Directe democratie: feiten, argumenten en ervaringen omtrent het referendum - Hoofdstuk 2 - Deel 2

Afdrukken
Als voorproefje op het boek 'Directe democratie: feiten, argumenten en ervaringen omtrent het
Referendum
'
publiceert Democratie.Nu hier alvast het tweede deel van het tweede hoofdstuk:
'Wat is democratie?'

Directe democratie. "Feiten, argumenten en ervaringen omtrent de invoering van het
referendum"
door Jos Verhulst en Arjen Nijeboer.
ISBN : 9789078820017
176 blz - 156 x 234 mm

Standaardprijs van het boek is €14 (zonder de €2,5 verzendingskosten). Leden betalen
voor het boek €8. U kan dit boek bestellen.Stuur een mail naar
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. zodat wij u op de hoogte kunnen houden.



Hoofdstuk 2 gaat in op de volgende topics:
  • Op zoek naar het oerbeeld
  • De beginselen van de volksvergadering
    • Het gelijkheidsbeginsel
    • Het initiatiefrecht
    • De meerderheidsregel
    • Het mandateringsbeginsel
  • Van volksvergadering tot referendum
  • De representatieve democratie
  • De verhouding tussen referendum en parlementaire besluitvorming
    • Een gedwongen mandaat is er geen
    • Zelf een partij oprichten
  • Parlement en referenda
  • Hiërarchie der wetten
  • Deelnamequorums
    • Het quorum in het parlement
  • Bevoegdheidsdomein van het referendum
  • Petitierecht
  • 2-1: De volksvergadering
  • 2-2: Boycot bij deelnamedrempels
  • 2-3 Frans van den Enden
  

...
Bevoegdheidsdomein van het referendum
 
Een referendum moet mogelijk zijn over alle aangelegenheden waarover ook een representatief besluit mogelijk is. Het is in strijd met het initiatiefrecht om over bepaalde aangelegenheden de burgers het recht op directe besluitvorming te ontzeggen. Wel moet de directe besluitvorming onderworpen zijn aan de beperkingen die ook gelden voor de representatieve besluitvorming. Drie punten zijn hier van bijzonder belang:
 
-          De besluitvorming moet op het juiste niveau gebeuren. Men kan bijvoorbeeld niet de sociale zekerheid gaan hervormen op provinciaal niveau, of de nucleaire energiewinning afschaffen op gemeentelijk niveau.
-          De voorstellen ter stemming moeten in overeenstemming zijn met de fundamentele rechten en vrijheden, zoals bepaald in de grondwet en de internationale verdragen inzake mensenrechten.
-          Het volk moet echter wel het recht hebben om de grondwet per referendum te wijzigen, en het moet ook direct-democratische controle krijgen over het sluiten van verdragen. En verdragen moeten steeds in de tijd beperkt en  opzegbaar zijn. In het andere geval zou de volkssoevereiniteit op onaanvaardbare wijze worden beperkt.
 
Er leeft een sterke tEndens onder de politieke elite, ingegeven door wantrouwen, om voor bepaalde onderwerpen direct-democratische besluitvorming uit te sluiten. Men treft deze houding niet alleen aan bij politieke leiders, maar ook bij academici en professoren. Een voorbeeld is het ‘Advies uitgebracht door het wetenschappelijk comité van de commissie voor politieke vernieuwing’ (2000) voor de commissie van Belgische parlementsleden die zich met politieke vernieuwing zou bezighouden. Hierin lezen we: “Fiscale aangelegenheden zijn in de meeste landen uitgesloten van een volksstemming; de reden schuilt in de terechte vrees dat de bevolking bij het referendum of de volksraadpleging nagenoeg steeds zal opteren voor een verlaging van de op hen rustende lasten, terwijl zij van de overheid tegelijkertijd eenzelfde of een betere dienstverlening zal eisen”. In aansluiting hierbij bepleiten de professoren uitsluiting van vragen die uitsluitend of hoofdzakelijk op fiscale of budgettaire thema’s betrekking hebben. Hun betoog is niet alleen antidemocratisch, het is ook vals in de mate dat ze het evidente tegenvoorbeeld van Zwitserland niet vermelden. In dat land zijn fiscale thema’s onbeperkt toegestaan zonder dat hierdoor de staatsbegroting wordt ontwricht (zie ook hoofdstuk 5 en 6).
 
Petitierecht
 
Kleinere groepen burgers (bv. van 0,1 procent van de kiezers, in Nederland dus zo’n 12.000 personen) moeten een punt op de agenda van het parlement kunnen plaatsen (petitierecht), zelfs indien niet genoeg handtekeningen werden verzameld om een referendum te bekomen. Dit volgt rechtstreeks uit de aard zelf van het parlement: het is de instelling waar besluiten worden genomen over maatschappelijk relevante aangelegenheden waarover de burgers niet zelf willen beslissen. Het feit dat enkele duizEnden burgers een onderwerp willen indienen, maakt het onderwerp reeds tot een maatschappelijk relevante vraag.
 
In een getrapte direct-democratische procedure worden petitierecht en referendum op burgerinitiatief gekoppeld. Een burgerinitiatief begint als een petitiegroep. Indien bijvoorbeeld 12.000 handtekeningen werden verzameld, komt het burgervoorstel in het parlement, als petitie. Indien het parlement het voorstel aanvaardt, eindigt het initiatief. In het andere geval kan het burgerinitiatief een referendum afdwingen als het een hogere handtekeningendrempel (b.v. 2 procent van de kiezers, in Nederland dus 240.000 personen) haalt. Het advies of de bedenkingen van het parlement moeten dan ook aan de kiezers worden bekendgemaakt en zij zullen zeker een belangrijk onderdeel vormen van het maatschappelijk debat. Men kan aan het parlement ook het recht verlenen om naast het volksvoorstel een alternatief voorstel in te dienen. Bij het referendum hebben de kiezers dan de keuze tussen drie alternatieven: het status quo, het volksvoorstel, of het parlementaire alternatief (zo'n systeem bestaat in Zwitserland en Beieren). Dit soort maatregelen kan ook zorgen voor een intensievere band en uitwisseling tussen parlement en bevolking.
 
 
2-1: De volksvergadering
 
De volksvergadering is de oudste en meest eenvoudige verschijningsvorm van de democratie.
 
In het oude Athene in de vijfde eeuw voor Christus was de volksvergadering (Ekklesia) de hoogste autoriteit. Hier werden de wetten goedgekeurd en werd over oorlog en vrede beslist. De Atheense volksvergadering liet geen vertegenwoordiging toe die haar rol of bevoegdheid zou overnemen. Het gelijkheidsbeginsel was nog niet opgedoken. Alleen 'burgers' (in de toenmalige betekenis van het woord) hadden toegang tot de volksvergadering; de slaven waren uitgesloten. In het midden van de vijfde eeuw waren er ongeveer 30.000 burgers, tegenover 100.000 à 250.000 slaven. Ook hadden de burgers onderling geen gelijke stem: bezit en stam speelden een grote rol.

Vergelijkbare volksvergaderingen kwamen in de late Middeleeuwen voor op vele plaatsen in Europa. Lecomte (1995, 2003) beschrijft bijvoorbeeld de praktijken in het Belgische stadje Fosses-la-Ville, toen dit tot het prinsbisdom Luik behoorde. De preciese organisatie van het lokale bestuur in Fosses-la-Ville kennen we uit een charter van 11 december 1447. Het dagelijks bestuur werd gevormd door een gemeenteraad, die jaarlijks werd verkozen. De gezinshoofden van de burgers verzamelden zich dan bij de benedenpoort van Fosses, en duidden de leden van de gemeenteraad aan met meerderheid van stemmen. Na de veertiende eeuw werden die volksvergaderingen per wijk gehouden, maar in wezen bleef het systeem ongewijzigd. Niet enkel de burgers in de stad zelf, maar ook de ‘bourgeois forains’ uit het omliggende platteland stemden mee.

De verzameling van bijeengekomen burgers werd de ‘Généralité’ genoemd. Zij duidde niet enkel de gemeenteraad aan, maar was ook bevoegd voor alle belangrijke zaken. De gemeenteraad kon dan niet zelf beslissen, maar diende een volksvergadering bijeen te roepen. Lecomte somt de volgende bevoegdheden op die onvervreemdbaar tot de ‘Généralité’ behoorden:
-          uitvaardiging van nieuwe reglementen en statuten
-          verkoop of hypothekering van gemeentelijke goederen
-          belangrijke werken
-          goedkeuring van de eindejaarsrekening
-          opleggen van belastingen
 
Het was de taak van de burgemeesters om de ‘Généralité’ samen te roepen wanneer op zo’n domeinen een beslissing genomen moest worden. De taak van de gemeenteraad was in wezen uitvoerend: de lopende zaken diEnden behartigd te worden, maar nieuwe principes en zwaarwegende besluiten diEnden steeds direct door de burgers goedgekeurd te worden. Lecomte onderstreept terecht het kwalitatief verschil tussen het direct-democratische regime van Fosses en het huidige systeem, waarin niet de burgers maar wel de gemeenteraadsleden de grote beslissingen treffen: “…er is een essentieel verschil tussen de middeleeuwse volksvergadering van Fosses en dezelfde gemeenteraad van vandaag. Vandaag de dag stelt de gemeenteraad lokale verordeningen en gemeentelijke belastingen vast. Niets daarvan gebeurde in de 14e eeuw. De macht om lokale wetgeving te maken lag in essentie bij de ‘Generalité’, ofwel bij de algemene vergadering van die burgers die bijeenkwamen om hun visie te geven over alle zaken die hun gemeenschap raakten.” (Lecomte, 2003, p. 154)

Maar liefst 85 procent van de Zwitserse gemeenten wordt vandaag nog steeds via de volksvergadering bestuurd (Kriesi 1992, p. 113). Op kantonaal niveau bestaat de volksvergadering (daar Landsgemeinde geheten) nog slechts in Appenzell en Glarus. Zij dateren uit de late Middeleeuwen (het oudste document met besluiten van een Landsgemeinde dateert uit 1294) en zijn mogelijkerwijs historisch verbonden met de oud-germaanse traditie van de ‘things’.
 
De Landsgemeinde van het kanton Appenzell komt één keer per jaar bijeen op de laatste zondag van april, op het centrale marktplein van Appenzell. Alle burgers vanaf 18 jaar hebben toegang (tot 1992 vanaf 20 jaar). Doorgaans komt 25 tot 35 procent van de stemgerechtigde burgers op, ofwel zo’n 3.000 personen. Als er omstreden zaken op de agenda staan, loopt dit aantal veelal op. Er wordt gestemd met handopsteken, waarbij het ‘abmehren’ (het onderzoeken wie de meerderheid heeft) soms op problemen stuit.
 
Naast de verkiezing van de Standeskommission (regering), de Landamman (een soort president) en het Kantonsgericht (rechtbank) staan de volgende zaken verplicht op agenda van de Landsgemeinde:
-          een eventuele wijziging van de kantonale grondwet
-          alle wetten of wetswijzigingen die door de Grosse Rat voorbereid zijn
-          alle nieuwe besluiten waarbij meer dan 500.000 Zwitserse frank uitgegeven wordt, of gedurende minimaal vijf jaar minimaal 100.000 frank per jaar (Finanzreferendum, sinds 1976)
-          wetsvoorstellen of voorstellen tot wijzigingen van de kantonale grondwet van burgers; één handtekening volstaat
-          indien tenminste één burger hierom vraagt: besluiten waarbij minimaal 250.000 Zwitserse frank uitgegeven wordt, of gedurende 5 jaar minimaal 50.000 frank per jaar
 
Er kan in Appenzell dus geen wet van kracht worden zonder dat deze door de volksvergadering is goedgekeurd. Elke burger heeft spreekrecht op de volksvergadering. Er is geen beperking aan het aantal sprekers of aan de spreektijd. In de praktijk levert dit geen problemen op, omdat sprekers kort en bondig zijn en elkaar niet herhalen. (Hutter, 2001; Carlen, 1996)

Ook in diverse deelstaten in het noordoosten van de Verenigde Staten bestaat een bestuurstraditie gebaseerd op de zogenaamde ‘Open Town Meetings’ (OTM), die direct teruggaat op de Pilmgrim Fathers (Zimmerman 1999). Het hoogste bestuursorgaan in de gemeenten is er niet een verkozen gemeenteraad, maar een open volksvergadering. De OTM komt in principe éénmaal per jaar samen. Alle geregistreerde kiezers uit de gemeente kunnen op de vergadering het woord nemen en stemmen. De vergadering wordt bijeengeroepen door de ‘Board of Selectmen’. Dit is een comité waarvan de leden werden aangeduid op vorige zittingen van de OTM, en dat fungeert als een soort executieve van de OTM.

Burgers kunnen agendapunten op de agenda van de OTM plaatsen. Hiervoor zijn vereist: ofwel honderd handtekeningen van geregistreerde kiezers, ofwel (voor kleine gemeenten) de handtekeningen van één tiende van het aantal geregistreerde kiezers. De selectmen kunnen zelf punten op de agenda plaatsen, en punten opnemen die worden aangedragen door de stadsadministratie en andere comités en commissies.

De deelnemers aan de OTM krijgen een aantal adviezen. In een aantal gemeenten gaat aan de eigenlijke OTM nog een informatieve pre-Town Meeting vooraf, waarop burgers nadere informatie kunnen inwinnen over de punten op de warrant. In de warrant zelf vindt men bij vele ter stemming voorliggende punten adviezen van diverse comités. De ‘town counsel’, een jurist gespecialiseerd in gemeentewetgeving, speelt een belangrijke adviserende rol op de OTM zelf.
 
Stemmen gebeurt met handopsteken of opstaan; bij delicate punten gaat men over tot geheime, schriftelijke stemming. Een probleem met de schriftelijke stemming is het tijdrovend karakter (typisch ongeveer drie kwartier voor stemmen en tellen). Toch is de mogelijkheid tot geheime stemming essentieel, ter vermijding van sociale druk bij controversiële onderwerpen.

De besluiten van de OTM kunnen nog herroepen worden via een referendum. In Massachusetts zijn hiervoor de handtekeningen van 300 geregistreerde kiezers vereist, en het besluit van de OTM wordt enkel herroepen indien een meerderheid, die minstens 20% van de geregistreerde kiezers omvat, daarvoor opteert. In bijzondere omstandigheden kunnen ook extra OTM’s bijeengeroepen worden.

Hoeveel burgers zijn op de Town meetings aanwezig? In de USA moet men zich registreren als kiezer. Het procent aanwezigen is dan voor de vier staten met volwaardige OTM’s: Maine: 28,17%; Vermont: 26,03%; New Hampshire: 22,60%; Massachusetts: 11,89%. In feite moeten deze percentages met ongeveer 10% worden verhoogd, omdat op de lijsten van geregistreerde kiezers ongeveer 10% namen staan van personen die inmiddels zijn verhuisd. De aanwezigheidsgraad blijkt volgens het onderzoek van Zimmerman (1999) sterk af te hangen van de grootte van de gemeente. In gemeenten met minder dan 500 inwoners is doorgaans meer dan een derde aanwezig. In de steden in Connecticut met meer dan 20.000 inwoners bedraagt de aanwezigheid nog ongeveer 1% (Zimmerman p.165; cijfers voor 1996). Er is ook een sterk verlaagde afwezigheid in gemeenten waar de bevoegdheid van de Town meeting is beperkt.

Zimmerman (p.173-174) enquêteerde onder de gemeenteambtenaren omtrent de kwaliteit van het debat op de OTM. In Massachusetts beoordeelde 82% die kwaliteit als ‘uitstekend’ of ‘goed’, ‘16% als ‘redelijk’ en 2% als bedenkelijk. Zimmerman vroeg ook om de kwaliteit van de beslissingen te beoordelen. In Massachusetts vonden 86% van de ambtenaren de beslissingen ‘uitstekend’ of ‘goed’, 14% ‘redelijk’ en 1% ‘bedenkelijk’. In de andere staten zijn de cijfers ongeveer gelijk.
 
In de Zuid-Braziliaase stad Porto Alegre functioneert sinds 1989 een origineel systeem van direct-democratische opmaak van de stadsbegroting via volksvergaderingen (Abers 2000). Dit systeem werd ingevoerd door de linkse Partido dos Trabalhadores (’Partij van de Arbeiders’) die in 1988 een belangrijke verkiezingsoverwinning boekte. Het systeem komt erop neer, dat buurtbewoners op volksvergaderingen hun investeringsprioriteiten bepalen, en dan vertegenwoordigers kiezen die op globaler niveau (district en stad) de implementatie van de gemaakte keuzes met de stedelijke diensten organiseren en opvolgen. Naast lokale volksvergaderingen zijn er ook thematische bijeenkomsten, zoals bijvoorbeeld  over ‘onderwijs’ of ‘economie en belastingen’.
 
Volksvergaderingen vormen een zeer levendige vorm van directe democratie, en zijn op lokaal vlak zeker werkbaar. Toch vertoont de volksvergadering met betrekking tot het referendum ook enkele nadelen. De afwezigheid van het stemgeheim is het belangrijkste principiële bezwaar. Daarnaast vergt de volksvergadering een inspanning die in één welbepaalde tijdspanne geleverd moet worden, en daardoor gemakkelijker kiezers van deelname uitsluit.
 
 
2-2: Boycot bij deelnamedrempels
 
De gemeentelijke referenda in Duitsland illustreren overvloedig de destructieve werking van deelnamequorums.
 
In Baden-Württemberg werd het gemeentelijk referendum reeds in 1956 ingevoerd (in de andere deelstaten werd het gemeentelijk referendum pas in de jaren negentig ingevoerd). De Badense wetgeving is echter zeer restrictief. Een van de ernstigste beperkingen is de quorumregeling: minstens 30% van het kiezerscorps moet, ongeacht de opkomst, voor het burgervoorstel gestemd hebben, zoniet is dit laatste nietig.
 
Door deze regeling wordt aan de stemmen van de tegenstanders van het burgerinitiatief meer gewicht toegekend dan aan de stemmen van de voorstanders, want de stemmen van de onthouders worden ten nadele van het initiatief geïnterpreteerd.
 
Het referendum in Reutlingen (1986), over de bouw van een schuilkelder, illustreert dit effect op treffende wijze. Op 20 maart 1986 had de gemeenteraad (CDU-meerderheid) besloten een bunker te bouwen voor burgerlijke bescherming. Hiertegen kwam al snel een burgerinitiatief op gang, met steun van onder meer de Groenen en de SPD, en op 18 april werden de nodige handtekeningen ingediend voor tot een gemeentelijk referendum over de kwestie.
 
Het stadsbestuur en de CDU voerden tegen dit initiatief een bewuste boycottactiek. Systematisch werd iedere deelname aan discussieavonden en dergelijke geweigerd. Pas in de laatste week voor de stemming verbrak de CDU het stilzwijgen met een advertentie en met een pamflet dat als krantenbijlage werd verspreid en onder meer door de burgemeester was ondertekend. Daarin werd onverholen tot boycot van het stemmen opgeroepen: "... zakelijke en koele koppen moeten nu verstandig handelen. Geen emoties, maar slim stemgedrag. Bijgevolg kunt u komende zondag ook gewoon thuisblijven; tenslotte wordt u enkel opgeroepen om tegen de inrichting van de bunker-schuilplaats te stemmen. Ook wanneer u niet stemt, spreekt u uw akkoord uit met het besluit van de gemeenteraad. U hebt sedert jaren de CDU bij de verkiezingen uitvoerig uw vertrouwen geschonken. Ook in deze kwestie kunt u ons vertrouwen."
 
Het resultaat was dat 16.784 van de 69.932 burgers aan de stemming deelnamen; slechts 2.126 spraken zich uit voor de bunker. Het burgerinitiatief struikelde over de 30%-drempel, ondanks het feit dat slechts 3,4% van de stemgerechtigden zich voor de bunker uitspraken. Door de quorumregeling krijgt uiteindelijk een kleine minderheid van de bevolking haar zin, tegen een grote meerderheid in. In verscheidene andere gemeenten in Baden-Württemberg vonden gemeentelijke referenda plaats over vergelijkbare schuilkelderplannen. Overal vond men een grote meerderheid tegen de bouw van zulke constructies, die door de bevolking als overbodig werden beschouwd. (Uit een opiniepeiling bleek dat 70% van de bevolking van Baden-Württemberg tegen de bunkers was.) In Nürtingen, een gemeente vlakbij Reutlingen, kwam er ook een volksinitiatief tegen een soortgelijke bunker. De plaatselijke CDU riep daar niet op tot de boycot. Het resultaat was dat 57% van de stemgerechtigden deelnam aan het referendum en dat 90% van de kiezers de bouw van de bunker verwierp. Het volksinitiatief was hier dus wel succesvol. In een andere gemeente, Schramberg, had het burgerinitiatief tegen de lokale bunkerplannen ook succes, ondanks een boycotoproep van de CDU. De tekst van de boycotoproep van de CDU was hier voortijdig uitgelekt, zodat de tegenstanders van de bunker tegen dit manoeuvre nog konden reageren. Ook in de lokale kranten werd de boycotoproep van de CDU gehekeld. In Schramberg namen uiteindelijk 49,25% van de kiesgerechtigden deel aan het referendum; 88,5% van de kiezers stemden tegen de bunker, zodat de 30%-drempel werd gehaald.
 
Een boycot kan ook langs organisatorische weg worden gevoerd. Bekend is het voorbeeld van het stadje Neuss, waar op 3 september 1995 het eerste gemeentelijk referendum in Nordrhein-Westfalen plaatsvond. Inzet was de bouw van een hotel vlakbij het stadhuis, waarbij de groenzone in het stadscentrum werd aangetast. De CDU-meerderheid slaagde erin om de burgerstemming te laten struikelen over het deelnamequorum van 25%. Het is algemeen bekend dat bij referenda in grote steden, als het gaat om bouwplannen in één welbepaald stadsdeel, relatief weinig mensen gaan stemmen, omdat ze zich niet betrokken voelen bij de aangelegenheid of de indruk hebben dat ze door gebrek aan kennis van de lokale toestand geen goed oordeel kunnen vellen (een referendum in Antwerpen bijvoorbeeld, met als inzet de inrichting van het gemeenteplein in Ekeren, zal weinig kiezers lokken in andere stadsgedeelten als bijvoorbeeld het Zuid of Hoboken, waarvan de meeste bewoners zelfs nooit in Ekeren zijn geweest). De gemeenteraad van Neuss nam een reeks maatregelen om de kiezers te ontmoedigen. Stemming per brief werd niet toegelaten (hoewel bij de gemeenteraadsverkiezingen 15% van de stemmen per brief werd uitgebracht). In plaats van de 100 stemlokalen die bij de gemeenteraadsverkiezingen worden voorzien, werden nu slechts 30 lokalen geopend. Resultaat: slechts 18,5% van de kiesgerechtigden nam deel aan het referendum. Daarvan stemde weliswaar bijna 80% tegen het hotelplan van de gemeenteraad, maar omdat de drempel niet werd gehaald, was het burgerinitiatief ongeldig.
 
In België werd op 10 april 1995 een wet ingevoerd die niet-bindende en niet-afdwingbare volksraadplegingen voorzag op gemeentelijk niveau. Er werd een deelnamequorum ingesteld van 40% der stemgerechtigden. Indien minder dan 40% van de stemgerechtigden deelnemen aan de volksraadpleging, moeten de stembiljetten ongeteld worden vernietigd.

Hoewel de raadplegingen niet afdwingbaar en niet-bindend waren en bovendien een erg hoge handtekeningdrempel van 10% werd opgelegd, kwam het in een aantal steden tot initiatieven. In de Limburgse gemeenten Genk en As vroegen de burgers in 1996 een volksraadpleging aan omtrent de inplanting van een commercieel complex op een afgedankt mijnterrein. In de gemeente As besloot de gemeenteraad om de volksraadpleging te weigeren, maar in Genk werd op 13 oktober 1996 tot stemming overgegaan. Slechts 37,47% van de kiesgerechtigden daagde op voor de stemming en de stembiljetten werden, in naam van de Belgische democratie, niet geteld maar vernietigd. Middenstandorganisaties en een extreem-linkse partij hadden opgeroepen om niet te gaan stemmen. De eerste volksraadpleging onder de nieuwe wet werd meteen slachtoffer van een geslaagde boycot-oproep.

Op 14 december 1997 vond in Gent op burgerinitiatief een volksraadpleging plaats over de door het stadsbestuur geplande bouw van de zogenaamde Belfort-parkeergarage in het centrum. De gemeenteraad had van tevoren besloten de uitslag als bindend te zullen beschouwen maar de SP en de VLD, die in Gent de meerderheidscoalitie vormden, hadden de kiezers wel opgeroepen om de stembusgang te boycotten. Ditmaal mislukte de boycot nipt, want 41,12% van de kiesgerechtigden daagde op en daarvan stemde 95% tegen de parkeergarage.

In Sint-Niklaas kwam op 28 juni 1998 een volksraadpleging tot stand over de bouw van een ondergrondse parkeergarage. Net als in Gent werd de drempel net gehaald: 40,28% van de kiesgerechtigden kwam opdagen. Hiervan stemde 92% tegen de parkeergarage. De stemming was een dubbeltje op zijn kant want de grootste partij van Sint-Niklaas, de christen-democratische CVP en het plaatselijke NCMV (middenstandsorganisatie), had opgeroepen om niet te gaan stemmen. “Het referendum is een slechte formule. Wie ‘ja’ zegt, zorgt er enkel voor dat de neen-stemmers aan de vereiste 40 procent geraken. De ja-stemmer kan beter thuis blijven”, aldus plaatselijk CVP- voorzitter Julien Vergeylen (Gazet van Antwerpen, 17 juni 1998). De socialistische voorman Freddy Willockx zei: “Het probleem is dat wij door de oproep van de CVP tot boycot geen objectief beeld hebben van wat de bevolking eigenlijk wil. Wellicht waren zo’n 70 tot 80% van de Sint-Niklazenaars effectief tegen de parkeergarage, maar wij zullen het nooit met zekerheid weten” (Gazet van Antwerpen, 29 juni 1998).

Hoewel het deelnamequorum nadien werd verlaagd (en de handtekeningdrempel verhoogd), kwamen na deze en andere bedenkelijke ervaringen nog maar weinig initiatieven tot stand.
 
Het meest perverse voorbeeld leverde wellicht Italië. Op 18 april 1999 vond in dat land een referendum plaats over een hervorming van het kiessysteem. Deze hervorming werd door de meeste politieke partijen gesteund ; 49,6% van de kiesgerechtigden kwamen opdagen en daarvan stemden 91% voor de hervorming. Maar de kiezers hadden zich voor niets uitgesloofd: omdat het deelnamequorum van 50% net niet werd gehaald, ging de hervorming niet door. Opvallend gegeven: de mafia had in het zuiden van italië actief tot boycot opgeroepen, en ten Zuiden van Napels lag het deelnamepercentage met 40% dan ook ver onder het nationaal gemiddelde. De mafia oordeelde dat met het bestaande kiessysteem hun mannetjes makkelijker verkozen raakten, en het deelnamequorum bewerkte dat de mafia het haalde tegen een volksmeerderheid van negen tiEnden.
 
Dergelijke boycotacties komen in Italië helaas regelmatig voor. Een ander voorbeeld was het referendum van 12 en 13 juni 2005, waarbij 4 voorstellen ter versoepeling van de zeer restrictieve wet voor kunstmatige bevruchting van vrouwen ter stemming stonden. Met steun van paus Benedicus XVI riep kardinaal Ruini, de voorzitter van de Italiaanse bisschoppenconferentie, actief op tot boycot. “Kardinaal Ruini vindt niet gaan stemmen de beste manier om de voorstellen te verwerpen. Een referendum is immers maar geldig wanneer minstens de helft van de rechthebbEnden gaat stemmen. Gegeven het feit dat het al vaststaat dat de ‘ja’-stemmers talrijker zullen zijn, zouden katholieken door ‘neen’ te stemmen alleen maar helpen het quorum te behalen en zo ongewild het ‘ja’-kamp versterken, zo luidt de redenering”, meldde de nieuwswebsite Katholiek Nederland (http://www.katholieknederland.nl/actualiteit/2005/5/nieuws_568842.html). En Ruini’s strategie lukte: de opkomst viel onder het deelnamequorum en het referendum mislukte.
 
Uit dit soort voorbeelden volgt een eenduidige conclusie: deelnamequorums zijn uit den boze. Zij geven aan de stemmen van voor- en tegenstanders van een initiatief ongelijke waarde, lokken boycotoproepen uit en ontkennen de rol van mandatering bij directe besluitvorming.
 

2-3 Frans van den Enden
 
Lange tijd gold de Nederlandse filosoof Spinoza als degene die het eerste de filosofische grondslagen voor de democratie – volkssoevereiniteit en radicale vrijheid van meningsuiting – had gelegd. Hij is daarmee een typische vertegenwoordiger van wat de historicus Israels (2002) de ‘radicale Verlichting’ noemt. Veel beroemde figuren die gelden als vertegenwoordigers van “de” Verlichting – Newton, Locke, Montesquieu – zijn in feite vertegenwoordigers van de gematigde Verlichting. Locke’s opvattingen zijn representatief voor de gematigde Verlichting. Hij bepleitte wel tolerantie en geloofsvrijheid voor allerlei christelijke overtuigingen, maar niet voor atheïsten, omdat die daarmee de basis voor de moraal zouden verwerpen, en ook niet voor katholieken, omdat deze een buitenlandse autoriteit (de paus) erkEnden. De aanhangers van de gematigde Verlichting bestreden de radicale Verlichting en deze laatste moest vaak ondergronds opereren.
 
In 1990 ontdekte de Spinoza-kenner Wim Klever echter dat Spinoza zijn denkbeelden heeft ontleend aan zijn leermeester, Franciscus van den Enden (1602-1674). Van den Enden was een Antwerpenaar die later uitweek naar Amsterdam, waar hij een privéschooltje stichtte waar hij ook Spinoza onderwees. Klever ontdekte dat Van den Enden de auteur was van twee revolutionaire, anoniem uitgegeven boeken: ‘Kort verhael van Nieuw-Nederlants gelegentheit’ (1662) en ‘Vrije politijke stellingen’ (1665, door Klever heruitgegeven in 1992).
 
Van den Enden pleit als eerste voor politieke gelijkheid “tussen meer en minder verstandigen, meer en minder gegoeden, het mannelijk en vrouwelijk geslacht, regeerders en geregeerden, enzovoort”. Van den Enden stelt daarbij uitdrukkelijk dat politieke gelijkheid niet neerkomt op gelijkschakeling. Hij betoogt dat elk mens een unieke individualiteit is met specifieke begaafdheden en eigenschappen, en dat politieke gelijkheid daar niets aan af doet. De gelijkheid dient de vrijheid. De wetten moeten iedereen op een gelijke manier ruimte geven om zich te ontwikkelen, te spreken en te denken – hiervoor gebruikt Van den Enden de term “evengelijke vrijheid”. Hij formuleerde in de sterkst mogelijke bewoordingen het beginsel van de volkssoevereiniteit. Hij waarschuwde, naar we nu kunnen zeggen terecht, voor het ontstaan van een politieke klasse die haar eigen belangen zou gaan dienen. Van den Enden stelde dat de burgers zelf het beste in staat zijn om de politieke besluiten te nemen en meende dat volksvergaderingen de beste manier waren om dat vorm te geven, waarbij Van den Enden aantekent dat door de gezamenlijke beraadslaging en besluitvorming de kennis en politieke vaardigheden van de burgers aanzienlijk zouden toenemen. Hij had daarbij een beperkt begrip van “het volk”: alleen de mannen die in hun eigen onderhoud konden voorzien, stemgerechtigd waren. Mannen die dat niet konden, en vrouwen, zouden geen toegang tot de volksvergadering moeten krijgen. In die zin was zijn gelijkheidstheorie niet consequent. Op de eerste volksvergadering zouden de burgers demonstratief alle bestaande verordeningen en wetten mosten verbranden die speciale bevoegdheden of voorrechten aan adellijke lieden en geestelijken toekEnden. Hij dacht dat dergelijke authentieke direct-democratische gemeenschappen (toen nog steden) met elkaar federatieve verbanden konden aangaan. Hij is daarmee wellicht de eerste theoreticus van de directe democratie. Verder pleitte Van den Enden onder andere voor vrije wapendracht door burgers, zodat andere heersers niet in staat zouden zijn om hen hun democratische rechten afhandig te maken.
 
Van den Enden zag democratie echter onlosmakelijk verbonden met een vrij cultuurleven. “Het allerschadelijkste in een staat is dat er geen vrijheid wordt gelaten om alles te mogen verkondigen wat iemand voor het algemeen belang het beste acht…” Niemand, ook vreemden niet, zou iets in de weg gelegd mogen worden als het om opinies of geloofszaken ging. Tenslotte bepleitte Van den Enden ook onderlinge solidariteit als het op de fysieke behoeften van mensen aankwam. Centraal bij Van den Enden staat het recht op arbeid. De staat legt aan alle ingeborenen de facto het staatslidmaatschap op; dat is alleen gerechtvaardigd als de staat ook aan alle leden in gelijke mate baat brengt. Van den Enden pleit ook voor de invoering van sociale en medische voorzieningen, en verwerpt nadrukkelijk het “smadelijke geven van aalmoezen” door de rijken en de kerken.
 
Van den Enden grijpt daarmee vooruit op de triade van de Franse revolutie: vrijheid, gelijkheid, broederschap. Maar waar de Franse revolutionairen deze leus geheel ongedifferentieerd brachten, brengt Van den Enden meer onderscheid aan: vrijheid brengt hij in relatie tot het cultuurleven (meningsuiting en religie), gelijkheid tot de politiek en het rechtssysteem, en solidariteit tot de fysieke behoeften van de mens (zie ook hoofdstuk 3).
 
Later verhuisde Van den Enden naar Parijs, waar hij gearresteerd werd wegens betrokkenheid bij een complot tegen Lodewijk XIV en op 27 november 1674 werd opgehangen op de Place de la Bastille. Wie de inhoud van de ‘Vrije Politijke Stellingen’ vergelijkt met de huidige situatie, kan niet anders dan vaststellen dat de meeste doelstellingen van de 17e-eeuwse Van den Enden nog op realisatie wachten.