basis van een initiatief van de bevolking, een parlementair initiatief of een regeringsinitiatief

 

Schiltz’ organieke decreet voorziet tevens in andere procedurele afbakeningen, met name:

 

b) de grootte van de handtekeningendrempel: “Burgers kunnen zelf wetsvoorstellen indienen als ze 100.000 anderen overtuigen hun idee te steunen. Die drempel moet proportioneel zijn met het aantal inwoners. De drempel moet voldoende hoog liggen om het niet te vrijblijvend te maken, maar ook niet te hoog zodat het haalbaar blijft voor geëngageerde burgers.”

 

c) de inzet van een opkomstdrempel

 

d) de formulering van de vraag: een neutrale commissie van experten beslist over de juiste vraagstelling

 

e) de wetgever bepaalde dat welbepaalde gewestelijke aangelegenheden niet vatbaar zijn voor een volksraadpleging. Werden o.a. uitgesloten van een volksraadpleging: internationale verdragen, financiën en begroting van de Vlaamse overheid

 

f) het Vlaams Parlement moet bij stemming de uitslag van de volksraadpleging nog bekrachtigen

 

Schiltz’ conceptnota is een uitnodiging aan het Vlaams Parlement om zich te bezinnen over de wijze waarop een dergelijk bijzonder decreet vorm kan krijgen.

 

Democratie.Nu leverde echter ook een voorstel van bijzonder decreet aan in de vorm van een direct verzoekschrift aan het parlement. Dit werd echter afgewezen, zonder te worden besproken.

 

Democratie.Nu’s voorstel van bijzonder decreet wijkt fel af van Schiltz’ ontwerp van decreet op de volgende punten:

 

a) géén plebiscieten (= referendum op initiatief van de regering of het parlement, overheidsreferenda). Een plebisciet is een nepreferendum: het wordt doorgaans door de politieke elite georganiseerd op een zodanig tijdstip, met zodanige voorwaarden en een zodanige vraagstelling dat - veelal - een vooraf gewenste uitkomst wordt bereikt. Staatsreferenda worden ingezet op cruciale momenten, namelijk:

 

- om steun te verwerven voor het gevoerde beleid

- om een uitweg te vinden nadat het beleid is vastgelopen; zo ontloopt de politiek haar eigen verantwoordelijkheid (‘laat  de burger het maar oplossen’). Hierdoor kan de machthebber nooit verliezen en wordt hij nog als ‘democratisch’ bestempeld ook.

 

Plebiscieten zijn het favoriete instrument van totalitaire naties. Referenda op volksinitiatief vindt men evenwel nooit terug in autoritaire regime. In Zwitserland zijn plebiscieten uit den boze.

 

b) 100.000 is onredelijk hoog voor een vrijblijvende volksraadpleging. Een volksraadpleging staat of valt dan ook met werkbare en realistische uitvoeringsmodaliteiten. Zo is een te hoge handtekeningendrempel volledig contraproductief. 50.000 handtekeningen is ruimschoots voldoende voor een niet-bindende volksraadpleging, waarbij al heel wat mogelijke thema’s op voorhand door de grondwetgever werden uitgesloten. In Zwitserland – het direct-democratische land bij uitstek en qua inwonersaantal goed vergelijkbaar met België – voldoen 100.000 handtekeningen... om de grondwet te wijzigen! Een te hoge handtekeningendrempel ontmoedigt op voorhand elk direct-democratisch initiatief. Daarom is het niet toevallig dat er nog nooit een provinciale volksraadpleging werd georganiseerd.

 

c) géén opkomstdrempel: opkomstdrempels zijn onlogisch en overbodig. De handtekeningeninzameling op zich bewijst dat er bij de bevolking voldoende interesse bestaat om een volksraadpleging over een specifiek thema te houden. In onze buurlanden - waar er geen opkomstplicht bestaat - worden bij de verkiezing van parlement of gemeenteraad ook geen opkomstdrempels geformuleerd. Waarom voor volksraadplegingen - ook zonder opkomstplicht - dan plots wél deelnamequora invoeren? 

d) het zijn de burgers die de vraagstelling moeten bepalen (niet een commissie van ‘neutrale’ experten). Hitler bijvoorbeeld organiseerde in de jaren dertig drie plebiscieten, waarbij hij twee losstaande vragen aan elkaar koppelde.

 

e) géén uitsluiting van onderwerpen: Democratie.Nu ijvert voor de opheffing van deze inhoudelijke uitzonderingsbepalingen. Elke beperking van buitenaf is immers een aanslag op de volkssoevereiniteit. In een authentieke democratie is er geen autoriteit boven het volk en beslist het volk - rechtstreeks – indien gewenst.

 

Elke beperking is ondemocratisch en mist iedere objectieve grond.

 

Wij illustreren dit met twee voorbeelden:

 1. “Stel dat de beperking op financiële aangelegenheden wordt opgegeven, dan zullen de burgers meteen de belastingen afschaffen.” Deze vrees leeft bij de wetgever - maar is geheel ongegrond - vermits het niet strookt niet met de buitenlandse ervaringen. Zo bestaat er in Zwitserland en in Duitsland (op deelstatelijk niveau) absoluut geen beperking voor fiscale onderwerpen én toch bleven onverantwoorde belastingverlagingen uit, noch was er sprake van enige ontwrichting van het staatsbestel.

Wel integendeel: méér directe democratie op fiscaal vlak had zowel een drastische afname van de fiscale fraude, als een drastische afname van de staatsschuld tot gevolg.

 

2. Ook zal het niet mogelijk zijn om een volksraadpleging te organiseren over de internationale en supranationale afspraken van België. Dat is problematisch. Globalisering en  toegenomen internationalisering van de politiek – zowat 70% van de huidige nationale wetgeving wordt inmiddels aangestuurd vanuit Europa - gaan samen met het opgeven van de Belgische soevereiniteit (en een vergaande erosie van onze burgerrechten). Daarom is het cruciaal om over instrumenten te beschikken, teneinde dat proces alsnog te kunnen keren. In een zeker opzicht wordt het zelfs een wedren tegen de tijd. Want de globalisering bouwt aan hoog tempo voort aan allerhande oncontroleerbare supranationale instanties, die de bevoegdheid van de bestaande staatsstructuren steeds meer overnemen. Indien directe democratie niet tijdens de eerstkomende decennia wordt gerealiseerd, is de nationale staatsstructuur zelf volledig weggeveegd en blijft er helemaal niets meer over dat nog kan worden gedemocratiseerd.

 

f) een referendum moet bindend zijn, zoniet degenereert dit direct-democratische instrument tot een - wel erg dure - opiniepeiling en daarvoor werd het nu eenmaal niet ontworpen. Het volk wordt al voldoende geraadpleegd (opiniepeilingen in kranten, enquêtes, onderzoeksinstellingen). Het volk wil vooral zélf kunnen beslissen over cruciale aangelegenheden.

 

Indien het referendum niet-bindend is, kan de overheid de stemming van de volksraadpleging altijd naast zich neerleggen. Dat was niet anders bij het Ierse, Franse en Nederlandse referendum over de Europese Grondwet. Hoewel de meerderheid van het volk het voorstel van een Europese grondwet wegstemde, werd deze grondwet toch - dit maal onder de vorm van een verdrag (= ‘Lisbon Treaty’) - langs de achterdeur binnengesmokkeld. Ook het Oekraïne-referendum was een verplichting tot niets.

 

Participatie verwordt hier tot een ideologische en misleidende zet van de overheid: de openlijk autoritaire concepten waarop België werd gegrondvest zijn niet langer verdedigbaar. Het volk wordt dus voortaan niet meer uitdrukkelijk tot stilzwijgen veroordeeld; het mag voortaan iets zeggen, maar:

- over vooraf geselecteerde onderwerpen

- vrijblijvend, zonder impact

- onder begeleiding en toezicht van professionelen en 'neutrale' experten.

 

4. CONCLUSIE

 

Indien we niet leren uit buitenlandse ervaringen met participatie en de bekende valkuilen voorkomen, zal dit de kloof en het wantrouwen tussen burger en politiek toenemen. De voorgestelde remedie (participatieve democratie) zal erger blijken dan de kwaal (het gebrek aan democratie).

 

Schiltz’ voorstellen blijven binnen-paradigmatisch en betreffen vormen van symptoombestrijding. Ze pakken de wortel van het probleem niet aan: de zieke representatieve democratie in haar huidige vorm. Deze ‘representatieve’ democratie blijkt niet langer legitiem, zoals ook het onderzoek waarop Schiltz zich baseert uitwijst (zie supra). Daarom is het zinloos om binnen het huidige kader de ‘democratie’ te willen verbeteren. De uitwassen van een probleem kunnen niet worden geneutraliseerd door méér van hetzelfde: dit is een logische onmogelijkheid.

 

Daarom is het logisch dat Democratie.Nu’s voorstellen diametraal ingaan tégen de aangeleverde voorstellen. Beide partijen vertrekken vanuit twee fundamenteel verschillende paradigma’s:

 

1. Schiltz beschouwt de directe of participatieve democratie als een noodzakelijke aanvulling op de representatieve democratie, maar niet als een volwaardig alternatief.

 

2. Democratie.Nu beschouwt de directe democratie (de invoer van het bindend referendum op volksinitiatief) als de enige legitieme en democratische standaard besluitvormingsprocedure.  De representatieve democratie verdwijnt hierbij niet, maar is een middel om het bestuur praktischer te maken. Want het kan niet de bedoeling zijn dat er wekelijks referenda plaatsvinden.

De representatieve electorale democratie kan ook worden uitgebreid met vertegenwoordiging door gelote burgers. Het parlement/regering neemt nog steeds het gros van de besluiten, behalve wanneer het volk middels het ophalen van voldoende handtekeningen aangeeft zélf te willen besluiten over een specifieke kwestie. Ook kan het volk middels het bindende referendum op volksinitiatief niet-gedragen wetgeving steeds terugfluiten.

 

 5. DEMOCRATIE.NU’S VOORSTELLEN TOT DEMOCRATISCHE VERNIEUWING: lees verder