De EU schaadt de Europese idee

Afdrukken
Aldus de titel van een paginagroot opiniestuk in de Frankfurter Allgemeine Zeitung (FAZ) van 15 januari 2010. De drie auteurs zijn niet de eersten de besten: Roman Herzog was van 1994 tot 1999 bondspresident van Duitsland en voordien voorzitter van het Duits Grondwettelijk Hof. Frits Bolkestein was van 1999 tot 2004 Europees commissaris (!) voor onder meer de binnenmarkt en Lüder Gerken is directeur van het Centrum für Europäische Politik (CEP).
De kernboodschap van Herzog & Co luidt: de EU overtreedt het subsidiariteitsbeginsel en brengt zo het hele proces van Europese integratie in gevaar. Het stuk is een scherp pleidooi voor een striktere toepassing van het subsidiariteitsbeginsel. 
Wanneer politieke zwaargewichten zoals Herzog en Bolkestein, die de Europese integratie-idee gunstig gezind zijn, tot de conclusie komen dat de EU de verkeerde weg opgaat, kunnen we maar beter naar hun argumentatie luisteren. Daarom volgt hieronder een ingekorte versie van het artikel.Maar eerst wil ik van de gelegenheid gebruik maken om te verwijzen naar het in Vlaanderen en Nederland te weinig opgemerkte opiniestuk "Europa entmachtet uns und unsere Vertreter" (Engelse versie), dat Herzog en Gerken op 12 januari 2007 in de krant Welt am Sonntag publiceerden. In die bijdrage bekritiseerden ze, naast het democratisch deficit in de EU, ook de mechanismen van de "sluipende centralisering" van bevoegdheden. Met dat laatste wordt de sluikse bevoegdheidsoverdracht van allerlei materies naar Europees niveau bedoeld. In het Welt-artikel vroeg Roman Herzog zich af of men Duitsland nog wel een parlementaire democratie mag noemen, aangezien 80 % van de Duitse regelgeving "uit Brussel" komt. Het stuk lokte in Duitsland een controverse uit ("Mythos 80 %"), die tot vandaag voortduurt. Het stuk uit de FAZ kan men zien als een vervolg op het Welt-artikel, aangepast aan de nieuwe realiteit van een EU-na-Lissabon.
Ik geef - zonder commentaar - de kritiek en de voorstellen van de drie heren ingekort weer. Dit is dus geen letterlijke en geen volledige vertaling van het opinieartikel. Wel heb ik getracht om de inhoud zo volledig en getrouw mogelijk weer te geven. Een "verzorgde kladvertaling", zeg maar.


"De EU schaadt de Europese idee" (ingekorte snelvertaling)
door Roman Herzog, Frits Bolkestein, Lüder Gerken
FAZ 15 januari 2010


Nu het Lissabon-verdrag van kracht is, moeten de lidstaten en alle Duitse politici hun aandacht eindelijk diepgaand en ernstig aan de EU-politiek wijden.

Meer dan 80 % van de in Duitsland geldende rechtsbesluiten komen uit Brussel. Dat aandeel zal na het verdrag van Lissabon wellicht nog toenemen.

De EU kende de jongste jaren ontegensprekelijk successen (bvb. de euro, de uitbouw van de interne markt). Op andere gebieden kon ze dan weer niet op tegen de nationale egoïsmen (bvb. bij de ontwikkeling van een gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidspolitiek, de liberalisering van de spoorwegen, de hervorming van de farmasector, de gemeenschappelijke markt voor dienstverlening inzake gezondheid, het vrije verkeer van arbeiders uit de nieuwe lidstaten). Maar de EU werd ook actief op gebieden waar ze niets te zoeken heeft, ze zondigde tegen de geldende bevoegdheidsverdeling, ze negeerde het subsidiariteitsprincipe. Voorbeelden zijn de invoering van een recht op sociale zekerheid voor zelfstandige vrouwen, de pogingen om de bedrijfspensioenen Europees te reguleren en - waarlijk grotesk - de overweging om een EU-regulering op te leggen inzake regionaal personenverkeer en snelheidsbeperkingen in steden.

De EU moet een nieuw evenwicht vinden: in sommige gebieden moet ze sterker worden, van andere gebieden moet ze wegblijven.

Met 27 commissarissen die zichzelf willen bewijzen en die vaak tegenstrijdige politieke belangen hebben, is dit een moeilijke opdracht. Bovendien proberen nationale politici en belangengroepen onophoudelijk via de Commissie dingen te bereiken die ze er in hun land op nationaal niveau niet door krijgen. Aangezien permanent compromissen nagestreefd worden (tussen Commissie, Europees Parlement en Raad enerzijds, tussen de lidstaten onderling anderzijds) ontstaat veel meer regulering dan nodig, en vaak ook slechte regulering.

De grootste uitdaging voor de EU is existentieel: ze moet de instemming terugwinnen die ze bij veel burgers, maar ook in grote delen van de economie, verloor. Zoniet zouden de mensen wel eens het ideaal zelf van Europese integratie definitief kunnen verwerpen. Dat zou de EU als geheel fataal kunnen worden.

Dat wantrouwen ontstaat uit de alomtegenwoordige indruk dat Brussel boven de hoofden van de mensen beslist en dat het, tegen bestaande tradities en culturen in, dingen reguleert die minstens even goed locaal of regionaal geregeld kunnen worden - als ze überhaupt gereguleerd moeten worden.

Precies om deze ontwikkeling te voorkomen werd destijds het subsidiariteitsbeginsel in de Europese Verdragen opgenomen: de EU mag pas actief worden als het probleem in kwestie op nationaal niveau niet efficiënt aangepakt kan worden. Het is logisch dat dit alleen voor grensoverschrijdende problemen het geval is, en precies dat was tot nu toe het juridische criterium voor de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel.

Het subsidiariteitsprincipe wordt echter niet correct toegepast. In Brussel verstaat men subsidiariteit als volgt: wanneer Brussel geld geeft, kan het probleem beter op EU-niveau aangepakt worden. En daarom geeft Brussel maar al te graag geld. Het is dan ook verontrustend dat het criterium "gaat het om een grensoverschrijdend probleem?" in het Lissabon-Verdrag geschrapt werd.
Van het Europees Hof van Justitie en het Europees Parlement moeten we geen oplossing verwachten, want beide hebben zelf belang bij een uitbreiding van Europese bevoegdheden. Daarom is vooral in de lidstaten meer waakzaamheid nodig. Uit de lidstaten moet de duidelijke boodschap komen dat alleen grensoverschrijdende problemen tot de EU-bevoegdheden kunnen behoren.
De parlementen moeten het subsidiariteitsprincipe bewaken. Nu al kunnen ze inbreuken op dat principe melden, maar hoe dat moet gebeuren is nog een open vraag: de parlementen krijgen heel weinig tijd en moeten met andere parlementen overleggen. Een efficiënte overlegstructuur tussen de parlementen moet dan ook worden uitgewerkt.
Ook moet het Duitse parlement samen met andere parlementen zo snel mogelijk een precedent scheppen, door een niet grensoverschrijdende EU-regulering aan te klagen. Alleen zo kan men op politieke wijze compenseren wat nu geen geschreven EU-recht meer is.
Ook de regeringen moeten de subsidiariteit bewaken. Ze mogen niet meer toestaan dat ministeries de Europese weg kiezen wanneer ze op nationaal niveau hun zin niet krijgen. Bovendien moet de Duitse regering categorisch neen leren zeggen wanneer de Raad zijn bevoegdheden te buiten gaat of tegen het subsidiariteitsprincipe zondigt.
Wat dit laatste betreft loopt het grondig fout. Een recent voorbeeld is een EU-richtlijn die zelfstandige vrouwen het recht op sociale zekerheid biedt. De Duitse regering protesteerde op de ministerraad dat de EU voor die materie niet bevoegd is, maar onthield zich vervolgens bij de stemming, om de richtlijn niet te kelderen. Dat was niet de eerste keer: in Brussel heet dit stemgedrag "German vote".
Een ander voorbeeld. Een richtlijn is in de maak om om de Europese antidiscriminatiewetgeving sterk uit te breiden. Zo wil men bedrijven en restaurants tot verbouwingen verplichten om de toegang voor gehandicapten mogelijk te maken. Ook huurders zouden dit van de eigenaar kunnen eisen. Dit is geen grensoverschrijdende materie. Gebouwen kunnen immers geen grenzen oversteken. Maar een veto van de regering is ook in deze niet te verwachten.
Het subsidiariteitsprincipe moet in alle politieke materies gelden. Drie belangrijke materies die niet grensoverschrijdend zijn en dus strikt tot de nationale competentie beperkt moeten blijven, zijn: sociale politiek, antidiscriminatiewetgeving (behalve inzake nationaliteit), onderwijs.
Maar de realiteit is anders. Zo plant Brussel - naast de sociale en discriminatiewetgeving - ook nieuwe ingrepen inzake onderwijs. Na de hogeschoolhervorming (Bologna) wil het nu ook in de algemene schoolpolitiek meepraten.
Het omgekeerde is waar voor de stabiliteitspolitiek. Hier moet de EU een grotere rol spelen. De euro maakt een EU-controle van de nationale begrotingstekorten noodzakelijk. Vandaag kan een lidstaat schulden maken op kosten van alle andere, omdat de ECB alleen met een Europawijde monetaire politiek kan tegensturen. De EU moet de lidstaten tot een consolidering van hun schulden dwingen. De Commissie heeft intussen tegen 20 landen een procedure wegens een te hoog deficit opgestart. Dat is goed, maar het zal moeten blijken of ze genoeg politieke slagkracht heeft om consequent te handelen.
Ook inzake de (grensoverschrijdende) klimaatproblematiek moet de EU kunnen optreden. Dat moet dan wel consequent en consistent gebeuren. We juichen de princiepsbeslissing om een Europese emissiehandel (EU-ETS) op te zetten toe, maar die moet dan ook voor het benzine-, diesel- en stookolieverbruik gelden (bvb. door de producenten en importeurs te verplichten emissierechten te kopen).
Anderzijds moet de EU bestaande regelingen afschaffen als die de EU-ETS hinderen. Het gloeilampenverbod bvb. maakt het de markt onmogelijk om de klimaatdoelstellingen kostenefficiënt te bereiken. Dit verbod zal geen gram CO2 uitsparen, omdat de door de gebruiker gespaarde emissies via de handel in emissierechten bij andere CO2-uitstoters terechtkomen en zo elders meer emissie veroorzaken.
De Commissie zou ook moeten aandringen op een stopzetting van subsidies voor hernieuwbare energieën. Die veroorzaken onnodige kosten omdat ze tot de bouw van energiecentrales leiden die er zonder die subsidies nooit zouden komen. Hernieuwbare energieën zijn al competitief omdat men er weinig of geen emissierechten voor moet verwerven.
Een tot de EU beperkte emissiehandel kan ertoe leiden dat ondernemingen hun productie buiten de EU leggen. Dat vermindert de totaaluitstoot niet en schaadt tegelijk de EU-economie. De EU moet zich dus voor een wereldwijde emissiehandel inzetten of de ontstane kost op een andere manier compenseren.
In de consumentenpolitiek moet de EU actiever worden. Een totale harmonisering van de bescherming van de consument is wenselijk. De huidige situatie, met 27 verschillende regelingen, is nadelig voor ondernemers en consumenten.
Enerzijds is met een minimale harmonisering niet veel gewonnen. Anderzijds is ook een te sterk doorgedreven bescherming van de consument niet wenselijk, omdat uiteindelijk de consument zelf de kosten daarvan draagt en armere mensen zich dan minder kunnen veroorloven.
De EU moet terugkeren naar het concept van de "mondige gebruiker", in plaats van het nu door de Commissie gehuldigde principe van de "gedesorienteerde consument", die door de EU geholpen moet worden in zijn zoektocht naar geluk.
De Commissie moet haar ingrepen in de prijszetting stopzetten. Het beleid om "sociaal aanvaardbare" prijzen af te dwingen of om de mensen tevreden te stemmen door maximumprijzen op te leggen doet te veel aan planeconomie denken en is dringend af te raden. Politieke ingrepen in de prijszetting verstoren de mogelijkheid, op schaarste in te spelen. Dat is ook voor de consument nadelig.
Protectionistische maatregelen van staten om eigen ondernemingen te beschermen ondergraven de interne markt. Daarom moet de Commissie staatssteun strenger controleren. Obstakels voor de interne markt moeten uit de weg geruimd worden. Een mogelijkheid is het creëren van een Europese titel voor de bescherming van intellectueel eigendom.
De lidstaten en dus ook de Duitse politici moeten de Commissie steunen waar ze de hier geschetste visie volgt, maar anderzijds ook daadkrachtig - en publiek - optreden tegen overregulering en inbreuken op het subsidiariteitsbeginsel.
Dit alles is niet alleen in het belang van Duitsland, maar ook van de toekomstige EU-ontwikkeling. De Europese integratie kan maar een succes zijn als de burgers ze mee dragen. Dat is vandaag wellicht minder dan ooit het geval.