De verloren legitimiteit van het federale parlement

Afdrukken
"Nu weet ik natuurlijk wel dat dit niet de eerste ongrondwettige verkiezingen zijn. De eerste verkiezingen op basis van het algemeen enkelvoudig mannenstemrecht van 1919 waren dat ook, en het nieuwe parlement is er toch in geslaagd legitimiteit te verwerven. Meer nog, ook de meeste andere fundamentele wijzigingen aan het belgisch constitutioneel bestel zijn ongrondwettig gebeurd, zoals met name de belgische afscheiding van 1830 en de bevoegdheidsoverdracht aan de Europese Gemeenschappen in 1957. Maar in de drie genoemde gevallen was dit veeleer een teken van de kracht om iets nieuws te constitueren, vandaag gaat het om een stuiptrekking van een zieltogend bestel. Daarvan zal ook na nieuwe verkiezingen geen legitimiteit uitgaan."

1. In het opiniestuk 'De spreidstand van de BHV-burgemeester' (1) argumenteert minister Turtelboom dat een boycot van de verkiezingen in Halle-Vilvoorde noch legitiem noch nuttig is. Dat zij een poging doet om een onderbouwd betoog te houden tegen een actie "dienstweigering" verdient respect, maar dat betekent nog niet dat de argumentatie zelf klopt.

2. Ten eerste miskent de minister de inhoud en draagwijdte van het arrest van het Grondwettelijk Hof (2) en geeft ze aan dat arrest een dergelijke minimalistische lezing dat het arrest volgens haar gewoon géén rechtsgevolgen heeft. Nochtans heeft een arrest van het hoogste rechtscollege in een rechtsstaat natuurlijk bindende kracht, in het bijzonder voor de wetgever zelf, dus ook voor de federale kamers en de regering. In haar uitleg is de minister slechts op één - weliswaar belangrijk punt - correct: uit het arrest volgt inderdaad dat het onmogelijk is de voorheen bestaande arrondissementele kieskringen weer in te voeren. De reden die ze niet vermeldt is dat die 'oude' kieskringen éénzijdig taalgrensoverschrijdend zijn en daarom discriminerend (3).

Dat het arrest de kieskring BHV niet heeft vernietigd, belet evenwel niet dat het die wél ongrondwettig heeft verklaard. Ook de Eerste voorzitter van het Hof van cassatie bevestigde dat dat arrest "weliswaar de indeling in provinciale kieskringen als dusdanig en het behoud van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde niet heeft vernietigd, maar (uit het arrest) wel volgt dat de door de wet van 13 december 2002 gemaakte indeling in kieskringen voor de verkiezingen van de Kamer sinds het verstrijken van de termijn van vier jaar als ongrondwettig moet worden beschouwd" (4). De reden waarom de kieskring niet is vernietigd heeft te maken met de technische aspecten van de procedure voor het Grondwettelijk Hof: als men een wijzigingswet vernietigt, herleeft de oude wet. Door de vernietiging van een reeks bepalingen uit de 'paarse' kieswet van 13 december 2002 viel men voor die aspecten automatisch terug op de oude kieswet, nl. de oude regeling voor BHV (met de apparentering met Leuven en Nijvel en zonder kiesdrempel). Die "oude" kieswet kon het Hof in 2003 niet vernietigen, om de eenvoudige reden dat wetten slechts kunnen vernietigd worden wanneer ze minder dan 6 maanden oud zijn. Die oude wet kon dus niet het voorwerp zijn van de procedure van nietigverklaring die ik destijds als advocaat van de N-VA heb aangespannen. Maar het Grondwettelijk Hof kan wetten van meer dan 6 maanden oud wél ongrondwettig verklaren en deed dat hier ook.

3. Het arrest heeft inderdaad ook beslist dat het aan de wetgever toekomt om een nieuwe niet-discriminerende regeling in wetteksten om te zetten. Het deed al een toegift door de wetgever een termijn van 4 jaar te geven. Zeven jaar later heeft het parlement, in plaats van het arrest uit te voeren, zichzelf voortijdig ontbonden. Er was nochtans geen enkele grondwettelijke plicht om federale verkiezingen te organiseren voor 2011 en er was wél een grondwettelijke plicht voor de wetgever om de kieswet aan te passen vooraleer zichzelf te ontbinden. De kamers moesten met de ontbinding (toepassing van art. 195 Grondwet) dus wachten tot de nieuwe kieswet gestemd was en de regering had dan de democratische plicht zulke door de kamers goedgekeurde wet te bekrachtigen. Door zichzelf voortijdig te ontbinden heeft het parlement kunstmatig een toestand geschapen waarin men een argument heeft om verkiezingen te organiseren. Een dergelijke handelwijze heet in het recht wetsontduiking, in het Frans fraude à la loi, in dit geval fraude à la constitution. Ze bewijst bovendien dat wij helemaal niet in een parlementaire democratie leven, maar in een systeem waarin het parlement enkel nog de klerk van de regering is.

4. Nu weet ik natuurlijk wel dat dit niet de eerste ongrondwettige verkiezingen zijn. De eerste verkiezingen op basis van het algemeen enkelvoudig mannenstemrecht van 1919 waren dat ook, en het nieuwe parlement is er toch in geslaagd legitimiteit te verwerven. Meer nog, ook de meeste andere fundamentele wijzigingen aan het belgisch constitutioneel bestel zijn ongrondwettig gebeurd, zoals met name de belgische afscheiding van 1830 en de bevoegdheidsoverdracht aan de Europese Gemeenschappen in 1957. Maar in de drie genoemde gevallen was dit veeleer een teken van de kracht om iets nieuws te constitueren, vandaag gaat het om een stuiptrekking van een zieltogend bestel. Daarvan zal ook na nieuwe verkiezingen geen legitimiteit uitgaan. Door zichzelf te ontbinden heeft het federale parlement een situatie geschapen waarin de democratische legitimiteit van het Vlaams Parlement een stuk groter is dan die van het federale. Dat is in zekere zin een Copernicaanse revolutie, waarin de deelstaten het voortouw moeten nemen. Wanneer dienstweigeringsacties ertoe bijdragen om dat duidelijker te maken, zodat het bestel daaraan ook wordt aangepast, zijn ze buitengewoon nuttig.

(1) De spreidstand van de BHV-burgemeester", de Standaard 19 mei 2010
(2) arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 73/2003 van 26 mei 2003,
(3) Zie mijn Interpretatie zonder te zinzen: waarom de splitsing van BHV grondwettelijk moet, 9 september 2007,  en het vervolg daarop "De kern van de zaak: BHV discrimineert in strijd met het belgisch evenwicht",
(4) Brief van 4 mei 2010, te vinden op Haviko

Deze tekst verscheen onder dezelfde titel in de Standaard van 21 mei '10 en lokte daar ook een reeks reacties uit. Op enkele antwoord ik hierna: 

Vraag van D.B.
"Graag meer toelichting van Storme op deze vragen: is enkel de kieskring BHV strijdig met de grondwet of is de kieskring Leuven dat ook? Zijn de verkiezingen zelf daardoor strijdig met de grondwet, en zijn ze dat enkel in de voornoemde kieskringen, of in heel België? "

Antwoord:
Theoretisch kan men stellen dat het geheel van de kieskringen ongrondwettig is, omdat er geen gezamenlijke wettelijke grondslag is voor de indeling van het land in kieskringen, zoals vereist door art. 63 Grondwet. Er zijn enkel twee halve wetten die een deel van het territorium regelen. Ook kan de discriminatie in theorie opgeheven worden door BHV te behouden en alle kieskringen taalgrensoverschrijdend te maken (een vrij absurde oplossing, maar goed). Als men evenwel het arrest leest volgens de geest ervan, dan dient men te concluderen dat de ongrondwettigheid zich situeert in Vlaams-Brabant, zeker in Halle-Vilvoorde en Brussel, volgens mij ook in Leuven en in Nijvel, al was het maar omdat daar nog de oude regels gelden inzake kiesdrempel en apparentering, die in de rest van het land gewijzigd zijn?

Vraag van P.D.
"En zo dacht ik dat burgemeesters deel uitmaken van de uitvoerende macht en het niet aan hen is om te gaan oordelen over de wettelijkheid van verkiezingen(of toch niet in hun hoedanigheid van burgemeester). Zo ook voor de drie 'balorige' (de term komt niet van mij) franstalige burgemeesters, waarvan de 'dienstweigering' aan omzendbrieven werd gesanctioneerd. "

Antwoord:
1. De leden van de uitvoerende macht moeten elk in de uitoefening van hun taken en bevoegdheden de wet terzijde laten wanneer die reeds door het Grondwettelijk Hof ongrondwettig is verklaard. Zolang dat niet is gebeurd, kunnen ze dat niet. Mocht dat buitensporig lijken, misschien ter vergelijking vermelden dat de leden van de uitvoerende macht elk in de uitoefening van hun taken en bevoegdheden de wet terzijde moeten laten wanneer die strijdig is met het europees recht, zelfs wanneer er nog geen arrest is van het Europees Hof van justitie. Dat gaat dus nog ene flinke stap verder. Bovendien kan élke rechter een wet strijdig verklaren met het Europees recht. De eerste stelling is in verhouding daarmee nog zeer gematigd.
2. De vergelijking met de 3 burgemeesters uit de faciliteitengemeenten is totaal vals. Wat men ook over de grond van die zaak mogen denken, er is wel het fundamentele verschil dat de bevoegde rechtscolleges de omzendbrief-Peeters wél in overeenstemming met de wet de de grondwet bevonden hebben.

http://www.nieuwpierke.be/forum_voor_democratie/nl/node/771