België: Noch rechtsstaat, noch democratie

Afdrukken
Wie een staat als BelgiĂ« beschouwt, zal het niet moeilijk hebben vast te stellen dat BelgiĂ« geen rechtsstaat maar een politiestaat, machtsstaat, beleids- en bestuursstaat is. U leest hier enkele uittreksels uit de lezing van Frank Van Dun 'Over democratie en rechtsstaat', gehouden op 10 februari 2009, op uitnodiging van de Werkgroep “Greenfields” van Cassandra, Democratie.nu en WorkForAll.org, in de reeks 'Voorbij de staatshervorming'.
 
Laat ons beginnen met het begrip rechtsstaat, of liever, met het daaraan tegengestelde begrip politiestaat. De rechtsstaat is, zo stelt Van Dale, een staat of staatsvorm die het recht als het hoogste gezag handhaaft, in tegenstelling tot een politiestaat of machtsstaat, in tegenstelling dus tot een beleids- of bestuursstaat. In deze context is het woord ‘politie’ immers de vertaling van het Franse woord police en het Engelse woord policy. ‘Politie’ staat voor politiek in de zin van beleid en bestuur: een politiek is een beleid, een wijze van besturen. Een politiestaat is dus een staat die het bestuur als hoogste gezag handhaaft; een staat die zijn onderdanen verplicht tot gehoorzaamheid aan zijn beleids- en bestuursvoorschriften. Die verplichting wordt ook “hard gemaakt” middels een ingewikkeld systeem van sancties, pressiemiddelen en dwangmiddelen. Denk maar aan de voorwaarden voor het verlenen en intrekken van vergunningen, privilegies, immuniteiten, fiscale voordelen en bijzondere lasten, confiscaties, verbeurdverklaringen, boetes, gevangenisstraffen, in sommige landen lijfstraffen, en allerhande alternatieve straffen (meestal als gemeenschapsdiensten voorgestelde vormen van dwangarbeid, maar ook meldingsplicht, elektronische enkelbanden en dergelijke). Zelfs als voor een aantal zaken een veroordeling door een rechter vereist is vooraleer een straf kan worden opgelegd, dan nog zijn er tal van zaken die administratief afgehandeld worden—zaken waarin de betrokken overheidsdienst of administratie onderzoekt, vervolgt, oordeelt, veroordeelt en sancties oplegt....

Naar staatsvorm is BelgiĂ« een politiestaat; de regeringsvorm kan het best als “particratie” worden geduid. Een rechtsstaat is BelgiĂ« zeker niet. We hoeven de krant maar te lezen of naar de berichtgeving en oeverloze politieke praatprogramma’s op radio en televisie te luisteren om te weten dat het al overheid is wat de klok slaat. Wie ‘overheid’ zegt, zegt uiteraard meteen ook ‘onderheid’, dat wil zeggen onderdanen. En dat is nu wat er in een rechtsstaat niet is en niet mag zijn. De idee van een rechtsstaat is in oorsprong en in wezen de idee van de rechtmatige ordening van menselijke aangelegenheden waarin de staat als organisatie ter vrijwaring van de rechtsorde geen overheidsmacht, enkel een rechtbeschermende functie heeft. Het is evident dat de bewering dat BelgiĂ« een rechtsstaat is alleen verkoopbaar is aan mensen die zich om de tuin laten leiden door ficties en drogredenen.

Er is geen scheiding der machten in BelgiĂ«, behalve dan in een louter formele zin, namelijk in de zin dat de staatsmachten (traditioneel: wetgeving, uitvoering, rechtsspraak) intern en in hun onderlinge verhoudingen en interacties grondwettelijk, wettelijk en naar “staatsrechtelijke gewoonte” als onderdelen van een enkele organisatie, “de staat”, aan regels onderworpen zijn. Die regels leggen onder meer de bevoegdheidssferen van de verschillende “organen van de staat” vast, de wijze waarop die hun personeel werven en aanstellen, eventuele functionele onverenigbaarheden, en termijnen. Dergelijke regelingen treft men in alle min of meer complexe organisaties aan. Met een staatsrechtelijk, laat staan politiek beginsel hebben zij niets te maken. Het waarlijk politieke en staatsrechtelijke beginsel van de scheiding der machten wordt geschonden in een bestel waarin de wetgevende macht en de uitvoerende macht geheel of grotendeels onder controle staan van dezelfde personen, c.q. dezelfde partijen. Waar de parlementaire meerderheidpartijen ook [bijna altijd] de regeringspartijen zijn, is er van een scheiding van wetgevende en uitvoerende macht geen sprake. Dat wordt er niet beter op wanneer zij gebruik maken van kaderwetten, delegerende wetten, zelfs volmachtwetten die in feite niet meer zijn dan formele machtigingen, die het parlement aan de regering verleent om de ene of de andere materie te regelen.....

Zelfs als men bij het woord ‘democratie’ aan meerderheidsbeslissingen denkt is het evident dat een politiek bestel als het Belgische geen “democratie” is. Alleen de volksvertegenwoordigers nemen deel aan “referenda” waarin de meerderheid beslist. Voor de algemene verkiezingen van “politieke vertegenwoordigers” is het doorgaans zo dat de verkiezingsuitslag wel een “grootste partij” oplevert maar daarmee is niets gezegd over de politieke meerderheid: die wordt door de partijen bij de vorming van coalities samengesteld. Niet alleen is het Volk dus niet “soeverein” (omdat het weliswaar kiesrecht heeft maar geen stemrecht, dus geen beslissingsrecht), het heeft ook geen democratisch kiesrecht. Er is geen garantie dat de meerderheidspartijen de meerderheid van de kiezers vertegenwoordigen. Er is immers geen rechtstreeks verband tussen de keuze van de kiezers en de na afloop van de verkiezingen te vormen politieke meerderheid. Overigens is niet alleen het stemrecht maar ook de kandidaatstelling bij wet geregeld. Hetzelfde geldt voor de institutionele interpretatie van de verkiezingsuitslag. De partij die de meeste stemmen behaalt, heeft niet noodzakelijk de meeste zetels in de vergadering waarvoor vertegenwoordigers dienen te worden aangeduid. De burgers mogen de kaarten schudden in een spel over de spelregels waarvan zij geen zeggenschap hebben. Daarna mogen zij niet meer meespelen.

Dit zijn enkele uittreksels uit mijn lezing 'Over democratie en rechtsstaat', gehouden op 10 februari 2009, op uitnodiging van de Werkgroep “Greenfields” van Cassandra, Democratie.nu en WorkForAll.org, in de reeks 'Voorbij de staatshervorming'. 
13/02/2009 - Frank Van Dun
20/02/2009 - Peter Bursens