Het referendum in België: natte droom of haalbare kaart?

Afdrukken

Onderstaand werkdocument werd opgesteld door Senator Jean-Marie Dedecker en met toestemming overgenomen van zijn persoonlijke website

1. De verschillende vormen van directe democratie?

Een directe democratie kan gebruik maken van verschillende instrumenten:

  • Volksraadpleging: dit is het zogenaamde consultatief referendum, ook raadgevend of adviserend referendum genoemd. De uitkomst is niet bindend.
  • Petitierecht: een klein aantal verzamelde handtekeningen - en tegenwoordig zou dit digitaal kunnen gebeuren - kan het parlement dwingen over een bepaald onderwerp te praten en er over te stemmen.
  • Referendum: de uitkomst is bindend. In Nederland maakt men soms een onderscheid tussen het (1) het “Bindend referendum op volksinitiatief” (BROV), ingeleid door kiezers of inwoners, met handtekeningendrempel voor de inrichting en deelnemingsdrempel opdrat de stemmen geteld zouden worden en (2) het “Bindend referendum van rechtswege” of “plebisciet”, waarbij de regering of een voldoende hoog aantal parlementsleden een voorstel aan de kiezers kunnen voorstellen.
  • Correctief referendum: een correctief referendum komt op volksinitiatief tot stand, maar kan enkel reactief zijn. Het volk krijgt dus niet het recht om zelf een punt op de politieke agenda te plaatsen; het kan alleen reageren tegen wetten, die al door de Kamers zijn goedgekeurd. Dit instrument bestaat in Nederland.
  • Afzettingsprocedure: de zogenaamde recalls waarbij een gezagsdrager kan worden afgezet indien de kiezers dit beslissen. Beroemd is de befaamde Recall-verkiezing in 2003 dat leidde tot het gouverneurschap van Arnold Schwarzeneiger.

 

2. Ideologisch

  • Ideologische argumentatie: de wetten hebben in een democratie autoriteit omdat degenen die de wetten moeten gehoorzamen, ze hebben goedgekeurd. Dit is door de Franse filosoof Rousseau verwoord als het 'sociaal contract': wetten zijn legitiem omdat het vrije afspraken zijn tussen gelijkwaardige en mondige burgers, die samen de rechtsgemeenschap vormen.
  • Democratie in de zuivere zin van het woord: de soevereniteit berust bij het volk.
  • België: soevereniteit berust bij de natie en wordt uitgeoefend door de overheid (“gekozen” parlementsleden). In werkelijkheid: uitgeoefend door een klein aantal mensen aan de top van 2 politieke families + de topadministraties + het grootkapitaal (inclusief het hof) + de media. Parlementsleden stemmen zelden of nooit op basis van eigen inzicht en eigen studie. Zij stemmen volgens de partijdirectieven. In de meeste gevallen hebben parlementsleden de wet waarover ze stemmen, niet eens gelezen, laat staan begrepen. Hoeveel parlementsleden weten er wat er in een programmawet staat? Verkiezingen dienen enkel om te beslissen welke grote politieke familie eens uit de boot zal vallen. Vandaar dat het belangrijk is om BV’s op lijsten te plaatsen als aas voor vissen.
  • Om het met professor Wilfried De Wachter te stellen: “Het parlement is al lang niet meer de eerste instelling van het land. Het is overtroefd door andere instanties, die veel machtiger zijn. De grondwet is duidelijk verouderd, zeker wat betreft de machtsorganisatie en de beschrijving van hoe de besluitvorming moet verlopen. Ook met de coördinatie en de hertaling van 1994 is daar weinig verbetering in gekomen. Neem nu het begin van artikel 96: 'De Koning benoemt en ontslaat zijn ministers.' De Belgen die het politieke gebeuren volgen, kunnen na de regeringsvorming van Verhofstadt II, terecht, geen geloof meer hechten aan die bepaling. Partijvoorzitters zoals Elio di Rupo, Steve Stevaert en 'le chef de file gouvernemental' Louis Michel benoemen, in overleg soms met medepartijleiders en met de regeringsformateur, de ministers en de staatssecretarissen. Alleen strikt formalistisch ondertekent de koning het 'koninklijk besluit' van de benoeming van 'zijn' ministers. Het parlement geeft weliswaar de investituur aan de regering, maar dat gebeurt pas nadat alle betrokken partijen in hun congressen de regeringsdeelname hebben goedgekeurd. De zo geroemde 'government-making power' van het parlement bestaat niet meer. De Kamer van Volksvertegenwoordigers wordt door die daad in tweeën gesneden: de meerderheidsfracties en de oppositie. Zo ontstaan er in feite twee parlementen die elk hun eigen logica van werking hebben. De meerderheidsfracties moeten trouw de meerderheden leveren voor de wetgeving die de regering hun voorlegt. De oppositie krijgt de functies van controle op het regeringsbeleid, kritiek op het regeringsbeleid en het ontwerpen van alternatieve beleidsvoering. En dat kan maar voor zover de leiding van het parlement de oppositiefracties daartoe de mogelijkheden biedt.”
  • Voorstanders van particratie of dictatuur koesteren een principieel wantrouwen tegenover Jan Modaal. Zij geloven dat enkel een kleine minderheid - waaronder zijzelf - tot moreel en rationeel handelen in staat is (geuit door de “politieke correctheid”), en dat de modale mens zo handig en listig mogelijk onder controle van die weldenkende minderheid moet worden geplaatst.

3. De mening van de burger versus politici

  • Een onderzoek (Le Soir 30/3/1996) toonde aan dat 67% van de bevolking (versus 15% tegenstanders) een referendum wenste over Maastricht II.
  • In Nederland wil maar liefst 80 procent van de volwassenen de invoering van directe democratie. Interessant is dat dit dwars door de politieke partijen heenloopt - van de tegen directe democratie gekante partijen CDA en VVD wil respectievelijk 70 en 83 procent de achterban het referendum, van de (beperkte) voorstanders van directe democratie PvdA en D66 resp. 81 en 86 procent.
  • Uit een onderzoek blijkt dat de meeste Duitsers voorstanders zijn van directe democratie. Bij de kiezers vindt men bij alle partijen een grote meerderheid pro democratie. Bij de linkse partijen, vooral de PDS en de groenen maar ook de sociaal-democraten, heerst aan de brede top een welwillendheid tegenover directe democratie die niet onderdoet voor wat leeft bij de bevolking. Bij de christendemocraten daarentegen, overheerst een anti-democratische stemming (net als in België en Nederland).
    Viktoria Kaina (2002) “Elitenvertrauen und Demokratie. Zur Akzeptanz gesellchaftlicher Führungskräfte im vereinten Deutschland” Wiesbaden: Westdeutscher Verlag.
  • In Duitsland en Nederland valt de polariteit tussen voorstanders en tegenstanders van directe democratie grotendeels samen met de traditionele links-rechts polariteit. In Nederland en Duitsland is links doorgaans pro directe democratie, en rechts doorgaans eerder tegen.
  • Uit een peiling van SOFRES (12 03 03), blijkt dat 82% (tegen 15% tegenstanders) van de Fransen ja zeggen tegen het instituut van het referendum op volksinitiatief. De grote meerderheid van de Fransen is van mening zijn dat zij geen enkele invloed op de politieke besluitvorming uitoefenen (90% heeft het gevoel geen invloed uit te oefenen op het nationaal niveau, en 76% heeft hetzelfde gevoel met betrekking tot het gemeentelijk niveau).

4. De Belgische partijen en politiek-sociale bewegingen

Socialisten

  • In België zijn de socialistische partijen historisch veel sterker vergroeid met het machtsapparaat, met de unitaristische economische elite en met het koningshuis. In Duitsland ziet men dat bij de vakbondselite een grote sympathie leeft voor directe democratie, terwijl de Belgische vakbonden zich in aansluiting bij de socialistische en christendemocratische partijen meestal vrij anti-democratisch opstellen.
  • De socialistische partij heeft zich nochtans nog niet zo lang geleden op een congres uitgesproken ten gunste van de invoering van het bindend burgerreferendum, behalve voor het federale niveau. De SP vraagt de opkomstplicht: “Tussen twee verkiezingen in moet voor concrete dossiers echter ook een beroep kunnen gedaan worden op referenda, volksinitiatieven en hoorzittingen.” (Toekomstcongres, 1998).
  • De SP-brochure: “ het referendum: mythe of mogelijkheid”:
    “ Ongeveer alle opmerkingen die tegen het referendum worden geuit, behouden ook hun belang tegen een representatief stelsel”.
    “ Minstens theoretisch kan de kiezer binnen het representatief systeem nog veel minder nuances leggen dan bij een referendum”.
    “ Het initiatief tot het referendum moet steeds bij de bevolking liggen. Daar zonder is referendum minstens potentieel en plebisciet , en een plebisciet heeft met participatie niets meer te maken.
    De teneur van deze brochure bewijst, dat de SP aanvankelijk verder wou gaan inzake het bindend referendum en bijgevolg moet afgeremd zijn door de toenmalige coalitiepartner, de CVP.

Christen-democraten

  • Bij de CVP prominenten ontmoet men het grootste voorbehoud. In het rapport van politieke vernieuwing dat op 27 november 1997 door TriAngel (= Vincent Quick) en CVP werd voorgesteld, stelt de toenmalige Voorzitter Marc Van Peel: “ Het consultatief referendum kan op alle niveaus. Het bindend karakter is uitgesloten aangezien dat een uitholling zou betekenen voor het representatief stelsel”.
  • Professor sociologie Jaak Billiet (Universiteit Leuven) zei in De Standaard dat het CVP- voorstel voor euthanasie-referendum “een slimme politieke zet” is. “De partijen die het referendum altijd op hun affiche zetten, de VLD en ook de groenen, worden ermee in het nauw gedreven en moeten het nu afwijzen.” Pikant detail is ook dat, enkele weken geleden in de Commissie Politieke Vernieuwing van het Belgische parlement (zie verder), dat de invoering van het referendum moet onderzoeken, de CVP pleitte tegen het houden van plebiscieten zonder wettelijke basis. Als er al referenda zouden moeten komen, dan in ieder geval volwaardige referenda op wettelijke grondslag, aldus de CVP toen.

Ex-VU

  • De volksunie heeft op haar congres van 22-23 november 1997 onder de titel “laat de democratie nooit meer zwijgen” een pro referendum ingenomen. Dit standpunt wordt echter ontsierd door twee ernstige beperkingen: de VU eist een deelname-quorum van 40 %, de VU wil geen referendums over onderwerpen, waarbinnen het representatief orgaan tijdens dezelfde legislatuur een besluit heeft genomen.

VLD

  • Het officiële standpunt van de Vlaamse Liberalen en Democraten luidt als volgt: “ – de stem van de burger moet zich rechtstreeks kunnen laten horen door grondwettelijk in te stellen referenda die bindend zijn en door hoorzittingen”.
  • Volgens de Burgerkrant (feb.98) willen de Vlaamse liberalen echter een serie belangrijke beperkingen invoeren: een deelnamequorum van 25 %, uitsluiting van een aantal belangrijke onderwerpen, zoals het koningshuis, een uniforme handtekeningdrempel van 10 % (Zwitserland 2 %) voor het federaal niveau.
  • Op het congres van 24-26 april 1998 heeft de VLD zich uitgesproken voor de invoering van het bindend referendum op alle bestuursniveaus en over alle aangelegenheden. De inhoudelijke beperkingen waarvan sprake in de Burgerkrant van feb.98 werden dus verlaten.
  • Met dit standpunt nam de VLD een speerpuntpositie in binnen het Vlaamse politieke landschap.

5. Het tussentijds verslag “De politieke vernieuwing - directe democratie” van 6 juli 2000

namens de commissies voor de politieke vernieuwing van de kamer van volksvertegenwoordigers en de senaat: de houding van de partijen. Hoe stellen de diverse partijen zich op inzake de invoering van de directe democratie in ons land in 2000?

1) De MR (toen nog PRL-FDF-MCC) pleit al lang voor de invoering van het referendum en de volksraadpleging, met andere woorden de mogelijkheid voor de burgers om zich over bepaalde fundamentele maatschappijkeuzes uit te spreken.

  • Ze zijn voorstander van het referendum op volksinitiatief, op alle gezagsniveaus, op gang gebracht door een significant percentage (tussen 2 en 10 %) van het kiezerskorps en waarvan het resultaat bindend is voor de politieke besluitvormers.
  • De procedure kan noch door de regering, noch door het Parlement worden ingeleid.
  • Als het verzoekschrift eenmaal bij het Parlement is ingediend, zou het de verkozenen toekomen de vraag te formuleren die aan de kiezers zal worden gesteld.
  • In verband met de aangelegenheden waarover een referendum kan worden gehouden, is de MR van oordeel dat de Belgische burgers het recht hebben zich over een zo groot mogelijk aantal materies uit te spreken (met inbegrip van de staatsinrichting). Het is echter uitgesloten dat in een referendum kwesties aan bod komen die de grondrechten en de fundamentele vrijheden zouden kunnen schenden.
  • Voor de MR ligt het voor de hand dat in geval van een voldoende hoge participatie (dat zou zo moeten zijn aangezien, net als voor de verkiezingen, de stemming verplicht zou zijn) het resultaat van het referendum bindend is voor de wetgevende macht.
  • De MR-fracties van Kamer en Senaat zijn ook voorstander van een volksraadpleging die kan worden ingeleid door de verkozen assemblees, op alle gezagsniveaus, op voorwaarde dat de vraag daartoe wordt geformuleerd door een significante meerderheid van het betrokken gremium (2/3 of 3/4 van de verkozenen).
  • Op het stuk van het volksinitiatief en het petitierecht stelt de MR voor dat een petitie die door 5 % van de kiezers aan een assemblee wordt gericht en die een vraag stelt die tot haar bevoegdheid behoort, wordt geagendeerd, besproken en publiekelijk beantwoord.

2) AGALEV/ECOLO De Agalev/Ecolo-fracties van Kamer en Senaat positief staan tegenover het invoeren van referenda en volksraadplegingen, op alle bestuursniveaus en volgens uniforme regels.

  • Het initiatief tot het organiseren van een bindend referendum kan worden genomen door de bevolking, de regering of het Parlement.
  • Er moet kunnen worden overwogen de jongeren tussen 16 en 18 jaar te betrekken, evenals de buitenlanders die al een aantal jaren in het land verblijven (bijvoorbeeld 5 jaar).
  • De Agalev/Ecolo-fracties zijn tevens voorstander van volksinitiatieven.
  • Vragen over mensenrechten of fiscale aangelegenheden moeten alleszins uitgesloten zijn.
  • Het Arbitragehof zou een filterrol kunnen spelen bij de vraagstelling (advies). De vragen moeten ondubbelzinnig zijn en beantwoordbaar met ja of neen.
  • AGALEV/ECOLO benadrukt tevens het belang van het verstrekken van objectieve inlichtingen, voorafgaandelijk aan de organisatie van een referendum of volksraadpleging.
  • De deelname aan het referendum moet vrij zijn, zonder stemplicht.
  • Niet duidelijk is of een quorum vereist wordt om een referendum te kunnen vragen.
  • Wat het petitierecht betreft moet elke burger een debat kunnen vragen of een punt toevoegen aan de agenda van een assemblee. Aldus krijgt de burger een echt « interpellatierecht ». Men kan hierbij denken aan de invoering van een quorum (bijvoorbeeld 1 %) dat, wanneer gehaald, moet volgen door een debat.

3) De PS-fracties achten het relevant de deelname van de bevolking aan het openbaar bestuur te vergroten door middel van een aantal instrumenten van de directe democratie, zonder dat zulks de grondslagen van het representatief systeem op de helling zet.

  • De volksraadpleging kan worden uitgebreid tot het gewestelijk niveau.
  • Op federaal niveau moet in eerste instantie het toepassingsgebied worden bepaald om rekening te houden met de communautaire eigenschappen en met de complexiteit van de Belgische wetgeving. De Franstalige minderheid moet beschermd worden door de bijzondere meerderheden die ook zouden gelden voor beslissingen via referendum.
  • Er moet worden voorzien in een bepaald quorum dat zowel binnen het Nederlandstalige als binnen het Franstalige kiescollege zou zijn vereist om een referendum te kunnen afdwingen (bijvoorbeeld 15 %) op het federale vlak.
  • Wat het parlementair debat op volksinitiatief betreft, zijn de PS-fracties voorstander van de invoering van een procedure die een bepaald aantal burgers de mogelijkheid zou bieden het debat voor het (federaal, gewestelijk of gemeenschaps-)parlement te brengen door een aantal petities in te dienen. Petities die betrekking hebben op aangelegenheden die niet tot de bevoegdheid van de assemblee behoren moeten worden uitgesloten van de verplichting tot debat. Hetzelfde geldt voor de aangelegenheden betreffende het Belgisch grondgebied en de deelgebieden, die welke de respectieve bevoegdheden van de federale Kamers, de gewest- en de gemeenschapsraden regelen, alsmede de begrotingsmateries.
  • Op het niveau van de gemeenschappen moet het probleem van de communautaire identificatie van de adressanten worden opgelost.
  • De PS-fracties zijn er voorstander van om geleidelijk te werk te gaan : eerst het petitierecht herwaarderen, vervolgens de volksraadpleging mogelijk maken en dan pas het referendum.

4) Vlaams Blok - Het Vlaams Blok pleit ervoor om het bindend referendum in te voeren teneinde de burger meer inspraak te geven in de politieke besluitvorming op federaal en gewestelijk vlak.

  • In een vrij en democratisch land moet het mogelijk zijn om over alle onderwerpen (persoonlijke aangelegenheden uitgezonderd) die de bevolking beroeren een referendum te houden, dus ook over communautaire aangelegenheden, de onafhankelijkheid van Vlaanderen of de toepassing van artikel 18 bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
  • Om deel te kunnen nemen aan een referendum moet worden voldaan aan de voorwaarden die ook gelden voor de parlementsverkiezingen. Dit wil zeggen : Belg zijn, de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, in de bevolkingsregisters van een Belgische gemeente ingeschreven zijn en zich niet bevinden in één van de gevallen van uitsluiting of schorsing bepaald door de wet.
  • Het initiatief moet kunnen uitgaan van zowel de burgers als de politieke wereld.

5) CdH (toen nog PSC) - Voor de CdH is de directe democratie een van de belangrijkste prioriteiten van de politieke vernieuwing.

  • Voor de volksraadpleging zou het initiatief moeten worden genomen door hetzij de wetgevende gremia volgens bepaalde criteria die nog moeten worden vastgesteld, hetzij een nog te bepalen percentage van de kiezers van een kiescollege, op alle gezagsniveaus.
  • Het voorstel tot raadpleging zou bij volstrekte meerderheid in de wetgevende assemblees moeten worden aangenomen en moeten worden voorafgegaan door een grootscheepse objectieve informatiecampagne uitgaande van de overheid. Ze zou moeten kunnen worden gehouden over één of meer wetgevende teksten of over een aantal aan de samenleving gerelateerde onderwerpen of debatten. Ze zou moeten plaatsvinden vóór de bespreking en de goedkeuring in de wetgevende assemblee.
  • Geen volksraadpleging over vragen betreffende de in de Grondwet opgenomen fundamentele rechten en vrijheden, noch over institutionele, taal-, fiscale en begrotingsaangelegenheden.
  • Volgens de CdH-fracties zouden alle burgers vanaf 18 jaar die zijn ingeschreven in het bevolkingsregister en alle vreemdelingen die sinds ten minste drie jaar in België verblijven, moeten kunnen deelnemen aan de volksraadpleging.
  • De CdH-fracties zijn voorstander van « beslissende » referenda op alle gezagsniveaus volgens voorwaarden die door de wet moeten worden bepaald.
  • In een wetgevende assemblee moet een debat kunnen worden gehouden indien haar een petitie wordt voorgelegd die uitgaat van een nog te bepalen percentage van de betrokken bevolking.

6) CD&V (toen nog CVP) - De keuze tussen een rechtstreekse of onrechtstreekse democratie is een verkeerd uitgangspunt.

  • Referenda en volksraadplegingen zijn verenigbaar met de representatieve democratie in die zin dat ze er een versterking van zijn.
  • Beslissende referenda en adviserende volksraadplegingen moeten naast elkaar kunnen bestaan op alle bestuursniveaus (federaal, gemeenschappen, gewesten, provincies en gemeenten).
  • Bepaalde materies mogen niet aan een referendum of volksraadpleging onderworpen worden, met name grondrechten.
  • Een goede regeling dient te worden uitgewerkt met betrekking tot de wijze waarop de vraagstelling gebeurt.
  • Eenheid van stemgerechtigdheidsvoorwaarden is vereist.
  • Een goed georganiseerd referendum moet gepaard gaan met een informatiecampagne. Manipulatie hierbij is niet uitgesloten. Complexe problemen moeten tot een eenvoudige vraag worden herleid en met ja of neen worden beantwoord. In een complex en bicommunautair land als België zullen referenda de polarisatie eerder doen toenemen dan afnemen.
  • De kans is groot dat de Franstaligen een analoge constitutionele bescherming zullen eisen, als die welke geldt op het niveau van de federale politieke instellingen. Is dat het geval dan heeft een referendum tot gevolg dat een meerderheid van de minderheid uiteindelijk beslist.
  • Inzake het petitierecht dient artikel 57 van de Grondwet herzien worden ten einde te voorzien in een termijn van 120 dagen om het debat te organiseren. De nieuwe procedure inzake het petitierecht dient bij wet te worden geregeld.
  • Wat betreft het parlementair debat op volksinitiatief dient dit te gebeuren onder de volgende voorwaarden : het initiatief dient door ten minste 100 000 ondertekenaars (alle ingezeten vanaf 16 jaar) te worden gesteund, een strikte regeling moet worden uitgewerkt inzake het ondertekenen van verzoekschriften om misbruiken te vermijden en bepaalde materies moeten worden uitgesloten.

7) SP.a (toen nog SP) - De SP.a fracties zijn voorstander van vormen van rechtstreekse democratie.

  • De SP.a-fracties pleiten voor een grote selectiviteit wat het onderwerp van referenda en volksraadplegingen betreft. De vraag rijst welke de criteria van onontvankelijkheid zijn: overschrijding bevoegdheidsniveau van de organiserende overheid, strijdigheid met internationale verdragen, moeilijk of niet in een eenvoudige ja- of nee-stelling te formuleren vragen, een niet voorziene budgettaire weerslag, moeilijk of niet administratief uitvoerbaar, ... Tevens rijst de vraag wie beslist over de ontvankelijkheid: een college van experten, een gerechtelijke of politieke instantie.
  • Van belang is voorts te bepalen wie de vragen formuleert. Het kan daarbij gaan om de burgers-initiatiefnemers, om een verkozen orgaan (gemeenteraad, provincieraad, parlement), om een uitvoerend orgaan (schepencollege, deputatie, regering). Kunnen alternatieven aan de kiezers voorgelegd worden, waaruit de kiezer een keuze kan maken, of wordt aan de kiezer één vraag voorgelegd waarop enkel « ja » of « nee » kan worden geantwoord ? De verhouding tussen het verkozen politiek orgaan en de directe democratie dient te worden bepaald : heeft de bevolking een initiatiefrecht in verband met alle mogelijke onderwerpen, of beperkt het zich tot een goed- of afkeuring van plannen of zelfs beslissingen van het verkozen politiek orgaan (correctief referendum) ?
  • In het geval van een bindend referendum dient bepaald te worden welke de gevolgen zijn als een verkozen orgaan niet wil ingaan op de uitslag van een referendum. Moet er in sancties voorzien worden als het politiek orgaan de uitslag niet respecteert of niet uitvoert ? Moeten eventuele sancties van politieke aard zijn of zijn juridische stappen mogelijk ?
  • Er dient ook te worden bepaald welke de rol is van politieke partijen bij een volksraadpleging of een referendum.
  • Tevens dient het probleem van de geografische omschrijving van de kieskring te worden geregeld. Als bijvoorbeeld een referendum wordt georganiseerd over een eventueel verbod van nachtvluchten, moet bepaald worden wie aan de stemming mag deelnemen: de inwoners van Zaventem ? Of ook de buurgemeenten die eveneens te kampen hebben met nachtlawaai ? Of ook de andere inwoners van de provincie Vlaams-Brabant, waar zeer veel werknemers van de betrokken bedrijven wonen ? Of de inwoners van het Vlaams Gewest, of zelfs van heel België?
  • Zeer belangrijk is de periode vóór de uiteindelijke stemming. Het is in die periode dat de bevolking moet worden overtuigd van het belang van de raadpleging. In onze samenleving kan de rol van de media hierbij nauwelijks worden onderschat. Dit voegt een nieuwe dimensie toe aan het vraagstuk van de representativiteit. Het is immers niet ondenkbaar dat in deze fase de toegang van de opposanten tot de massamedia niet gelijk is. Machtige en kapitaalkrachtige organisaties kunnen hier een voorsprong verwerven. Beïnvloeding en lobbying zijn mogelijk. Bij verkiezingen beperken het verbod op giften aan politieke partijen, de beperking van de verkiezingsuitgaven en de controle op de boekhouding mogelijke excessen. Is een gelijkaardige wetgeving ook wenselijk in het kader van de directe democratie?

8) VLD - De VLD stelt dat de inspraakinstrumenten van de directe democratie een aanvulling kunnen zijn op de representatieve democratie.

  • De VLD-fracties pleiten voor de invoering van bindende referenda op alle bestuursniveau’s.
  • Het initiatief moet uitgaan van een voldoende groot aantal burgers en de vraag moet worden geformuleerd door de bevolking.
  • Er dienen zo weinig mogelijk thema’s uitgesloten te worden. Enkel over de grondwettelijke rechten en vrijheden zijn geen referenda of volksraadplegingen mogelijk. Een grondwettelijk hof kan toezicht houden.
  • Het bindend karakter van de uitslag van referenda zou moeten afhangen van een minimumopkomst.
  • De VLD-fracties zijn tevens voorstander van een versterkt petitierecht, naar het voorbeeld van wat bestaat in het Vlaams Parlement. Verzoekschriften gericht aan het Vlaams Parlement worden door een commissie of door de plenaire vergadering onderzocht en besproken. Vanaf de volle leeftijd van 16 jaar kan elke inwoner een verzoekschrift indienen bij het Vlaams Parlement. Hij ontvangt een gemotiveerd antwoord omtrent het gevolg dat eraan is gegeven.

9) SPIRIT (toen nog VU-ID21) - De SPIRIT fracties van de Kamer en de Senaat zijn van oordeel dat moet worden gestreefd naar een gemengd systeem van vertegenwoordigende en directe democratie waarin het maatschappelijk debat centraal staat.

  • De SPIRIT-fracties wensen dat het bindend referendum op volksinitiatief mogelijk wordt gemaakt. Alle onderwerpen waarover kan worden beslist door een representatief orgaan, moeten op hetzelfde bestuursniveau ook het onderwerp kunnen zijn van een referendum.
  • Een referendum kan niet handelen over grondrechten of over dossiers waarover door een Parlement of raad tijdens de lopende legislatuur reeds een beslissing werd genomen.
  • Het bindend referendum moet zo gemakkelijk mogelijk worden gemaakt en de drempel moet dus zo laag mogelijk worden gehouden. De aanvraag om een referendum te houden zou moeten uitgaan van een betekenisvol aantal ondersteuners (bijvoorbeeld 100 000 voor een materie die behoort tot de bevoegdheid van het Vlaams Parlement) of van een bijzondere meerderheid van het Parlement en kan niet worden geïnitieerd door de regering.
  • De vraagstelling zou met een tweederde meerderheid moeten worden geformuleerd door een parlement of een raad. Deze organiseren voor het referendum een openbaar debat van minstens twee maanden, zodat de burgers in staat worden gesteld zich een genuanceerd beeld te vormen. De uitslag is slechts bindend indien 40 % van de kiezers opdagen. Bij een lagere opkomst worden de stemmen niet geteld.
  • Inzake het « volksinitiatief» of « volksvoorstel » zijn de SPIRIT-fracties van oordeel dat het Parlement ieder volksvoorstel moet behandelen dat aan het Parlement wordt voorgelegd en dat de handtekening van minstens 1 000 burgers draagt. Wanneer een volksvoorstel vergezeld is van 10 000 handtekeningen, moet het Parlement binnen een vastgestelde termijn stemmen over het voorstel. Het Parlement moet het voorstel ofwel aanvaarden, ofwel gemotiveerd verwerpen. De inhoudelijke grenzen en de praktische modaliteiten moeten nauwkeurig worden vastgelegd.

6. Uitspraken van politici, politicologen, journalisten

  • Steve Stevaert heeft enkele jaren geleden een petitie voor de invoering van het bindend referendum getekend (terwijl Louis Tobback de boot afhield). De SP.A-voorzitter heeft in een vroeger leven ook wetgevende initiatieven genomen pro directe democratie. Vandaag de dag heeft hij het geweer van schouder verandert: over een eventueel referendum over het ‘migrantenstemrecht’ stelt hij: “Er worden wel meer beslissingen genomen waar veel Vlamingen tegen zijn. Of gaan we er een referendum over houden? Dan ken ik nog wel een paar leuke onderwerpen. Zullen we een referendum houden over de afschaffing van alle belastingen? Of misschien kunnen we de bevolking eens vragen of villa’s zoals die van Rik Daems verboden moeten worden” (HUMO 7 oktober 2003, p.11).
    * In Zwitserland bestaan eigenaardig genoeg nog altijd belastingen, ook al kunnen Zwitserse burgers alle taksen per referendum direct wegstemmen.
  • Met het referendum loopt men blind de publieke opinie achterna. Het referendum leidt tot populisme. Steve Stevaert vindt dat men dat niet mag doen. Personen kunnen zich uitspreken over - voor een bepaalde intellectuele elite - onaanvaardbare materies zoals de doodsstraf. Waarom zou door de directe democratie meteen de doodstraf weer worden ingevoerd?
    * In Zwitserland bestaat de doodstraf niet, gewoon omdat er bij de Zwitserse bevolking geen meerderheid voor is. Hetzelfde geldt voor een aantal Amerikaanse staten. In Amerikaanse Staten waar er geen directe democratie bestaat, is de doodstraf wel ingevoerd.
  • Johan Vande Lanotte stelt: “Ik ben voor elk referendum. U zult lachen, maar ik ben een grote aanhanger van de directe democratie. Ik heb er in 1987 zelfs een boekje over geschreven. Ik ga ervan uit dat de burger meestal verstandiger is dan vele politici denken. Veel mensen in mijn partij denken van niet, maar ik wel (...) Waar ik niet tegen kan, is dat sommigen alleen maar referenda willen als het hun goed uitkomt. Voor dit of dat wél, voor zus en zo niét. Als de vaste regel is dat je de bevolking laat beslissen, so be it. En dan verlies je eens, maar dat is de kern van de democratie” (De Morgen, 31-10-03, p.47).
  • Moeilijke kwesties zijn niet eenvoudig in “ja” of “nee” samen te vatten. Erik Derycke, SP.a, voormalig Minister van Buitenlandse Zaken, zei in verband met de invoering van de euro bijvoorbeeld: "Ik ben blij dat we geen referenda hebben. Hoe leg je in godsnaam met een vraag die een simpel ja of nee veronderstelt een ingewikkelde zaak als de euro uit?" (Humo, 2 september 1997).
    * In Frankrijk werd in 1992 nipt “ja” gestemd voor het verdrag van Maastricht (en dus de invoering van de euro). Daarentegen hebeen de Zweden inderdaat in het referendum over de euro met 56,1% tegengestemd (41,8% voor). Het resultaat van het referendum is een sterke stem van wantrouwen, met een linkse nadruk in dat wantrouwen. Vandaag uit de SP.a een sterk euro-scepticisme vanuit de overtuiging dat het de verkeerde weg op gaat met Europa op sociaal vlak. Waren de Zweden vanuit Deryckes oogpunt dan zo verkeerd?
    * 2003: Kandidaatleden stemmen voor toetreding tot de EU maart: Malta en Slovenië stemmen bij een referendum voor toetreding april: Hongarije stemt bij een referendum voor toetreding mei: Slowakije en Litouwen stemmen in een referendum voor toetreding juni: Polen en Tsjechië stemmen in een referendum voor toetreding september: Estland en Letland stemmen in een referendum voor toetreding
    * Volgens Derycke kiezers zijn niet bekwaam zijn om te oordelen, ja kunnen zelfs de gestelde vraag vaak niet verstaan. Eigenlijk sluit dat standpunt iedere vorm van democratie uit. Want indien kiezers niet kunnen onderscheiden tussen goede en slechte stellingnames, kunnen ze a fortiori ook niet onderscheiden tussen goede en slechte kandidaten, bijvoorbeeld bij parlementsverkiezingen. In werkelijkheid maken de kiezers bij representatieve verkiezingen wel degelijk beredeneerde keuzes, hoewel ze achteraf wel eens bedrogen uitkomen. Had de CVP- kiezer verwacht dat zijn partij het homohuwelijk zou goedkeuren? Tenminste is de keuze bij een referendum veel minder dubbelzinnig en veel transparanter. Het homohuwelijk was bijvoorbeeld een ideaal referendumonderwerp geweest.
    * De burger wordt door de directe democratie betrokken bij het politieke besluitvormingsproces en zal zich hierdoor ook betrokken voélen. Precies omdat bij een referendum de opkomstplicht niet mag bestaan, gaan alleen geïnformeerde burgers naar de stembus. Zij weten dan wel zeer goed wat achter die simpele “ja” en “nee” schuilt.
  • Personen kunnen zich uitspreken over zaken waar ze niet bij betrokken zijn. Politicoloog Dewachter stelt in ‘Besluitvorming in politiek België’ bijvoorbeeld de vraag: “Moet iedere burger zich kunnen uitspreken over interprofessionele akkoorden?”
  • De kiezer kan gemanipuleerd worden. Dit is het standpunt van CD&V-senator Vandenberghe. Het gevaar voor manipulatie is echter veel groter in een zuiver representatieve democratie. Een goedgeorganiseerde lobby kan veel gemakkelijker een partij naar zijn hand zetten dan enkele miljoenen burgers. Zegt Poupehan ons nog iets?
  • Het referendum kan leiden tot communautaire spanningen. PS’er Claude Eerdekens is bevreesd dat een Vlaamse meerderheid de splitsing van de sociale zekerheid zou kunnen goedkeuren. Hij brengt mij op gedachten. Neen, ook hier kan het referendum aan de specifieke Belgische situatie aangepast worden. In Zwitserland is voor het lanceren van een confederaal referendum ook een handtekeningendrempel nodig in alle kantons. In het kader van de pacificatiegedachte kan voorzien worden dat voor federale materies er een drempel moet overschreden worden van 2,5% van de bevolking in de drie gewesten.
  • Directe democratie komt neer op de dictatuur van de referenda en de peilingen. De "directe democratie" effent de weg voor de anti-politiek. Deze les komt van reporter Frans De Smet van De Standaard.
    Het eerste punt is een persoonlijke keuze, de keuze tussen de loutere “dictatuur” van de particratie dan wel van de democratie. Die keuze moet ik als rechtgeaarde democraat respecteren. Daarenboven is het jammer dat men nu in een poging om de directe democratie in een negatief daglicht te stellen de publieke opinie tracht te manipuleren door een beeld te schetsen waarbij het alle twee weken referenda zal regenen. Over de organisatie moet zorgvuldig worden nagedacht. Over het tweede punt van deze reporter kunnen we kort zijn: directe democratie betrekt de burger bij de politieke besluitvorming en gaat precies de anti- politieke mentaliteit tegen. Door directe democratie krijgen burgers meer oog voor het feit dat ze samen een maatschappij aan het opbouwen zijn. “Doordat de kiezers niet mogen meebeslissen, is hun kennis van en belangstelling voor politieke zaken heel zwak.”, een argument van ... professor Dewachter inzake Europa weliswaar. Hoeveel argumenten zijn er hier voor nodig?
  • Directe democratie wordt gemanipuleerd door de meest kapitaalkrachtige groep of wordt gesubsidieerd door de overheid die het resultaat in de gewenste richting wil laten evolueren. Hiervoor verwijst men vaak naar de Amerikaanse toestanden.
    Dit argument verdient aandacht, maar kan worden opgelost in de geest en filosofie die ook schuilde achter de wetten op de partijfinanciering. Fondsen mogen worden verzameld, maar uiteindelijk moet ieder kamp met gelijke financiële en immateriële overheidsmiddelen propaganda kunnen voeren. De overheid - hiermee bedoel ik uiteraard niet de verkozenen - moet zich verplicht neutraal opstellen tijdens een referendum.
  • Directe democratie maakt helemaal geen verschil. Op plaatsen waar directe democratie functioneert, verloopt alles net als hier. Bijgevolg is al dat gepraat over het referendum een maat voor niets, en directe democratie is alleen maar een vals icoon van de 'Nieuwe Politieke Cultuur'. VUB-professor D'Hooge denkt er zo over en CVP-voorzitter Van Peel voegt daar aan toe directe democratie is 'gebakken lucht'.
    In feite is dit onbewust een argument pro directe democratie. Het instrument van het referendum zal niet leiden tot staatsgevaarlijke situaties. Intern in de samenleving kan er echter wel veel veranderen. Denken we maar aan het debat inzake migrantenstemrecht, waarvan de meeste politieke waarnemers overtuigd zijn dat het in het parlement zal gestemd worden. Hetzelfde zou kunnen gelden voor fiscale amnestie, voor Europese reglementeringen, voor euthanasie, voor het recht om een kerkelijk huwelijk aan te gaan voor een burgerlijk, enzovoort. In een bepaald aantal gevallen zullen de burgers zich conservatiever opstellen dan de partijtenoren, maar dit hoeft geen zeker geen regel te zijn. Reactionaire toestanden vallen niet te verwachten. Beslissingen zullen echter meer aansluiting vinden met de realiteits- en rechtvaardigheidszin van de mensen. En nogmaals: referenda zullen er pas komen wanneer een bepaalde materie een voldoende belangstelling kan opwekken bij de bevolking. Een drempel is nodig, al was het maar vanuit financiële overwegingen voor de organisatie ervan. Ik denk hierbij aan rond de 100.000 à 150.000 handtekeningen voor een referendum op regionaal niveau, 250.000 handtekeningen voor een wetgevend referendum en 500.000 geldige handtekeningen voor een grondwetgevend referendum een voldoende marge vormt om het instrument ernstig te kunnen aanwenden in ons land. Dit zijn al strengere grenzen dan in Zwitserland waar nauwelijks 1,3% van de bevolking een referendum kan lanceren (100.000 handtekeningen op een bevolking van 7,4 miljoen inwoners). Naar het voorbeeld van het gemeentelijk referendum moet voor wat betreft de deelnemingsdrempel dezelfde aantallen gelden. Een te hoge deelnemingsdrempel - een aantal Duitse voorbeelden bewijzen dat - maakt dat het referendum onwerkbaar wordt.
    Zeer zeker is het referendum geen wondermiddel die ervoor kan zorgen dat we binnen de kortste keren in een paradijselijke modelstaat zullen leven. Wel een groot verschil maakt het voor de burger zelf: hij voelt zich betrokken en ernstig genomen. Zijn vertrouwen in de politieke en andere instellingen zal vergroten. Dit kan ongetwijfeld invloed hebben op het welzijnsgevoel van de burger met alle positieve sociaal-economische gevolgen van dien. Tenslotte wijzen studie uit dat in de Zwitserse kantons waar de directe democratie zeer sterk is ingeburgerd, het civisme van de bevolking veel groter is. Onder meer lijkt de mate van belastingontduiking er veel lager te zijn dan elders. Er is dus ook hier een “terugverdieneffect”.

7. Wetsvoorstellen in de kamer van volksvertegenwoordigers

Louis Michel - 5 september 1991

  • Wat: Volksraadpleging over alle aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de Staat behoren (wetsvoorstel) + voorstel tot herziening van de Grondwet.
  • Op initiatief van: De regering, de wetgevende macht of een bepaald deel van de burgers.
  • Initiatiefquota: 5% kiezerskorps (en bepaalde meerderheden voor parlement en regering)
  • Hoe: Verzoekschrift gericht aan eerste minister.
  • Te weren materies: Taalkwesties waarvoor wetten met een bijzondere meerderheid aangenomen moeten worden en belastingkwesties.
  • Grondwetsherziening: Invoering artikel 26bis (Grondwet 1831)
  • Formulering: In het Rijk kan een volksraadpleging worden georganiseerd. De wet bepaalt de wet bepaalt de toepassingsvoorwaarden van die raadpleging.
  • Overige: Oprichting toezichtscommissie.
  • Opkomst: Verplicht.
  • Wie: De kiezer.
  • Stemopneming:

Louis Michel - 11 maart 1992

  • Wat: Volksraadpleging
  • Op initiatief van:
  • Initiatiefquota:
  • Hoe:
  • Te weren materies:
  • Grondwetsherziening: Aanvulling artikel 26ter (Grondwet 1831).
  • Formulering: In het Rijk kan een volksraadpleging worden georganiseerd. De wet bepaalt de toepassingsvoorwaarden van die raadpleging.
  • Overige:
  • Opkomst:
  • Wie:
  • Stemopneming:

Guy Verhofstadt - 9 juli 1992

  • Wat: Referendum
  • Op initiatief van: Kamer van volksvertegenwoordigers
  • Initiatiefquota:
  • Hoe:
  • Te weren materies:
  • Grondwetsherziening: Aanvulling artikel 26 (Grondwet 1831).
  • Formulering: Op initiatief van een bij de wet bepaald aantal kiezers, organiseert de kamer van volksvertegenwoordigers een beslissingsreferendum. De wet regelt de modaliteiten en de wijze van organisatie van dit referendum.
  • Overige:
  • Opkomst:
  • Wie:
  • Stemopneming:

Guy Verhofstadt - 9 juli 1992

  • Wat: Referendum op niveau van de gemeenschappen en de gewesten
  • Op initiatief van:
  • Initiatiefquota:
  • Hoe:
  • Te weren materies:
  • Grondwetsherziening: Herziening artikel 17 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
  • Formulering:
  • Overige:
  • Opkomst:
  • Wie:
  • Stemopneming:

Guy Verhofstadt - 9 juli 1992

  • Wat: Referendum voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  • Op initiatief van:
  • Initiatiefquota:
  • Hoe:
  • Te weren materies:
  • Grondwetsherziening: Herziening artikel 6 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 betreffende de Brusselse instellingen.
  • Formulering:
  • Overige:
  • Opkomst:
  • Wie:
  • Stemopneming:

Guy Verhofstadt - 10 juli 1992

  • Wat: Referendum op niveau van de gemeenschappen
  • Op initiatief van:
  • Initiatiefquota:
  • Hoe:
  • Te weren materies:
  • Grondwetsherziening: Herziening artikel 59bis, §5 (Grondwet 1831)
  • Formulering:
  • Overige:
  • Opkomst:
  • Wie:
  • Stemopneming:

Guy Verhofstadt, Patrick Dewael - 10 juli 1992

  • Wat: Referendum voor de Duitstalige gemeenschap
  • Op initiatief van:
  • Initiatiefquota:
  • Hoe:
  • Te weren materies:
  • Grondwetsherziening: Herziening artikel 59ter (Grondwet 1831)
  • Formulering:
  • Overige:
  • Opkomst:
  • Wie:
  • Stemopneming:

Guy Verhofstadt - 10 juli 1992

  • Wat: Referendum op niveau van de gewesten
  • Op initiatief van:
  • Initiatiefquota:
  • Hoe:
  • Te weren materies:
  • Grondwetsherziening: Herziening artikel 107quater (Grondwet 1831)
  • Formulering:
  • Overige:
  • Opkomst:
  • Wie:
  • Stemopneming:

Guy Verhofstadt - 10 juli 1992

  • Wat: Referendum voor Grondwettelijke materies
  • Op initiatief van:
  • Initiatiefquota:
  • Hoe:
  • Te weren materies:
  • Grondwetsherziening: Herziening artikel 131 (Grondwet 1831)
  • Formulering:
  • Overige:
  • Opkomst:
  • Wie:
  • Stemopneming:

Daniel Ducarme, Didier Reynders - 19 maart 1993

  • Wat: Referendum
  • Op initiatief van:
  • Initiatiefquota:
  • Hoe:
  • Te weren materies:
  • Grondwetsherziening: Invoering artikel 3quater (Grondwet 1831)
  • Formulering: De nationale soevereniteit behoort de burgers toe. Zij oefenen die soevereniteit uit door hun vertegenwoordigers of bij referendum.
  • Overige:
  • Opkomst:
  • Wie:
  • Stemopneming:

Philippe Dewinter - 1 maart 1994

  • Wat: Nationaal referendum (wetsvoorstel) + voorstel tot herziening van de Grondwet.
  • Op initiatief van: De wetgevende kamers of kiezers.
  • Initiatiefquota: 100.000 kiezers of 1/3 van een kamer.
  • Hoe: Verzoekschrift gericht aan eerste minister.
  • Te weren materies:
  • Grondwetsherziening: Wijziging artikelen 25, 26bis, 59bis, 108, 131 (Grondwet 1831)
  • Formulering:
  • Overige:
  • Opkomst: Verplicht.
  • Wie: De kiezer.
  • Stemopneming:

Patrick Dewael, Herman De Croo, Rik Daems - 13 oktober 1995

  • Wat: Referendum op het vlak van de gemeenschappen.
  • Op initiatief van:
  • Initiatiefquota:
  • Hoe:
  • Te weren materies:
  • Grondwetsherziening: Herziening artikel 132
  • Formulering:
  • Overige:
  • Opkomst:
  • Wie:
  • Stemopneming:

Patrick Dewael, Herman De Croo, Rik Daems - 16 oktober 1995

  • Wat: Referendum Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  • Op initiatief van:
  • Initiatiefquota:
  • Hoe:
  • Te weren materies:
  • Grondwetsherziening: Artikel 6 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen
  • Formulering: Op initiatief van een bij ordonnantie bepaald aantal kiezers organiseert de Raad een beslissingsreferendum. De ordonnantie regelt de nadere regels voor en de wijze van organisatie van organisatie van dit referendum.
  • Overige:
  • Opkomst:
  • Wie:
  • Stemopneming:

Patrick Dewael, Herman De Croo, Rik Daems - 16 oktober 1995

  • Wat: Referendum voor materies op gewestelijk vlak
  • Op initiatief van:
  • Initiatiefquota:
  • Hoe:
  • Te weren materies:
  • Grondwetsherziening: Herziening artikel 39
  • Formulering:
  • Overige:
  • Opkomst:
  • Wie:
  • Stemopneming:

Patrick Dewael, Marc Verwilghen, Ignace Van Belle - 16 oktober 1995

  • Wat: Referendum voor materies op gemeenschaps- en gewestelijk vlak
  • Op initiatief van:
  • Initiatiefquota:
  • Hoe:
  • Te weren materies:
  • Grondwetsherziening: Wijziging artikel 17 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen.
  • Formulering: Op initiatief van een bij decreet bepaald aantal kiezers organiseert de Raad een beslissingsreferendum. Het decreet regelt de nadere regels voor en de wijze van organisatie van organisatie van dit referendum.
  • Overige:
  • Opkomst:
  • Wie:
  • Stemopneming:

Patrick Dewael - 8 december 1995

  • Wat: Referendum voor materies op federaal vlak
  • Op initiatief van:
  • Initiatiefquota:
  • Hoe:
  • Te weren materies:
  • Grondwetsherziening: Herziening artikel 36
  • Formulering: Op initiatief van een bij de wet bepaald aantal kiezers organiseert de kamer van volksvertegenwoordigers een beslissingsreferendum. De wet regelt de nadere regels voor en de wijze van organisatie van organisatie van dit referendum.
  • Overige:
  • Opkomst:
  • Wie:
  • Stemopneming:

Patrick Dewael - 6 mei 1997

  • Wat: Referendum voor Grondwettelijke materies
  • Op initiatief van:
  • Initiatiefquota:
  • Hoe:
  • Te weren materies:
  • Grondwetsherziening: Herziening artikel 195
  • Formulering:
  • Overige:
  • Opkomst:
  • Wie:
  • Stemopneming:

Jef Tavernier, Geert Bourgeois, Patrick Dewael, Geert Versnick, Pierre Chevalier, Johan Van Hecke - 6 mei 1997

  • Wat: Referendum op het niveau van de Gewesten + wetgevend initiatief
  • Op initiatief van:
  • Initiatiefquota: 200.000 (vermeld in toelichting)
  • Hoe:
  • Te weren materies:
  • Grondwetsherziening: Wijziging van artikel 18 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en van artikel 6 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen
  • Formulering: In aangelegenheden waarvoor de Raden bevoegd zijn, schrijft het Arbitragehof, op initiatief van een bij decreet bepaald aantal personen die de volle leeftijd van vijftien jaar hebben bereikt, een gewestelijk referendum uit, waarvan het resultaat bindend is voor de decreterende macht van het betrokken gewest. Het decreet bepaalt de nadere regels met betrekking tot het gewestelijke referendum.
  • Overige: De organisatie zal bij decreet of ordonnantie gebeuren.
  • Opkomst:
  • Wie:
  • Stemopneming:

Louis Michel, Louis Van Velthoven, Luc Willems, Claude Eerdekens - 10 september 1997

  • Wat: Volksraadpleging op het niveau van de Gewesten.
  • Op initiatief van:
  • Initiatiefquota:
  • Hoe:
  • Te weren materies:
  • Grondwetsherziening: Invoering artikel 39ter (later gewijzigd tot 39bis)
  • Formulering: Op het niveau van de gewesten kan een tot de gewestbevoegdheden beperkte volksraadpleging worden georganiseerd. Het decreet of de regel, bedoeld in artikel 134, bepaalt de voorwaarden voor de toepassing van die raadpleging.
  • Overige: De organisatie zal bij decreet of ordonnantie gebeuren.
  • Opkomst:
  • Wie:
  • Stemopneming:

Daniel Bacquelaine c.s. (PRL/FDF) - 29 augustus 2000

  • Wat: Volksraadpleging op federaal niveau
  • Op initiatief van: De Kamer of Senaat
  • Initiatiefquota:
  • Hoe:
  • Te weren materies: Aangelegenheden die betrekking hebben op personen en verband houden met de begroting mag geen raadpleging worden gehouden. Dit verbod geldt ook voor de aangelegenheden die tot doel of tot gevolg zouden kunnen hebben dat de fundamentele rechten en vrijheden worden geschonden die gewaarborgd zijn door de Grondwet of door de internationale en supranationale verdragen welke België binden.
  • Grondwetsherziening:
  • Formulering:
  • Overige:
  • Opkomst: Niet verplicht.
  • Wie: Kiezers.
  • Stemopneming: 10%

Kristien Grauwels (AGALEV) - 12 febrauri 2002

  • Wat: Volksraadpleging op federaal niveau
  • Op initiatief van: De inwoners vanaf 16 jaar en die sedert minstens vijf jaar in België verblijven.
  • Initiatiefquota: 3%
  • Hoe: Verzoekschrift gericht aan de kamer van volksvertegenwoordigers.
  • Te weren materies: Wat strijdig is met de fundamentele rechten en vrijheden zoals zij worden gewaarborgd door de Grondwet en door de door België geratificeerde internationale verdragen.
  • Grondwetsherziening:
  • Formulering:
  • Overige: Brochure met objectieve informatie aan de burgers. Maximaal drie onderwerpen.
  • Opkomst: Niet verplicht.
  • Wie: Inwoners vanaf de leeftijd van 16 jaar.
  • Stemopneming:

Kristien Grauwels - 12 febrauri 2002

  • Wat: Volksraadpleging op federaal niveau.
  • Op initiatief van: De Kamer of Senaat
  • Initiatiefquota:
  • Hoe:
  • Te weren materies: Wat strijdig is met de fundamentele rechten en vrijheden zoals zij worden gewaarborgd door de Grondwet en door de door België geratificeerde internationale verdragen.
  • Grondwetsherziening:
  • Formulering:
  • Overige: Brochure met objectieve informatie aan de burgers. Maximaal drie onderwerpen.
  • Opkomst: Niet verplicht.
  • Wie: Inwoners vanaf de leeftijd van 16 jaar.
  • Stemopneming:

8. Het Vlaams parlement

Het Vlaams regeerakkoord van 13 juli 1999 heeft de deelstatelijke volksraadpleging naar voren geschoven als een instrument voor een nieuw bestuurlijk beleid. Zo lezen wij in dit document: ‘In afwachting van de invoering van het bindend referendum en het volksdecreet wordt het consultatief referendum ingevoerd om de burgers nauwer bij het beleid te betrekken. De Vlaamse regering verbindt er zich alvast toe de uitslag van deze referenda te respecteren.’ Het Vlaamse parlement heeft verder, naar Nederlands voorbeeld, in april 2002 een principe- akkoord bereikt over invoering het volksinitiatief in niet-bindende vorm. De bedoeling was dat het eind 2002 zou ingaan. Volgens dit akkoord zouden burgers een voorstel kunnen indienen indien zij 150.000 handtekeningen binnen 6 maanden hebben verzameld. De vraagstelling moet voor de handtekeninginzameling worden goedgekeurd door de parlementscommissie voor verzoekschriften.

Er mogen maximaal 3 volksinitiatieven tegelijk op een stemdag ter stemming staan. Tussen 2 stemdagen moet maximaal 6 maanden zitten. Iedereen vanaf 16 jaar die in het bevolkingsregister staat ingeschreven, mag stemmen (dus ook buitenlanders). Er is geen formele opkomstdrempel, evenmin als een stemplicht.

Volgens de Raad van State kunnen de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest geen volksraadplegingen organiseren in de aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren, zonder de Grondwet te schenden. Er is met andere woorden een grondwetsherziening noodzakelijk. Hiertoe werd een aanzet gegeven in 1998. De Kamer van Volksvertegenwoordigers heeft op 15 juli van dat jaar een voorstel goedgekeurd tot invoering van een artikel 39bis in de Grondwet, luidend als voIgt: “Op het niveau van de gewesten kan een tot de gewestbevoegdheden beperkte volksraadpleging worden georganiseerd. Het decreet of de regel bedoeld in artikel 134, bepaalt de voorwaarden voor de toepassing van de raadpleging.” Weliswaar heeft het bedoelde voorstel, bij gebreke van een goedkeuring door de Senaat, niet geleid tot een effectieve herziening van de Grondwet.

9. Het Federale niveau

De regeerverklaring van 7 juli 1999, d.w.z. de regeerverklaring van paarsgroen, stelde ook al hoopgevend een aantal aanzetten tot organisatie van directe democratie op federaal niveau in het vooruitzicht: “De burgers willen meer inspraak in het beleid. Zij wensen ook aan de belangrijke maatschappelijke en politieke debatten deel te kunnen nemen. Om aan deze verzuchtingen tegemoet te komen, dient de rechtstreekse democratie te worden versterkt. De artikels van de Grondwet m.b.t. het referendum werden niet voor herziening vatbaar verklaard. Evenwel zal de Regering de mogelijkheden om volksraadplegingen te houden of in te voeren gevoelig uitbreiden en dit op verschillende niveaus. De meerderheidspartijen verbinden er zich toe om rekening te houden met de uitslag van deze volksraadplegingen. In deze context en binnen bepaalde perken zal de Regering eveneens werk maken van de opwaardering en modernisering van het petitierecht tot een volksinitiatief.

Tijdens de legislatuur 1999-2003 werd echter niets op dat vlak gerealiseerd. In het regeerakkoord van 10 juli 2003 worden de goede voornemens hernomen:
“Aan de burger moet de mogelijkheid geboden om op een meer doorslaggevende wijze deel te nemen aan de werking van de samenleving. Geen enkel instrument mag verwaarloosd worden om zijn participatie te versterken, het weze de representatieve democratie, de directe democratie of de participatieve democratie langs de dialoog met het middenveld. (...)
– ten einde de directe democratie te versterken zal de regering voorstellen om een nieuwe bepaling in te voeren in titel III van de grondwet om de gewesten de mogelijkheid te geven volksraadplegingen in te richten in de aangelegenheden waarvoor zij bevoegd zijn; tevens zal voorgesteld worden artikel 41 van de grondwet te wijzigen om de gewesten toe te laten de modaliteiten te regelen waaronder volksraadplegingen kunnen georganiseerd over aangelegenheden van gemeentelijk en provinciaal belang en de werking en de wijze van stemmen van binnengemeentelijke organen; bovendien zal de regering voorstellen in het Parlement een petitierecht in te voeren zodat op volksinitiatief in het Parlement echte debatten op gang kunnen worden gebracht.”
Het zal - teneinde binnen een zo kort mogelijke tijd iets te verwezenlijken - noodzakelijk zijn om - ditmaal door Kamer en door de Senaat - een verklaring tot Grondwetsherziening te laten goedkeuren, om zowel voor het regionale als voor het Federale niveau toe te laten volksraadplegingen, dan wel referenda te organiseren, op initiatief van de volksvertegenwoordiging én op intiatief van de bevolking.

Zonder Grondwetsherziening zijn er immers te veel constitutionele bezwaren, waardoor er zich te vermijden juridische problemen zouden kunnen stellen. Dit heeft alles te maken met ons Grondwettelijk stelsel van de representatieve democratie. Daarom heeft de Raad van State sinds haar advies van 15 mei 1985 steeds gesteld dat een de organisatie van een volksraadpleging of referendum ongrondwettelijk is.

Ons representatief stelsel is uiteindelijk gebaseerd op artikel 33, 2de lid van de Grondwet. Artikel 33 van de Grondwet bepaalt :
“Alle machten gaan uit van de Natie.
Zij worden uitgeoefend op de wijze bij de Grondwet bepaald”.
Uit deze en andere bepalingen blijkt dat de Grondwet niet een stelsel gebaseerd op de volkssoevereiniteit heeft ingesteld, doch wel een stelsel gebaseerd op de nationale soevereiniteit waarbij de Natie wordt vertegenwoordigd door de gestelde machten, zoals de federale kamers en de regionale raden. Met andere woorden, een louter representatieve demcratie.

Het representatieve stelsel impliceert dat de volksvertegenwoordigende vergaderingen in de uitoefening van hun mandaat, noch in rechte, noch in feite, mogen worden gebonden en de bijdrage van de bevolking bij de totstandkoming van wetten, decreten en ordonnanties kan niet anders dan beperkt te blijven tot het verkiezen van de mandatarissen en het recht verzoekschriften te richten tot de openbare overheden.

Terwijl dat dit juridisch begrijpelijk is voor het referendum, baseert de Raad van State zich op een feitelijk principe voor de volksraadpleging. Aangezien de volksraadpleging, anders dan het referendum, geen beslissingsbevoegdheid toekent aan de bevolking, doch slechts een “consultatief’ karakter heeft en de bevolking louter beoogt te “raadplegen”, is de Raad van State van oordeel dat de volksraadpleging in federale, gemeenschaps- en gewestelijke aangelegenheden, toch leidt tot een te belangrijke wijziging in de wijze waarop de machten worden uitgeoefend. Zelfs indien men het louter consultatieve karakter van de volksraadpleging vooropstelt, is het duidelijk dat het advies dat uitgaat van de bevolking zelf, niet kan worden vergeleken met andere adviezen die soms worden ingewonnen, hetzij op grond van een wettelijke verplichting, hetzij vrijwillig. Het gezag en de feitelijke druk die van een volksraadpleging uitgaan zijn zullen er volgens de Raad toe leiden dat de volksvertegenwoordigers zich feitelijk gebonden zullen achten daar het advies dat de bevolking hen geeft. Bijgevolg worden de machten niet uitgeoefend “op de wijze die de Grondwet” bepaalt.

Belangrijk is dat hierdoor duidelijk is dat het representatieve stelsel kan samengaan met elementen van rechtstreekse democratie, maar op dit ogenblik is in het Belgisch constitutionele bestel niet voorzien.

10. Buitenland

Op nationaal niveau bestaat het referendum enkel in Zwitserland. Een federaal referendum moet er in sommige gevallen een dubbele meerderheid behalen, niet alleen op nationaal niveau, maar ook in een meerderheid van de afzonderlijke kantons. In de Verenigde Staten en Duitsland bestaat het hier en daar op deelstaatniveau. In Denemarken, Ierland en Nieuw- Zeeland is een referendum verplicht naar aanleiding van een grondwetsherziening. Tot voor kort waren België, Nederland en Griekenland de Europese landen waar geen enkele directe vorm van politieke besluitvorming bestond. Sinds kort werd in ons land minstens de mogelijkheid tot gemeentelijke volksraadpleging ingevoerd.

1) Zwitserland

In de 19de eeuw gold bij de parlementsverkiezingen in Zwitserland een meerderheidssysteem. Het gevolg hiervan was, dat gedurende 70 jaar de radicaal-democratische partij over een absolute meerderheid in het parlement (de ‘Nationalrat’) beschikte. Het voorstel om een evenredigheidsstelsel in te voeren, dat het voor kleinere partijen gemakkelijker zou maken om door te dringen in het parlement, stuitte op massief verzet bij de gevestigde politieke klasse. Toch werd in 1918 het evenredigheidssysteem ingevoerd, zodat de radicaal-democraten bij de daaropvolgende verkiezingen 40% van hun zetels verloren.

Tot aan de tweede wereldoorlog had de politieke klasse in Zwitserland de mogelijkheid, om ’dringende’ federale wetten door te voeren. Het volk kon die ‘dringende’ wetten niet via een referendum aanvechten. In 1946 werd een volksinitiatief tegen deze regeling gelanceerd. Zowel regering als parlement voerden campagne tegen dit initiatief, dat toch door het volk werd goedgekeurd. De ‘dringendheidsclausule’ werd afgevoerd, tegen de zin van de politieke klasse. Op kantonaal niveau beschikken de Zwitserse burgers niet overal over dezelfde direct- democratische instrumenten. Het kanton Genève biedt aan zijn inwoners de minste direct- democratische rechten; het kanton Basel-Landschaft heeft de sterkst uitgebouwde democratie.

Zwitserland heeft een unieke politiek van neutraliteit en niet-inmenging die door de brede bevolking veel sterker wordt gesteund dan door de politieke elite van dat land. De filosofie van de volkssoevereniteit komt o.m. tot uiting in het vrij wapenbezit hetgeen er in sterke mate toe heeft bijgedragen dat het land niet in de grote conflicten van de 19de en 20ste eeuw werd betrokken.

Is Zwitserland daarom conservatief? Zwitserland is in een aantal opzichten inderdaad conservatief te noemen. In andere opzichten is het echter juist weer een zeer progressief en modern land. Het volksinitiatief is echter zonder meer bevorderlijk voor de progressieve aspecten in Zwitserland. Circa driekwart van alle volksinitiatieven komt van links, waarbij de sociaal-democraten een meerderheid voor hun rekening neemt. Ook zijn er verschillen in Zwitserland. Zürich heeft een hoog gehalte aan directe democratie en is vrij progressief. Genève is veel conservatiever en heeft veel minder directe democratie.

Hieronder een lijstje van zaken die via directe democratie werden geïnitieerd en/of goedgekeurd (en dan beperken we ons nog tot het federale niveau):

  • toetreding tot de Verenigde Naties (2002)
  • verstrekking van heroïne aan verslaafden door arts (1999)
  • continuering van een experiment met progressieve drugswetgeving, inclusief heroïne- verstrekking aan verslaafden (1997)
  • bescherming van werknemers m.b.t. 24-uurs-economie (1996)
  • ondersteuning milieuvriendelijke landbouw (1995)
  • vanaf 2004 al het doorgaande vrachtvervoer per spoor (1994)
  • opname van een anti-racisme-bepaling in de Zwitserse grondwet (1994)
  • verhoging benzineprijs met 0,20 SFR per liter (1993)
  • bescherming van de sociale zekerheid (1993)
  • seksuele relaties tussen minderjarigen onderling uit het Wetboek van Strafrecht (1992)
  • verkrachting binnen het huwelijk strafbaar gesteld (1992)
  • gentechnologie aan banden gelegd (1992)
  • miljardeninvestering in spoorwegen door Alpen voor vervoer auto's (1992)
  • invoering van vervangende dienstplicht (1992)
  • milieu-wetgeving ter bescherming van waterbassins (1992)
  • verlaging van de stemgerechtigde leeftijd naar 18 jaar (1991)
  • moratorium van 10 jaar op bouw kerncentrales (1990)
  • miljardeninvestering in de spoorwegen (1987)
  • belasting op gebruik van autowegen (1984)
  • belasting op gebruik vrachtwagens (1984)
  • meer belasting op benzine (1983)

Op een aantal punten is Zwitserland zelfs een progressieve leider in Europa. Het drugsbeleid, waarvan Nederlanders denken dat zij de enige in de wereld zijn, is in Zwitserland op punten veel progressiever dan in Nederland. In Nederland werd in 2002 besloten een experiment met heroïneverstrekking aan verslaafden af te sluiten. In 1999 werd een dergelijk experiment in Zwitserland omgezet in vast beleid.

Ook wordt het grens- en asielbeleid van Zwitserland vaak als zeer stringent betiteld, en de directe democratie hier voor verantwoordelijk gehouden. De feiten zijn dat Zwitserland per hoofd van de bevolking de meeste asielzoekers toelaat in heel Europa. (Vergelijkbare cijfers over de uiteindelijke verblijfsvergunningen zijn niet voorhanden omdat er grote verschillen in regelingen zitten tussen de landen.) Zo’n 20 procent van de in Zwitserland verblijvende personen is buitenlander (d.w.z. heeft geen Zwitsers paspoort). Ultra-rechts heeft de laatste decennia gepoogd om via volksinitiatieven een rem op het aantal buitenlanders te zetten. Een typisch voorbeeld is het referendum van september 2000, waarin een ‘buitenlanderquotum’ van 19% werd voorgesteld. De grens zou dicht moeten totdat het aantal buitenlanders door natuurlijk verloop onder de 19% zou schuiven. Een vrij gematigd voorstel dus, in totaal het zesde buitenlanders beperkende referendumvoorstel sinds de Tweede Wereldoorlog. Net als de eerdere vijf werd ook dit voorstel met een grote meerderheid verworpen. De bevolking is, mede door de open-debatcultuur die gepaard gaat met directe democratie, eenvoudig geen voorstander van dergelijke maatregelen. In Zwitserland zegt extreem-rechts niet meer dat zij de zwijgende meerderheid vertegenwoordigt, omdat de directe democratie aantoont dat dat niet zo is. Voor niet-Zwitsers geldt overigens dat zij, net als in o.a. Nederland, op lokaal niveau stemrecht hebben (waarbij dat stemrecht heel wat meer inhoudt dan in Nederland omdat er zoveel referenda zijn).

Een ander punt is de doodstraf. Tegenstanders voorspellen dat via directe democratie gelijk de doodstraf zou worden ingevoerd. Net zoals de Zwitsers zonder enige beperking via de directe democratie alle buitenlanders eruit zouden kunnen zetten, kunnen zij ook zonder probleem de doodstraf invoeren. In de hele Zwitserse geschiedenis is echter überhaupt nog nooit een aanzet tot zo’n initiatief gedaan. Zou er toch zo’n initiatief komen en haalt die de handtekeningendrempel, dan zou het met een grote meerderheid verworpen worden, want de meerderheid van de Zwitserse bevolking is overtuigd tegenstander van de doodstraf. Overigens is juist het feit dat in Zwitserland het oude Germaanse recht nooit werkelijk door het Romeinse recht is verdrongen, ook de oorzaak ervan dat het vrouwenkiesrecht relatief laat werd ingevoerd (1959 op landelijk niveau, slechts 11 jaar na België; in 1991 voerde het kanton Appenzell Innerrhoden als laatste het vrouwenkiesrecht in een ludieke volksvergadering in). In het Germaanse volksvergadering-stelsel had elke hoeve, later elk gezin i.p.v. elk individu één stem. De man werd dan geacht deze namens zijn ‘eenheid’ vast te stellen en uit te dragen. Zoals zelfs de uiterlijke vormen van de volksvergadering door de eeuwen heen merkwaardig onveranderd bleven, bleef ook dit principe lang bestaan. Anderzijds is ook aangevoerd dat in vele Europese landen het vrouwenkiesrecht werd ingevoerd nadat vrouwen in de Eerste en Tweede Wereldoorlog aan het thuisfront grote verantwoordelijkheden hadden gekregen en deze na terugkomst van manlief niet wilden inleveren, maar juist omzetten in politieke rechten. Zwitserland bleef echter buiten beide oorlogen en miste dus deze feministische impuls. In ieder geval is directe democratie zeker niet tegengesteld aan vrouwenrechten, want in de Verenigde Staten is het vrouwenkiesrecht in de eerste 3 deelstaten juist via directe democratie ingevoerd, waarna men op landelijk niveau de bui zag hangen en snel overstag ging.

2) Duitsland

Hamburg heeft samen met Beieren de meest democratische wetgeving in de Duitse Bondsrepubliek. Tot 1998 bestond een mogelijkheid tot volksreferendum, die echter zo goed als onwerkbaar was. Op 27 09 98 konden de burgers, dankzij een initiatief van de organisatie ‘Mehr Demokratie’, via een referendum een veel betere referendumregeling afdwingen. In de drie daaropvolgende jaren vonden 25 ‘Burgerbegehren’ plaats. Het Duitse systeem voorziet in twee fazen. Eerst is er een petitiefase, waarvoor een relatief klein aantal handtekeningen is vereist. Indien het deelstaatparlement de petitie afwijst, komt het tot een authentiek ‘Volksbegehren’. Daarvoor zijn meer handtekeningen nodig: 60.000, te verzamelen in twee weken.

3) Luxemburg

In het Luxemburgs parlement werd een wetsvoorstel ter invoering van een niet-bindend referendum ingediend. De Luxemburgse regering heeft ook aangekondigd, dat ze in elk geval een referendum zal organiseren betreffende de Europese grondwet.

4) Nederland

Grondwettelijk behield Nederland tot 1997 een zuiver representatief bestel, maar sinds enkele jaren is men toch getuige van een soort direct-democratisch springtij. De spits werd daarbij afgebeten door de lokale gemeenschappen. Op grond van lokale verordeningen kwam er ruimte voor plaatselijke referenda. De grote klapper voor de status van het referendum was de beslistheid waarmee de bewoners van Rotterdam en Amsterdam zich in 1995 uitspraken tegen de vorming van een stadsprovincie. De aanvankelijk bestaande weerstanden in intellectuele kring tegen het referendum waren in één klap weg. Voordien bestond de vrees dat het volk zich zou laten meeslepen door onderbuikachtige stemmingen vanaf de bittertafel. De stem des volks bleek echter honderd procent mee te vallen. Nu bleek het referendum opeens dè manier om zand in het raderwerk der bureaucratie te strooien. De technocraten van de gemeentelijke herindeling zaten met de handen in het haar. Twee decennia van zorgvuldige planning verdwenen in een klap in de prullenbak, tienduizenden manuren aan de vergadertafel bleken opeens vergeefse moeite. Langs slinkse weg proberen de stadsprovincie-fanaten momenteel overigens alsnog hun gelijk te halen door te stellen dat gemeenten helemaal niet gerechtigd zijn te beslissen over deze gewestelijke zaken (René Zwaap en André Meeusen "De zoete stem des volks" Groene Amsterdammer 19 maart 1997).

Met de komst van de paarse coalitie kwam het referendum ook onder aandacht van de nationale politiek. Paars is echter niet monolithisch: de rechts-liberalen van de VVD gingen enthousiast op de rem staan voor wat de invoering van het correctief referendum betreft, terwijl D66 en de PvdA een weinig meer democratische gezindheid lieten zien. In juni 1997 kwam een akkoord uit de bus, waarbij een uniforme drempel wordt gehanteerd voor het correctief referendum. De burgers kunnen niet zelf voorstellen op de agenda zetten. Niet enkel besluiten van Eerste en Tweede Kamer, maar ook besluiten van Provinciale Staten en gemeenteraden kunnen worden teruggedraaid via het correctief referendum, indien minstens 30% van de kiesgerechtigden zich tegen zo'n besluit uitspreekt, en indien er meer tegenstanders dan voorstanders zijn. In ruil voor de hoge drempel, die in werkelijkheid het correctief referendum op stedelijk niveau tot een onmachtig instrument zal maken, heeft de VVD een verbreding van de lokale aangelegenheden toegestaan, waarover een referendum kan worden gehouden. Precies ligt de zaak nog niet vast, maar wel is uitgemaakt dat een referendum niet alleen over verordeningen mag gaan (zoals de VVD had gewenst) maar ook over andere besluiten van algemene aard (besluiten die geen grote groep, maar individuele burgers of bedrijven raken, kunnen echter niet het voorwerp van een referendum zijn).

Op 19-06-03 heeft de Amsterdamse gemeenteraad een plan goedgekeurd voor een nieuw referendumstelsel, dat uniek is in Nederland. Burgers kunnen nu zelf voorstellen schrijven en aan de gemeenteraad voorleggen. Daarvoor zijn ongeveer duizend handtekeningen nodig. Wijst de raad het burgervoorstel af, dan kunnen burgers na het inzamelen van 25.000 handtekeningen een referendum initiëren. Komt zo’n referendum tot stand, dan heeft de gemeenteraad nog het recht om een alternatief voorstel te doen. Burgers hebben dan de keuze uit 3 opties: de bestaande situatie, het initiatiefvoorstel of het raadsvoorstel. De uitkomst is ‘politiek bindend’. Juridisch bindende referenda zijn in Nederland grondwettelijk onmogelijk, maar de leden van de gemeenteraad verbinden zich ertoe om de uitkomst van het referendum te eerbiedigen.

Over een reeks belangrijke thema’s (zoals de gemeentebegroting, lokale belastingen, ‘kwetsbare groepen’, spoedeisende kwesties en het bestuurlijk stelsel...) mag geen referendum worden ingericht. In het najaar zal de raad discussiëren of sommige van deze uitzonderingen niet geschrapt moeten worden.

In Amsterdam stelt de gemeenteraad bij referenda altijd een campagnebudget vast, dat soms wel 450.000 euro bedraagt. Dit bedrag zal in de toekomst gelijk worden verdeeld over het gemeentebestuur en het burgerinitiatief. Er komt een huis-aan-huis-verspreide Referendumbrochure waarin het gemeentebestuur en het burgerinitiatief evenveel ruimte krijgen voor hun argumenten en op elkaars argumenten moeten reageren.

11. Invloed van de mate van democratie op het gevoel van de burgers

De economen Bruno S.Frey & Alois Stutzer (2002) “Happiness & Economics” Princeton University Press peilen onder meer naar de relatie tussen directe democratie en geluk. Hierbij hanteert men een index, die stijgt van 1 tot 6 in functie van de direct-democratische mogelijkheden waarover de burgers beschikken. In het kanton Genève bedraagt de index- waarde slechts 1,75 terwijl in Basel-Landschaft de waarde oploopt tot 5,69 . Onderzoek laat een sterk verband zien tussen het zelfgerapporteerd geluksgevoel en de mate, waarin direct- democratische besluitvorming in de 26 kantons is uitgebouwd. Een stijging van de democratie- index met 1 punt leidt tot een gemiddelde stijging van het zelfgerapporteerd geluk van 0,11 eenheden (op een tiendelige schaal). Het effect komt inzake grootte-orde overeen met de stijging in zelfgerapporteerd geluk veroorzaakt door de overgang van de laagste inkomens- categorie (< 2.000 Zfr.) naar de voorlaagste categorie (2.000 Zfr. tot 3.000 Zfr.). Een belangrijke bijkomende waarneming is, dat de gelukstoename alle categorieën burgers in ongeveer gelijke mate begunstigt (p.143, 149).

Nadere analyse van de resultaten leert ondermeer, dat directe democratie op twee manieren de tevredenheid opkrikt. Enerzijds leidt meer democratie tot besluiten, die beter in overeenstemming zijn met de wensen van de meeste burgers. Maar anderzijds ervaren burgers het feit, dat ze hun eigen politiek en maatschappelijk lot kunnen meebepalen, op zich reeds als een bron van tevredenheid.

Een kwantitatieve analyse laat zien dat de toename van de tevredenheid bij meer directe democratie voor ongeveer één derde ontstaat doordat de politieke besluitvorming beter de wensen van de bevolking weerspiegelt (‘outcome utility’), en dat ongeveer twee derde van het effect ontstaat door het besef, dat men überhaupt over democratisch medezeggingsschap beschikt (‘procedural utility’).

  • Volgens een onderzoek blijkt de helft van de Nederlanders van mening te zijn dat politici niet bereid zijn naar de bevolking te luisteren. De opkomst bij de verkiezingen is dan ook elke verkiezing lager.
  • Gallup organiseerde van juli tot september 2002 een monsterpeiling, waarbij niet minder dan 36.000 personen in 47 landen werden ondervraagd.
    De enquête peilde vooreerst naar het vertrouwen, dat de burgers koesterden ten opzichte van 17 ‘instellingen’. Het parlement staat helemaal beneden op het lijstje. Dit stemt overeen met het feit, dat twee derden van de ondervraagden bevestigden, dat hun land niet volgens de wil van het volk wordt bestuurd. De volksvertegenwoordiging wordt relatief hoog gewaardeerd in sommige Europese landen (Zwitserland en Scandinavië), in Noord-Amerika en in Oost-Azië.
  • Uit een studie van Marc Elchardus gepubliceerd in ‘Anatomie en Oorzaken van het Wantrouwen’ (2002) blijkt het in België zeer ernstig gesteld te zijn met het gebrek aan vertrouwen in de instellingen. De instellingen die het meest worden geïdentificeerd met de ‘vertegenwoordigende democratie’ worden het minst vertrouwd. Partijen, regering en parlement zijn er het belabberst aan toe, en de vakbonden en de pers instellingen die nauw met het politieke machtscentrum zijn verweven zijn er met ongeveer 20% vertrouwen niet veel beter aan toe.
  • Er is weinig vertrouwen in de politieke kaste omdat vele burgers het subjectief gevoel hebben dat de beslissingen boven hun hoofd heen worden genomen door personen die geen voeling hebben met wat in de maatschappij leeft. Wordt een beslissing genomen bij referendum dan zal diegene die niet akkoord gaan met de uiteindelijke beslissing doorgaans geen negatief gevoel koesteren en zal aanvaarden dat hij gewoon bij een groep zat die niet de meerderheid vertegenwoordigt van de bevolking: een faire wedstrijd, een faire uitslag. Gevochten maar verloren.

12. Het democratisch deficit van Europa

Vele politici erkennen dat 'Europa eigenlijk dichter bij de burgers moet komen', maar ondernemen niets op dit vlak. Het democratisch tekort op Europees niveau is een afspiegeling van het democratisch tekort op de nationale niveaus. De EU is in wezen een schepping van de politieke klasse (in verbondenheid met de economische machthebbers), niet van het volk. Op Europees niveau hebben de politici intussen een stelsel geschapen waar de besluiten onderhands, en technocratisch genomen worden, ver buiten het bereik van de burgers, en zelfs buiten het bereik van de verkozenen.

In het onlangs verschenen Politiek Jaarboek van het politologisch tijdschrift Res Publica herinnert prof. Wilfried Dewachter (KU Leuven) eraan, dat de politieke elite rechtstreekse inspraak van de bevolking in belangrijke beleidseslissingen steeds heeft afgewezen - en nog afwijst. Dewachter illustreert dat. In de eerste helft van 2002 wist maar 15 procent van de Vlamingen welk land voorzitter was van de EU en maar 21 procent dat Romano Prodi de EU- Commissie leidde. Maar 10 procent kon zeggen waar ECB (Europese Centrale Bank) voor stond. Het hoeft niet te verwonderen, zegt Dewachter, dat er geen Europese identiteit bestaat en dat de Europese integratie zich boven de hoofden van de burgers afspeelt. VLD-voorzitter Karel de Gucht erkent dat de politiek de burger onvoldoende bij de Europese integratie heeft betrokken. De volksraadpleging moet daar verandering in brengen.

Van een referendum, waarvan de uitslag bindend is, wil de politieke elite echter niet weten. Er komt hoogstens een vrijblijvende volksraadpleging. De VLD belooft met de uitslag rekening te zullen houden.

Uit onderzoek blijkt dat burgers uit EU-landen, waar referenda over de EU hebben plaatsgevonden, beter over de EU geïnformeerd zijn. Om de mate van geïnformeerdheid te meten worden de enquêteresultaten van de Eurobarometer gebruikt. Er werden EU-referenda gehouden in Denemarken, in Ierland, Frankrijk, Oostenrijk, Zweden en Finland (16 oktober 1994). Recentelijk werden er referenda gehouden in de toekomstige lidstaten van de EU (behalve in Cyprus).

Het blijkt dat in landen waar referenda plaatsvonden, de burgers significant beter waren geïnformeerd over de EU dan in landen zonder referenda. Het gaat om een aanzienlijk effect.