Verlies voor de groenen in Hessen

Afdrukken

De deelstaatverkiezingen in Hessen waren meteen een opdoffer voor de jonge roodgroene coalitie die thans de Bondsrepubliek bestuurt. De CDU steeg met 4,2% tot 43,4% van de stemmen, en haalt daarmee 50 zetels. De FDP zakt met 2,3% tot 5,1%, blijft daarmee nipt boven de 5%-drempel en haalt 6 zetels. Het resultaat is dat CDU en FDP de meerderheid veroveren in Hessen, waar reeds voor de Bondsverkiezingen een roodgroene coalitie in functie was. Toch boekte de SPD nog een lichte winst: de socialisten stegen met 1,4% tot 39,4% (46 zetels). Doch de Groene partij B'90/Grüne zakte met 4% tot nog 7,2%, en verloor 5 van de 13 zetels.

De reden voor deze verschuiving in het Hessens stemgedrag is duidelijk: de roodgroene coalitie wou in Duitsland het dubbel staatsburgerschap invoeren voor permanent in Duitsland verblijvende buitenlanders en dit stootte op grote weerstand bij de bevolking. De CDU maakte meteen een thema van de voorgenomen nationaliteitswet en lanceerde een petitie terzake. In Hessen werden enkele honderduizenden handtekeningen ingezameld. Onderzoek toonde aan dat 61% van de groep kiezers, die op de CDU waren overgeschakeld, gemotiveerd waren door het regeringsvoornemen om de dubbele nationaliteit in te voeren. Dit onderzoek toonde ook aan dat de Groenen het sterkst achteruitgingen bij de groepen waar ze traditioneel het hoogst scoorden: de jongeren en de hoog opgeleiden.

Voorstanders van de directe democratie kunnen uit deze Duitse ervaring twee lessen trekken.

Ten eerste wordt weer eens duidelijk, dat tegenstanders van de directe democratie vooral door verlangen naar machtsbehoud worden gemotiveerd. Zodra een machtspartij in de oppositie belandt , zal zo'n partij de neiging vertonen om naar petitie en referendum te grijpen. Bij de Duitse christen-democraten is dit in zeer uitgesproken mate het geval, en de petitie die ze thans lanceren is daar alweer een bewijs van.

Ten tweede illustreert de ervaring in Hessen nog eens hoe slordig politieke partijen omspringen met het maatschappelijk erfgoed van de burgers, en hoeveel wrevel dit veroorzaakt bij de bevolking.

Eén van de grote verworvenheden van de laatste eeuwen is het principe van de staat als gemeenschap van in rechte volstrekt gelijke burgers. Deze verworvenheid is in stappen tot stand gekomen. De Franse revolutie betekende de doorbraak van het principe zelf; de standengemeenschap, waarbij de macht van nature bij koning en adel berusten , en waarbij mensen door geboorte ongelijk in rechte waren, werd omver geworpen. In het verlengde hiervan kristalliseerde zich dan, doorheen de 19de en 20ste eeuw, gaandeweg de implementatie van dit principe uit: de democratie georganiseerd volgens het principe: één mens, één stem. In de 21ste eeuw zal deze evolutie zich hopelijk verderzetten in direct-democratische richting. Het concept, dat alle burgers ongeacht hun eigenschappen, talenten, afkomst of bezittingen, absoluut en zonder nuance in rechte gelijk horen te zijn, is historisch gezien een revolutionair gegeven, dat tegelijk het fundament vormt onder het concept van de democratische rechtsstaat. Het is natuurlijk waar dat in de praktijk heel wat rechtsongelijkheid optreedt. Maar de norm is in de hoofden van de mensen sinds ruim 200 jaar een andere geworden.

Niet iedereen is even gelukkig met dit ideaal van de democratische rechtsstaat. Met name de grote economische machten zien het bestaan van zo'n rechtsstaten, gebaseerd op een ideaal van rechtsgelijkheid en volksoevereiniteit, steeds minder zitten. En er zijn in de recente geschiedenis reeds verscheidene pogingen geweest om andere soorten staten te vormen, die het idee van rechtsgelijkheid en democratie afwijzen. Deze pogingen zijn echter mislukt.

Het moderne grootkapitaal volgt daarom een andere weg. Er wordt niet langer gestreefd naar openlijk autoritaire staten, waarbinnen zij dan hun belangen kunnen doordrukken. Er wordt nu gestreefd naar het oplossen en onmachtig maken van de democratische nationale staat. Hiertoe worden verschillende lijnen gevolgd. Een van de gebruikte technieken is de creatie van niet-democratische supranationale instellingen, waarnaar dan bevoegdheden van de nationale staat worden overgeheveld of waaraan in elk geval grote economische autoriteit wordt toegekend: de EU, het IMF, de OESO enz. De uitvoerende macht in de nationale staten, die eerst deze organen in leven roept, verwijst nadien dan naar de autoriteit van die ondemocratische instellingen om te argumenteren, dat een genomen maatregel 'verplicht wordt opgelegd' en dat er bijgevolg 'geen keuze te maken valt'.

De aanval tegen de nationale staten wordt echter ook langs andere zijden ingezet. Eén daarvan is de aanval op het begrip 'nationaliteit' zelf. Het nationaliteitsbewijs is het document, dat precies de rechtsgelijkheid tussen de burgers uitdrukt. Het is een rechtsdocument. Dat de leden van een rechtsgemeenschap dezelfde rechten hebben, wordt formeel weerspiegeld door het feit dat ze dezelfde nationaliteit dragen. Voor mensen van buitenlandse afkomst, die zich blijvend in een land willen vestigen, betekent dit dat zij dienen over te gaan naar de nationaliteit van dat land. Het land in kwestie mag aan die nieuwe burgers geen drempels opleggen (zoals bijvoorbeeld het afleggen van een 'inburgeringsexamen') die niet worden opgelegd aan diegenen die de nationaliteit door geboorte verwierven. Aan de nieuwe burger dient gewoon duidelijk te worden gemaakt dat hij door de overgang naar de nieuwe nationaliteit toetreedt tot een nieuwe rechtsgemeenschap, dat hij de wetten van die gemeenschap door deelname aan het democratisch leven voortaan zelf kan meebepalen, en dat hij anderzijds de bestaande wetten dient te respecteren. Taalexamens zijn overbodig, want die worden ook niet aan landgenoten door geboorte opgelegd; er dient enkel te worden meegedeeld, dat het officieel verkeer, de wetten en de rechtspraak aan de landstaal of landstalen gebonden zijn en dat iedere burger dus geacht wordt voldoende toegang tot die taal te hebben. De enige voorwaarde waaraan de nieuwe medeburger dient te voldoen is het afstand doen van de oude nationaliteit. In 'Die Zeit' (11/2/99) werd voorgesteld, om aan mensen die vijf jaar wettig in het land verblijven de optie van inburgering voor te leggen. Echtgenotes kunnen na bijvoorbeeld twee jaar huwelijk de inburgeringsoptie aangeboden krijgen, en kinderen van buitenlandse ouders zouden tussen 16 en 21 jaar op eigen initiatief de overgang kunnen maken.

Dubbele nationaliteit is niet verenigbaar met het beginsel van absolute rechtsgelijkheid dat ten grondslag ligt aan de moderne rechtsstaat. Wie over meerdere nationaliteiten beschikt, kan zich beroepen op uiteenlopende wetgevingen die met elkaar in tegenspraak kunnen zijn. Het klassieke voorbeeld zijn de uiteenlopende rechtsopvattingen in België en Marokko inzake gelijkheid tussen man en vrouw (wat met name in geval van echtscheiding en 'ontvoering' van kinderen tot onaanvaardbare situaties leidt). Bijzonder bedenkelijk is dat dit systeem niet uitdooft: de dubbele nationaliteit wordt van generatie op generatie overgedragen.

Voor het behoud van de oude nationaliteit worden vaak zogenaamd 'sentimentele' redenen aangehaald, die in werkelijkheid alleen maar uitingen zijn van 'bloed en bodem'-denken: afstamming, religieuze of culturele voorkeuren enz. dienen in een moderne samenleving volkomen los te worden gezien van de nationaliteit. Het nationaliteitsbewijs dient volledig te worden herleid tot dat van een rechtsdocument dat aantoont, dat men behoort tot een welbepaalde democratische rechtsgemeenschap gebaseerd op het gelijkheidsbeginsel.

Waarom verzet de politieke elite (vooral langs de zogenaamde linkerzijde) zich zo tegen de eenvoudige oplossing van de drempelloze doch exclusieve nationaliteitsovergang? Omdat zij eigenlijk de democratie en het daaraan ten grondslag liggende gelijkheidsbeginsel niet genegen is. Hoe meer verwarring men schept omtrent de aflijning van de rechtsgemeenschap, hoe minder die rechtsgemeenschap weerbaar kan zijn en hoe beter al wat autoritair is zijn gangen kan gaan. In die zin hebben het grootkapitaal en autoritair uiterst links een gemeenschappelijk belang. De techniek bestaat erin om , via de afbraak van het nationaliteitsbeginsel de rechtsstaat op te lossen en anderzijds iedereen die hiertegen ook maar het geringste verzet aantekent onmiddellijk als racist of xenofoob te brandmerken. De invoering van de dubbele nationaliteit wordt verantwoord met het argument, dat de buitenlanders die permanent in ons land verblijven anders tweederangsburgers blijven die wel belasting betalen doch verstoken blijven van bijvoorbeeld stemrecht. Maar men vergeet te vermelden dat de invoering van de mogelijkheid tot drempelloze nationaliteitswissel dit probleem veel eleganter kan oplossen, en dit met behoud van een welomlijnde nationale rechtsgemeenschap. Deze welomlijnde nationale rechtsgemeenschap, de vrucht van de Verlichting en van de liberale en burgerlijke revoluties, dient niet te worden afgeschaft maar in radicaal-democratische zin te worden doorontwikkeld. Veel meer dan zogenaamd 'progressieve' doch in werkelijkheid paternalistische politici denken, wordt de zogenaamde xenofobie gevoed door het aanvoelen bij het publiek, dat de rechtsgemeenschap - die door de kracht van het gelijkheidsbeginsel iedereen een zekere geborgenheid biedt - ondermijnd wordt praktijken als de systematische uitbreiding de dubbele nationaliteit.