Kan een ander kiesstelsel de Belgische politiek saneren?

Afdrukken
Ruud Goossens zou graag de macht van de partijen inperken. Dat kan. Daartoe is vooral nodig dat de burger zijn beslissingsmacht niet afstaat aan een cenakel dat door de partijen gedomineerd wordt, ongeacht via welk kiesstelsel. Laat de beslissingsmacht aan de burger zelf, en het probleem van de particratie is opgelost.

 
Het parlementair systeem in België draait vierkant. Dat het weinig democratisch is, zal zijn verdedigers en begunstigden niet deren, wel misschien dat het veel blokkeringen in het beleid veroorzaakt. De pleitbezorgers van de Belgische status-quo putten zich daarom uit in het bedenken van varianten die, zonder de bestaande machtsverhoudingen te wijzigen, de zaken wat vergemakkelijken.

Eén van de bestaande problemen is dat men slechts met ingewikkelde coalities tot een bruikbare meerderheid komt. Daarvoor wil Ruud Goossens, chef politiek bij De Morgen, een oplossing bieden: een districtenstelsel met verkiezing van één kandidaat per district volgens het “first past the post”-principe, d.w.z. dat de kandidaat met de meeste stemmen de zetel haalt ook als dat niet de meerderheid van de stemmen is. Dat is het stelsel dat in het Verenigd Koninkrijk en vele van zijn ex-kolonies gevolgd wordt. Het heeft als tegenpool het zuiver proportionele stelsel dat het hele land als één kiesdistrict beschouwt en de zetels proportioneel over de partijen verdeelt, zoals gebeurt in Nederland en Israël. België verkiest zijn parlementen volgens een afgezwakt proportioneel systeem met meerdere kiesdistricten waarbinnen een vrij groot aantal zetels proportioneel verdeeld wordt, echter beperkt door de voorwaarde van een kiesdrempel die de grote gevestigde partijen bevoordeelt.

De titel van Goossens’ pleidooi moet de lezer van zijn democratische bedoelingen overtuigen: “Laat de meerderheid eindelijk beslissen.” (DM, 29-2-2009) Daarmee bedoelt hij natuurlijk niet dat na afschaffing van de grondwettelijke grendels de Vlaamse meerderheid in België eindelijk beslissingen moet kunnen nemen. Wel dat het districtenstelsel meerderheden oplevert die eindelijk eens kunnen beslissen, d.w.z. ongehinderd door compromissen beslissingen kunnen doordrukken. Want Goossens’ belangrijkste overweging heeft niets met democratie te maken, wel met het comfort van de regeerders.

Het is altijd als argument tegen de democratie gebruikt dat zij voor verdeeldheid in de beslissingsorganen zorgt en aldus een daadkrachtig beleid bemoeilijkt, en dat argument gebruikt Goossens hier tegen het huidige semi-proportionele kiesstelsel: “Er is een ontzagwekkend voordeel aan een meerderheidsstelsel. Het zal zeker in Vlaanderen maar ook in België, met zijn tweedelige structuur, de versplintering tegengaan en coalitiegesprekken vergemakkelijken.” Hij vergist zich.

Voor het probleem van de Belgische tweeledigheid maakt het districtenstelsel geen enkel verschil. De partijen zullen bij een identieke kiesuitslag in lichtelijk andere onderlinge verhoudingen in het parlement zetelen, maar de Vlaamse zullen daarom hun verzuchting naar meer Vlaams zelfbestuur en een eenvoudiger bevoegdheidsverdeling niet opgeven, en de Waalse zullen die onverminderd en even eensgezind als nu dwarsbomen.

Op een homogener bestuursniveau zoals het Vlaamse kunnen we wel zuiver het effect van een ander kiesstelsel bestuderen of er een zinnige denkoefening over maken. Het algemeen effect is dat de grote partijen groter en de kleine kleiner worden. We moeten toegeven dat dit in historisch perspectief wel een aanzienlijk verschil kan maken. In het VK is sinds de jaren 1920 de liberale partij doorgaans goed geweest voor een 15% van de stemmen, proportioneel goed voor een honderdtal zetels, maar ze haalde er steevast slechts een handvol. Een belangrijke opiniestroming werd permanent van deelname aan het bestuur uitgesloten. Stel je voor dat de ongeveer even sterke liberalen in ons land al tachtig jaar in diezelfde positie verkeerd hadden: geen vice-permier Gol, geen premier Verhofstadt, enz. Verder zien we in het VK het ontmoedigend effect op nieuwe partijen. Anders dan op het vasteland is een groene partij er nooit van de grond kunnen komen. De UK Independence Party kon alleen in Europese verkiezingen doorbreken, waar de proportionaliteit geldt.

In Vlaanderen zou dat systeem eveneens de opkomst van Agalev/Groen! bemoeilijkt hebben, en bij invoering nu zou die partij kansloos uit alle parlementen verdwijnen. Ook N-VA en Spirit/VlaPro/SLP zouden niet aan de bak komen, en men vraagt zich af in welk district LDD de grootste zou zijn. Het vergt wat meer detailstudie om de wijzigingen in de krachtsverhouding tussen de klassieke partijen in te schatten, maar het is best mogelijk dat ze ruwweg aan mekaar gewaagd blijven, zij het op een iets hoger zetelpercentage dan vandaag. Het VB zou in een aantal districten een zetel behalen, ondermeer in Brussel. Eens het systeem ingeburgerd, zouden allicht vele Vlaamsgezinde kiezers van N-VA en LDD naar het VB overlopen omdat hun stem anders maar weggegooid is. Of hoe het districtenstelsel de uitdrukking van de wil van de kiezer misvormt en onrecht doet door hem voor een partij te doen stemmen waarin hij zich minder herkent doch die meer kans maakt op een zetel.

Het “probleem” van het VB wordt door een hervorming van het kiesstelsel dus niet opgelost. De klassieke partijen zullen evenzeer als vandaag moeten marchanderen om een coalitie te vormen. Er is geen spectaculaire stemmenverschuiving nodig om, bij behoud van de schutkring, zelfs onder het districtenstelsel een tripartite op Vlaams niveau noodzakelijk te maken. Maar een Vlaamse driepartijenregering is dan ook geen probleem. Vandaag hebben we er zo één, en die levert in vergelijking met de Waalse en de Belgische regering zeer goed werk: gunstige begroting, redding van KBC, onderwijs met internationaal aanzien.

Zodus, in het Vlaams parlement is er geen probleem dat door het districtenstelsel moet opgelost worden, en in het Belgische laat het de zeer reële problemen van communautaire sabotage en slecht bestuur volledig onopgelost.

Goossens erkent de democratische bezwaren tegen het districtenstelsel, al aarzelt hij om precies hun democratische motivering te erkennen: “De voorstanders van dat proportioneel (of evenredig) stelsel hebben een batterij argumenten klaar om hun model te verdedigen. Het heet democratischer te zijn, omdat het ervoor zorgt dat bijna elke stem vertegenwoordigd is in het parlement. Het maakt het voor kleine, opkomende partijen mogelijk om een plek op de politieke kaart te veroveren. Het zorgt ervoor dat nieuwe thema’s (denk aan de opkomst van de groenen in België) makkelijker op de politieke agenda raken.” Niet slecht, doch er moet een hoger goed bestaan dan deze democratische verworvenheden, want: “Dat is allemaal waar, en lange tijd heeft het systeem vrij aardig gefunctioneerd, maar wegen die voordelen nog op tegen de stilaan ontzettend grote nadelen?”

De “nadelen” die het bestuur van België ondervindt, zijn niet de nadelen van het huidige kiesstelsel, dat trouwens verre van zuiver evenredig is en nu reeds de grote partijen fors bevoordeelt. Zij zijn het gevolg van de vergrendelde staatsstructuur, die gebaseerd is op een besef dat er hier twee aparte naties zijn: de ene natie heeft een federalisering met blokkeringsmechanismen afgedwongen om te beletten dat zij ooit door de andere natie zou kunnen geminoriseerd worden. Als de Walen zich Belg gevoeld hadden in plaats van Waal, dan had het nooit zover kunnen komen. De enige hervorming in het kiesstelsel die een herstel van de eenheid en bestuurbaarheid van België zou bevorderen, is een evenredig stelsel binnen één enkel nationaal kiesdistrict, zonder indeling van kandidaten in taalgroepen, noch van districten in taalgebieden. Ik loof een prijs uit van 1830 euro voor wie erin slaagt, een kritieke massa binnen de politieke klasse tot die hervorming te bewegen.

Toch lijkt Goossens hier en daar wel ene puntje te scoren ten gunste van het districtenstelsel: “Het zorgt ervoor dat de parlementsleden de eigenaar van hun zetel worden en zo hopelijk weer wat aan onafhankelijkheid winnen. Op die manier verkleint het de macht van de politieke partijen, ook dat is wenselijk.” Zou het inderdaad die gevolgen hebben?

In het VK wordt hier en daar al eens een onafhankelijke kandidaat verkozen, en soms verleent die wat kleur aan de parlementaire debatten; maar de politieke macht berust er evenzeer in de partijhoofdkwartieren. De partijgebonden kandidaten zijn er na hun intrede in het parlement inderdaad vrijer om eigen standpunten in te nemen; maar om binnen hun district als partijkandidaat geselecteerd te worden, zijn ook zij in grote mate afhankelijk van de gunst van de partijleiding. Bovendien wordt het vermogen van parlementsleden om het standpunt van hun partij te beïnvloeden, ongedaan gemaakt doordat de regeringspartij een veel grotere meerderheid krijgt dan in een evenredig stelsel, en zich dus dissidenties kan veroorloven. Laat die dissident zijn show maar opvoeren, denkt zijn partijvoorzitter, want aan de brave meelopers heb ik genoeg om bij een stemming de meerderheid te halen. Goossens’ wens om de macht van de politieke partijen te verkleinen wordt in het districtenstelsel hoogstens in zeer beperkte mate verwezenlijkt, maar we willen die wens wel even onthouden.

Verder moeten we deze beschouwing niet vernauwen tot de betrekking tussen kandidaten en partijleiding: het democratisch gehalte van het systeem wordt vooral bepaald door de machtsverhouding tussen de burger en de politieke klasse. Deze laatste trekt binnen het districtenstelsel ook nieuwe machten naar zich toe. Zij bepaalt ondermeer de grenzen tussen en dus de demografische samenstelling van de kiesdistricten. In de VS zien we als resultaat daarvan het gerrymandering, het hertekenen van districtsgrenzen om districten te creëren waarin de sociologische kiezersbasis van de dominante partij zo gegroepeerd is dat zij haar kandidaat kan afvaardigen. Niet de kiezer maar de politieke klasse beslist tot welk kiesdistrict de kiezer behoort.

De titel van Goossens’ artikel, “Laat de meerderheid eindelijk beslissen”, is wel de slechtst mogelijke samenvatting van zijn betoog. Tenslotte zorgt zijn geprefereerde districtenstelsel er juist voor dat er helemaal géén meerderheid bij de kiezers nodig is om in het parlement een ongenaakbare meerderheid te vormen die ongehinderd kan beslissen. Het volstaat immers om in een meerderheid van de kiesdistricten de meeste stemmen te behalen, wat bij een verdeeld partijenveld 40% of zelfs slechts 30% hoeft te zijn; en in 49% van de kiesdistricten mag de winnende partij nog veel minder gehaald hebben, of zelfs geen kandidaat opgesteld hebben. Hoe lang zou het geleden zijn dat een Britse regeringspartij op 50% van de uitgebrachte stemmen kon steunen? In India regeerde de Congrespartij na de verkiezingen van 1952, 1957, 1962, 1972 en 1984 met overweldigende parlementaire meerderheden zonder ooit ook maar één keer 50% van de stemmen behaald te hebben.

Het districtenstelsel zorgt er meestal voor dat de regeringsmeerderheid op een minderheid van de kiezers zal steunen. Het stamt uit een tijd toen “democratie” (anders of alleszins meer dan “republiek”) nog een vies woord was. Het was erop berekend, samen met ondermeer de beperking van het kiesrecht tot vermogenden en gediplomeerden, om “het gepeupel” en eventuele “avonturiers” van de macht weg te houden. In ondermeer de VS, India en Zuid-Afrika heeft het de installatie van een particratie niet verhinderd.

Maar goed, Goossens zou dus graag de macht van de partijen inperken. Dat kan. Daartoe is vooral nodig dat de burger zijn beslissingsmacht niet afstaat aan een cenakel dat door de partijen gedomineerd wordt, ongeacht via welk kiesstelsel. Laat de beslissingsmacht aan de burger zelf, en het probleem van de particratie is opgelost. Nee, niet de macht om zijn macht aan bepaalde politici af te staan; maar de macht om zelf wetgevende beslissingen door te drukken. Die macht kan de burger uitoefenen door het bindend referendum op burgerinitiatief. Dat zal ook binnen het parlementair werk inzake kwesties waarin de kiezer zijn verkozenen verkiest te mandateren in plaats van zelf zijn macht uit te oefenen, een heel andere politieke cultuur doen ontstaan.

Bovendien lost de referendumdemocratie het ene probleem op dat typisch is voor de veelpartijencoalities die in evenredig samengestelde parlementen onontkoombaar zijn: hun regeerprogramma is een compromis dat de overtuigde kiezer van elk der deelnemende partijen enigermate teleurstelt. Het is een gemene deler die niet precies het programma van zelfs maar één partij is, dus in zekere zin krijgt geen enkele kiezer wat hij in de stembus gevraagd heeft. Wel, bij aparte volksraadplegingen over elke gewichtige politieke beslissing krijgt telkens opnieuw een meerderheid van de kiezers wat zij gevraagd heeft. In dát systeem kan “eindelijk de meerderheid beslissen”.