Die vervelende democratie toch

AfdrukkenDierickx wil geen referendum, omdat het Europees Verdrag volgens hem “...onontbeerlijk” is en een negatieve referendumuitslag een obstakel kan vormen voor de goedkeuring. Zijn probleem is dat de uitslag van zo’n referendum niet honderd procent van te voren vastligt. Wat is dat nu vervelend.
Enkele commentaren bij het opiniestuk van Guido Dierickx, Tertio 31-10-07
Opgestuurd naar dat blad als opiniestuk
http://www.tertio.be/archief/2007/T403/T403-bu2.htm

Voor Guido Dierickx staan een aantal zaken niet ter discussie. Vooreerst: het Europees Verdrag is volgens hem “...onontbeerlijk”. Dit verdrag will namelijk “...nog meer Europa” en dat is precies wat we volgens Dierickx absoluut nodig hebben. Discussie is uitgesloten.  Wie meent dat er reeds  teveel ‘Europa’ is, dat Jan met de Pet beter af is met een kleine, soevereine staat, en dat economische integratie dient losgekoppeld te worden van politieke eenmaking, lijdt volgens Guido Dierickx aan “...conservatieve bias”. Dat laatste is blijkbaar een soort ziekelijke afwijking ten overstaan van de vooropgezette progressieve norm. De aan “...conservatieve bias” lijdende patiënt vertoont bijvoorbeeld de irrationele neiging om aan de eigen “...meer nabije belangen” te denken. Gezien zijn “...bias” beseft de conservatieve afwijkeling niet direct, dat hij bijvoorbeeld in één politieke entiteit moet leven met pakweg Bulgarije of Cyprus; hij ziet niet in dat hij “...de onderhandelingspositie van de EU in een globaliserende wereld” moet versterken en de “...economische ontwikkeling van de nieuwe lidstaten” moet bevorderen. Kortom, men dient niet teveel referenda in te richten, temeer daar allerlei “... dissidente politici aanschuren tegen de conservatieve bias om de campagne van hun collega’s te ondermijnen”. Ze zijn een kwaal, die dissidente politici, dat wist men vroeger in het Oostblok al. Neem nu zo’n Pim Fortuyn.

Gelukkig zijn er ook niet-dissidente politici, die beschikken over een “...oog voor belangen op langere termijn”. In het wereldbeeld van Guido Dierickx zijn zij het licht in onze duisternis. Deze onbaatzuchtige en hogerbegaafde groep slaagt er niet altijd in, om met behulp van “...een sterke campagne” Jan en Mie Modaal voor geavanceerde Europese doelen warm te maken. Daarom is het beter om géén risico’s te nemen, en de goedkeuring van het Europees Verdrag bijvoorbeeld te beklinken in een volwaardig Europees Parlement, onder intelligente mensen. Want bij gebrek aan Europees Verdrag zullen wij zeker hopeloos wegzakken langsheen de Universele Voortuigangsschaal, zoals de Zwitsers,  de Noren, de IJslanders en andere ongelukkigen, die niet eens de EU bewonen, en dientengevolge tot de ondergang zijn gedoemd.

Dierickx wil geen referendum, omdat het Europees Verdrag volgens hem “...onontbeerlijk” is en een negatieve referendumuitslag een obstakel kan vormen voor de goedkeuring. Dat is de kern van zijn betoog. Maar voor de beleefdheid haalt hij ook een tweetal klassieke anti-democratische dooddoeners van stal. Laten we die even in de muil kijken.

Vooreerst plaatst Dierickx vraagtekens bij de geïnformeerdheid van de kiezer. Die weet te weinig af van het verdrag, en kan dus geen geïnformeerde stem uitbrengen. Blijkbaar beseft Dierickx zelf dat dit argument niet deugt, want hijzelf levert een stuk van de weerlegging. Kiezers gebruiken inderdaad ‘binnenwegen’ (‘shortcuts’ is de jargonterm).  Bij een referendum zullen vele kiezers zich richten op stemadviezen. Organisaties, instellingen of personen die op een bepaald domein het vertrouwen van kiezers hebben, kunnen adviezen uitbrengen en wie wil, kan deze adviezen volgen. Vaak is dit principe zelfs geïnstutionaliseerd. In Zwitserland zijn vaak stemadviezen van partijen, vakbonden, kerken en dergelijke in de officiële kiesbrochures opgenomen. Aan dit alles is niets bijzonders; het vrijwillig volgen van gespecialiseerd advies is een algemeen menselijk gegeven. Ook parlementsleden zullen van nature ertoe neigen om op die wijze te functioneren. Er zijn echter twee groot verschillen tussen de direct-democratische en de parlementaire besluitvorming. Terwijl de burger in het geheim van het stemhokje in alle discretie zijn stem naar eigen inzicht en geweten kan uitbrengen, en zich vrij kan laten leiden door adviseurs die hij vertrouwt, zal de parlementair stemmen onder het wakend oog van zijn partijleiding, en zijn mandaat en inkomen op het spel zetten indien hij afwijkt van het “partijstandpunt”.  En verder zal de politicus, omdat hij behoort tot een zeer specifieke categorie, een minder representatieve stem uitbrengen dan een modale burger bij een referendum. Critici van de direct-democratische besluitvorming durven nogal eens opperen, dat een referendum niet echt representatief is, omdat beter geïnformeerde en hoger opgeleide burgers meer neiging hebben om aan de stemming deel te nemen dan bijvoorbeeld ongeschoolden. Aan diegenen die dit argument ernstig nemen kan men aanraden om het parlementaire alternatief volgens dezelfde criteria te bekijken. Vergelijk bijvoorbeeld eens het percentage advocaten of logeleden in het parlement met de overeenkomstige percentages in de totale bevolking.

Und jetzt.  Volgens Dierickx “...selecteren” de kiezers uit de beschikbare informatie en gaan ze daarbij uit van hun meer nabije belangen. Dierickx vindt het bijvoorbeeld nefast dat de burgers de neiging hebben om de waarde van de nationale munt of hun positie op de arbeidsmarkt belangrijker te vinden dan de ontwikkeling van nieuwe lidstaten of de onderhandelingspositie van de EU-bureaucraten op wereldniveau. Politici daarentegen hebben geen “...bias” en zien ‘de’ belangen op langere termijn. Mensen als Dierickx menen inderdaad dat er slechts één belang bestaat, en dat de politiek elite hiervan kennis heeft doch de heffe des volks niet. In werkelijkheid gaapt er een kloof tussen de belangen van beide groepen. De politieke kaste heeft bijvoorbeeld belang bij een zeer uitgebreid staatsbeslag. Hoe groter het deel van de geproduceerde rijkdom waarop de politieke klasse via de staatsmacht de hand kan leggen, hoe meer macht in handen van de politiek terechtkomt. Meer geld in handen van de staat betekent meer bestedingsbeslissingen en meer te verdelen ambten en posten voor de politici. Voor de burger leidt meer staatsbeslag ceteris paribus al snel tot afkalvend welzijn. De politieke kaste heeft verder ook belang bij de installatie van een politiek monopolie, en bij de maximale uitschakeling van politieke concurrentie. Voor modale burgers is het interessanter wanneer vele kleinere bestuurseenheden voorhanden zijn, want dat verhoogt hun mogelijkheid om te kiezen (met de voeten, of per referendum) voor het meer gewenste bestuur. Een voorbeeld zagen we recent in Italië, toen drie gemeenten (Cortina d’Ampezzo, Livinallongo en Colle Santa Lucia) referendumsgewijs uit de regio Venetië overstapten naar de (beter bestuurde) autonome regio van Trente & Zuid-Tirol. De Europese Unie kan ondermeer begrepen worden als een massieve poging van de Europese politieke klasse om een doorgedreven bestuursmonopolie te vestigen, waarbij de keuzemogelijkheden van de burgers op continentale schaal dramatisch worden ingeperkt. Het is normaal dat de politieke klasse deze onderneming als “...onontbeerlijk” beschouwt, zoals het ook normaal is dat heel wat burgers ondanks alle propaganda tegenover diezelfde evolutie zeer wantrouwig staan. Het bezwaar dat Dierickx maakt tegen de “...selectie van de beschikbare informatie” die door de kiezer wordt gemaakt, betreft eigenlijk het feit dat de kiezer de politieke klasse niet altijd slaafs wenst te volgen en soms, wars van de propaganda ( = “...de beschikbare informatie”), het nastreven van de eigen belangen verkiest boven de implementatie van de globalistische agenda van de politieke elite. Het eigenlijke verwijt van Dierickx aan de Europese burgers luidt, dat deze laatsten zich onvoldoende schaapachtig gedragen. 

Dierickx vindt een referendum wel mooi, op voorwaarde dat de kiezer volgzaam blijft. “Inderdaad, er is geen procedure die aan een goedkeuring een even grote legitimiteit kan verlenen als een referendum”. Zijn probleem is echter, dat de uitslag van zo’n referendum niet honderd procent van te voren vastligt. Wat is dat nu vervelend. Daarom opteert Dierickx toch  maar voor minder legitieme, maar tenminste betrouwbaarder procedures. Op duizelingwekkende wijze draait hij rond de pot, maar vanop enige afstand bekeken is het plaatje toch duidelijk: Dierickx heeft een probleem, een fundamenteel probleem, met democratie.