Notities bij de voorbije verkiezingen

Afdrukken
Sexuele quota, Partijen en hun ‘achterban’, doe de stemtest, De nieuwe burgemeester,Peilingen en Communautaire aspecten. 
 
 
 
Sexuele quota

Eén van de nieuwigheden bij deze verkiezingen zijn de (indirecte) sexuele quota. Op een kandidatenlijst mag niet meer dan de helft + één van de kandidaten van hetzelfde geslacht zijn. Een feministische lijst met enkel vrouwen, of een mannelijk kaarterskwartet kunnen zich dus niet meer verkiesbaar stellen.

Eén van de neveneffecten van deze dwaze en anti-democratische wet is, dat de bekwaamheid van de kandidaten naar beneden wordt gehaald. Veronderstel, dat de bekwaamheden voor wetgevend werk gelijk over mannen en vrouwen zijn verdeeld. Laat ons aannemen dat we een kandidatenlijst van 20 personen moeten opstellen. Hoe groot is de kans dat de 20 meest bekwame kandidaten dan in een verhouding 9/11, 10/10 11/9 over de geslachten zijn verdeeld? Een eenvoudige berekening leert, dat er 17,6% kans is op een 10/10 verhouding en 16,0% kans op een 9/11 of 11/9 verhouding. In totaal heb je dus 49,6 % kans dat de volgens bekwaamheid opgestelde lijst aan de sexuele quotumregel voldoet. In één geval op twee zul je dus één of meerdere bekwamere kandidaten moeten elimineren, om aan de politiek-correcte criteria te voldoen.

De sexuele quota zijn ook dwaas om andere redenen. Na de verkiezingen onderzochten twee onderzoekers aan de KUL eens nauwkeuriger wie er nu precies was verkozen in Vlaanderen (113 mandaten, voor Kamer en Senaat samen; zie Gazet van Antwerpen, 06 06 03). Blijkt dat in de hele kamer niet één arbeider of landbouwer zetelt. De onderzoekers telden wel één werkloze, namelijk ... Patrick Janssens, die tot voor enkele maanden aan een ministerwedde de SP.A leidde. Er is één thuiswerkende vrouw, bij het Vlaams Blok. Al die groepen, samen goed voor verscheidene tientallen procenten van de bevolking, zijn dus compleet ondervertegenwoordigd. Langs de andere kant zijn 76 van de 113 verkozenen beroepspolitici, en nog eens 7 andere zijn partij- of kabinets-medewerkers. Heel begrijpelijk dus dat op het vlak van klasse en beroep niet om quota wordt geschreeuwd. Een arbeidster moet maar denken, dat een vrouwelijke verkozene uit een totaal andere klasse (meestal uit de politieke klasse) haar problemen zal kunnen begrijpen. Jazeker: de particratie heeft ook een uitgesproken klassekarakter...

De politieke klasse manifesteert zich overigens steeds openlijker als een kartel van familiale KMO’s, waarbij de SP.A zonder twijfel de kroon spant (Bruno Tobback, Peter Vanvelthoven, Freya Van den Bossche, Hilde Claes, Maya Detiège). Wie zich binnen het partijapparaat naar de top van de lijst weet te werken, haalt het. Slechts 8 van de 133 kandidaten doorbraken via hun voorkeurstemmen de dwang van de lijstvolgorde.

Kortom, de sexuele quota in het parlement hebben niets te maken met enig streven naar billijkheid of efficiëntie. De invoering ervan maakt deel uit van het ideologische PC-offensief, waarbij de burgers worden gedresseerd om zich minder en minder te zien als een individu, en meer en meer als representant of exemplaar van één of andere biologische of sociologische groep.

Partijen en hun ‘achterban’

De zogenaamde ‘representatieve democratie’, nauwkeuriger omschreven als particratie, is ongeschikt om de volkswil tot uitdrukking te brengen. De reden is, dat de kiezer een keuze moet maken tussen partijprogramma’s, en zijn voorkeur voor particuliere problemen niet kan uitdrukken. Particratische verkiezingen zijn het politiek equivalent van gekoppelde verkoop, een terecht verboden praktijk, want oneerlijk jegens de consument. Democratie heb je pas wanneer de burgers over ieder afzonderlijk onderwerp desgewenst zelf kunnen beslissen, via het bindend referendum. Enkel dan is het volk soeverein.

Dat partijprogramma’s niet representatief zijn voor de voorkeur van de kiezers, bleek nog eens uit een enquête die werd verricht voor de ‘Doe de stemtest’ van de VRT. De kiezers van de diverse partijen bleken in heel wat opzichten standpunten te huldigen, die afwijken van de inzichten gehuldigd door de partijtop. Zo bleek 63,4 procent van de VLD-kiezers voorstander van een belasting op de grote fortuinen, terwijl 52,9 procent van de SP.A-Spirit kiezers en 51,3% van de Agalev-kiezers tegen migrantenstemrecht zijn. Bij de VLD-kiezers is 51,1 procent tegen de afschaffing van de stemplicht, en bij de Agalev-achterban is 75,6 procent tegen een verhoging van de benzineprijs (De Morgen, 22 04 03, p.4).
Stouthuysen spreekt

Patrick Stouthuysen (De Standaard, 23 04 03, p.19) over de kandidaten op de lijsten: “Ons systeem selecteert op de verkeerde gronden. We selecteren mensen op basis van hun vermogen om bovenaan een lijst te geraken en verkiezingen te winnen. Daardoor houden we mensen over die campagne kunnen voeren, die vlot praten en die goed overkomen op tv. Dat zijn in de regel meer dan gemiddeld ambitieuze en assertieve mensen, die meestal over een grote geldingsdrang en een navenant ego beschikken. Niet noodzakelijk de eigenschappen die je nodig hebt om het land goed te besturen”. Ook nog: “...de kandiaten zijn met handen en voeten aan de partijleiding gebonden. Onafhankelijkheid en durf moet je van hen niet verwachten”.


Doe de stemtest

In de FET (06 05 03, p.2) verscheen een artikel van Peter De Roover, over de door de VRT gelanceerde ‘stemtest’. Deze test werd door honderdduizenden Vlamingen uitgevoerd; 61% van de deelnemers zou aangeven dat de uitkomst van die stemtest een meebepalende factor is voor hun stemkeuze. De stemtest krijgt een wetenschappelijk aura doordat hij is opgesteld door de professoren Walgrave en Deschouwer.

Walgrave is een actief bepleiter van massamanipulatie via de media, wat natuurlijk aanzet tot argwaan jegens de test.

Peter De Roover vond allerhande eigenaardigheden, doch vermeldt slechts één systematische tendens:

“We telden bij hoeveel vragen (op 36) een positief antwoord punten oplevert voor de zeven partijen. Een foutloze Agalev-rit omvat 23 positieve antwoorden, gevolgd door Spirit (22), de VLD, de SP.a en de N-VA (19), het Vlaams Blok en de CD&V (15). De paars-groene partijen komen aan een gemiddelde van 20,75, de oppositie aan 16,33. Peilers weten dat er een lichte voorkeur bestaat bij gepeilden voor positieve antwoorden. De wijze van vraagstelling zorgt hier dus voor een relatief voordeel voor paarsgroen”.

De Roover gaat niet na, hoe groot de kans is om zo’n score-verschil tussen de paars-groene meerderheidspartijen (23, 22, 19 en 19) en de oppositiepartijen (19, 15 en 15) te bekomen op basis van louter toeval. Ik heb de t-test uitgevoerd om dit na te gaan. Ik vind een t-waarde van 2,672, wat voor 5 vrijheidsgraden een waarschijnlijkheid oplevert die kleiner is dan 2,5 procent (t.975 = 2,57). Dat betekent dat er minder dan 1 kans op 40 is dat dit verschil door toeval is ontstaan. Conventioneel legt men de significantiegrens bij 1:20 , zodat we dit resultaat kunnen interpreteren als een aanwijzing, dat er wel degelijk een factor werkzaam was die discrimineerde tussen meerderheidspartijen en oppositiepartijen. Dat betekent niet noodzakelijk dat er bedrog in het spel was. De door De Roover opgespoorde tendens kan bv. ook wijzen op onbewust doorwerkende voorkeur bij de opstellers van de test.

De mogelijke vraag: “bent U voor of tegen het referendum op volksinitiatief”, die nochtans scherp kan discrimineren tussen de diverse partijprogramma’s, kwam in de test (uiteraard) niet voor.

De nieuwe burgemeester

Begin mei vond ik in mijn bus een exemplaar van De(n) Antwerpenaar, een ‘gratis’ informatieblad van de stad Antwerpen. Eerste jaargang, nummer 7. Datum: 1 mei 2003 (knipselbijlage B).

Hierin vond ik als informatie, dat wij een nieuwe burgemeester hebben. Op p.3 staat zelfs een uitnodiging aan alle Antwerpenaars: "Begin mei kunt u als bewoner met de nieuwe burgemeester aan tafel gaan zitten. De burgemeester beantwoordt bewonersvragen". Op p.1 van dit gratis door mij betaalde 'informatie'blad staat ook een olijke foto van die nieuwe burgemeester. Maar zijn naam wordt eigenaardig genoeg niet vermeld.

Enkele dagen daarna vond ik een nieuw document in mijn bus, met de titel: "Stem voor hen. Politiek gaat over de mensen". Dit bleek een verkiezingsdrukwerk van SP.A-Spirit. Op p.4 van dit schotschrift vernemen we (in forse, rode letters): "In 1999 trok Steve Stevaert nieuwkomer Patrick Janssens aan als voorzitter van de partij. In minder dan vier jaar maakten ze SP.A tot een moderne, vernieuwde partij. Nu is Patrick Janssens burgemeester van Antwerpen en lijstttrekker voor de kamer in Antwerpen".

*


Zowel de stedelijke overheid als de SP.A zelf hebben dus Patrick Janssens aan de kiezer voorgesteld als de nieuwe ‘burgemeester van Antwerpen’. Een kras staaltje van kiezersbedrog, dunkt me. Heel wat mensen stemmen nu eenmaal graag op ‘hunnen burgemeester’, getuige de talrijke burgemeesters op de neergelegde lijsten. Bovendien nog eens bedrog, dat via De(n) Antwerpenaar ook door de belastingbetaler wordt meegefinancierd.

Peilingen

“VLD slaat kloof met CD&V” blokletterde De Standaard op haar voorpagina van 19 04 03. De drie eerste bladzijden van de krant waren hoofdzakelijk gewijd aan de uitslagen van een Dimarso-peiling, uitgevoerd in opdracht van de VRT, de UA en De Standaard zelf. Belangrijkste resultaat: de VLD haalt 2,7% meer dan de CD&V, en bijna dubbel zoveel als het Vlaams Blok. De enquête werd verricht in de tweede helft van maart bij 1.022 Vlamingen.

“Suspense à tous les étages” (‘spanning op alle niveaus’) meldde Le Soir anderhalve week later (28 04 03, p.3). “En Flandre, les partis se tiennent en effet dans un mouchoir de poche. Selon les résultats de l’enquête ‘Dedicated Research’, le VLD, le CD&V et le cartel SP.A-Spirit évoluent dans un espace réduit de moins de 2%. L’écart séparant le Vlaams Blok - pointé à 17,2% - du trio de tête n’est d’ailleurs pas grand lui non plus”(‘In Vlaanderen zitten de partijen elkaar direct op de hielen. Volgens een onderzoek verricht door ‘Dedicated Research’ bevinden VLD, CD&V en SP.A-Spirit zich binnen een nauwe vork van 2%, en de kloof tussen dit trio en het Vlaams Blok, met zijn score van 17,2%, is ook al niet groot’; p.3). De ondervragingen gebeurden hier tussen 15 en 19 april, dus een maand na de Standaard-enquête.


De twee peilingen leverden, vooral voor de VLD en het Vlaams Blok, zeer verschillende resultaten op, die ook leidden tot krantenkoppen met tegengestelde inhoud. Het is al vaak gezegd dat peilingen ‘waardeloos’ zijn. Maar waarom?

De peilingen zelf zijn niet perse verkeerd, maar zij worden overgeïnterpreteerd. Schommelingen, die domweg door het toeval kunnen ontstaan, worden het voorwerp van allerhande diepzinnige bespiegelingen. Laat ons bv. eens de enquête van De Standaard bekijken. Hoe groot is eigenlijk de foutenmarge voor een partij, die in deze enquête een score van 25% krijgt toegeschreven? Een kleine berekening leert, dat de échte stemintenties met 95% zekerheid ergens tussen de 22,3% en de 27,7% liggen. Er rust dus een foutenmarge van plus minus 2,7% op het resultaat. Voor kleinere partijen wordt zo’n foutenmarge in absolute zin kleiner, doch in relatieve zin groter (op een voorspelde score van 10%, moet men bv. een marge van plusminus 1,8% nemen).

*


De foutenmarge voor de peiling in zijn geheel ligt nog hoger. En het is die globale foutenmarge die we eigenlijk moeten weerhouden. De kranten behandelen de peilingsresultaten immers alsof àlle scores tegelijk betrouwbaar zijn. Indien men bijvoorbeeld zes partijen beschouwt, en op ieder van de zes partijscores een 95%-onzekerheidsmarge weerhoudt, dan is er toch reeds 26,5% kans dat één of meer van de reële partijscores toch buiten die onzekerheidsmarge valt. Indien men een betrouwbaarheidsmarge van 95% wil voor het globale stel van de zes partijscores, moet men voor de afzonderlijke partijen betrouwbaarheidsmarges nemen van 0,951/6 ~ 0,99 (of 99%). Dat levert voor een partij met een voorspelde score van 25%, een betrouwbaarheidsmarge op van + 3,5%. En dan ziet men de ‘kloof’, die de VLD volgens De Standaard sloeg ten opzichte van de CD&V, reeds in de onbeduidendheid wegzinken. Het is waarschijnlijk niet voor niets dat de kranten bij de bespreking van deze duurbetaalde enquêtes weinig of niets zeggen over de betrouwbaarheidsmarges.

Bovendien moet men rekening houden met andere factoren die de onzekerheid verder vergroten. Omdat de enquêtes telefonisch worden gehouden, zullen veel ondervraagden denken dat de peiling niet anoniem is en niet oprecht antwoorden (vooral wanneer hun partijvoorkeur niet PC is). Een deel van de ondervraagden weigert trouwens om een voorkeur uit te spreken. Bij de Standaard-enquête kwam daar nog een merkwaardige bijzonderheid bovenop. Blijkens een grafiek op p.2 waren de kiezers per partij nog eens onderverdeeld in drie categorieën: die met een “...uitgesproken voorkeur” voor de betrokken partij, die met een “...lichte voorkeur” en die met “... helemaal geen voorkeur”. Deze laatste categorie (31% van het totaal aantal ondervraagden en oververtegenwoordigd bij de VLD) betrof volgens de peilers mensen zonder voorkeur die na aandrang toch een (logischerwijs willekeurige) keuze uitspraken.

Kortom, de in De Standaard gepubliceerde peiling liet geen enkele interessante conclusie toe. Dat zo’n krant daar dan toch enkele bladzijden aan besteedt, zegt veel over het niveau van onze Vlaamse ‘kwaliteitspers’.

Een week voor de verkiezingen verschenen dan nog eens drie peilingen, direct na elkaar:
*


De 95%-significantiemarge, vertrekkend van de uitslagen van De Standaard, zijn: VLD en CD&V: 2,7% ; SP.A-Spirit: 2,6% ; Vlaams Blok: 2,3% ; Agalev en N-VA: 1,5%.
De overeenkomstige 99%-significantiemarges zijn: VLD en CD&V: 3,5% ; SP.A-Spirit: 3,4% ; Vlaams Blok: 3,1% ; Agalev en N-VA: 1,9%

Indien je de later gepubliceerde peilingen van LLB en LS als reproducties van de DS-peiling beschouwt, dan zie je dat van de zes partijen er ééntje is, namelijk Agalev, waarbij het resultaat in de LLB-peiling buiten de significantiemarge van de DS-score valt, zelfs indien je de 99%-marge neemt. De enquête van Le Soir vertoont zowel voor CD&V, Agalev als voor de N-VA zo’n excessieve afwijking. Dit suggereert dat zelfs de 99%-marge te smal is om als basis te dienen voor commentaar op het geheel van de peiling. Blijkbaar bestaan er tussen de peilingen in de verschillende kranten methodologische verschillen. In De Standaard geeft opiniepeiler Jan Drijvers als één van de verklaringen voor de hoge Agalev-scores in de peilingen (ivm het stemresultaat): “Dat is een menselijke reactie. Via allerlei correcties stelt men te grote verschuivingen in het kiesgedrag bij, maar men verwart daarbij stabiliteit en betrouwbaarheid” (DS 19 05 03, p.17). Met andere woorden: de peilers knoeien met hun resultaten en zeggen dat niet aan de lezers.

Iedereen is het erover eens, dat peilingen niet als voorspellingen van verkiezingsresultaten kunnen opgevat worden. Peilingen zijn momentopnamen. Maar op hetzelfde ogenblik gepubliceerde peilingen zouden wél ongeveer dezelfde werkelijkheid moeten meten, willen zij überhaupt nog enige betekenis hebben. Wanneer twee of meer peilingen direct na elkaar worden gepubliceerd, kan je de latere peiling als een reproductie van de vroegere peiling beschouwen. Dat laat ons toe, om een schatting te maken van een empirische standaarddeviatie, die op deze peilingen rust. Die empirische standaarddeviatie zal dus breder zijn dan de berekende, omdat zij ook de impact van de methodologische verschillen zal omvatten.

Beschouw een bevolking waarvan de lichaamlengtes normaal verdeeld zijn, met een gemiddelde waarde van 170 cm en een standaarddeviatie van 10 cm. Hoe groot zal het gemiddeld verschil in lichaamslengte zijn, wanneer we uit deze bevolking twee willekeurige individuen uitpikken? De statistische theorie zegt dat dit 0,8 standaarddeviaties zal zijn, in ons voorbeeld dus 8 cm. De scores voor een bepaalde partij in een reeks opeenvolgende peilingen zullen ook normaalverdeeld zijn, en de verschillen tussen twee scores zullen gemiddeld 0,8 empirische standaarddeviaties bedragen. Ik heb de scores vergeleken, enerzijds van de DS-peiling van 15 april en de LS-peiling van 19 april, en anderzijds van de DS-peiling van 9 mei en de LLB-peiling van 12 mei alsook de LS-peiling van 13 mei. Het resultaat is, dat de empirische standaarddeviatie ongeveer dubbel zo groot is als de berekende.

Dat voert ons tot de volgende vuistregel, om een realistische 95%-betrouwbaarheidsmarge te schatten voor een peiling met zes partijen. Bereken eerst de theoretische standaarddeviatie. Dat doe je door het aantal ondervraagden te nemen, te vermenigvuldigen met de score van de partij (uitgedrukt als een getal tussen 0 en 1), nog eens te vermenigvuldigen met (1 - die score), en van de uitkomst de vierkantswortel te nemen. Die uitkomst vermenigvuldig je met 2,58 (om een 99%-marge voor de aparte partij te bekomen) en nog eens met 2 om de berekende standaarddeviatie door de empirische te vervangen. Vereenvoudigd: vermenigvuldig de berekende standaarddeviatie met vijf. De uitkomst geeft de 95% marge indien je de hele set van de zes partijen bekijkt, uitgedrukt in aantal ondervraagden. Om een onzekerheidsmarge in procent te krijgen, deel je nog eens door het aantal ondervraagden.


Twee realistische rekenvoorbeelden:

de VLD haalt 23,6% ; 1000 ondervraagden. Vijfmaal de standaarddeviatie = 5 x (0,236 x 0,764 x 1000)exp(0,5) = 67 ondervraagden meer of minder, wat een procentuele marge geeft van plusminus 6,7%.

Of: Agalev haalt 5,7%; 1000 ondervraagden: 5 x (0,057 x 0,943 x 1000) exp.(0,5) = 37 ondervraagden, of 3,7% meer of minder.

Die marges zijn natuurlijk breed, en de enige voorspellingen die ze voor deze verkiezing nog toelieten, is een daling van de groene en een stijging van de rode score (ten opzichte van de verkiezingsresultaten van 1999). De discussies over de volgorde tussen VLD, CD&V en SP.A-Spirit, over de kansen van de N-VA of de stijging of daling van het Blok, konden door de peilingen niet beslecht worden. Alles wat de kranten daarover schreven, was louter wind.

Communautaire aspecten

In de pers werd heel wat aandacht besteed aan het feit, dat blijkbaar niet alle kamerzetels even duur zijn. Kiezers van kleine partijen genereren moeilijker zetels dan kiezers van grote partijen, en kiezers van Franstalige partijen genereren gemakkelijker zetels dan kiezers van Nederlandstalige partijen.

Het eerstgenoemd effect wordt bewerkstelligd door ons onevenredig zetelverdelingsysteem, dat tijdens de afgelopen legislatuur nog werd aangevuld door de vijfprocentdrempel. Die drempel zorgt ervoor, dat in het volkrijkere Vlaanderen grotere partijen worden weggemaaid dan in Wallonië, terwijl je voor federale verkiezingen toch ten minste een mechanisme zou mogen verwachten, dat alle Belgen gelijk behandelt. De N-VA haalt met 201.399 stemmen één zetel. Ecolo haalt met 201.123 stemmen 4 zetels. De stemmenaantallen zijn voor beide partijen gelijk, maar de zetels kosten voor de N-VA vier maal zo veel als voor Ecolo. Belangrijker voor de overlevingskansen van deze partijen is het feit, dat de N-VA géén overheidssubsidies meer krijgt, terwijl Ecolo wél langs de kassa mag passeren. De vijfprocentdrempel hield immers de N-VA wél uit de senaat, maar het electoraal iets kleinere Ecolo niet (om subsidies te krijgen, moet een partij zowel in de Kamer als in Senaat zetelen).

Franstalige zetels zijn goedkoper, omdat in het Franstalig landsgedeelte meer niet-kiesgerechtigden wonen. Het aantal zetels in een kieskring wordt immers bepaald naar evenredigheid, niet met het aantal kiesgerechtigden, maar met het aantal inwoners. De volksvertegenwoordigers worden blijkbaar geacht, ook die niet-kiesgerechtigden te vertegenwoordigen. Hoe een verkozene je kan vertegenwoordigen, zonder dat je hebt kunnen kiezen, blijft een goedbewaard particratisch geheim.

The End

De verkiezingen waren nauwelijks voorbij, of het Arbitragehof liet weten dat de huidige kieswetgeving ongrondwettelijk is: het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden omdat er overal provinciale kieskringen zijn, behalve in Brabant. Het Arbitragehof vernietigt ook de regeling, die gelijktijdige kandidaatstelling voor Kamer en Senaat toestaat.

Hoewel de rechters klaar en duidelijk zeggen dat de stembusgang van 18 05 03 is gehouden in strijd met de Grondwet, worden de verkiezingen zelf toch niet vernietigd. Kan men dan ook niet een bindend referendum op volksinitiatief (BROV) inrichten, ook al is dit zogezegd strijdig met de Grondwet? Natuurlijk niet: het BROV is immers strijdig met de particratie.