Directe Democratie en Bart De Wever

Afdrukken
Op 15 september 2009 verscheen in De Standaard een stuk van Bart De Wever (N-VA) over directe democratie. Geert Van Hout reageerde prompt op het lezersforum van De Standaard.

Klik hier om het stuk van BDW (met de veelzeggende titel "directe democratie" ) en de 34 lezerreacties die erop volgden te lezen: 

http://www.standaard.be/Artikel/Detail.aspx?artikelId=212F62VI&word=directe+democratie

Geert Van Hout, lid van Democratie.Nu, reageerde op het lezersforum van DS met zes tegenargumenten:   

 

De historicus Bart De Wever is niet vies van een selectieve lezing van de geschiedenis. Een paar aanvullingen.
 
(1) '... maar koos 'men' nadrukkelijk voor een representatief systeem'. Dat is juist, maar BDW mag er wel bij zeggen wie 'men' was: een groepje politici die ZICHZELF uitriepen tot de vertegenwoordigers van 'het volk' (van de VS) en vervolgens zonder enige legitimering door dat volk een conventie in het leven riepen. Het 'we,the people' van de Amerikaanse Grondwet is gebaseerd op een usurpatie door niet verkozen politici, die geen mandaat hadden om een grondwet uit te werken. De Amerikaanse Grondwet is overigens nooit door de burgers in een referendum geratificeerd.
 
(2) De Wever beroept zich op James Madison. Veel explicieter dan tegen de tirannie van de meerderheid zette Madison (in Federalist 10) zich af tegen het gevaar van FACTIES voor de Republiek. 'By a faction’, aldus Madison, ‘I understand a number of citizens, whether amounting to a majority or a minority of the whole, who are united and actuated by some common impulse of passion, or of interest, adverse to the rights of other citizens, or to the permanent and aggregate interests of the community’. Toen Madison dit schreef (1787-88), bestonden in de VS nog geen politieke partijen (jawel, er was ooit zo'n tijd).

 

Nu zijn de meeste moderne partijen niets anders dan facties in de Madisoniaanse betekenis: ‘Een groepering van burgers’ met ‘een gemeenschappelijk belang’ dat ‘in strijd is met de rechten van andere burgers of met de ‘belangen van de gemeenschap’.

Waarom in strijd met de rechten van burgers? Deelname aan democratische beslissingen is een burgerrecht in een democratie. Elke groepering van mensen die zich daar tegen verzet is (dus) een factie, in de betekenis van Madison. Zowat alle Belgische politieke  partijen zijn (Madisoniaanse) facties. Het gevaar van facties was een hoofdargument van Madison om tegen directe en voor representatieve democratie te pleiten (die hij "republiek" noemde). Maar Madison vergiste zich: een representatief systeem werkt het ontstaan van facties (in casu partijen) in de hand in plaats van ze te bestrijden: al voor 1800 ontstonden in de VS de eerste partijen. Van Madisons pleidooi (tegen directe democratie vanwege het gevaar van facties) blijft dus niets overeind. Exit ook De Wevers argument.

Naschrift GVH : het lijkt me in de regel weinig zinvol om de Federalist Papers als gezaghebbende bron van democratietheorie aan te halen. De Papers werden geschreven (door Madison, Hamilton en Jay) met maar één doel: het uitgewerkte grondwetontwerp goedgekeurd te krijgen in de vaak bijzonder weerspannige parlementen van de deelstaten (dat waren toen nog soevereine staten), of met andere woorden: een confederatie van staten te stichten (de VS). Het woord democratie kwam in die grondwet zelfs niet voor. De Bill of Rights (de eerste tien amendementen op de grondwet, waarin de burgerrechten worden gegarandeerd) werd slechts achteraf toegevoegd uit vrees dat de Antifederalists het ontwerp anders zouden afkeuren. Zelfs in het hier aangehaalde Federalist nr. 10 is het Madison er vooral om te doen, een grote republiek te verdedigen boven een kleine democratie (of zelfs een kleine republiek). Facties zijn wellicht onuitroeibaar, zo luidt Madisons redenering, maar in een (grote) republiek is het gevaar dat facties de meerderheid tiranniseren het geringst. Daarom is, aldus nog Madison, de republiek boven de democratie te verkiezen.
In de 18e eeuw betekende 'democratie' nog 'directe democratie', zoals bvb. ook uit de geschriften van Rousseau en zelfs Montesquieu blijkt. Sinds die tijd kende het woord 'democratie' een jammerlijke betekenisverschuiving: het 'representatieve' systeem dat Madison 'republiek' noemde en dat hij expliciet van 'democratie' onderscheidde, heet vandaag ten onrechte 'democratie'. 

 

(3)   De vergelijking met 1950 raakt kant noch wal. De volksraadpleging over het koningschap van Leopold III was géén referendum, maar een plebisciet : het initiatief kwam van de regering, niet van de burgers. Bovendien betrof het een personenkwestie en was het niet bindend. Dit ‘precedent’ als argument tegen bindende (!) referenda (!) op volks(!)initiatief aanhalen is intellectueel oneerlijk en incorrect.
 
(4)   De Wever gaat volledig voorbij aan het feit dat referenda wel functioneren in Zwitserland. Met de directe democratie konden de Zwitsers in de jaren 1970 zelfs een ware institutionele atoombom onschadelijk maken (de afscheiding van het kanton Jura).
 
(5)   BDW ziet de vraag naar meer burgerinspraak als het resultaat van toenemend ‘groepsloos individualisme’ en een afkalvend maatschappelijk draagvlak. Ook de ‘kloof’ tussen burger en politiek ziet hij als oorzaak. Maar waarom zou die kloof niet net een gevolg van het gebrek aan democratische inspraak kunnen zijn? De realiteit in andere landen en deelstaten (Zwitserland, Beieren, Hamburg, Liechtenstein) wijst m.i. in de andere richting: directe democratie versterkt het sociaal kapitaal en het maatschappelijk draagvlak. Heel wat studies bevestigen dit overigens.
 
(6)   Waarom leverde de gemeentelijke volksraadpleging in België tot op heden geen "democratisch feest" op? Eenvoudig : de drempels (handtekeningen en opkomst) lagen tot voor kort onrealistisch hoog, de politici kunnen eenzijdig de vraagstelling wijzigen, het gaat niet over BINDENDE referenda. Dat is geen democratie, maar volksbedrog. Hoe cynisch dat BDW dit nu gebruikt als argument tegen echte referenda! 
 
Slotbedenking: De Wevers pleidooi is een zoveelste illustratie van de aristocratische houding van de partijpoliticus. Toevallig of niet was ook Edmund Burke een vurig pleitbezorger van de (toen nog erfelijke) artistocratie.