Democratie en economie

Afdrukken

Op de conferentie van het NRI (6-8 mei 1999; meer hierover in een volgende Witte Werf) in Washington was ondermeer de 'Coalition for Initiative Rights' (CIR) uit Oregon vertegenwoordigd. Deze vereniging verdedigt als principe de voorrang van het rechtsgebied op het economische gebied.

Concreet wil de CIR in een eerste stap een verbod doorvoeren voor instanties die op het economische domein actief zijn (bedrijven, maar ook vakbonden) financieel tussenbeide te komen bij referendums op burgerinitiatief. Enkel natuurlijke personen (tot 1000 $ per jaar) en geregistreerde politieke comités en nonprofit organisaties zouden initiatieven mogen financieren. De bedoeling is om de impact van economische actoren op het direct-democratisch proces terug te dringen. Enkel individuele burgers, of organisaties van burgers rond ideeën, zouden aan het democratische proces mogen deelnemen.

De CIR steunt zich op het idee, dat de volksoevereiniteit volledig moet zijn wat ook inhoudt dat de soevereiniteit van het volk moet verdedigbaar zijn tegen de economische machten. Deze laatsten komen tussen in de politieke besluitvorming en hebben mettertijd heel wat rechten verworven, die eigenlijk alleen aan natuurlijke personen zouden moeten toekomen. Dit inzicht werd ontwikkeld door Richard L. Grossman, waarvan een artikel ('Reclaiming our Sovereignity. Reestablishing control over the corporation') actief door de CIR wordt verspreid. 

Volgens de CIR heerste in de 19de eeuw in de USA nog een sterk besef dat de bedrijven ondergeschikt dienden te zijn aan de belangen van de natuurlijke personen. Zo werd in de grondwet van Californië in 1879 een bepaling opgenomen, die deze ondergeschiktheid van het economisch domein ten opzichte van het rechtsdomein uitdrukte. Met deze ondergeschiktheid werd niet bedoeld, dat het rechtsdomein het economisch domein diende te besturen, maar wel, dat vanuit het rechtsdomein iedere gewenste maatregel moest kunnen genomen worden om de rechten van de individuen te vrijwaren tegenover de economische macht. Er zijn uit de 19de eeuw heel wat gerechtelijke uitspraken bekend die dit principe uitdrukken.

Uitgangspunt was het besef, dat economische macht wel degelijk de tendens vertoont om buiten zijn oevers te treden. In een ander vonnis uit 1889 sprak het Hooggerechtshof van Georgia zich bv. als volgt uit (tegen een spoorwegmaatschappij):

"Alle ervaring wijst uit dat grote concentratie van rijkdom in handen die zo'n rijkdom gedurende lange tijd intact kunnen houden, bedreigend is voor het publieke welzijn.Omdat ze eeuwigdurende opvolging kennen, hebben alle soorten bedrijven bijkomende mogelijkheden voor zo'n accumulatie (...) . Zij zijn immers niet onderworpen aan de dood, die het bestaan van individuen beperkt, en ze kunnen steeds meer grond, steeds meer macht ophopen, tot ze te sterk worden voor de samenleving die bestaat uit mensen waarvan de plannen tot één enkele leven beperkt zijn" (geciteerd in Grossman).

In een vonnis van de Illinois Supreme Court in 1889 luidt het:

"Wanneer een onderneming wordt opgericht volgens de wet op de ondernemingen, met de bedoeling om op een wettelijke wijze zaken te doen, dan moet de wet (...) bepalen welke activiteiten in het kader van die bedrijvigheid mogen ontplooid worden (...) Een bedrijf oprichten met als oogmerk de vernietiging van de kracht van alle andere bedrijven in een gegeven sector, en het bloed weg te zuigen uit die andere bedrijven, is geen 'wettige doelstelling'." (geciteerd in Grossman).

In het vonnis uit Illinois werd de opvatting uitgesproken dat concurrentie gericht op vernietiging van andere bedrijven geen legitiem bedrijfsdoel kan zijn, ongetwijfeld omdat dit leed teweeg brengt bij individuele personen (die daardoor hun werk verliezen). Onderliggend was de overtuiging aanwezig dat het soevereine volk in zo'n geval inderdaad kan ingrijpen. Hiervoor werd in de 19e eeuw volgens Grossman vooral de procedure 'Quo warranto' ('vanui welke autoriteit') aangewend. Dit is een zeer oude procedure, die bijvoorbeeld door soevereine monarchen werd aangewend om ondergeschikte entiteiten, die hun boekje te buiten gingen en de soevereiniteit van de monarch in het gedrang brachten, tot de orde te roepen via een rechtstreeks beroep op die soevereiniteit. Het principe blijft bestaan wanneer de soevereiniteit op het volk overgaat.

Volgens Grosmann heeft op het einde van de 19de eeuw een nu vergeten 'contra-revolutie' plaatsgevonden, waarbij de doctrine van de soevereiniteit van het volk over het economische domein werd verlaten. Vanuit de arbeiders en boeren was hiertegen veel verzet, doch dit kon niet optornen tegen de financiële macht van de bedrijven: "Gaandeweg konden de bedrijven voor zichzelf rechten en privileges opeisen die werden afgenomen van het soevereine volk, via geweld en met steun van bedrijfsgunstige beslissingen vanwege federale rechters. De bedrijven kregen rechtspersoonlijkheid, en een lange lijst van burgerlijke en politieke rechten, zoals het recht op vrije meningsuiting, en eigendomsrechten, zoals (...) het recht om arbeid te organiseren" (R.L.Grossman: 'reclaiming our sovereignity').

Het is met name het recht op vrije meningsuiting, dat momenteel door federale rechters aan bedrijven wordt toegestaan op dezelfde wijze als aan natuurlijke personen, dat voor een dreigende corrumpering zorgt van de directe democratie. Natuurlijk hebben bedrijven als rechtspersoon geen mening op dezelfde wijze, als een natuurlijke persoon een mening heeft. Het heeft dus geen zin, om van vrije meningsuiting voor bedrijven te spreken. Bedrijven hebben echter wel belangen. Het is dit inzicht, dat de CIR wil doorvoeren via het verbod aan economische actoren om in het democratisch proces in te grijpen.

Volgens Grossman had deze machtsovername zich in de USA voltrokken rond de eeuwwisseling: "rond de eeuwwisseling waren de bedrijven soeverein geworden, en ze hadden de mensen herleid tot consumenten, of werkkrachten, of wat dan ook dat de mens vanuit bedrijfsstandpunt zou moeten zijn".

De strijd tegen het overwicht van de economische macht op de individuele mensen is in de twintigste eeuw eigenlijk vooral tegen de symptomen gericht. We kunnen niet meer, zoals in de 19de eeuw in de USA nog het geval was, vragen met welk recht de bedrijven de soevereiniteit van de bevolking ondergraven. De natuurlijke personen staan nu als een soort rechtsgelijke tegenover de rechtspersonen uit het bedrijfsleven, die geen echte personen zijn die meningen kunnen ontwikkelen, of kunnen deelhebben aan lief en leed, die ook niet kunnen sterven, maar die wel enorm veel rijkdom en macht kunnen opstapelen. Volgens Grossman hebben we hier te maken met een soort robotten : "Het is eigenlijk een oud verhaal: mensen scheppen een vernuftige machine, een robot, namelijk het bedrijf als rechtspersoon ('corporation'). Na een tijd verbinden de robots zich met elkaar en overweldigen zij de mensen. Zij veranderen hun eigen ontwerp en wijzigen de wet en de cultuur, zodat de mensen vergeten dat zij het waren die deze robotten schiepen en dat die robotten levenloze machines zijn. Al een eeuw lang voeren die robotten propaganda, en indoctrineren zij iedere nieuwe generatie van mensen met het denkbeeld, dat de robotten ook een soort personen zijn, gaven van God en moeder Natuur, en dat ze onvermijdelijk zijn en de bron van alles wat goed is. Is het niet vreemd hoe lichtgelovig, hoe volgzaam, hoe onderworpen we zijn geweest? Is het niet vreemd dat we zijn vergeten wie Wij, het Volk zijn; dat we vergaten hoe een soeverein volk zichzelf hoort te zien, en hoe het soevereine volk normaliter handelt? We moeten ons realiseren welke autoriteit we bezitten, en hoe we die autoriteit kunnen benutten om de natuur van de bedrijven vast te leggen, zodat we niet voortdurend moeten mobiliseren en actie voeren rond ieder afzonderlijk bedrijfsbesluit dat onze gemeenschap, onze levens of onze planeet bedreigt".

Een kernbegrip bij Richard Grossman is, dat alleen mensen verantwoordelijk kunnen zijn. Bedrijven kennen als zodanig geen verantwoordelijkheid; in feite zijn het vaak grotendeels constructies die hun eigenaars, managers en directeurs afschermen van verantwoordelijkheid. Omdat enkel individuele menselijke personen verantwoordelijk kunnen zijn, dienen enkel mensen soeverein te zijn, en zij dienen te bepalen welke vorm alle mogelijke organisaties, met inbegrip van bedrijven, dienen aan te nemen.

"Soevereine mensen bedelen niet bij de ondergeschikte, door hen gecreëerde entiteiten. Ze onderhandelen niet met zo'n entiteiten. Soevereine mensen bevelen en bepalen ondergeschikte entiteiten. En wanneer een ondergeschikte entiteit zijn scheppingsvoorwaarden overtreedt, en ons vermogen tot zelfbestuur schendt, dan moeten we snel en bekwaam die kanker uit het maatschappelijk lichaam verwijderen".

De stap naar werkgelegenheid en recht op arbeid

Onderliggend in het betoog van Grossman is het inzicht, dat bedrijven altijd de medeschepping zijn van de rechtsgemeenschap. Indien die gemeenschap geen rechtskader schept, waarbinnen dit bedrijf kan ontstaan, dan kan het bedrijf nooit functioneren. Het bedrijf kan bijvoorbeeld maar aanspraak maken op het gebruik van zijn productiemiddelen, doordat er een wetgeving terzake bestaat, die door de gemeenschap als legitiem wordt erkend en die het afnemen of vernietigen van de productiemiddelen van het bedrijf verbiedt. En het bedrijf kan maar financiële transacties uitvoeren, omdat de rechtsgemeenschap een welbepaald wettig betaalmiddel heeft ingevoerd en in stand houdt. Binnen dit kader kunnen dan bepaalde natuurlijke personen zich verenigen om een concreet bedrijf op te richten. Het bedrijf is echter als zodanig een ondergeschikte structuur, die geen persoon met geweten en verantwoordelijkheidszin is en dus het vermogen mist om mee soeverein aan rechtschepping te doen en die de volksoevereiniteit ook niet mag aantasten.

Grossman geeft een voorbeeld van het soevereiniteitsverlies dat de burgers leden ten opzichte van de economische wereld. Toen Chrysler in de stad Toledo (Ohio) een automontagebedrijf sloot, schreef de burgemeester een brief naar president Clinton, met de vraag om steun voor de inplanting van een nieuw bedrijf van Chrysler in de stad. De president antwoordde in een brief van 10 januari 1997:

"Zoals U zeker weet, kan mijn administratie geen mogelijke locatie voor de nieuwe productie-eenheid aanbevelen. Mijn staf zal gaarne met U meewerken nadat het bestuur van Chrysler zijn besluit heeft genomen..."

Chrysler treedt dus als een soevereine macht op, die geen rekening heeft te houden met het belang van de natuurlijke personen. Hoewel Chrysler een schepping is van alle burgers, stelt het zich boven de burgers. Met name dient het bedrijf geen rekening te houden met het recht op arbeid, bijvoorbeeld van de inwoners van Toledo, Ohio.

Vivant heeft vlak voor het laatste feest van de arbeid een weinig opgemerkte persconferentie gegeven, waarin het precies over dit recht op arbeid ging. Dit recht op arbeid staat immers in onze grondwet ingeschreven (in artikel 23), maar wat betekent het eigenlijk? Voor prof.em. Jan Gijsels, die over dit onderwerp een artikel pleegde in Vlaams Jurist Vandaag ( p.2-3, nov.1994) , is het antwoord duidelijk: niets. Het grondwettelijk gewaarborgd recht op arbeid is een lege doos: het verplicht de wetgever tot niets en biedt aan het individu geen enkele mogelijkheid om het recht op arbeid af te dwingen. De indieners van het nieuwe grondwetsartikel stelden zelf : 'Het voorstel houdt geen onmiddellijk engagement in voor de overheid'. Volgens prof. Gijsels gunt artikel 23 '..de Belgen géén rechten, maar slechts woorden'. 

Professor Vilrockx (VUB), eveneens op genoemde persconferentie aanwezig, voegde hier nog een merkwaardig en onthullend element aan toe: bij stakingen is er wel degelijk een afdwingbaar recht op arbeid, namelijk van de werkwilligen versus de stakers. Dit is blijkbaar een belangrijke uitzondering op het algemeen principe, dat recht op arbeid niet afdwingbaar is.

Wanneer je al deze elementen samen neemt kom je weer uit bij het inzicht van Grossman: de economische macht heeft de soevereiniteit van de burgers geüsurpeerd. Het recht op arbeid is hiervan het belangrijkste slachtoffer: het wordt niet erkend uit hoofde van de burgers (hoewel het om ideologische motieven bij wijze van lege doos in de Grondwet staat) maar is wel afdwingbaar uit hoofde van bedrijfsbelangen, bij een arbeidsconflict.

Om de hele problematiek op te lossen is het eerst en vooral nodig dat wij ons losmaken uit de ideologische omknelling van het huidige systeem. En de eerste stap daarbij is onvermijdleijk, dat het idee van de volksoevereiniteit moet ingevoerd of hersteld worden. De economische wereld heeft weliswaar een eigen dynamiek, en kan in concreto niet vanuit de rechtsstaat bestuurd worden. Maar het economisch leven mag het democratisch leven en de rechten van individuen niet schenden, en de individuen moeten de grenzen kunnen vastleggen waarbinnen het economisch leven moet opereren, zonder dat het economisch leven bij het vastleggen van die grenzen tussenkomt (het reële recht van arbeid voor ieder individu is daarbij een van de belangrijkste beperkingen waarbinnen het economisch leven moet opereren). Daarom lijkt het initiatief van de CIR uit Oregon, om economische actoren uit het direct-democratisch proces te bannen, verantwoord. Voor de representatieve besluitvorming is het natuurlijk veel moeilijker om zo'n invloed uit te sluiten, maar ondermeer daarom is het broodnodig dat een volwaardig directe democratie tot stand komt.

Politici en 'wetenschappers' die zich verzetten tegen de invoering van directe democratie, houden een conceptuele sluier in stand rond het begrip 'soevereiniteit', die helpt verbergen dat momenteel niet de mensen, doch wel de economische macht soeverein is. Waarachtige soevereiniteit voor het volk is er maar, indien Wij het Volk over alles autonoom kunnen beslissen, met inbegrip van de vraag hoe het besluit over gelijk welke kwestie tot stand moet komen (via representatieve weg of direct-democratisch). Zolang de bevolking dit soevereiniteitsidee niet ten volle heeft kunnen pakken, is het ideologisch ontwapend tegen de overheersing vanuit de economische wereld.