Wit Bericht 05/09/2001

Afdrukken

Enkele bedenkingen over democratie in België en in Europa


Woensdag 05 september 2001
auteur: Jos Verhulst

Het juiste wapen tegen de bedenkelijke kanten van de globalisering is de invoering van de democratie.
Toen in 1885 de ‘Belgische Werkerspartij’ werd opgericht, luidde het eerste programmapunt: “Algemeen stemrecht. Rechtstreeksche wetgeving door het volk, dat is: bekrachtiging en initiatief door het volk op wetgevend gebied, geheime en verplichtende stemming. De kiezingen moeten ‘s zondags geschieden”. De pas opgerichte socialistische partij was voorstander, niet alleen van algemeen stemrecht, maar ook van directe democratie. ‘Bekrachtiging’ betekent, dat over belangrijke besluiten (zoals bijvoorbeeld grondwetswijzigingen) het direct accoord van het volk nodig was. ‘Initiatief’ betekent, dat ook het referendum op volksinitiatief werd geëist. Overigens hadden ook andere socialistische partijen, bijvoorbeeld in Duitsland en Zwitserland, de directe democratie bovenaan hun agenda staan.

Het is een klassiek fenomeen: partijen die dieper doordringen in de machtscenakels, verliezen gaandeweg hun voorkeur voor directe democratie. In ons land is Agalev een goed voorbeeld. Op hun kongres in Leuven namen de groenen nog een progressief standpunt in inzake referenda op volksinitiatief. Sinds hun regeringsdeelname is het vuur danig bekoeld, en in de Commissie voor Politieke Vernieuwing ontpopten de woordvoerders van Agalev zich als bepleiters van een sterk ingesnoeid referendum. Met de socialisten verliep het niet anders. De PS dient zelfs als een uitgesproken tegenstander van directe democratie gecatalogeerd. De SP draait rond de pot en negeert het thema zo veel mogelijk.

Het referendum wordt nooit van harte door machtspartijen verdedigd. Het wordt in wezen verdedigd door mensen, door individuen, die inzien dat een zogenaamde ‘vertegenwoordigende democratie’ een contradictio in terminis vormt. Democratie impliceert immers het idee van een soeverein volk, terwijl ‘vertegenwoordigend’ inhoudt dat de burgers het verbod krijgen opgelegd om rechtstreeks aan wetgevend werk te doen, ook als zij dit zouden willen - zodat zij dus niet soeverein zijn. Natuurlijk zal het meeste wetgevend werk door gemandateerden moeten gebeuren. De kern van de zaak is, dat de burgers dit mandaat vrij moeten verlenen, wat inhoudt dat zij ook de mogelijkheid moeten hebben om desgewenst niet te mandateren doch via een referendum op volksinitiatief zelf te beslissen. Een mandaat dat verplicht moet verleend worden is nep, want een authentiek mandaat kan enkel in vrijheid worden gegeven. Daarom is een democratie zonder volwaardige directe besluitvormingskanalen volkomen ondenkbaar.

De politieke klasse legt zich bij zo’n conclusie natuurlijk niet neer. Politieke partijen met toegang tot de macht hebben er belang bij om directe democratie tegen te houden, want alle macht die naar de burgers gaat, is verloren voor de particratie. Politieke partijen zullen ons systeem dus systematisch als een volwaardige democratie voorstellen, terwijl de burgers toch zeer goed weten dat zij geen reële zeggenschap hebben.

Hoe staat het met de vooruitzichten op het referendum in België? Slecht. Weliswaar is het perspectief op directe democratie (in tegenstelling tot bijvoorbeeld het migrantenstemrecht) in de federale en regionale regeeraccoorden opgenomen. Maar naarmate de Witte Mars verder uit het geheugen wegzakt, krijgen de oude prioriteiten weer voorrang (zoals een betere uitstapregeling voor onze misdeelde parlementairen bijvoorbeeld). De politieke klasse heeft de Commissie voor Politieke Vernieuwing vakkundig laten doodbloeden. Want niets is voor hen minder dringend dan de toekenning van reëel spreekrecht aan de burgers.

Ook de voorstanders van het referendum op volksinitiatief, waaronder de huidige eerste minister zeker moet gerekend worden, verschuilen zich achter de zogenaamde grondwettelijke bezwaren tegen de invoering van het referendum tijdens de huidige legislatuur. Ik beschouw deze bezwaren als een uitvlucht. Het algemeen stemrecht werd na de eerste wereldoorlog ook ingevoerd vooraleer de grondwet werd aangepast (tijdens de zogenaamde ‘coup van Loppem’). Hoewel men twijfels kan hebben bij de bedoelingen van de toenmalige politieke elite, was de handelswijze op zich toch juist. Waarom? Omdat ook een grondwet geen goddelijk decreet is, doch haar autoriteit ontleent aan het idee dat zij de uitdrukking is van de volkswil. Een grondwet kan dus per definitie geen bepalingen bevatten die de uitdrukkingsmogelijkheden van de volkswil principieel beperken. Wanneer bijvoorbeeld een grondwet het algemeen enkelvoudig stemrecht uitsluit, dan is die grondwet op dat punt gewoon antidemocratisch en bijgevolg ongeldig. Hetzelfde moet ook gezegd worden over een grondwet die rechtstreeks wetgevend werk door de burgers op enig gebied uitsluit. Zo’n grondwet is immers onverenigbaar met het concept zelf van volksoevereiniteit en democratie en is op dat punt bijgevolg niet rechtsgeldig. De enige juiste handelswijze bestaat er dan in, om onmiddellijk de democratie wettelijk in te voeren en dit niet uit te stellen door zich te verschuilen achter ondemocratische (en bijgevolg ongeldige) bepalingen in de grondwet. De regering zou dus best, nog tijdens de huidige legislatuur, een bindend referendum inrichten ter invoering van de directe democratie. Dat klinkt radicaal, maar om met premier Verhofstadt te spreken: ‘Wat is er fout aan radicaal zijn?’ (De Morgen, 27 augustus). Het is trouwens betwistbaar dat onze grondwet sowieso het referendum uitsluit. Ik verwijs op dit punt naar het Interimverslag van de Commissie Politieke Vernieuwing , waarin Professor Vény (RUG) voor de parlementaire commissie het volgende opmerkte: “De stelling als zou de organisatie van een referendum en van een volksraadpleging ongrondwettelijk zijn, werd geopperd door de afdeling wetgeving van de Raad van State en domineert tevens de rechtsleer en rechtspraak. In de Grondwet is voor de zogenaamde ongrondwettelijkheid evenwel nergens een duidelijke grondslag terug te vinden: nergens verbiedt een bepaling formeel het referendum of de volksraadpleging. Bovenvermelde redenering is gebaseerd op artikel 33 van de Grondwet, maar dat artikel blijft erg vaag. Bovendien zou de ongrondwettelijkheid alleen maar voortvloeien uit het tweede lid van artikel 33, en dan nog in combinatie met artikel 42 van de Grondwet. Zo de andere sprekers daarin een impliciet verbod menen te zien, dan komt dat doordat zij aan de grondwet een restrictieve lezing geven. Niets belet echter een ruimere lezing. Daar komt nog bij dat beide assemblées zonder aarzelen artikel 33, tweede lid, opzij hebben geschoven, telkens als het erop aan kwam internationale instellingen bevoegdheden te verlenen, terwijl de Raad van State daar bij verschillende gelegenheden had tegen ingebracht dat de toewijzing van beslissingsbevoegdheden en de overdracht van nationale soevereiniteit aan internationale instanties niet met die grondwetsbepaling strookte” (p.22-23)

De commentaar van professor Vény is bepaald ontluisterend voor de politieke klasse, en illustreert treffend hoe wij wel degelijk in een particratie leven, en niet in een democratie. De particratie heeft er geen enkele moeite mee om de nationale soevereiniteit, die eigenlijk het hoogste goed is van het volk, door te schuiven naar allerhande supranationale instanties die meestal iedere reële democratische legitimatie ontberen. Maar wanneer naar de burgers beslissingbevoegdheid moet worden doorgeschoven, begint men plots ingewikkeld te doen en blijkt de grondwet een bezwaar. De grondwetsartikels 33 en 42 hebben blijkbaar een hoog kameleongehalte: halsstarrig rood licht wanneer het om beslissingsbevoegdheid voor de burgers gaat, doch snel op groen overgaand wanneer beslissingsbevoegdheid naar door het volk oncontroleerbare instellingen gaat. In werkelijkheid staat reeds vast dat het volk ooit een harde heroveringsstrijd zal moeten voeren, om de soevereiniteit die door de politieke klasse werd verkwanseld, opnieuw te verwerven. Zo spreekt professor Dumont (p.39) over “..het overwicht van de dwingende regels van het internationaal recht (‘ius cogens’) dat bindend is voor de grondwetgevend macht zelf” ; tegen deze ‘dwingende regels’ mag volgens hem dan ook geen bindend referendum op volksinitiatief worden gericht. Welnu, zolang dat niet kan is van volkssoevereiniteit en democratie in België geen sprake.

Het dwaalspoor van het migrantenstemrecht

In een particratie zoals de onze levert de politieke klasse ook voortdurend ideologische strijd. Een particratie berust op de overweging, dat de verkozenen moreel superieur zijn aan de gemiddelde burger. Professor Dewachter (in: ‘Besluitvorming in politiek belgië’, 1992) schetste de situatie als volgt: “Volgens het basisconcept van de ‘parlementaire democratie’ worden de beslissingen getroffen door een selectie van ‘filosofen-prinsen’. Representatief gespreid over het hele grondgebied wordt een steekproef van vertegenwoordigers van het volk gekozen. Doch de verkozenen zelf zijn niet meer representatief; zij staan niet modaal, maar zijn de besten. Het parlement is de verzameling van de besten uit de natie”. Dewachter citeert een toespraak van voormalig BRD-justitieminister Dehler, die door de politici van het hele parlementaire spectrum op groot applaus werd onthaald: “De parlementsleden hebben de plicht en de mogelijkheid vanuit een groter inzicht, vanuit een betere kennis te handelen dan de enkeling dit vermag te doen. Ik bedoel ook: wie het hoge mandaat van de volksvertegenwoordiging bekleedt, zal uiteindelijk een grotere karaktersterkte hebben, die noodzakelijk is om in een belangrijke vraag van ons volk juist te kunnen beslissen”.

De politieke klasse heeft voortdurend de behoefte om zich tegenover de burgers als morele autoriteit te profileren. De campagne die Agalev en de SP voeren rond het migrantenstemrecht is daar een typisch voorbeeld van. Deze campagne wordt gevoerd op een moraliserend toontje, en de SP legt zelfs het verband tussen de strijd voor het algemeen stemrecht en het migrantenstemrecht. Deze vergelijking is volkomen vals. Een rechtsstaat is gebaseerd op het idee, dat in rechte al haar burgers volkomen, maar dan ook volkomen gelijk zijn, met identieke plichten en rechten. Hieruit vloeit logisch voort dat personen, die wettig en permanent in België verblijven, zonder drempel moeten kunnen overgaan naar de Belgische nationaliteit. Eigenlijk zouden zij hiertoe zelfs moeten worden verplicht. Het idee, dat het nationaliteitsbewijs iets te maken heeft met afstamming of etniciteit, met bloed of bodem of glorierijke verledens, moet daarbij radicaal worden verworpen. Het nationaliteitsbewijs is gewoon een rechtsdocument, een lidkaart van een staatsgemeenschap van gelijken in rechte. Nieuwe permanente bewoners van de rechtsstaat moeten zich enerzijds zo’n kaart aanschaffen, terwijl hen daarbij anderzijds niets in de weg mag worden gelegd. Ik ben zelfs tegen taaltesten en dergelijke, want wie Belg is door geboorte moet zo’n testen ook niet afleggen. Het enige criterium kan zijn: verblijft de betrokkene wettig en permanent in België?

De zogenaamde ‘progressieve’ partijen zien dit anders. Enerzijds vinden zij, dat de reactionaire bloed-en bodemgevoelens van migranten, die om ‘sentimentele’ redenen aan hun oude nationaliteit vasthouden, met de grootste eerbied moeten bejegend worden. Dat is een reactionaire houding. Gehechtheid aan eigen wortels, godsdienst enz. is op zichzelf volkomen normaal en op geen enkele wijze problematisch. Maar de wens om deze gehechtheid ook uit te drukken in een juridisch onderscheid is retrograad en verwerpelijk. Niets belet migranten om als Belgisch burger hun godsdienst of hun muzikale en gastronomische en andere voorkeuren te behouden. Maar de migranten moeten wel de bereidheid vertonen om volwaardig lid te worden van de Belgische rechtsgemeenschap. Dat doen zij niet wanneer zij een buitenlandse nationaliteit behouden. Wie bijvoorbeeld permanent in België verblijft maar toch de Marokkaanse nationaliteit behoudt, kan huwen voor het Marokkaanse recht, en dit heeft ook rechtsgevolgen voor de Belgische rechtsspraak (daarom worden ook cursussen over het Marokkaans recht ingericht voor onze magistraten). Burgers krijgen wel degelijk verschillende rechten ten gevolge van verschillende nationaliteiten, en dat is diametraal in tegenspraak met het concept van de moderne Westerse rechtstaat, die op het idee van absolute juridische gelijkheid tussen haar burgers is gebaseerd.

De versterking en radicale democratisering van de nationale rechtsstaat is ook het juiste antwoord op de problematiek van de globalisering. De economische wereld vertoont van nature een tendens tot globalisering. Daar kan niemand tegen zijn. Maar de menselijke samenleving is meer dan alleen maar economie. Zij omvat ook rechtsleven (dat op het niveau van de rechtstaat is georganiseerd) en geestesleven (dat het individu betreft). Het economisch leven vertoont van nature de tendens om de andere gebieden te overspoelen en te domineren. Daarom dient bewust gewerkt te worden aan een radicale versterking en democratisering van de nationale staten, want alleen op die basis kan een gezonde tegenmacht worden gevormd tegen de pletswals van de economische globalisering. Democratie is slechts realiseerbaar binnen nationale kaders, en daarom is het idee van de nationale staat als zodanig geenszins voorbijgestreefd. Wel voorbijgestreefd is het particratisch stelsel dat overal als ‘democratie’ wordt verkocht. De globalistische economische machten hebben alle belang bij een verzwakking van de nationale staten. Door te streven naar migrantenstemrecht, en niet te mikken op drempelloze juridische gelijkschakeling van alle permanente bewoners van een land, ondermijnen de ‘progressieve’ partijen het concept van het burgerschap en van het ideaal van volstrekte juridische gelijkheid wat het fundament is van de nationale rechtsstaat. Daardoor dienen zij het wilde mondiale kapitalisme.

Tegelijk heeft de campagne rond het migrantenstemrecht een duidelijke ideologische betekenis. Het stemrecht in een particratisch stelsel levert de burgers slechts zeer weinig politieke invloed op, en dat zal voor migranten natuurlijk niet anders zijn. Door het accent te leggen op het migrantenstemrecht, en tegelijk de eis voor reële democratisering via de invoering van het referendum op volksinitiatief te negeren, verspreidt de politieke klasse impliciet de ideologische stelling dat onze huidige particratie reeds een democratie is.

De democratisering van Europa

Vrijwel iedereen is het eens over het bestaan van een democratisch deficit in Europa. Menig politicus heeft daarover ook wel eens een krokodillentraan geplengd. In werkelijkheid gebeurt er zeer weinig.

Hoe kunnen wij Europa democratiseren? Ik stel twee kernideeën voor.

Ten eerste: de democratisering van Europa dient te gebeuren via de democratisering van de lidstaten. Europa is geen natie en geen rechtsstaat, en moet dit ook niet worden zolang de burgers zich niet uitdrukkelijk in die zin uitspreken. Democratie leeft zich per definitie uit in een rechtstaat, en zolang de burgers niet de wens uitspreken om van Europa als zodanig een staat te maken, kan een democratisch Europa enkel bestaan bij gratie van democratische (en niet: particratische) lidstaten. Europa dient in eerste instantie te berusten op verdragen, en die verdragen moeten door de burgers van de betrokken staten uitdrukkelijk kunnen gelegitimeerd worden. De huidige absurde situatie, waarbij de burgers zich in sommige landen wel en in andere niet kunnen uitspreken over de Euro of over Nice, moet ophouden. Alle burgers in alle lidstaten moeten zich direct kunnen uitspreken over verdragen die soevereiniteitsoverdracht inhouden. Alle verdragen moeten ook op termijn herroepbaar zijn: in geen enkel land zou een generatie op onomkeerbare wijze de volgende generatie mogen binden.

Kortom: de democratisering van Europa dient te gebeuren via de democratisering van de lidstaten, wat minstens inhoudt dat in al deze lidstaten een fatsoenlijke vorm van directe democratie wordt ingericht.

Vaak worden bezwaren geopperd tegen een Europa met twee of meer snelheden. Men vindt het bijvoorbeeld jammer dat sommige lidstaten buiten Euroland blijven. Ik zie niet in wat hieraan bezwaarlijk is. De meeste Europolitici hebben als ideaalbeeld een Euro-monoliet voor ogen. In werkelijkheid zou Europa niet een soort superstaat moeten zijn, maar een politieke cultuur; een politieke cultuur die zich uitkristalliseert in een net van radicaal-democratisch tot stand gekomen verdragen tussen soevereine staten, die op uiteenlopende gebieden ook uiteenlopende lidstaten kunnen verbinden. Europa zou in politiek opzicht een ‘fuzzy set’ moeten zijn, waarin nieuwe landen niet worden ‘toegelaten’, maar per deelgebied (landbouw, culturele uitwisseling, onderzoek, militaire samenwerking..) verdragsgewijs kunnen binnengroeien. Enkel zo’n ‘fuzzy set’- opvatting is logisch verenigbaar met het concept van authentiek democratische en verdragsgewijs verbonden rechtsstaten.

Ten tweede, en direct hiermee verbonden: er dient een Euro-cultuurparlement te komen dat zich specifiek bezighoudt met de verzorging van deze Europese democratie-cultuur. Wat is cultuur? Cultuur is geen verzamelbak, waarin zogenaamd ‘culturele ‘ materies als muziek, schilderkunst, onderwijs en gastronomie worden samengegooid. Als momentopname is cultuur de wijze, waarop mensen samenleven; als tijdsgestalte is cultuur de ideële broedplaats waarin zich nieuwe samenlevingswijzen ontwikkelen. Kunsten kunnen doordrenkt zijn van cultuur en cultuurdragers zijn; maar ze zijn als zodanig geen cultuur. En in ieder geval worden ook de samenleving en het recht gevormd door cultuur. Daarom is het concept van ‘multiculturele samenleving’ onzin. Je kan wel een multiculturele naast-elkaar-leving hebben, en je kan ook een kosmopolitische samenleving hebben (met een cultuur uitgebouwd rond de ideeën van individuele vrijheid, van absolute juridische gelijkheid en van authentieke volksoevereiniteit) , maar een multiculturele samenleving is als zodanig een hybried en contradictorisch begrip. Vanuit de culturele sfeer ontstaan voortdurend nieuwe ideeën, impulsen en opvattingen, die dan met zekere vertraging uitkristalliseren in nieuwe wetten (precies omdat in een rechtstaat per definitie maar één wettelijk systeem geldt, dat op gelijke wijze van toepassing is voor iedereen, kan er ook maar één cultuur zijn). In de mate dat het idee van een radicaal-democratische Europese samenlevingscultuur veld wint, zou hiervoor ook een forum moeten ontstaan. Zo’n Europees cultuurparlement mag geen klassiek wetgevend parlement zijn, maar een broedplaats waar men zich voortdurend bezint over het waardenstelsel dat aan onze samenlevingen ten grondslag ligt en dat ten gronde berust op de vrijheden die aan het individu worden toegekend. Het gaat dus niet om de productie van een Orwelliaans eenheidsdenken (iets waarop Europa momenteel met beangstigende snelheid afstevent), maar juist om de bewaking van het idee en het ideaal van de vrijheid. Hiertoe behoort allereerst de vrijheid van meningsuiting (die momenteel in de meeste Europese landen onder zeer hoge ‘politiek correcte’ druk staat; Europa heeft grote nood aan een radicaal ‘First Amendment’ naar Amerikaans voorbeeld), de toegankelijkheid van het maatschappelijk forum (het economisch en politiek monopolie op de media is één van grootste hindernissen voor de totstandkoming van een reële democratie), de vrijheid van onderwijsinitiatief voor ouders (in de meeste Europese landen uiterst ingeperkt), de vrijheid van economisch initiatief (met inbegrip van het recht op eigen munt- of kredietcreatie indien de geldbezitters de rente te hoog opdrijven), de vrijheid van godsdienst en vereniging (momenteel in een aantal landen bedreigd door allerhande anti-sektenwetten enz.). Over fundamentele vrijheden moeten ook cultuurreferenda mogelijk zijn waaraan alle burgers kunnen deelnemen. Het kan niet de bedoeling zijn dat een Europees kultuurparlement of Europese cultuurreferenda wetten maken. Het culturele leven krijgt via deze instellingen wel de mogelijkheid om expliciete maatschappelijke beelden voort te brengen, die dan morele grondstof vormen voor de nationale wetgevers. Het Europees cultuurparlement zou tevens de eerste poort zijn waarlangs kandidaat-lidstaten in het netwerk kunnen binnentreden.

Ik geloof dat de twintigste eeuw de periode is geweest, waarin het democratisch ideaal op planetaire schaal legitimeit verwierf. Er zijn op onze planeet nauwelijks nog dictators of particraten te vinden die openlijk het democratisch ideaal afwijzen. Dat was honderd jaar geleden niet zo; de mensheid heeft dus ondanks alle lijden en dwalingen in honderd jaar tijd wel degelijk een stap voorwaarts gezet. Onze nieuwe eeuw is geroepen om de volgende stap te zetten: de democratie moet nu niet enkel meer als ideaal worden erkend, ze moet daadwerkelijk worden ingevoerd. En Europa heeft geen bestaansreden wanneer het daarbij geen voortrekkersrol op zich neemt.

Jos Verhulst

(verzonden naar G.Verhofstadt 28-8-2001)