Hoe in uw gemeente referenda mogelijk maken?

Afdrukken

Op 2/11/2004 heeft Bert Penninckx, lid van Democratie.Nu (toen nog WIT), een verzoekschrift ingediend bij de Voorzitter van het Vlaams Parlement, De heer Norbert De Batselier.


Elementen van het verzoekschrift kunnen in het huishoudelijk reglement van de gemeente opgenomen worden.

Korte motivatie.

1- Momenteel wordt de grondwet overwegend geïnterpreteerd alsof het referendum in strijd is met de Belgische grondwet en met de representatieve democratie. De grondwet zou namelijk enkel “de Natie” en niet “het volk” als enige, hoogste soevereine macht aanwijzen. De geplande wijziging van de grondwet heeft net als doel dat eindelijk alle macht van het volk uitgaat. In feite zal hiermee pas de democratie in België ingevoerd worden. Ik ga er dus van uit dat de grondwet weldra gewijzigd wordt. Daarom gebruik ik nu al het begrip “referendum” en niet “volksraadpleging”.

2- Het volk wordt al voldoende geraadpleegd. Kranten, overheidsinstellingen, organisaties en onderzoeksinstellingen verrichten dagelijks onderzoek naar wat het “volk wil”. Middels geïnstitutionaliseerde volksraadplegingen zullen deze dure opiniepeilingen valse verwachtingencreëren.
De burger wil niet alleen zijn mening te kennen geven maar wil voornamelijk mee beslissen. Hij wil mee zijn samenleving vorm geven en verantwoordelijkheid nemen. Als de burger de kans ontnomen wordt tot dit scheppend vermogen veroorzaakt dit de zogenaamde verzuring en de “kloof met de burger”. Dit verzuringsproces is reeds lang aan de gang en kan omgekeerd worden.

3- Bij een bindend referendum (en daar ga ik van uit) wordt de burger ernstig genomen. Dit is niet zo bij een volksraadpleging, daar voelen de burgers zich dikwijls bedrogen.

4- Referenda wakkeren de betrokkenheid van de burgers aan en geven hen het noodzakelijke vertrouwen.

5- Referenda boren de initiatiefkracht en het sociaal kapitaal van de samenleving aan. Ook stijgt het geluksgevoel, het welzijn en de welvaart.

6- De burger kan zich niet meer machteloos achter de politici verschuilen. Referenda legitimeren het handelen van de vertegenwoordigende democratie. Er ontstaat een beter beleid, meer innovatie en de financiën blijken beter beheerd te worden.

7- Zonder de mogelijkheid tot referenda kunnen we niet van een democratie spreken. Wél van een representatieve democratie of enkele andere afgeleiden zoals particratie enz. Het referendum is een aanvullend instrument van de representatieve democratie.

Voor België is het begrip referendum tamelijk nieuw. Daarom is het goed om op gemeentelijk vlak te beginnen om het referendum in te voeren. De onterecht gevreesde “ongevallen” (hoeveel “ongevallen” gebeuren er niet in een zuiver representatieve democratie?) zijn tot een gemeente beperkt waardoor deze een leerschool worden om op Gewestelijk en Federaal niveau eveneens referenda mogelijk te maken. 
 
Wat zijn nu volgens mij, en de wereldwijde ervaringen, de beste modaliteiten om in een gemeentedecreet het referendum op te nemen?
(Vette tekst is het voorstel zelf, gewone tekst is toelichting.)

1 - Het referendum gaat over één strikt omlijnd onderwerp.

2 - Het referendum is bindend.

Dit spreekt voor zichzelf. Met een referendum neemt het volk een beslissing. Als een beslissing niet bindend is neemt men de mensen niet ernstig. Het referendum is ongeschikt om de mening van het volk te vragen. Daarvoor bestaan opiniepeilingen, enquetes e.d.
Ik stel ook voor dat:

3 - De gemeenteraad is verplicht om een referendum te houden bij soevereiniteitsoverdracht en bij een onevenwichtige begroting.

In wat volgt spreek ik alleen over referenda geïnitieerd door het volk: het volksinitiatief.

4 -
Een referendumaanvraag kan in twee stappen gebeuren:
5 - Eerste stap (initiatieffase): het inleidend verzoek moet worden ondertekend door een aantal - minstens zestienjarige - inwoners van de gemeente dat tenminste twee maal het aantal gemeenteraadsleden bedraagt en minimaal 0,2% van de - minstens 16 jarige - inwoners omvat.


De handtekeningendrempel mag niet te hoog zijn om elke burger de mogelijkheid te geven een voorstel in te dienen. Op deze manier wordt voorkomen dat alleen kapitaalkrachtige individuen een campagne kunnen beginnen.

6 - Tweede stap: het definitief verzoek tot het houden van een referendum moet worden ondersteund door een aantal - minstens zestienjarige - inwoners dat tenminste gelijk is aan de percentages van volgende kiesomschrijvingen van - minstens zestienjarige - inwoners:

7- kiesomschrijving percentage
< 1000 10%
< 2000 9%
< 5000 8%
< 10.000 7%
< 20.000 6%
< 50.000 5%
< 100.000 4%
< 200.000 3,5%
< 500.000 3%
< 600.000 2,5%
> 600.000 2%


Met deze differentiëring wordt voorkomen dat in kleine gemeenten om de haverklap een referendum plaatsvind. (In feite moeten we daar ook niet bang voor zijn want als politici hun werk goed doen worden wellicht weinig referenda geïnitieerd.)

8- Op verzoek van de initiatiefnemer(s) van een referendum zorgt het College van Burgemeester en Schepenen er voor dat de verzoekformulieren:

   1. ter beschikking gelegd worden aan de gemeentelijke infobalies
   2. in de publicaties van het gemeentelijk informatieblad worden bijgevoegd
   3. van de eventuele gemeentelijke webstek kunnen gedownload worden en door de burgers met een gecertificeerde handtekening kunnen ondertekend en doorgestuurd worden naar de initiatiefnemer
   4. in de plaatselijke media opgenomen worden


9 - De initiatiefnemers zorgen zelf voor de inzameling van de ondertekende formulieren.

10 - Het inzamelen van handtekeningen op de openbare weg en op voor het publiek toegankelijke plaatsen is vrij en kan niet onderworpen worden aan een voorafgaandelijke toelating.


De lokale overheden hebben er alle belang bij (om de verzuring tegen te gaan) dat zij de burgerinitiatieven zo goed mogelijk ondersteunen.

11 - Het verzoek tot het houden van een referendum moet worden gericht aan de burgemeester.
12 - Dit kan ofwel onder de vorm van een inleidend verzoek (initiatieffase) ofwel onder de vorm van een definitief verzoek en moet vergezeld zijn van een gemotiveerde nota, de stukken die de gemeenteraad kunnen voorlichten en desgevallend ook van het advies van de Vlaamse Adviescommissie voor Volksraadplegingen.

13 - Geen enkel thema wordt uitgesloten waarvoor de gemeenteraad bevoegd is.


Omdat de burger een mandaat aan de vertegenwoordiger geeft wil dit niet zeggen dat de burger zich van zijn verantwoordelijkheid onttrekt. De rekening wordt zowiezo aan de burger gepresenteert; hij dient eveneens de wetten te ondergaan. Daarom moet de burger rechtstreeks kunnen beslissen over elk thema door tijdelijk zelf het mandaat over dit thema uit te oefenen. Dit mandaat behoort dus tijdelijk tot zijn medeburgers (politici inbegrepen) en hemzelf.
 
14 - Er zijn geen opkomstdrempels.

(Dit lokt steevast boycot-acties uit; de enige theoretische opkomstdrempel die er zou kunnen zijn is het aantal gemeenteraadsleden.) Bedenk dat elke burger zich niet met elk thema wil bezighouden. Iemand die op geen enkele wijze betrokken is bij een thema kan moeilijk een standpunt innemen. Hij geeft dan impliciet een mandaat aan diegenen die wel gaan stemmen. Dit principe wordt trouwens ook in de representatieve democratie toegepast.

15 - De vragen dienen zó geformuleerd te zijn dat met ja of neen kan worden geantwoord.

16 - De gemeenteraad kan tijdens de initiatieffase voorstellen om de oorspronkelijke vraagstelling te wijzigen. Indien de vraagstelling niet wordt gewijzigd tellen de in de eerste fase ingediende handtekeningen mee voor het definitief verzoek.

17 - Indien het College van Burgemeester en Schepenen heeft vastgesteld dat het inleidend verzoek werd ondersteund door een voldoende aantal handtekeningen is de gemeenteraad verplicht om op de eerstvolgende bijeenkomst het voorstel te behandelen en een gemotiveerde beslissing te nemen over het verzoek.
18 - Indien de gemeenteraad het voorstel aanvaardt heeft het volksinitiatief zijn doel bereikt.
19 - Indien de gemeenteraad het voorstel verwerpt kan het volksinitiatief verder gaan naar de tweede fase, t.t.z. het definitief verzoek.
20 - De gemeenteraad kan zijn beslissing over het inleidend verzoek voor ten hoogste twee maanden verdagen.

21 - Indien het initiatief een correctie van een recent besluit betreft (< 3 maand), of indien het onderwerp in behandeling is, wordt dit besluit of het behandelde thema opgeschort tot de gemeenteraad zich over het inleidend verzoek heeft uitgesproken of tot er door een referendum een beslissing genomen is.

De burger moet in staat zijn de besluiten van de gemeenteraad zo goed mogelijk te volgen en hij moet kunnen anticiperen op ongewenste besluiten.
 
22 - Indien er volgens het College van Burgemeester en Schepenen voldoende handtekeningen zijn organiseert de gemeenteraad een referendum, tenzij de gemeenteraad klaarblijkelijk in generlei opzicht bevoegd is om over het verzoek te beslissen. 
 
23 - Het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen inzake het afgewezen verzoek voor een referendum wordt steeds geagendeerd op de eerstvolgende bijeenkomst van de gemeenteraad.

24 - Bij een voldoende aantal handtekeningen wordt in de eerstvolgende gemeenteraad beslist over
  1. de datum van het referendum;
  2. de samenstelling van een referendum-commissie;
  3. de grootte van het referendum -krediet;
25 - De gemeenteraad kan een of meerdere van de voornoemde beslissingen ten hoogste voor een periode van twee maanden verdagen.

26 - Het referendum heeft plaats binnen de 6 maanden na indiening van de vereiste handtekeningen.

In een democratie waar de burgers vertrouwd worden is geen sperperiode nodig rond de verkiezingen. Eventueel kan gedacht worden aan een uitdovende maatregel waarbij de sperperiode na twee jaar op nul gebracht wordt.

27 - De inwoners van een gemeente kunnen slechts één maal om de 3 maanden worden geraadpleegd.
28 - Gedurende het tijdvak tussen twee vernieuwingen van de gemeenteraad kan slechts één referendum over hetzelfde onderwerp worden gehouden.
29 - Referenda worden zo veel mogelijk gebundeld doch met een maximum van 6 vragen per referendumdag.

30 - Een referendum-commissie wordt opgericht telkens er in de gemeenteraad beslist wordt tot het organiseren van een referendum.
31 - Deze commissie bestaat uit 3 leden en 3 plaatsvervangers voorgedragen en benoemd door de gemeenteraad.
32 - Zo er een ombudsdienst bestaat is de ombudsman ambtshalve één van de drie effectieve leden.
33 - De gemeenteraad wijst de voorzitter aan.
34 - Een lid mag geen politiek mandaat bekleden noch ambtenaar zijn in dienst van de gemeente.
35 - Een lid mag tevens niet direct betrokken zijn bij het onderwerp waarover het referendum wordt gehouden.
36 - Het College van Burgemeester en Schepenen wijst een ambtenaar aan als secretaris van de commissie.
37 - De commissie regelt haar werkzaamheden en informeert terzake de gemeenteraad en de eventuele initiatiefnemers.

38 - De commissie heeft tot taak:
  1. uitspraak te doen over alle klachten die bij haar aanhangig gemaakt worden betreffende het referendum
  2. toezicht te houden over de gelijke verdeling van de referendum-kredieten over de voor- en tegenstanders
  3. er voor te zorgen dat beide partijen over een gelijkwaardige toegang tot de media beschikken
  4. een informatiebrochure op te stellen waarin het onderwerp van het referendum op een objectieve manier wordt uiteengezet. Deze brochure bevat minstens
  •  
    • de gemotiveerde nota die gevoegd was bij het definitieve verzoek
    • de vraag of vragen waarover de inwoners zich kunnen uitspreken.
    • een even grote en voldoende ruimte in de media voor de voor- en tegenstanders.
    • stemadvies van middenveldorganisaties en partijen
    • een verslag over de budgettaire en fiscale implicaties van het voorstel
    • de nodige uitleg over het bij volmacht stemmen
  1. binnen de 5 maanden na het referendum een evaluatierapport op te stellen inzake het verloop van het referendum. Zij kan daarvoor beroep doen op experten.

Het is belangrijk dat het referendum eerlijk verloopt. Een gelijkwaardige toegang van de voor- en tegenstanders tot de media is essentieel. De financiën dienen beperkt te worden en verspreid over de verschillende voor- en tegenstanders. Bovendien is het belangrijk om de middenveldorganisaties in het democratisch debat te betrekken.

39 - In elk besluit van de gemeenteraad om een referendum te organiseren wordt een referendum-krediet vastgelegd dat voor 50% wordt toegekend aan de voorstanders en voor 50% aan de tegenstanders.
40 - Het krediet bedraagt minstens 0,5 Eur per potentiële deelnemer aan het referendum.
41 - Binnen de 60 dagen na het referendum maakt de commissie een verslag op over de aanwending van de kredieten, dat door iedere burger eenvoudig kan worden ingekeken, o.a.via internet.

42 - Ten minste 30 kalenderdagen voor de dag van het referendum bezorgt het gemeentebestuur aan elk gezin en aan iedereen die er om verzoekt de informatiebrochure.
43 - Deze brochure wordt tevens kosteloos ter beschikking gelegd aan de informatiebalies van de gemeente.

44 - De deelname aan het referendum is niet verplicht.
45 - Elke deelnemer heeft recht op één stem per referendumonderwerp.
46 - De stemming is geheim.
47 - Er is mogelijkheid om bij volmacht te stemmen in de gevallen voorzien in het kieswetboek.

48 - De uitslag van het referendum wordt bepaald op basis van de gewone meerderheid van het totaal aantal uitgebrachte geldige stemmen per vraag.

49 - Het College van Burgemeester en Schepenen verwerkt in de eerstvolgende zitting de via het referendum genomen beslissing in het beleid.

50 - Een via een referendum genomen beslissing kan slechts door een nieuw referendum ongedaan gemaakt worden.