Democratie en natuurrecht

Afdrukken

Op de conferentie rond “Direct democracy in and around Europe” (04-10-2008) hield de Zwitserse hoogleraar Hansjörg Seiler een referaat over de grondslagen van het Zwitserse politieke bestel. Het Zwitserse voorbeeld, met zijn referenda op volksinitiatief op elk bestuursniveau, is voor alle democraten van groot belang. Spijtig genoeg is de tekst van Seiler behoorlijk verwarrend. Ik ga dieper in op twee essentiĂ«le kwesties. Ten eerste betwist ik de stelling van Seiler, volgens dewelke in een democratie de autoriteit van het volk door Ă©Ă©n of andere ‘hogere’ instantie aan banden kan worden gelegd. En ten tweede vecht ik zijn rechtspositivisme aan.

http://www.dd-eu.ch/download/Volk_und_Verfassung.pdf

 

http://www.iri-europe.org/en/conference/programme/academic-forum/

 

(hat tip: Geert Van Hout, Piet De Pauw)

Een autoriteit boven het volk

De essentie van de Zwitserse grondwet vat Seiler samen als volgt:

(1) De legitimiteit van de grondwet is gebaseerd op de stemming door het volk;

(2) De grondwet kan door het volk op ieder ogenblik vrij naar wens worden gewijzigd;

(3) Geen enkele rechtscheppende bepaling kan van kracht worden zonder de expliciete of impliciete toestemming door het volk.

Volgens Seiler is de hele Zwitserse rechtsorde “... ausdrĂŒcklich oder stillschweigend direktdemokratisch legitimiert und andererseits durch kein nicht-direktdemokratisch legitimiertes Element begrenzt”.

Deze regeling geldt ook voor het volkerenrecht: “Auch wichtige völker-rechtliche Rechtsetzung wird (...) fĂŒr die Schweiz nur mit ausdrĂŒcklicher oder stillschweigender Zustimmung des Volkes verbindlich. Das gilt auch fĂŒr internationale Menschenrechtskonventionen”.

Dat klinkt allemaal logisch en coherent. Ik onderschrijf volledig deze door Seiler geschetste uitgangspunten. Maar merkwaardig genoeg smokkelt de auteur dan toch een uitzondering binnen. Blijkbaar bestaat er tĂČch een autoriteit boven het volk, die het zogenaamd ‘ius cogens’ ofte ‘dwingend volkerenrecht’ kan opleggen. Dit vermeende “...zwingende Völkerrecht” geldt volgens Seiler sowieso, en het volk heeft terzake niets in de pap te brokkelen: “...zulĂ€ssig sind nach dem klaren Wortlaut der Verfassung alle VerfassungsĂ€nderungen mit dem einzigen Vorbehalt des zwingenden Völkerrechts”, en: “Ausgeschlossen ist eine KĂŒndigung in Bezug auf zwingendes Völkerrecht, weil dieses absolut und ĂŒberall gilt. Logischerweise statuiert denn auch die Verfassung, dass Volksinitiativen als ungĂŒltig zu erklĂ€ren sind, wenn sie gegen zwingendes Völkerrecht verstossen, weil man eben zwingendes Völkerrecht nicht durch Volksentscheid aufheben kann. Abgesehen von diesem seltenen Fall ist aber Völkerrecht keine Schranke fĂŒr die demokratische Rechtsetzung”.

Volgens Seiler is de hoogste autoriteit in Zwitserland dus de geheimzinnige instantie, die het “...zwingende Völkerrecht” uitvaardigt. Daaronder volgt dan, als ondergeschikte autoriteit, het volk. Zwitserland is dus in letterlijke zin geen democratie, vermits het volk in Zwitserland niet de hoogste wetgevende instantie blijkt te zijn. Deze conclusie wordt door Seiler min of meer verdrongen. Hij stelt: “Die Auffassung, wonach das Volk souverĂ€n sei und was es beschliesse, mĂŒsse gelten, (...) ist geltendes schweizerisches Verfassungsrecht und war bis vor kurzem auch unangefochtene Staatsrechtspraxis”. Noteer het subtiele punt: wat het volk beslist moet gelden, doch het volk mag niet altijd beslissen, omdat de ongenoemde, boven het volk staande instantie die het “...zwingende Völkerrecht” uitspreekt niet gecontrarieerd mag worden. Noteer ook, dat er binnen de politieke kaste in Zwitserland een duidelijke, door Seiler gesignaleerde tendens bestaat, om deze onderwerping van het volk aan ‘hogere’ machten verder uit te breiden: “Erst seit kurzem wird nun von verschiedenen Kreisen postuliert, Volksinitiativen, die dem Völkerrecht widersprichen, sollten ungĂŒltig erklĂ€rt werden. Das ist aber eine neue Auffassung, die der geltenden Verfassung widerspricht”.

Waar gaat dit ‘ius cogens’ eigenlijk over? Het wordt gedefinieerd door een verdrag uit 1968 (het zogenaamd Weens Verdrag inzake Verdragenrecht’). dat een aantal regels blijkt vast te leggen waaraan iedere staat zich in alle omstandigheden heeft te houden. Bovendien heeft iedere staat de verplichting om schendingen tegen te gaan. Tot de kern van het ‘ius cogens’ behoren zaken als genocide, piraterij, slavernij en - wat had u gedacht - rassendiscriminatie. Daar omheen bevindt zich een grijze zone, waarbinnen allerlei globalistische ijveraars ideologisch werk leveren, teneinde het ‘ius cogens’ in alle denkbare richtingen uit te breiden.

http://en.wikipedia.org/wiki/Peremptory_norm

Het Weens Verdrag werd door de Zwitserse staat onderschreven in 1990. Niet toevallig werd kort daarop een Zwitsers volksinitiatief verboden. Het betreft het “Eidgenössische Volksinitiative 'fĂŒr eine vernĂŒnftige Asylpolitik' “, dat in 1991 werd gelanceerd door de ‘Schweizer Demokraten’, en dat beoogde om illegaal het land binnengekomen of afgewezen asielzoekers het land uit te zetten. Dit initiatief werd door de Bundesrat (de Zwitserse regering) ongeldig verklaard, omdat het tegen het zogenaamde non-refoulement-principe zou zijn. Volgens dit principe mag een vluchteling niet teruggestuurd worden naar plaatsen waar zijn leven of vrijheid is bedreigd. Dit principe maakt deel uit van de zogenaamde ius cogens. Het volksinitiatief, dat beoogde om de combinatie van illegale inwijking gevolgd door neppe asielaanvragen tegen te gaan, werd op basis van dit voorwendsel afgewezen.

http://www.admin.ch/ch/d/pore/vi/vis223t.html

 

http://www.admin.ch/ch/d/pore/vi/vi223.html

 

http://en.wikipedia.org/wiki/Non-refoulement

Via het ius cogens heeft de internationale en Zwitserse politieke kaste in de jaren negentig een gat geslagen in het principe van de volkssoevereiniteit, en politiek correcte en anti-democratische krachten zijn thans met alle macht doende om de bres te verbreden. Op 8 juli 2008 werden de handtekeningen ingeleverd voor het initiatief “Gegen den Bau von Minaretten”, dat de bouw van minaretten in Zwitserland wil verbieden. Tegenstanders van dit initiatief beroepen zich op het “zwingendes Völkerrecht”, zoals bleek uit een tweetal stukken verschenen in de Tages-Anzeiger (21 05 2007). Het is interessant om die artikels te lezen. Thomas Hasler, de auteur van het stuk “SVP-Initiative verletzt zwingendes Völkerrecht”, betreurt dat de Europese mensen-rechtenconventie volgens de algemene opvattingen nog niet tot de ius cogens behoort, maar schrijft dan: “Der Bundesrat hat (...) 2001 eine kleine, aber folgenreiche Erweiterung der Definition dessen vorgenommen, was unter zwingendem Völkerrecht zu verstehen ist. In seiner Botschaft zur umstrittenen Verwahrunginitiative erklĂ€rte er nicht nur die ‘notstandfesten Garantien der EMRK’ zum zwingenden Völkerrecht, sondern erstmals auch die ‘notstandfesten Garantien des Internationalen Paktes ĂŒber die bĂŒrgerlichen und politischen Rechte’ (Uno-Pakt II), dem die Schweiz 1990 beigetreten ist (...) Der Uno-Pakt II (...) schreibt vor, dass selbst in staatlichen Notzeiten das ‘Recht auf Gedanken-, Gewissens- und Religionsfreiheit’ nicht ausser Kraft gesetzt werden’ darf. Halten also Bundesrat und Parlement an der im Zusammenhang mit der Verwahrungsinitiative festgehaltenen Definition fest, gehört Religionsfreiheit – weil eine notstandsfeste Garantie des Uno-Paktes II – zum zwingenden Völkerrecht. Die Volksinitiative ‘gegen den Bau von Minaretten’ mĂŒsste – fall sie zu Stande kommt – ungĂŒltig erklĂ€rt und der Volksabstimmung entzogen werden”.

http://www.minarette.ch/

 

http://www.mueller-hemmi.ch/download/Minarett_%20TA.pdf

We vernemen dus dat het de Zwitserse regering is die definieert wat onder ‘ius cogens’ moet worden verstaan, en aldus ook bepaalt welke volksinitiatieven moeten worden verboden. Deze Bundesrat handelt blijkbaar als een soort voorpost van de globalistische kaste, om de soevereiniteit van het Zwitserse volk te eroderen en uiteindelijk te verwoesten.

Hasler schrijft dat het Weense ‘Verdrag inzake het Verdragenrecht’ van 1969 (bijgetreden door Zwitserland in 1990) het ius cogens definieert als een “...Norm, die von der internationalen Staatengemeinschaft in ihrer Gesamtheit angenommen und anerkannt wird als eine Norm, von der nicht abgewichten werden darf”. Maar hoe kan dan onder ‘ius cogens’ een verbod vallen op de bouw van een bepaald type religieuze gebouwen, gegeven de toestand terzake op wereldvlak? In bepaalde, zichzelf officieel ‘islamitische’ noemende landen is niet enkel kerkbouw, maar de beoefening zelf van ongewenste religies verboden. Probeer eens een katholieke kerk te bouwen in Turkije, Saoedi-ArabiĂ« of China. Blijkbaar werken zo’n ‘normen’ gehuldigd door de ‘internationale statengemeenschap’ maar in Ă©Ă©n richting.

In werkelijkheid bestaat er geen theoretische of feitelijke reden om zo’n anti-democratische ‘ius cogens’ in te voeren. Er is immers geen enkele reden om te geloven, dat het oordeelsvermogen van de heersende kaste, die dit soort regels uitdenkt en oplegt, in Ă©Ă©n of ander opzicht superieur is aan het oordeelsvermogen van het volk. Er is daarentegen alle reden om te verwachten dat de globalistisch gezinde politieke kaste, die de facto de inhoud en interpretatie van zo’n ‘dwingend recht’ vastlegt, dit ‘recht’ zal gebruiken om de eigen globalistische agenda door te drukken. Maar bovenal (en dit is de essentie): er is geen enkele reden waarom Ă©Ă©n groep mensen, in casu deze internationaal georganiseerde kaste, haar wil zou mogen opleggen aan andere groepen mensen, in casu de gemeenschap van Zwitserse burgers. De invoering van zo’n ‘dwingend volkerenrecht’ is niets meer of minder dan een nieuwe en zeer listig ingevoerde vorm van tirannie. Formeel recht en formele wetten kunnen hun legitimiteit enkel ontlenen aan een democratische goedkeuring, hetgeen impliceert dat zij moeten vatbaar zijn voor direct-democratische besluitvorming. Seiler neemt op dit punt geen stelling, en komt daardoor terecht in de absurde positie van iemand die enerzijds met veel bravoure en consequentie het beginsel van de volkssoevereiniteit lijkt te verdedigen, maar tegelijk langs de achterpoort dan toch, besmuikt en zonder commentaar, een ‘uitzondering’ accepteert die de hele ratio van zijn betoog onderuit haalt.

http://en.wikipedia.org/wiki/Vienna_Convention_on_the_Law_of_Treaties

Waar komt het recht vandaan?

Het gebrek aan consequentie hangt samen met het gebrekkige visie die Seiler huldigt met betrekking tot de herkomst van het recht. Seiler onderscheidt twee ‘ideaaltypische opvattingen ten gronde’ (‘idealtypische Grundkonzeptionen’) betreffende de herkomst van het recht. Volgens de ene opvatting ontstaat het recht door de democratische besluitvorming. Volgens de andere opvatting is het recht a priori gegeven en kan het niet veranderd worden, ook niet langs democratische weg.

Volgens Seiler is het Zwitserse rechtsysteem gebaseerd op de eerste van deze twee opvattingen, het zogenaamd ‘democratische rechtspositivisme’. Met deze term wordt de opvatting aangeduid volgens dewelke het recht tot recht wordt, gewoon omdat het langs democratische weg tot stand is gekomen: “Recht ist das, was der demokratische Verfassungs- und Gesetzgeber erlassen hat” (met dus de ‘uitzondering’ van het ‘ius cogens’): “...die schweizerische Bundesverfassung [steht] auf dem Boden des demokratischen Rechtspositivismus, mit dem einzigen Vorbehalt des zwingenden Völkerrechts”.

De democratische wetgever kan dus, binnen de marge gelaten door de hogere niet-democratische wetgever die het ‘ius cogens’ uitvaardigt, naar willekeur rechten en grondrechten uitvaardigen, beperken en afschaffen. Seiler geeft het voorbeeld van de vrije meningsuiting. Volgens hem kan die in een democratie naar willekeur worden uitgebreid of ingekrompen: iedere bepaling wordt tot ‘recht’ zodra ze ‘democratisch’ is tot stand gekomen: “Dass die Verfassung ein Grundrecht garantiert und dieses gleichzeitig wieder einschrĂ€nkt oder partiell aufhebt, ist verfassungsrechtliche NormalitĂ€t. Es ist unerfindlich, was daran unzulĂ€ssig sein soll: Wenn der Verfassungsgeber entscheidet, ob bestimmte Grundrechte ĂŒberhaupt gelten sollen oder nicht, dann kann er natĂŒrlich auch entscheiden, dass sie nur beschrĂ€nkt gelten. Zudem kann auch das demokratisch legitimierte Gesetz Grundrechte einschrĂ€nken (...). Ein Beispiel: Das Strafgesetzbuch bestraft mit einem Artikel, welcher 1994 in einer Volksabstimmung angenommen wurde, die Leugnung von Völkermord, und zwar wird nicht bloss bestraft, wer die Fakten leugnet, sondern bereits derjenige, der zwar die Fakten anerkennt, aber die juristische Qualifikation als Völkermord bestreitet. Das ist eine ziemlich massive EinschrĂ€nkung der Meinungsfreiheit und geht auch ĂŒber die Anforderungen der Übereinkommens zur Beseitigung jeder Form von Rassendiskriminierung oder ĂŒber die VerhĂŒtung und Bestrafung des Völkermords hinaus”.

De andere “...idealtypische Grundkonzeption” wordt door Seiler verworpen, omdat het idee van een boven-democratisch, a priori gegeven recht zou impliceren, dat er ook een instantie bestaat die dit recht dan uitvaardigt: “Eine solche Konzeption wĂŒrde bedingen, dass es ein Organ gibt, welches ĂŒber dem Verfassungsgeber steht und festlegt, was der demokratische Verfassungsgeber tun darf und was nicht”.

Ten gronde schetst Seiler een soort dilemma, dat we als volgt kunnen schetsen.

=> Ofwel geldt het rechtspositivisme en is recht identitiek met datgene wat door de wetgever wordt uitgevaardigd. In dat geval kan er niet zoiets bestaan als een ‘onrechtmatige wet’; men dient zich aan gelijk welke wet te onderwerpen, hoe stuitend en absurd ze ook lijkt, gewoon omdat ze door de wetgever is uitgevaardigd.

=> Ofwel is recht minstens tot op zekere hoogte a priori gegeven, zodat de wetgever wel degelijk aan grenzen is gebonden. Er moet dan echter een autoriteit zijn boven het volk die deze grenzen vastlegt, waarna de vraag rijst naar de herkomst en legitimiteit van deze autoriteit.

Seiler lost deze paradox geenszins op, en kiest in wezen voor een soort combinatie van beide opvattingen. Enerzijds spreekt hij zich uit ten gunste van het rechtspositivisme en van het beginsel van de volkssoevereiniteit, maar anderzijds accepteert hij toch de ultieme autoriteit van een door hem niet nader genoemde instantie, die het ‘ius cogens’ uitvaardigt.

Mijn stelling luidt, dat het door Seiler gestelde dilemma vals is. Dat neem ik hem geenszins kwalijk, want ikzelf heb op hetzelfde punt jarenlang vastgezeten. Het dilemma dat Seiler aandraagt kan maar opgelost worden via de ontwikkeling van een modern begrip van het natuurrecht. Dat begrip is klaar geformuleerd door Frank van Dun (hulde!).

Het natuurrecht vloeit niet voort uit Ă©Ă©n of andere externe openbaring op Ă©Ă©n of ander van bovenaf opgelegd decreet. Evenmin is het natuurrecht een soort rationele afweging of hypothese, die een grotere of kleinere kans heeft om min of meer waar te zijn. Het natuurrecht vloeit strikt logisch voort uit de natuur van de mens als denkend en waarheidszoekend wezen. Argumenteren over gelijk welk onderwerp (bijvoorbeeld over de herkomst van het recht) gebeurt in logisch opzicht niet kosteloos. Ieder concreet betoog geschiedt immers binnen het kader van een aantal impliciete vooronderstellingen, die men moĂ©t aannemen om de act van het argumenteren op zich, los van iedere expliciete inhoud, logisch contradictievrij te houden. Dientengevolge kan in de expliciete inhoud van het argument niets worden opgenomen dat logisch onverenigbaar is met het algemene feit dat men ĂŒberhaupt argumenteert. Wanneer iemand bijvoorbeeld zou betogen dat democratie onmogelijk is omdat mensen in algemene zin irrationeel zijn, dan ontstaat een logische contradictie tussen de expliciete inhoud van deze bewering (ttz “mensen zijn irrationeel”) en de impliciete inhoud voortvloeiend uit het feit dat men argumenteert (want deze act vooronderstelt rationaliteit, minstens bij de spreker en de gesprekspartner). Zoals Paul Finsler (1894-1970) reeds vele jaren geleden heeft gesteld, leidt zo’n onverenigbaarheid tussen de expliciete en de impliciete inhoud van een bewering tot het Ă©Ă©nduidig besluit dat de betrokken bewering onwaar is.

Om coherent te argumenteren, dient men uit te gaan van de waarheidswil van de betrokkenen, die men bijgevolg niet tegelijk kan ontkennen. Met betrekking tot de concrete vraag naar de herkomst van het recht formuleert Frank van Dun (zie "Het fundamenteel rechtsbeginsel" , Antwerpen: Murray Rothbard Instituut 2007, p.xix) Ă©Ă©n en ander aldus: "Of mensen rechten hebben of niet, dat moet uitgemaakt worden in een argumentatieve discussie. Vandaar de in Het fundamenteel rechtsbeginsel aangewende methode die vertrekt van de vraag of het mogelijk is in de karakteristiek menselijke omgangsvorm van het gesprek of de dialoog te ontkennen dat mensen (in casu de sprekers zelf) rechten hebben zonder de argumentatieve waarde van het gesprek te ontkennen of te vernietigen. De conclusie dat een dergelijke ontkenning niet mogelijk is omdat gesprek en dialoog zelf essentieel normatieve omgangsvormen zijn die wederzijds respect onder de deelnemers veronderstellen maakt de weg vrij voor een rationele rechtstheorie die tegelijkertijd een natuurrechterlijke theorie is: gesprek en dialoog veronderstellen dat de sprekers natuurlijke personen zijn die elkaar in vrijheid en gelijkheid ontmoeten, ongeacht de posities die zij in de ene of de andere organisatie of maatschappij bekleden, ongeacht of zij ĂŒberhaupt in enige organisatie een maatschappelijke positie hebben of er een functie vervullen". Van Dun spreekt terzake van 'dialectische waarheden' omdat de ontkenning van zo'n waarheden meteen ook de voorwaarden wegneemt waaraan moet voldaan worden om de vraag zinvol te kunnen stellen. Dit geldt vooreerst met betrekking tot de vraag, of mensen redelijke wezens zijn: "Het zou zeer onredelijk zijn te weigeren te geloven dat de mens een rationeel wezen is, niet omdat er empirisch bewijsmateriaal zou zijn, dat de ene wel, maar daarom nog niet iedereen, als relevant en doorslaggevend kan voorkomen, of omdat die stelling overeenkomt met bepaalde ideeĂ«n of hypothesen, die iemand als zelfevident kan beschouwen; maar omdat de existentiĂ«le situatie gecreĂ«erd door de vraagstelling zelf ons geen andere keus laat (...) we kunnen in geen geval ontkomen aan de conclusie dat in elk argument, in elke dialoog, het 'Ik' en het 'Gij' rationele wezens zijn (...) Iedereen kan weigeren de waarheid van de propositie, dat hij en zijn gesprekspartners rationele wezens zijn, te bevestigen of te erkennen, maar geen mens kan hopen die weigering met succes voor te stellen als gemotiveerd door redelijke argumenten, als een conclusie die men behoort te aanvaarden. " (p.153-154). Vervolgens blijkt ook de stelling, dat we ons rationeel behoren te gedragen, een dialectische waarheid te zijn: "We hebben zojuist gezien dat het een noodzakelijke waarheid is voor de mens, dat de mens een rationeel wezen is. Van zodra de vraag naar de waarheid van die propositie gesteld wordt, is haar waarheid al gewaarborgd. Maar dat het een noodzakelijke waarheid, en dus een feit is, dat mensen rationele wezens zijn, is in zichzelf nog geen reden waarom we ze als dusdanig zouden moeten erkennen. We kunnen het redelijkerwijs niet ontkennen, maar we kunnen het ontkennen. Waarom zou deze onbekwaamheid iets redelijkerwijs te ontkennen betekenen dat we behoren het niet te ontkennen? Het antwoord op die vraag is opnieuw dialectisch van aard. De vraag stellen is haar beantwoorden: We behoren redelijk te zijn, onze rationele natuur te respecteren, dit wil zeggen we behoren onze rationele vermogens te gebruiken en wel op de correcte wijze - we behoren te geloven wat waar is, te begeren wat begerenswaardig is; we behoren onze oordelen zorgvuldig voor te bereiden, met inachtneming van alle relevante gegevens; we behoren logisch te redeneren, enz. Ongetwijfeld ligt het in ons vermogen om onredelijk te zijn, maar we kunnen redelijkerwijs niet ontkennen dat we redelijk behoren te zijn. De poging dat wel te ontkennen voert onmiddellijk in een dialectische contradictie, als we zouden pogen haar te rechtvaardigen. Ik kan weigeren de geldigheid van die norm te bevestigen, maar van zodra ik poog die weigering te rechtvaardigen, identificeer ik de geldigheid van de norm als problematisch, als een probleem, iets om over na te denken. Wanneer ik mij een probleem stel, dan geef ik mezelf de opdracht: 'Denk na, wees redelijk, eerbiedig de feiten en de logica, controleer de premissen van uw redeneringen, zoek alternatieve oplossingen, enz'. Normaal spreken we van een probleem als het antwoord, de oplossing, niet in de probleemstelling zelf vervat is. Maar in Ă©Ă©n geval is de vraag stellen tevens de vraag beantwoorden, namelijk wanneer het 'probleem' is, of men behoort na te denken of niet, redelijk te zijn of niet. In dat geval is de vraag stellen en het antwoord geven Ă©Ă©n en dezelfde handeling (...) De vraag, of we redelijk behoren te zijn, beantwoordt zichzelf. In die zin dat deze vraag voor ieder van ons de ultieme vraag is, de vraag achter alle andere vragen, is het antwoord op die vraag het ultieme antwoord - het eerste beginsel" (p.155-157).

Het fundamenteel rechtsbeginsel, zoals hierboven geformuleerd, biedt het rationeel uitgangspunt voor het natuurrecht. Rechtsschepping vooronderstelt in tweevoudig opzicht redelijk overleg tussen mensen: enerzijds kan men niet aan rechtschepping doen zonder de mogelijkheid tot redelijk overleg te erkennen, en vervolgens kan men ook niet aan rechtschepping doen zonder uit te gaan van het beginsel dat men rationeel behoort te handelen. Met ande-re woorden: de reflexieve toepassing van de rede op de rede zelf levert ons de ezelsbrug, die vanuit het rationele domein voert naar het morele domein.

Op dit punt gekomen herkennen we de ware aard van het democratisch dilemma. Ofwel kiezen we de menselijke weg, dat wil zeggen de weg die uitgaat van de mens als sprekend en rationeel wezen, ofwel kiezen we die weg niet. Strikt genomen verkeren we zelfs in de onmogelijkheid, om in de volle zin des woords tĂ©gen genoemde weg te kiezen, want ‘kiezen’ vooronderstelt immers redelijkheid, en die zou door zo’n tegenkeuze juist worden ontkend. Maar men kan afzien van de menselijke weg, en zich laten wegzinken in dierlijke redeloosheid, waarbij het woord enkel nog in dienst staat van macht en list, en niet in dienst van de waarheid. Dan houdt echter ook alle argumentatie op, en belandt men op de weg van de oorlog van allen tegen allen.

Kiezen we voor de menselijkheid en de rede, dan behoren we, vermits we rationeel behoren te handelen, ook de voorwaarden te creĂ«ren of in stand te houden waaronder rationeel handelen mogelijk wordt. Hieruit vloeien dan, noch steeds op strikt logische wijze, de concrete natuurrechten voort. Het proces van democratische rechtsvinding produceert dus niet, zoals Seiler ons voorhoudt, naar willekeur wetten, regels en bepalingen, die rechtmatig zijn enkel en alleen doordat ze met meerderheid tegen minderheid ‘democratisch’ werden beslist.

Laat ons kijken naar Ă©Ă©n voorbeeld, door Seiler uitvoerig vermeld. In Zwitserland is de vrije meningsuiting verboden op het vlak van de holocaust. Niet enkel mag men niet twijfelen aan bepaalde feiten, men mag bovendien ook niet betwisten dat de feiten gekwalificeerd moeten worden als genocide. Vanuit het rechtspositivistisch standpunt van Seiler is zo’n wet volledig normaal: de democratische wetgever is vrij om grondrechten te geven en te nemen, het menselijk individu heeft geen logisch noodzakelijk recht op vrije meningsuiting vanuit zijn natuur als rationeel wezen, doch mag enkel vrij spreken voor zover de collectief beslissende ‘democratische gemeenschap’ dit toestaat. Seiler beseft blijkbaar niet, dat dit standpunt logisch zelfvernietigend is. Wanneer het recht de vrije meningsuiting gaat beperken, dan verlamt het daardoor tegelijk de mogelijkheid tot verdere rationele rechtschepping. Het volstaat om naar het effect van een ‘democratisch’ tot stand gekomen censuurwet te kijken op een daaropvolgende poging, om langs dezelfde ‘democratische’ weg die censuurwet weer op te heffen. Het is duidelijk dat die omgekeerde weg niet meer op een normale manier kan bewandeld worden, omdat diegenen die de censuurwet willen afschaffen hun argumenten niet langer vrij kunnen uitspreken. Iemand die bv. niet gelooft in de realiteit van een volkerenmoord waaraan het geloof wordt opgelegd, of iemand die omgekeerd gelooft in een volkerenmoord met betrekking tot dewelke het geloof is verboden (dat is bijvoorbeeld het geval in Turkije, met de genocide op ArmeniĂ«rs), kan in het debat zijn argumenten niet uitspreken, en omdat de discussie op die manier is vervalst wordt het ook onmogelijk om zo’n wet nog op democratische wijze terug te schroeven, want democratische besluitvorming vooronderstelt vrijheid van discussie en argumentatie en iedere discussie waarin de weg wordt versperd voor de pure, zich vrij bewegende ratio, bijvoorbeeld doordat het gesprek inhoudelijk wordt beperkt via dreiging met staatsgeweld, is per definitie irrationeel. Democratie heft zichzelf dus op indien ze censuurwetten invoert, en zo’n wetten functioneren als fuiken die Ă©Ă©nrichtingsgewijs wegleiden van de democratie.

Meer algemeen zal democratische besluitvorming zichzelf vernietigen wanneer besluiten worden genomen die impliceren dat mensen niet meer als vrije en soeverein denkende individuen tegenover elkaar kunnen staan. Daarom zullen alle besluiten, die ertoe strekken om het individuele denken onder staatscontrole te plaatsen, vernietigend inwerken op de democratie. Democratie vooronderstelt, dat de deelnemers aan het democratisch proces als autonome denkers kunnen functioneren: ze moeten vrij van alle mogelijke informatiebronnen kennis kunnen nemen en vrij hun oordelen kunnen vormen en uitspreken. Zij dragen hun gedachten, die in vrijheid zijn ontwikkeld buiten iedere controle door de rechtstaat, binnen in het democratisch verwerkingsproces. Indien de staat de gedachtenproductie onder controle plaatst, door staatsopvoeding, staatspropaganda, door staatscensuur of welk ander gelijkaardig middel ook, dan is het logisch onvermijdelijk gevolg dat de staat zelf de politieke besluiten gaat controleren; de staat is dan geen instrument meer in handen van de burgers, maar de burgers worden gedegradeerd tot onderdelen in dienst van de staatsmachine. Niet enkel censuurwetten, maar meer algemeen iedere vorm van staatsopvoeding dient daarom als kwaadaardig te worden beschouwd. Hetzelfde geldt voor andere levensdomeinen waar wettelijke regeling de mogelijkheid van de menselijke individuen ondermijnt om als vrij denkend en soeverein oordelend mens in het leven te staan.

Seiler heeft gelijk wanneer hij stelt dat er in een democratie geen autoriteit boven het volk kan bestaan. Hij zou echter consequent moeten zijn en hij had uitdrukkelijk moeten stellen dat ook ‘mensenrechten’ , ‘ius cogens’ of andere verzinsels van de globalistische politieke kaste geen beperkingen kunnen opleggen aan de democratie. Formele, aan de democratie opgelegde beperkingen zijn zowel theoretisch als in de praktijk een farçe; ze zijn niet meer dan trucs aangewend door de heersende kaste om haar macht te bestendigen. Het volk is in een democratie zijn eigen, opperste autoriteit, omdat in een democratie het individu erkend wordt in zijn menselijke hoedanigheid als sprekend en rationeel wezen. Evenwel leidt het fundamenteel rechtsbeginsel tot het besluit dat de democratie, om zichzelf te zijn, zich dient te onthouden van inmenging op alle levensdomeinen waar zo’n inmenging op Ă©Ă©n of andere wijze het democratisch debat verhindert. De logische coherentie van het concept democratie brengt mee, dat democratie zich onthoudt van wetgevende activiteit die de mens hindert bij zijn manifestatie als redelijk en argumenterend wezen.

Hieruit volgt dat democratie enkel kan functioneren in een democratische cultuur, dit wil zeggen in een cultuur die expliciet uitgaat van de mens als redelijk, argumenterend en moreel wezen (deze drie elementen hangen logisch samen en impliceren elkaar).

Een andere implicatie is, dat men democratie per definitie niet formeel wettelijk tegen zichzelf kan beschermen. Democratie moet worden gewild; ze kan enkel functioneren in samengaan met een cultuur die de mens erkent als een wezen begiftigd met geweten en verstand. Een vrij mens kĂ n zelfmoord plegen, en men kan hem die mogelijkheid tot zelfmoord niet ontnemen zonder tegelijk zijn vrijheid, en daarmee zijn menszijn zelf, ten gronde te richten. Analoog kĂ n een democratische samenleving langs democratische weg zichzelf vernietigen, en men kan die mogelijkheid niet wegnemen zonder de democratie zelf te verwoesten. In beide gevallen is het sleutelconcept het vertrouwen in de mens, dat we afleiden uit de erkenning van de mens als een wezen, dat met rede is begiftigd. Het pad dat door dit inzicht wordt geopend, dient echter consequent te worden gevolgd. Meer en meer dient het besef te worden ontwikkeld, dat de mens op logisch onontkoombare wijze drager is van natuurlijke rechten, dat wetten een uitdrukking of verschijningsvorm dienen te zijn van deze natuurlijke rechten, dat democratie een instrument is om gezamelijk wetten te maken die in overeenstemming zijn met de natuurlijke rechten. De natuurlijke rechten determineren de aard van de wetten niet, net zoals de natuurwetten niet de aard van een bouwwerk bepalen. Maar het bouwwerk moet wel in overeenstemming zijn met de fysische wetten; zoniet volgen calamiteiten, zoals instorting of brand. Op dezelfde wijze dient in een democratie ook het wetgevend werk te geschieden binnen de ratio van de natuurrechten, en waar dit niet gebeurt volgen op termijn maatschappelijke rampen.

Momenteel bevindt onze samenleving zich op een rampzalig parcours, waar de logica van het natuurlijke recht wordt vervangen door de willekeur van zogenaamde ‘mensenrechten’, die worden toegekend door de ‘internationale gemeenschap’. Deze ‘mensenrechten’ zijn, juist door de wijze waarop ze tot stand komen, ten gronde helemaal geen rechten. Het zijn in globalistische nieuwspraak verpakte regels, die door allerlei particratische en tirannieke regimes worden afgesproken betreffende hun onderhorigen. Het feit alleen dat men deze rechten ‘krijgt’, betekent ook dat ze weer kunnen afgenomen worden. Mensenrechten, annex het ‘ius cogens’, zijn dierenrechten, door de machthebbers toegekend aan het menselijk vee waarover ze beschikken. Het enige authentieke mensenrechten kan datgene zijn, dat voortvloeit uit de natuur van de mens ald denkend en argumenterend wezen.

Seiler heeft duidelijk de oprechte bedoeling om het democratisch ideaal te verdedigen tegen de druk uitgaande van de globalistische ideologie. Maar zonder het concept van het natuurrecht lijkt dit niet goed mogelijk. Mijn besluit luidt dan ook, dat binnen de democratische beweging het idee van het natuurrecht aan de orde moet worden gesteld.

PDF versie: https://docs.google.com/a/democratie.nu/file/d/0B6Vin8ae6YqvYTk0MDYwMzgtZWEzNS00ZjFhLTljY2UtYTNkNmI4YWNkMGY2/edit?usp=drive_web