De politieke kaste

AfdrukkenLe Vif-L’Express had op (05-07-07) als omslagverhaal: “Trop de fils de... dans la politique belge”. De lijst wordt stilaan onoverzichtelijk. Ook in Vlaanderen komt het fenomeen erg veel voor.

Bij de SP.a het meest opvallend: Hilde Claes (kamer), Bruno Tobback (uittredend minister), Freya Van den Bossche (uittredend minister) en Peter Vanvelthoven (uittredend minister) zijn allemaal kind van een voormalig socialistisch minister. Maya Detiège (kamer), dochter en kleindochter van twee voormalige Antwerpse burgemeesters, heeft haar zitje in het parlement vermoedelijk te danken aan een onderhands akkoordje, dat bij het aftreden van haar moeder-burgemeesteres werd afgesloten. Maar in andere partijen is het niet veel beter. Koen Dillen, de onlangs overleden oud-voorzitter van het VB, heeft een dochter in het Vlaams parlement, en een zoon in het Europees parlement (waar hij zelf ook zetelde). Bert Anciaux (Spirit) is zoon van een gewezen staatssecretaris. Bij de VLD is kamerlid Rik Daems zoon van een voormalig senator en staatssecretaris; Marleen Vanderpoorten is dochter van een vader-minister en kleindochter van een grootvader-minister; de nieuwverkozene Willem-Frederik Schiltz (kamer) is zoon van een oud-minister en Jean-Jacques De Gucht (senaat) is zoon van een uittredend minister.  Tom Dehaene (CD&V Vlaams parlement) is zoon van een voormalig eerste minister, Miet Smet (CD&V, Vlaams parlement)) is dochter van een voormalig senator. In Wallonië is de situatie ministens even scherp. Gekende voorbeelden zijn Laurette Onkelinx (uittredend minister) en Alain Onkelinx (Waals parlement), kinderen van voormalig socialistisch kamerlid Gaston Onkelinx; Melchior Wathelet (CDH-kamerlid, zoon van voormalig minister Melchior Wathelet); Denis Ducarme (MR-volksvertegenwoordiger en zoon van de Brusselse minister-president Daniel Ducarme); Benoît en Guy Lutgen (CDH, zoon en vader, Waalse ministers); Philippe Moureaux (PS-senator en zoon van gewezen minister Charles Moureaux); Alain Mathot (PS, kamer), zoon van gewezen minister Alain Mathot; en vele anderen.

Volgens Le Vif-L’Express speelt de erfelijkheidsfactor bij ongeveer 13% van de volksvertegenwoordigers. Vermoedelijk is dit een ferme onderschatting, in de zin dat de rechtstreekse afstamming slechts één aspect is van een breder fenomeen van maatschappelijke inteelt. Ook verdere bloedverwantschap speelt een rol (zoals bijvoorbeeld neef en nicht Patrick Dewael en Marleen Vanderpoorten in de vorige Vlaamse regering), en verder merkt men ook dat heel wat gewezen woordvoerders en secretaresses van toppolitici nadien zelf tot een topfunctie doorstoten. De politieke kastevorming is voor de partijleidingen, en voor de eventuele leidingen achter deze n de politieke kaste hebben belangen, die grondig afwijken van de belanleidingen, vooral interessant omdat  inteelt  leidt tot volgzaamheid. De leden vagen van de modale burger. Blokvorming rond de gemeenschappelijke kastebelangen is belangrijk, en wanneer familiale loyauteit en kasteloyauteit samenvallen, verkleint de kans op egotripperij, dissidentie en andere politieke accidenten. Het gedrag van mensen die op eigen kracht verkozen worden, zal uit kaste-oogpunt minder voorspelbaar zijn, terwijl diegenen die hun parlementair zitje en dito inkomen danken aan het kluwen van familiale en politieke netwerkerij, veel vanzelfsprekender in de pas blijven lopen. Het particratische bestuursysteem  vergt een tamelijk blinde  loyauteit van de verkozenen ten overstaan van de meerderheden, die na de verkiezingen door de partijleidingen worden samengesteld. Inteelt is ook elektoraal interessant. Uit alle mogelijke onderzoekingen blijkt steeds weer, dat de meeste kiezers slechts weinig vertrouwen hebben in de politieke kaste als totaliteit. De stem die een burger bij een particratische verkiezing uitbrengt, zal in de meeste gevallen een min of meer defensief karakter hebben. Vele kiezers brengen hun stem uit op een bekende naam of een bekend gezicht, omdat ze de betrokkene (doorgaans via de media) min of meer menen te kennen en relatief vertrouwen of sympathiek vinden. Een ijzeren wet luidt, dat kiezers zeer ongaarne stemmen voor een onbekende. De gemiddelde kiezer stemt voor wat hij meent te kennen, in het geloof dat de toestand tenminste niet zal verergeren indien men voor het status quo opteert. Kiezers hebben een aversie voor risico’s, en dus ook voor het onbekende. Hierdoor krijgen kandidaten met een politiek bekende achternaam een belangrijk voordeel, dat door de partijen wordt uitgebuit. Indien het handig wordt gespeeld, kunnen grote successen worden geboekt, zoals wordt aangetoond door Jean-Jacques De Gucht, als 23-jarige verkozen vanaf de tiende plaats op de senaatlijst van de VLD, met 66.942 stemmen.

Vaak wordt gesteld, dat de familiale inteelt in de politiek niet echt verschilt van de inteelt die men kan waarnemen op andere professionele domeinen. Een combinatie van erfelijke factoren en famiale traditie verhoogt voor vrijwel alle beroepen de kans, dat beroepskeuze van ouder naar kind wordt doorgegeven. Toch is in het politieke bedrijf iets bijzonders aan de hand. Drie Amerikaanse economisten, Ernesto Dal Bo, Pedro Dal Bo en Jason Snyder, hebben de rol van de familiale dynastieën in het Amerikaans Congres bestudeerd. In een artikel dat hierover verscheen in de Sydney Morning Herald (“Like father, like son - politics is a family affair” 22-06-07) schrijft Matt Wade: “One of the first things they found was that politics was more prone to dynasties than other occupations. The three economists showed this by comparing ‘dynastic bias’ among politicians with public servants, carpenters, electricians, dentists, plumbers, doctors and economists. This dynastic bias was more than seven times stronger for legislators than for economists, the second most ‘dynaistc occupation’ in the group, and more than 10 times stronger than for doctors, the third most dynastic profession in the sample. It was 45 times stronger than for carpenters and almost 60 times stronger than for public servants”. Het artikel (“Political Dynasties”) zelf zit in mijn leesportefeuille en er vallen enkele interessante conclusies uit te trekken. De meest opvallende bevinding is de volgende. De auteurs vonden natuurlijk, dat heel wat leden van het Amerikaanse congres nadien familieleden hadden, die het ook schopten tot lid van de hoge vergadering. En ze stelden vast, dat diegenen die zetelden voor meer dan één termijn een veertig procent grotere kans hadden om naderhand een familielid in het Congres te zien belanden. Goedgelovigen zouden echter kunnen opperen, dat deze fenomenen veroorzaakt worden door een verschil in het gemiddeld politiek talent bij verschillende families: meer  politiek getalenteerde stambomen brengen gewoon meer verkozenen voort, en ook meer herverkozenen. Maar Dal Bo & co vonden nog iets anders. Ze ontdekten dat kandidaat-parlementsleden die net wel verkozen werden, een substantieel grotere kans vertoonden op een later verkozen familielid, dan diegenen die op het nippertje naast hun verkiezing grepen. Men kan moeilijk beweren dat men bij kandidaten die met 51% der stemmen worden verkozen, veel meer politiek talent mag verwachten dan diegenen die met een score van 49% net naast de winst grepen. Toch maakt dit luttele verschil in score een essentieel verschil voor wat betreft de kans op een nakomend verkozen familielid. De auteurs noteren: “This implies that holding power augments family asymmetries that affect the access to political power”. Verder werd ook vastgesteld, dat het dynastieke effect sterker speelde in deelstaten, waar één partij een sterk overwicht had. De onderzoekers leveren hierbij de volgende commentaar: “This is compatible with the idea that the family traits helping dynastic perpetuation are less effective in more competitive environments. One possible explanation is that when a party safely controls a stat, those in control of the party can afford to favor candidates to whom they are connected by family or social ties. Under more severe competition, party elites cannot afford strategies other than fielding the best possible candidates, regardless of family connections”. Op dit punt aan de Belgische situatie denkende, kan men zich voorstellen dat bv. bij de socialistische partijen het dynastieke effect de laatste twintig jaar opvallend sterk heeft gespeeld, omdat deze partijen toch redelijk verzekerd waren van machtsdeelname, gezien het cordon sanitaire.

http://faculty.haas.berkeley.edu/dalbo/
http://faculty.haas.berkeley.edu/dalbo/PDdraft07april2.pdf