Christen-democratie en referendum

Afdrukken

Waarom vindt men bij de christen-democraten, zowel in België als in Nederland of Duitsland, zoveel verzet tegen de invoering van directe democratie?

 

Bedenkingen naar aanleiding van het boek van H.E.S.Woldring "De Christen-democratie. Een kritisch onderzoek naar haar politieke filosofie" Utrecht: Het Spectrum (1996) 424 blz.

Waarom vindt men bij de christen-democraten, zowel in België als in Nederland of Duitsland, zoveel verzet tegen de invoering van directe democratie? Eén antwoord is, dat deze partijen een lange traditie hebben van machtsuitoefening. De top van die partijen is gewend om te besturen langs onderhandse en besloten kanalen, en heeft gewoon belang bij de onderdrukking van rechtstreekse besluitvormingsmogelijkheden voor de bevolking. Maar zou het kunnen, dat ook in de ideologische of filosofische wortels van de christen-democratie elementen aanwezig zijn, die de weerstand tegen directe democratie kunnen verklaren? Met deze vraag in het achterhoofd, heb ik mij in het boek van Woldring verdiept. Hij schrijft vanuit een Nederlands perspectief, en heeft voortdurend het oog op de CDA gericht. Maar omdat hij argumenteert vanuit een breed cultuurhistorisch perspectief, is het boek ook zeer relevant voor diegenen, die elders met de christen-democraten in debat treden over het beslissend referendum op volksinitiatief.

Woldring werpt om te beginnen een blik op het 'programma van uitgangspunten' (1993) van de CDA, waarin de politieke overtuiging van deze partij wordt weergegeven. In dit document wordt uiteindelijk slechts één uitgangspunt of inspiratiebron aangegeven, namelijk het evangelie (dat kunnen we ook wel verwachten van een christen-democratische partij). Uit het evangelie haalt het CDA dan vier kernwoorden, die als 'bakens' of 'opdrachten' worden bestempeld. Die vier kernwoorden zijn: gerechtigheid, gespreide verantwoordelijkheid, solidariteit, en rentmeesterschap.

 

In het eerste hoofdstuk van zijn boek onderneemt Woldring dan een poging, om deze vier kernwoorden te belichten vanuit de Bijbelse context, die de inspiratiebron van het CDA heet te zijn.

Gerechtigheid

"Indien uw gerechtigheid niet groter is dan die van schriftgeleerden en Farizeeën, dan zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan" (Mattheus 5, 20)

Woldring citeert met instemming De Boer: "De sociale rechtvaardigheid is voor de joden niet een consequentie van het geloof, maar de inhoud van dat geloof zelf". Gerechtigheid is een begrip dat dynamisch moet opgevat worden, als "..de groei van een gewas". God was bij de Joden enerzijds de bezorger van gerechtigheid; maar anderzijds vraagt die goddelijke gerechtigheid om navolging en uitwerking in de menselijke verhoudingen: "Gerechtigheid als navolging betekent dat mensen het evangelie of de goede boodschap van Jezus in concrete handelingen zichtbaar behoren te maken; woord en daad zijn één. Gerechtigheid als navolging is dus niet een gevolg van het geloof, maar inhoud van het geloven (...)In een christen-democratische visie betekent streven naar publieke gerechtigheid door overheid en burgers: navolging of het geven van antwoord op het evangelie op het publieke terrein van de samenleving, en in allerlei samenwerkingsverbanden. Daarmee wordt het welzijn van de mensen gediend en aan een hoopvolle toekomst voor de samenleving gewerkt" ( p.29).

Het ideaal van de gerechtigheid blijkt dus bij de christen-democraten hét sleutelbegrip te zijn. Men zou kunnen zeggen, dat van de drie idealen van de Franse revolutie, de liberalen het meest verbinding legden met de vrijheid, en de socialisten met broederlijkheid of solidariteit, maar dat het ideaal van gelijkheid (in de zin van gelijkheid voor de wet, dus van gerechtigheid) in eerste instantie wordt gedragen door de christen-democratische politieke familie. De identificatie van de christen-democratie met de rechtsstaat (met als grote verleiding: de identificatie met de staatsmacht) kan dus wel eens diepe, viscerale wortels hebben.

 

Solidariteit

"Laat uw liefde overvloedig zijn in het dienen van medemensen" Philippenzen 1,9; 2,5-7

Ook hier is het element van navolging aanwezig: Gods solidariteit met de mensen dient te worden nagevolgd door de solidariteit van de ene mens met de andere. Tegelijk is solidariteit geen subjectieve keuze, maar een opname in het bewuste handelen van het feit, dat de mensen fundamenteel onderling afhankelijk zijn. "Solidariteit is gebaseerd op de ontische situatie van de eenheid van de mensheid en moet worden geactualiseerd door de liefde" ( p.32).

Het ideaal van solidariteit plaatst de christen-democraten natuurlijk in de buurt van de socialisten. Maar de christen-democratische benadering geeft een andere kleur aan dit begrip. Het gaat niet om klasse-solidariteit, gericht tegen de klasse-vijand. Het gaat integendeel om een solidariteit, die wordt beoefend vanuit het idee dat ieder mens een uniek wezen is, en een 'beeld van God'. Woldring formuleert dit nogal moeizaam als volgt:

"De mens wordt in de traditie van het christendom getypeerd als naar het 'beeld van God' geschapen. Die typering brengt tot uitdrukking dat de mens iets van een mysterie heeft en dat zijn identiteit derhalve niet adequaat te definiëren is. Dat wil niet zeggen dat we niets over de mens kunnen zeggen. Zo lijkt die mysterieuze typering een hoge roeping te impliceren: Gods liefde voor en solidariteit met de mensen doen een appèl op de mens tot navolging in naastenliefde, solidariteit en dienstbaarheid. Die typering lijkt ook in te houden dat elk mens uniek is en een onvervreemdbare menselijke waardigheid bezit. Tegelijkertijd impliceert die onvervreemdbare waardigheid iets universeels: alle mensen behoren tot de menselijke soort of mensheid. In dat opzicht bestaat er tussen mensen samenhorigheid" ( p.30-31).

Het is duidelijk dat de christen-democratische visie hier in kiem iets kostbaars te pakken heeft. Door solidariteit te baseren op de waarde en het mysterie dat aan iedere concrete mens is verbonden, overstijgt men het concept van solidariteit op basis van collectief belang, die altijd een solidariteit tégen een vijand wordt. Maar tegelijk is ook klaar, dat het christen-democratisch concept van solidariteit een moeilijk begrip is, dat niet compatibel is met een filosofisch-materialistische wereldbeschouwing. Marxistische klasse-solidariteit is gemakkelijk in overeenstemming te brengen met een sociaal-darwinistische mensvisie; solidariteit op basis van de intrinsieke waarde van het individu is niet verenigbaar met een materialistische visie, omdat in de materie als zodanig niet zoiets als 'intrinsieke waarde' kan gevonden worden. In de mate dat het filosofisch materialisme de laatste decennia dijkbreuksgewijs in de christelijk-politieke wereld is binnengedrongen, staat het subtiele solidariteitsbegrip van de christelijke stroming onder zware druk.

 

Gespreide verantwoordelijkheid

Dit begrip komt in het betoog van Woldring maar troebel uit de verf. Hij stelt: "In de res publica van onze tijd participeren burgers en zij oefenen door middel van een kiesstelsel invloed uit op de politiek. Zij brengen hun stem uit en schorten daarmee hun oordeel over veel concrete politieke vraagstukken op. Zij dragen een stuk verantwoordelijkheid over aan volksvertegenwoordigers, zonder hun verantwoordelijkheid te verliezen; menselijke verantwoordelijkheid is onvervreemdbaar. Daarom is de staat (res publica) volgens De Boer te typeren als een 'republiek van verantwoordelijkheid' " ( p.34). Ik zie niet in hoe men aan deze uitspraak enige betekenis kan toekennen, tenzij men redeneert in een staatsvorm waar de mensen wel degelijk, tenminste in principe, het laatste woord hebben bij ieder besluit. Hoe kan men anders beweren, dat de burgers enerzijds verantwoordelijkheid overdragen aan de volksvertegenwoordigers, en anderzijds toch verantwoordelijk blijven? Dat kan alleen, indien die burgers verantwoordelijk zijn voor die mandatering, hetgeen impliceert dat zij ook de mandatering achterwege kunnen laten en direct hun verantwoordelijkheid opnemen. Een mandatering, of overdracht van verantwoordelijkheid, die structureel wordt afgedwongen , is een contradictio in terminis. Dit is en blijft een fundamenteel probleem in de eenzijdig representatieve democratie. Omdat de mensen in zo'n systeem zogenaamd moeten mandateren, kunnen ze paradoxaal genoeg niet mandateren, want van een authentiek mandaat kan maar sprake zijn, indien ook de mogelijkheid voorhanden was, om niet te mandateren maar zelf te handelen of te beslissen. Het is juist deze afwezigheid van authentieke verantwoordelijkheid van burgers ten opzichte van de samenleving die in onze samenleving zo corrosief werkt.

Uit het verdere betoog van Woldring blijkt dat met 'gespreide verantwoordelijkheid' eigenlijk 'collectieve verantwoordelijkheid' wordt bedoeld. Het is eigenaardig dat dit kernwoord niet met enig duidelijk Bijbelcitaat wordt geïllustreerd. Collectieve verantwoordelijkheid is overigens altijd een bedenkelijk begrip. Verantwoordelijkheid veronderstelt altijd een individuele keuze, en kan niet bestaan zonder de mogelijkheid, om een authentieke morele keuze te maken. Maar morele keuzes zijn altijd individuele aangelegenheden; groepen hebben geen geweten, het geweten is per definitie individueel. We vermoeden dan ook, dat het begrip 'gespreide verantwoordelijkheid' niets anders is als een ander woord voor het twijfelachtige subsidiariteitsbegrip, waarover verder meer. Wel kan het rare begrip 'gespreide verantwoordelijkheid' geïnterpreteerd worden in de zin, dat de beslissingsmacht niet uitsluitend bij de politieke elite hoort te liggen. Woldring gebruikt uiteindelijk, zoals we zullen zien, deze interpretatie om, tegen het CDA in, toch voor het referendum te pleiten.

 

Rentmeesterschap

Het rentmeesterschap is naar mijn aanvoelen een van de geniale bijdragen, die de christen-democratie tot het politiek denken bijdraagt. Het begrip rentmeesterschap impliceert onbaatzuchtige verantwoordelijkheid, en Woldring citeert een uitstekende omschrijving van Houtepen: ".. de rentmeester houdt als wachter toezicht op het reilen en zeilen van mens en dier, houdt de tekenen der tijden in het oog, waakt waar anderen slapen en kondigt tijdig gevaren aan. Zorg staat bij zo'n rentmeester hoger in zijn vaandel dan winst of efficiëntie. Het kreupele dier en het verloren schaap krijgen zelfs meer aandacht dan de vette ram en de veelbelovende lammetjes. De wachter is niet een handelsagent, die loert op de hoogste prijs, noch een huurling die niet echt om de spullen geeft, maar iemand die zorg draagt als plaatsbekleder, vicarius Dei, die ook voor God rekenschap moet afleggen voor zijn beleid". De rentmeester is dus het beeld voor het christelijke centrum-ideaal, tussen het meesterschap en het bezitterschap enerzijds, en tussen onverschilligheid en wereldvreemde onthechting anderzijds. Een onbaatzuchtige zorg voor het sociale organisme, of voor de natuur, kan alleen van de rentmeester komen.

De vrijheid: de lacune in het CDA-programma

Woldring verbaast zich erover, dat vrijheid ontbreekt in het 'program van uitgangspunten' van de CDA. Toch is de roeping tot vrijheid, en afwezigheid van onderworpenheid, de kern van het evangelie. Vrijheid moet hierbij niet begrepen worden als de mogelijkheid, om op willekeurige gronden, of zonder enige grond, iets te doen of niets te doen. Dit hedonistische vrijheidsbeeld is vals, het is een schijnvrijheid, omdat ze inhoudsloos is. De 'vrijheid' om willekeurig nul meter naar links of naar rechts te gaan is een schijnvrijheid, omdat het een vrijheid is zonder voorwerp; om dezelfde reden is de 'vrijheid' om zonder morele grond iets te doen of niet te doen, inhoudsloos en irreëel. In Woldrings woorden: "Vrijheid vooronderstelt altijd een engagement en heeft als zodanig een normatieve dimensie. Die dimensie wordt zichtbaar in een aantal begrippen die vanouds in de politieke filosofie en ethiek in verband met vrijheid een belangrijke rol speelden: trouw, zorg, solidariteit, gemeenschap, gerechtigheid, liefde en dienst. Die begrippen hangen vanouds onverbrekelijk met vrijheid samen en geven er zin aan. Vrijheid is van oorsprong dus een open, relationeel, op anderen betrokken begrip. In dat begrip wordt de mens niet tegenover, maar altijd in de context van relaties, groepen of andere verbanden geplaatst" ( p.43).

Toch ligt hier een enorm gevaar op de loer. De christen-democraat kan een vrijheidsbegrip van onmetelijke rijkdom bereiken, indien hij de weg kan vinden tussen het Scylla van de gelijkstelling van vrijheid met amorele willekeur enerzijds, en het Charybdis van de negatie van het individueel karakter van de vrijheid anderzijds. Vooral het Charybdis blijkt in de politieke praktijk gevaarlijk: de christen-democraat staat bloot aan de bekoring, om de mens eenzijdig als een wezen af te schilderen, dat tot het sociale of collectieve kan gereduceerd worden. Deze bekoring is zo groot, omdat zij optreedt als theoretische verantwoording voor institutionele machtsuitoefening, waaraan het individu zich dan maar heeft te onderwerpen. Maar een individu dat zich aan de macht van de instituties moet onderwerpen, kan geen rentmeester zijn.


Subsidiariteit

Het is natuurlijk duidelijk dat de CVP en andere moderne christen-democratische partijen allang de directe greep van de katholieke kerk zijn ontgroeid. Maar een politieke partij, of een massabeweging als de christelijke zuil, wordt niet alleen gekenmerkt door programma's en door organisatorische banden, maar ook door een impliciete cultuur. Zo'n cultuur evolueert veel langzamer dan programma's. Bovendien is zo'n cultuur niet onbelangrijk: zij vormt een soort reservoir van viscerale krachten, die sterk meespelen telkens wanneer posities moeten worden bepaald ten opzichte van een nieuw maatschappelijk gegeven, zoals bijvoorbeeld de vraag naar directe democratie. Woldring geeft verschillende elementen aan, die in de geschiedenis van de christen-democratie een grote rol hebben gespeeld en die vermoedelijk nu nog altijd meespelen in de onderbuik-sfeer van de christendemocratie.

 

Een belangrijk gegeven is, dat de christen-democratie in de 19de eeuw zich sterk afzette tegen de centrale verworvenheid van de Franse revolutie, namelijk het idee dat de individuele mens, zowel als de samenleving der mensen, met soevereiniteit begiftigd zijn. Tot diep in de twintigste eeuw bleef de kerk het standpunt verdedigen, dat zij het politieke handelen moest meebepalen, uit hoofde van haar goddelijk statuut. Zo schreef Pius X in 1903 ('Fin dalla prima nostra enciclica'): "Bij het vervullen van haar taak heeft de christelijke democratie de zwaarste plicht van afhankelijkheid ten opzichte van het kerkelijk gezag en is zij aan de bisschoppen en aan hem die hen vertegenwoordigt volledige onderwerping en gehoorzaamheid verschuldigd. Het is geen lofwaardige ijver noch oprechte vroomheid iets te ondernemen dat in zich wel schoon en goed is, maar niet is goedgekeurd door de bisschop". In de encycliek 'Immortale Dei' (1885) stelde paus Leo XIII dat het niet geoorloofd is, om verschillende erediensten in rechte gelijk te stellen. De kerk heeft eigenlijk altijd aan deze positie vastgehouden; als zelfverklaarde behoeder van absolute waarheden kon ze moeilijk anders. Ervaringen in Polen, Ierland of Italië laten zien, dat de Kerk ook haar posities via de staatsmacht aan de volledige samenleving poogt op te leggen, zolang zij zich hiertoe bij machte voelt. Een gevolg is, dat pas in 1944, met de encycliek 'Già per la Sesta Volta' (Pius XII), de kerk een principieel standpunt inneemt ten gunste van de democratie. Dit is rijkelijk laat, wanneer men dit vergelijkt met de socialistische of liberale stromingen. Natuurlijk kan men de christen-democratie als zodanig niet identificeren met de Kerk, maar men kan evenmin ontkennen, dat er nauwe en viscerale banden bestonden. De positie van de Kerk ten opzichte van de democratische idealen helpt begrijpen, waarom de katholieke politici zich zo sterk hebben verzet tegen de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht (waarbij ze overigens ongeveer dezelfde argumenten gebruikten, die nu worden ingeroepen tegen directe democratie).

 

De kerk formuleerde ook een staatsleer, waarin het begrip subsidiariteit centraal stond. In Quadragesimo anno wordt dit als volgt geformuleerd:

"...veel van wat in vroeger perioden door kleine corporaties werd verricht, kan thans nog slechts door grote tot stand komen. Onwrikbaar en ongewijzigd blijft niettemin in de sociale wijsbegeerte het allergewichtigste beginsel, waaraan niet te tornen of te wijzigen valt: evenals datgene, wat de individuen op eigen initiatief en door eigen energie kunnen tot stand brengen, hun niet ontnomen en niet in handen ener gemeenschap mag gesteld worden, zo is het ook een onrechtvaardigheid en tevens een ernstig nadeel, ja een verstoring van de juiste orde, datgene, wat door kleine lichamen van ondergeschikte rang kan verricht en verschaft worden, over te dragen op grotere van hogere orde (...)

Daarom moet het staatsgezag de aangelegenheden en zaken van minder belang, die het bovendien al te zeer in beslag zouden nemen, overlaten aan lichamen van lagere rang; dan zal het ook vrijer, krachtdadiger en met meer succes al die zaken kunnen behartigen, waarvoor alleen het staatsgezag competent is, terwijl niemand anders ze behartigen kan: door leiding te geven, toezicht te houden, door stimuleren of beperkend op te treden, al naar gelang de omstandigheden het meebrengen en de noodzakelijkheid het eist. De dragers van het staatsgezag mogen er dan ook van overtuigd zijn: hoe volmaakter, door het onderhouden van dit beginsel der subsidiaire werkzaamheid, de rangorde tussen de verschillende groeperingen in acht genomen wordt, des te hoger zal het maatschappelijk gezag en de maatschappelijke werkdadigheid staan en des te gelukkiger en welvarender zal ook de toestand zijn van de staat".

In dit begrip van 'subsidiariteit' vindt men eigenlijk de kern van de christen-democratische ideologie terug. Het kernidee is, dat de 'hogere' niveaus zoveel mogelijk taken naar de 'lagere' niveaus delegeren, enerzijds om zichzelf te ontdoen van de last die minder belangrijke taken meebrengen, en anderzijds ook omdat op lagere niveaus de klus efficiënter wordt geklaard. Bovendien wordt ook gesteld, dat de lagere niveaus, tot de individuen toe, onrecht wordt aangedaan door niet te delegeren. Het initiatief van de delegatie gebeurt echter in wezen van hoog naar laag. Het is de top, die bepaalt hoeveel ruimte de lagere niveaus krijgen. Wanneer een partij als het CDA spreekt over 'gespreide verantwoordelijkheid', dan heeft zij het subsidiariteitsbeginsel in deze katholieke zin op het oog.

'Subsidiariteit' verschilt essentieel van het begrip 'federalisme'. In een federalistische samenleving geschiedt de delegatie vanaf de individuen. Ook de federalist zal stellen, dat onrecht ontstaat wanneer niet wordt gedelegeerd; de mens is immers een sociaal wezen, en kan alleen maar samen-leven. Toch verschilt het subsidiariteitsbeginsel in de geest fundamenteel van het federaliseringsbeginsel. Federalisme vertrekt van het individu, omdat zowel het geweten en het moreel oordeel, als de gewaarwording van lief en leed, zich in de individuen situeren; groepen als zodanig lijden niet, en hebben evenmin een geweten. Subsidiariteit daarentegen vertrekt van een gezag boven de individuele mensen, dat vervolgens welwillend ruimte schept voor de activiteit van de lagere niveaus en van de individuen. Terwijl de federalistische opvatting zich zonder moeite laat verbinden met het democratisch ideaal, ja zelfs onscheidbaar is hiervan, is het subsidiaire concept in wezen onverenigbaar met de democratie, omdat in die opvatting wordt uitgegaan van een reeds a priori gegeven gezag. Abstract geredeneerd kan men misschien zeggen, dat federalisme en subsidiariteit uiteindelijk tot hetzelfde resultaat leiden, omdat in beide gevallen elke aangelegenheid wordt gedelegeerd naar het meest geschikte niveau. Maar in de geest is het verschil gigantisch: via de subsidiariteitstheorie wordt het hiërarchisch model van de Kerk geëxporteerd naar de wereldlijke staat. In het federalistisch concept is de individuele mens eigenlijk het hoogste niveau; in laatste instantie zijn het de individuen die bepalen wat naar welk niveau wordt gedelegeerd. Voor subsidiaristen ligt dit beslissingsrecht bij de staat (die vanuit eng kerkelijk perspectief dan nog ondergeschikt hoort te zijn aan 'goddelijk' gezag), en bevinden de individuen zich op het 'laagste' niveau.


De katholieke kerk heeft het begrip 'subsidiariteit' misschien niet uitgevonden, maar ze heeft het wel overgenomen en met groot succes verspreid. De subsidiariteits-ideologie heeft bijvoorbeeld sterk wortel geschoten in EU-middens. Daarbij wordt meestal heel dubbelzinnig gesproken over de richting (van individu naar gemeenschap of omgekeerd) waarin de delegatie plaatsvindt, zodat een onzalige hybridisatie tussen de begrippen 'federalisme' en 'subsidiariteit' is ontstaan. Ondertussen kunnen we wel vermoeden dat de subsidiariteits-gedachte, die bij de christen-democraten nog altijd in hoog aanzien staat, en die zo'n diepe viscerale wortels heeft in de geschiedenis van deze politieke stroming, als één van de grote obstakels optreedt tegen de aanvaarding van het direct-democratisch ideaal. We bedoelen niet, dat deze tegenstelling door christen-democratische politici bewust wordt gepercipieerd; maar juist omdat ze in de achtergrond werkt, is de inertie zo groot.

 

En tenslotte: Christen-democratie en referendum volgens Woldring

Het CDA is tegen het referendum gekant. In Nederland is de belangstelling voor het zogenaamde 'correctief referendum' gestegen sinds het aantreden van de paarse coalitie. Coalitiepartner D'66 is een voorstander van het correctief referendum, dat aan de burgers toelaat om wetten, die in het parlement zijn goedgekeurd, toch door de bevolking te laten afkeuren. Weliswaar is het correctief referendum nog geen directe democratie: de burgers krijgen immers niet de mogelijkheid om zelf punten op de politieke agenda te plaatsen; ze kunnen enkel reageren op ongewenste maatregelen. Bovendien heeft de paarse coalitie zoveel drempels ingebouwd, dat het correctief referendum in de praktijk onbruikbaar wordt. Maar zelfs deze droge democratische broodkorst is al te veel voor het CDA, dat in zijn rapport 'Publieke Gerechtigheid' drie grote bezwaren aanhaalt:

1) De effectiviteit van het beleid komt in het gedrang.

2) De samenhang van het beleid komt in het gedrang.

3) Openbaarheid en verantwoording komen in het gedrang.

Deze argumenten zijn natuurlijk onzinnig; een verwijzing naar de Zwitserse praktijk volstaat als weerlegging. Woldring aanvaardt ze evenmin, en spreekt zich tenslotte tamelijk radicaal uit voor een weloverwogen invoering van het referendum. Het verzet van de CDA tegen het referendum kan volgens hem niet verantwoord worden vanuit de bron, waaruit de christen-democratie geacht wordt te putten:

"Op grond van de christen-democratische gedachte van de spreiding van verantwoordelijkheden behoeft het geen betoog dat in de politieke filosofie van de christen-democratie alles wat de spreiding van verantwoordelijkheden kan bevorderen en de vitaliteit van de democratie kan versterken positief beoordeeld behoord te worden. Een goed referendum kan die functies vervullen (...) de genoemde bezwaren die vanuit het CDA zijn ingebracht tegen het referendum, kunnen zeker niet overtuigend zijn in een partij die zichzelf democratisch noemt en dat woord in haar naam heeft staan. Juist van een partij als het CDA mag worden verwacht dat zij alles doet om het democratisch gehalte van de samenleving te verhogen (...) Het CDA kan nog zo veel publicaties het licht doen zien over het stimuleren van een actief burgerschap, over het betrekken van de burgers bij politieke en bestuurlijke besluitvorming en over het versterken van de rol van politieke partijen, maar als men het correctief referendum verwerpt dan mist de partij de kans om te laten zien dat het haar met die genoemde kwesties uiteindelijk ernst is. In de politieke filosofie van de christen-democratie gaat het dan ook niet om de keus: voor of tegen referendum, maar wel om de keus tussen een slecht of een goed (geclausuleerd en georganiseerd) referendum. In verband met die keus is er alle reden voor het CDA om de onderlinge verhouding tussen de parlementaire democratie op basis van een evenredige vertegenwoordiging en het referendum opnieuw te gaan doordenken. Ongeclausuleerd afwijzen van het referendum vindt in elk geval geen steun in de politieke filosofie van de christen-democratie" ( p.269-270).

De radikale afwijzing van het referendum kan dus niet verklaard worden vanuit de specifieke christen-democratische ideologie, en moet waarschijnlijk toegeschreven worden aan het feit, dat de christen-democratische partijen doorgaans zeer sterk met de staatsmacht verweven zijn (en dus weinig neiging vertonen, om beslissingsmacht aan het volk af te staan). Maar toch blijf ik principiële argwaan koesteren tegen Woldring's betoog voor een "..goed geclausuleerd en georganiseerd referendum", precies omdat Woldring zich steunt op de leer van de "gespreide verantwoordelijkheid". In de mate dat deze "gespreide verantwoordelijkheid alleen maar een emanatie is van het katholieke subsidiariteitsbeginsel, zal het referendum altijd beperkt blijven tot de minder belangrijke zaken: het 'lage' echelon, namelijk het volk, mag over sommige zaken wel meebeslissen, maar de elite blijft de grenzen bepalen. Met de tekst van 'Quadragesimo Anno' op de achtergrond klinkt Woldring's pleidooi voor een geclausuleerd referendum wel heel verdacht en wrang, en men kan zich gerust afvragen of de paarse coalitie - door een kapotgeclausuleerd referendum in te voeren - eigenlijk niet het katholieke leergoed in de Nederlandse politiek heeft toegepast.

 

De Witte Werf 8-9/97