Vlaams Parlement ontzegt burger uitspraak over Europese grondwet

Afdrukken

Het Vlaams Parlement keurt begin februari het ‘Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa’, kortweg de Europese grondwet, goed. Alle andere parlementen die België rijk is, deden dat al. In tegenstelling tot die andere parlementen besteedde het Vlaams Parlement wel de nodige tijd aan de bespreking van die grondwet. De goedkeuring hiervan lag echter bij voorbaat vast.
Het debat spitste zich vooral toe op de vraag of in Vlaanderen een volksraadpleging over die Europese grondwet moet worden georganiseerd. Na het nodige bochtenwerk van enkele politieke partijen werd zo’n volksraadpleging afgewezen.
De bespreking van de Europese grondwet in het Vlaams Parlement verliep in een surrealistische sfeer. Die grondwet kan er immers niet komen, omdat hij in Frankrijk en Nederland bij referendum werd verworpen. Om in werking te treden moet de grondwet door alle lidstaten van de Europese Unie worden bekrachtigd. Na het Franse en Nederlandse ‘neen’ is de grondwet bijgevolg dood en begraven. De regeringen van de 25 EU-lidstaten weten momenteel niet hoe ze uit dit slop moeten raken.

Het Vlaams Parlement debatteerde dus over een ontwerpgrondwet die van tafel werd geveegd. Het debat werd daardoor in het luchtledige gevoerd. Of zoals een parlementslid het zei: ‘Wij praten hier over een ineengezakte pudding.’ Maar omdat de overige parlementen in België zich al over de Europese grondwet hadden uitgesproken, oordeelde het Vlaams Parlement dat ook te moeten doen. Het koesterde daarbij de ambitie dat beter te doen dan die andere parlementen. Dat was niet zo moeilijk, omdat de manier waarop de Europese grondwet in Kamer en Senaat, het Waalse, Franstalige en Brusselse Parlement werd goedgekeurd, een aanfluiting was van ieder debat die naam waardig.

Initiatief Debunne


Na de goedkeuring van de Europese grondwet door de Vlaamse regering op 15 oktober 2004, kwam de bespreking ervan in het Vlaams Parlement eind vorig jaar op gang. Een verzoekschrift dat op initiatief van Georges Debunne, Jef Sleeckx en Lode Van Outrive door meer dan 15.000 personen werd ondertekend, werd op 8 november 2005 door de initiatiefnemers in de commissie voor buitenlands beleid van het Vlaams Parlement toegelicht. Voordien hadden Debunne, Sleeckx en Van Outrive om een voorafgaand contact gevraagd met de politieke partijen die in het Vlaams Parlement vertegenwoordigd zijn, behalve met het Vlaams Belang. Groen! en NVA reageerden positief. CD&V en VLD reageerden niet, terwijl SP.A ieder contact formeel weigerde.

Georges Debunne, Jef Sleeckx en Lode Van Outrive zijn nochtans lid van de SP.A. Georges Debunne was secretaris-generaal van het ABVV, Jef Sleeckx was Vlaams parlementslid en Lode Van Outrive Europees parlementslid voor de SP.A.

Die lust haar drie partijleden echter rauw, niet alleen vanwege hun verzet tegen de Europese grondwet, waarmee de SP.A volledig instemt, maar ook vanwege hun kritiek op de partij. Zo verklaarde Georges Debunne op 28 oktober 2005 in Het Laatste Nieuws dat het ‘verontrustend is dat er geen linkse partijen meer zijn; dat al die mensen die op straat komen (tegen het generatiepact, nvdr) geen politiek klankbord meer vinden. Niet bij de SP.A, zelfs niet meer bij de PS.’ Hij voegde eraan toe dat ‘Vande Lanotte en de SP.A geen socialisten meer zijn’ en dat ‘de SP.A steeds verder afwijkt van de koers die ze zou moeten volgen’. Dat was, volgens Debunne, ‘al zo onder Janssens en onder Stevaert en het wordt er met Vande Lanotte alleen maar erger op.’

Dat was de SP.A uiteraard in het verkeerde keelgat geschoten. Toen Debunne, Sleeckx en Van Outrive enkele dagen na dit interview hun verzoekschrift voor de commissie van het Vlaams Parlement toelichtten, was geen enkel SP.A-parlementslid aanwezig. Dat had waarschijnlijk ook te maken met de oprichting van SP.A-Rood op 9 november. Jef Sleeckx is een van de oprichters van SP.A-Rood, dat de linkervleugel van de SP.A wil worden. De SP.A was bovendien de felste tegenstander van een volksraadpleging over de Europese grondwet tijdens de besprekingen in de bevoegde commissie van het Vlaams Parlement.

Geen echte grondwet


Zoals Jef Sleeckx op 8 november namens Georges Debunne, Lode Van Outrive en de meer dan 15.000 ondertekenaars van het verzoekschrift zei, zijn de indieners hiervan niet tegen een Europese grondwet gekant, maar wel tegen de grondwet die door de regeringsleiders van de 25 EU-lidstaten werd goedgekeurd. Om te beginnen werd de ontwerp-grondwet niet door een verkozen grondwetgevende vergadering (constituante) opgesteld, maar door een Conventie waarin de regeringen van de lidstaten, de Europese Commissie, het Europees Parlement en de nationale parlementen waren vertegenwoordigd.

Sleeckx betreurde dat de totstandkoming van de Europese grondwet niet door een breed maatschappelijk debat was voorafgegaan en de bevolking niet in alle lidstaten de kans kreeg zich hierover via een referendum uit te spreken. Hij herhaalde de kritiek die al eerder op de Europese grondwet werd uitgeoefend.

Om te beginnen is de tekst veel te lang: 482 bladzijden. Een grondwet moet kort en bondig zijn en alleen algemene beginselen bevatten. Op de koop toe stippelt deze grondwet het te voeren beleid tot in de details uit. En dat is een liberaal beleid (Uitpers, mei 2005). Een grondwet moet neutraal zijn.

De Europese grondwet is voor herziening vatbaar. Maar iedere herziening vergt wel de eenparige instemming van alle lidstaten. Eén lidstaat kan dus een herziening tegenhouden. De grondwet waarborgt onvoldoende de scheiding der machten. De Europese ministerraad blijft tegelijk wetgevende en uitvoerende macht. Het Europees Parlement krijgt iets meer bevoegdheden, maar blijft op een aantal gebieden (buitenlands beleid, defensie, fiscaliteit) buiten spel. De Europese Commissie blijft een niet-verkozen bureaucratie. Alleen de Commissie kan wetgevende initiatieven nemen, terwijl ze de uitvoering van de Europese wetten controleert. Het handvest van de grondrechten dat in de grondwet werd opgenomen zwakt een aantal rechten af die in andere internationale verdragen worden toegekend. Zo wordt het recht op arbeid het recht om te werken. De openbare diensten worden omgetoverd tot ‘diensten van algemeen economisch belang’.

De indieners van het verzoekschrift pleitten ten slotte voor de organisatie van een ‘beleidsvoorbereidende raadpleging’ van de Vlaamse bevolking over de Europese grondwet. Geen bindend referendum, omdat de Belgische grondwet dit niet zou toelaten. Die volksraadpleging moet volgens de indieners door hoorzittingen in het Vlaams Parlement worden voorafgegaan.

Die hoorzittingen kwamen er. De meeste sprekers die werden uitgenodigd herhaalden de gekende kritiek op de Europese grondwet. Dat maakte echter weinig indruk op de Vlaamse parlementsleden. Hun mening over de Europese grondwet stond bij voorbaat vast. Behalve het Vlaams Belang, dat tegen iedere aantasting van de nationale soevereiniteit is, oordeelden alle partijen dat de grondwet een stap vooruit is vergeleken met het bestaande Verdrag van Nice. De bespreking van de grondwet in de commissie buitenlands beleid van het Vlaams Parlement zorgde dan ook voor weinig vuurwerk.

Dat de traditionele partijen (CD&V, SP.A en VLD) de grondwet verdedigden, was geen verrassing. Maar het enthousiasme waarmee ook Groen! dat bij monde van voorzitster Vera Dua deed, was wel onverwacht. Met een zekere ontroering verdedigde Dua ‘Europa’, omdat dit toch voor vrede heeft gezorgd. Dat het verenigde Europa in eerste instantie een economisch project is dat steeds meer een ultraliberaal beleid oplegt, kwam blijkbaar niet bij haar op. Dat ze de grondwet verdedigde omdat die ‘een Europees project’ is, mag ronduit beangstigend worden genoemd. Ieder ‘Europees project’ is dus bij voorbaat goed.

Dua gaf daarbij, zoals ook de woordvoerders van andere partijen, blijk van een niet gering defaitisme. Als we de grondwet laten schieten, zo zei ze, wat komt er dan in de plaats? ‘Waarschijnlijk iets slechter.’ Ook voor CD&V moeten we genoegen nemen met de grondwettekst zoals die nu voorligt. Parlementslid Miet Smet gaf toe dat het geenszins om glasheldere teksten gaat. Maar dat is volgens haar in de Europese Unie met haar 25 lidstaten en 10 politieke families onvermijdelijk.

Voor haar partijgenoot Luc Van den Brande is de verwerping van de grondwet in Frankrijk en Nederland geen reden om van mening te veranderen. Integendeel: ‘Als we nu niet een aantal stappen zetten loopt de toekomst van de EU gevaar’, aldus de CD&V-er. Anne Marie Hoebeke (VLD) zong hetzelfde liedje: ‘De grondwet moet er komen. Hij is een zeer goed compromis, waarin we ons moeten (sic) kunnen vinden, ondanks een aantal hiaten.’ Jan Loones (NVA) vatte het zo samen: ‘De NVA keurt de grondwet goed als Europees project, eerder dan om wat in de tekst staat.’ Schitterend.

Socialistische meningsverschillen


In tegenstelling tot zijn partijgenoten Debunne, Sleeckx en Van Outrive, zei Vlaams parlementslid Jacky Maes (SP.A) dat zijn partij ‘tevreden is over de grondwet, omdat het sociale Europa er een plaats in krijgt en het sociale Europa erop vooruitgaat’. Dat het handvest van de grondrechten erin werd opgenomen, vond hij ook zeer positief, evenals de mogelijkheid die de Europese ministerraad krijgt om over aangelegenheden inzake Justitie en Binnenlandse Zaken met een gekwalificeerde meerderheid en niet langer met eenparigheid te stemmen.

In een vraaggesprek met Links Ecologisch Forum (2 oktober 2005) stelt Georges Debunne daarentegen vast dat de aanvankelijke doelstellingen van het verenigde Europa, de volledige tewerkstelling, economische groei, verhoging van de koopkracht en van de levensstandaard, het moeten afleggen tegen de ontwikkeling van de vrije markt. De Europese grondwet waarborgt het recht op pensioen, de werkloosheidsuitkering en het minimum leefloon niet op Europees vlak. Sinds het einde van de jaren tachtig wordt alles afgestemd op de vermindering van de kosten (vermindering van de werkloosheidsvergoeding, van de pensioenen en van de uitgaven voor de gezondheidszorg), terwijl iedere verhoging van de belastinginkomsten wordt verworpen.

Debunne klaagt tevens aan dat de Europese ministerraad alleen maar eenparig beslissingen kan nemen over sociale, fiscale en milieuonderwerpen. Over economische en monetaire materies, die de markteconomie en de financiële wereld goed uitkomen, kan bij meerderheid worden beslist. De ontmanteling van de openbare diensten voor onderwijs, veiligheid, transport, communicatie en energie wordt steeds versneld. Sinds het Verdrag van Rome (1957) worden de openbare diensten steeds meer onderworpen aan de mechanismen van liberalisering en privatisering en gelden ook voor hen de wetten van de concurrentie.

Openbare diensten

De SP.A geeft op haar website een foute interpretatie van de artikels van de Europese grondwet over de openbare diensten, die diensten van algemeen economisch belang worden genoemd. Op die website kan men lezen: ‘De grondwet levert ook een juridische basis voor diensten van algemeen belang. Openbare diensten kunnen met andere woorden niet zomaar onderhevig worden aan de wetten van de concurrentie.’ In artikel III-166.2 van de Europese grondwet lezen we precies het tegenovergestelde: ‘Ondernemingen die zijn belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang (…) vallen onder de bepalingen van de grondwet, met inbegrip van de mededingingsregels, voorzover de toepassing van die bepalingen de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert. De ontwikkeling van het handelsverkeer mag niet worden beïnvloed in een mate die strijdig is met het belang van de Unie.’

SP.A-europarlementslid Anne Van Lancker verklaarde in dit verband dat ‘in de grondwet een oproep zit om een kaderwet te maken voor de bescherming van de openbare diensten’. Ze heeft het hierbij over artikel III-122. Hierin staat dat de Unie en de lidstaten er zorg voor moeten dragen om de diensten van algemeen economisch belang te laten functioneren ‘op basis van hun beginselen en onder voorwaarden, met name economische en financiële, die hen in staat stellen hun taken te vervullen. Deze beginselen en voorwaarden worden bij Europese wet vastgesteld.’ Maar artikel III-122 voegt eraan toe dat die toekomstige Europese wet niet in strijd mag zijn met een reeks andere grondwetartikels, zoals artikel III-166, waarin staat dat de diensten van algemeen economisch belang onder de mededingingsregels vallen.

Anne Van Lancker gaat dus iets te kort door de bocht als ze beweert dat die Europese wet de openbare diensten zal beschermen. Want als die wet er komt zal hij nog nauwkeuriger dan vandaag vastleggen welke financiering van overheidswege toegelaten is bij de overheidsbedrijven die op de concurrentiële markt een dienst van algemeen economisch belang leveren. Er kan geen sprake zijn van bescherming, want dat zou in strijd zijn met de Europese wetgeving, zo merkt Herman Michiel op in zijn brochure: ‘De Europese grondwet is een obstakel voor een democratisch en sociaal Europa’ (www. neetegendeeuropesegrondwet.be).

Anne Van Lancker is te kwader trouw als ze in het Vlaams Marxistisch Tijdschrift (herfst 2005) beweert dat het fout is te denken dat de liberale beleidskeuzes die de Europese Unie maakt ‘automatisch voortvloeien uit de grondwet’. ‘Een grondwet’, aldus Van Lancker, ‘bepaalt doelstellingen, instellingen en spelregels. Het zijn Europese politici die de concrete beleidskeuzes maken.’ Heeft Van Lancker de grondwet niet gelezen? Deel III (133 bladzijden) stippelt zeer nauwgezet het beleid uit dat de Europese Unie moet voeren.

Al die kritiek belette de leden van de commissie buitenlands beleid van het Vlaams Parlement niet op 10 januari 2006 de Europese grondwet goed te keuren met 10 stemmen tegen de 5 stemmen van Vlaams Belang. De stemming in voltallige zitting wordt bijgevolg een formaliteit en zal waarschijnlijk begin februari plaatsvinden. België zal dan de Europese grondwet, die niet meer bestaat, kunnen bekrachtigen.

Geen referendum


Boeiender dan het debat over de inhoud van de Europese grondwet was het debat dat het Vlaams Parlement voerde over het al dan niet organiseren van een volksraadpleging in Vlaanderen over die grondwet. Het stond de EU-lidstaten vrij op hun manier de Europese grondwet te bekrachtigen: via een stemming in het parlement of via een volksraadpleging. In België werd voor de parlementaire weg gekozen. Dat was aanvankelijk niet zo vanzelfsprekend. Een aantal politieke partijen zijn immers principieel voorstander van het organiseren van referenda. Dat geldt zeker voor de VLD, de ‘partij van de burger’. Op 14 oktober 2003 dienden de VLD-volksvertegenwoordigers Karel De Gucht en Rik Daems een wetsvoorstel in om een volksraadpleging over de Europese grondwet te organiseren.

Nadien veranderde de VLD van mening, zogezegd vanwege een advies van de Raad van State.Toch blijft de oprichter van de VLD, eerste minister Guy Verhofstadt, een voorstander van referenda, maar dan misschien niet in België. In zijn boek ‘De Verenigde Staten van Europa’ schrijft hij: ‘Het is pas wanneer de burger de kans krijgt zich uit te spreken bij een referendum dat die twijfels en bekommernissen (over Europa, nvdr) aan de oppervlakte verschijnen. Referenda leiden zo tot onverwachte resultaten die de verraste politici noodgedwongen tot koersveranderingen nopen.’ Verhofstadt is niet te beroerd om toe te geven dat ‘dat de verdienste is van de referenda van de afgelopen maanden. Het massale ‘neen’ in Nederland en Frankrijk dwingt er ons toe de analyse van de Europese verworvenheden opnieuw te maken, om van daaruit nieuwe recepten en nieuwe concepten aan te dragen.’ Einde citaat.

Van een Belgisch referendum over de Europese grondwet kwam niets in huis. In het federale parlement was daar bijna een meerderheid voor gevonden, toen de partij Spirit van de ene dag op de andere onder druk van de SP.A haar voorkeur voor een referendum introk. Meteen was hier geen meerderheid meer voor. De politieke partijen hadden een mooi alibi om zich achter te verschuilen: de Raad van State achtte het organiseren van een volksraadpleging in strijd met de Belgische grondwet. Die verbiedt dat het parlement door zo’n volksraadpleging wordt gebonden. De Raad van State maakte geen onderscheid tussen een bindend en een niet-bindend referendum. Dat onderscheid is niet onbelangrijk. In het verzoekschrift van Debunne, Sleeckx en Van Outrive werd voor een niet-bindend, raadplegend of beleidsvoorbereidend referendum gepleit. Het parlement, in dit geval het Vlaams Parlement, zou daardoor niet gebonden zijn. Wat tegenstanders van een referendum meteen doet opmerken dat een parlement politiek niet anders kan dan zich aan het resultaat van een referendum te houden.

Dom volk


In het Vlaams Parlement waren alleen Groen! en Vlaams Belang voor een referendum gewonnen. NVA was dat aanvankelijk ook en was zelfs van plan hiertoe een voorstel van decreet in te dienen. De partij, die een kartel vormt met CD&V, deed dit onder druk van de grote broer uiteindelijk niet. Vlaams Belang en Groen! pleitten om uiteenlopende redenen voor een referendum. De extreemrechtse partij deed dit omdat ze tegen een verdere Europese integratie is en op een ‘neen’ van de Vlaamse burger hoopte. De groenen daarentegen zijn voor de Europese grondwet, maar willen de burger rechtstreeks betrekken bij de goedkeuring hiervan, al was het maar om de kloof tussen de burger en de politiek iets kleiner te maken.

Maar in de commissie binnenlandse aangelegenheden van het Vlaams Parlement betoogde Luc Van den Brande (CD&V) dat de Vlaamse regering, het Vlaams Parlement en het maatschappelijk middenveld de bevolking duidelijk moeten maken ‘wat de toegevoegde waarde van Europa is’. Een volksraadpleging is zijns inziens niet meer dan een momentopname en bijgevolg niet de juiste weg om het debat te voeden. Met andere woorden, zelfs over een Europese grondwet, die boven de nationale grondwetten zal staan, mag de burger zich niet uitspreken. De meest gebruikte argumenten tegen deze vorm van inspraak, die ook tijdens het parlementsdebat veelvuldig aan bod kwamen, zijn dat de grondwet veel te ingewikkeld is voor de doorsnee-burger (hij snapt er niets van); dat op zo’n ingewikkelde materies niet met ja of neen kan worden geantwoord en dat bij een referendum altijd een heleboel andere dingen komen kijken die niets met de grond van de zaak te maken hebben.

Die argumenten kunnen gemakkelijk worden weerlegd. Precies door de organisatie van een referendum ontstaat een breed maatschappelijk debat, waardoor de burgers door informatie en debatten nauw bij het onderwerp worden betrokken. De voorzitter van het Vlaams Parlement, Norbert De Batselier, had daar geen oren naar. ‘Hoe verder het onderwerp af staat van de bevolking, hoe moeilijker het voor die bevolking is om daar een oordeel over te vormen.’ Europa is dus een onderwerp dat veraf staat van de bevolking. Men zou kunnen denken dat het hier om een ondoordachte antireclame voor Europa vanwege de parlementsvoorzitter ging, maar in feite is het klinkklare onzin, want de Europese Unie dringt door tot in het dagelijkse leven van iedere burger. En de burger te dom om de Europese grondwet te begrijpen? Schaf dan ook de verkiezingen af, want welke burger heeft alle partijprogramma’s gelezen, laat staan begrepen?

Bovendien kan men zich de vraag stellen of de parlementsleden wel weten waarover het gaat. Bij de stemmingen over de Europese grondwet in het federale parlement kwamen de parlementsleden op het tv-scherm vrolijk verklaren dat ze de grondwet niet eens hadden gelezen.

Is een grondwet te belangrijk om over de invoering ervan met een ja of een neen te laten beslissen? Mits goede informatie moet de burger daartoe de kans krijgen. Het gaat over een tekst die voor vele jaren de grondslag wordt van de Europese samenleving. En dat bij een referendum allerlei bedenkingen meespelen is evenmin terzake. Als men die redenering doortrekt, moet men ook de gemeenteraadsverkiezingen afschaffen, want daarbij speelt ook het beleid dat op regionaal of federaal vlak wordt gevoerd een rol.

Parlementslid Eloi Glorieux (Groen!) merkte op dat het precies de taak is van de politici de zaken te verduidelijken en misverstanden uit de weg te ruimen. Voor hem is een referendum een middel om de mensen meer bij Europa te betrekken. Het zou een middel zijn om mensen samen te brengen en ideeën te confronteren. Hij stelde echter vast dat ‘een aantal democratische partijen de confrontatie met de bevolking niet meer durft aangaan’. En hij besloot: 'Zover zijn we gekomen.’

Ook de minister-president van de Vlaamse regering, Yves Leterme, kantte zich tegen de organisatie van een volksraadpleging in Vlaanderen over de Europese grondwet. Hij nam de klassieke argumenten of drogredenen hiertegen over: het gevaar op vermenging met andere thema’s; de onmogelijkheid op ingewikkelde materies met ja of neen te antwoorden en de bezwaren van de Raad van State tegen een volksraadpleging. Maar geen nood. Vlaams minister Geert Bourgeois, verantwoordelijk voor het buitenlands beleid, zal 32.000 euro uittrekken ‘om in Vlaamse provinciesteden het maatschappelijk debat mogelijk te maken’. Eloi Glorieux (Groen!) vroeg zich af wie nog naar vergaderingen zal komen als het Vlaams Parlement net zoals de andere parlementen in België de Europese grondwet reeds heeft goedgekeurd.

De commissie binnenlandse aangelegenheden van het Vlaams Parlement verwierp de voorstellen van Groen! en Vlaams Belang voor de organisatie van een referendum over de Europese grondwet op 17 november 2005 met 9 stemmen (CD&V-NVA, SP.A-Spirit, VLD) tegen 5 (Vlaams Belang). Groen! heeft in de parlementscommissies geen stemrecht omdat de partij onvoldoende verkozenen in het Vlaams Parlement heeft om een fractie te vormen. Op 23 november 2005 verwierp het voltallige Vlaams Parlement beide voorstellen bij zitten en opstaan. Alleen Groen! en Vlaams Belang stemden voor.

Piet Lambrechts
Uitpers, nr. 72, 7de jg., februari 2006